De ontredderden. Eerste bundel. I en II.
Part 10
Waarom had ze niet liever om 'n drie gulden gevraagd... dan kon ze teminste uit de voeten... D'r man op een betere weg brengen, och lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit 't warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen was ze toch niet, of 't streelde haar gehemelte... wat deed ze bij dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste dagen te redden bleef het eerste en 't eenige wat haar kwelde. Met haar twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat ze haar huis werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek 't nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar naar 't armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde 't haar, dat ze toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich te vol. 't Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.
De gedachte aan de koffie, aan 't gebraden vleesch maakte haar ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze kreeg behoefte aan wat warms.
Ze voelde zich huiverig van de koû. 't Was ineens weer gaan vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg, maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was 't niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg, wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze niets mee.
Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû tot morsìg ijs ging stijven. Gladde, diepe voren lagen overal gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog 't dooiwater sieperde. 't Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp waren de pasbevroren dooi-ríchels.
In de Pijlsteeg zag ze 't groote bord van de gaarkeuken, wel drie keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan, uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme stumper.
Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat het gebouw was gesloten. Ze begreep 't eerst niet, bleef aan de deur rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:
--Zondags is 't maar tot één uur open!
Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar moest ze naar toe?
Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken, maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met 't logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging niet! Ze griezelde ervoor.
De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. 't Bracht haar in gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en 't daarna sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. 't Was wel niet veel wat er stond, maar ze zat toch beschut--en met een beetje kokes kan je 't warm stoken.
Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die 't daglicht niet kunnen velen. 't Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder 't loopen op, maar de maag scheen niet minder leeg te blijven. 't Feit verwonderde haar, in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.
De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog altijd zien wat ze deed.
Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar 't verhielp niet, dat ze zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op 't lijf. Ze dacht eraan op een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was 't nog te veel dag. Ze schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet om geld te vragen. Ze kon 't nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee, dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.
Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens door haar heen, dan moest ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te komen. Of 't veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan mocht ze niet loslaten.
Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... 't kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was 't kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten, maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.
Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker, er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan haar in de steek liet, ja dan werd 't wat anders!...
VII.
Ze liep nu langzaam de kant op naar huis. Het wankelde en twijfelde nog aldoor in haar, al besloot ze om terug te keeren. 't Zou zoo heerlijk zijn geweest als ze teminste een nacht had kunnen wegblijven. Dàt zou hem koest maken, hèm leeren niet op haar gedweeheid te vertrouwen. Maar nu, juist op zondag, leek haar ergens onder-dak-geraken dubbel moeilijk.
Dicht bij huis kwam het bij haar op bij Greet Hesselaar aan te loopen, 't werd dan meteen wat donkerder; om bij licht aan te komen stond haar maar matig aan.
Ze strompelschokte tegen de trap op. God-in-de-hemel, nu voelde ze eerst recht haar moeheid! Blij zou ze zijn, als ze eens even kon uitrusten. Drie-hoog, een heele rek!!
Ze klopte aan, draaide de deurknop om, bleef weifelend in de opening staan.
--Kom binnen... waar heb-jij de heele dag gezete? klonk haar al tegen.
Ze trok met zware handen de deur achter zich toe, nog te veel buiten adem om dadelijk te kunnen antwoorden.
De familie, man, vrouw en vier kinderen zaten om de tafel, Hesselaar zelf lag hoofd op zijn armen, ingeslapen. De kinderen staakten hun eten, hielden de vork omhoog in de handen en keken nieuwsgierig.
In 't vertrek was geen stoel vrij. Alle bezet. Ze hadden er zes en een fauteuil, maar een er van stond in de hoek met gebroken achterpoot, en om te voorkomen dat iemand erop plaats nam, werd die stoel voor bergplaats gebruikt. Nu lagen de jasjes er op van de kinderen.
Moeder Hesselaar gaf aan een der kleuters een teeken om op te staan, zijn stoel aan haar te geven. De jongen deed het met weerzin, maar hij deed het toch, hangleunde nu tusschen broertje en zusje in, gaapte haar aan met onvriendelijk-nieuwsgierige oogen.
--Waar heb je de heele dag gezeten? zei nu weer Greet. Je man is hier wel drie keer geweest... hij zat erg ermee in!
Ze gaf geen antwoord, haalde de schouders op, waarmee ze zei: wat kan mij dat schelen! De ruwe gemakkelijkheid waarmee Greet sprak in tegenwoordigheid van de kinderen, hinderde haar, maar de moeheid dwong haar tot zwijgen. 't Was of ze ineens inzakte; ze kon niet spreken.
Greet herhaalde nogeens, dat Baller d'er was geweest, dan vroeg ze hartelijk:
--Wil je niet een happie ete?
Vrouw Baller schudde het vaal-blonde hoofd. Met de beste wil zou ze geen brok erin kunnen krijgen, het warme eten, waarnaar ze straks zoo verlangde, leek haar wee. De lucht alleen walgde haar tegen. O, O, wat was ze moe!
--Sjeneer je niet Sjenetje, drong Greet weer aan, die al een bord leeg schraapte, wat groente en aardappelen opschepte.
Vrouw Baller wenkte opnieuw afwerend.
Greet schudde het rood-gezonde hoofd, bleef haar met open mond aankijken, wachtend tot ze wat zou zeggen.
Ze begreep, dat ze niet sprakeloos kon blijven zitten, al voelde ze zich te veel ontdaan, om maar dadelijk erop los te praten. Heel langzaam begon de kamerwarmte haar te ontdooien, weldadig te doordringen, en de gezelligheid, de vele gezichten om de tafel die haar aankeken, ontspanden haar strakke trekken.
--Wat is er gebeurd, herhaalde Greet, om haar tong wat los te krijgen.
--Och niks, stootte ze eindelijk eruit, gisteren ruzie gehad, en vannacht is-ie dronken thuis gekomme!
Greet zuchtte eens. En die zucht zei meer dan honderd woorden.
--Hij schijnt ook niet erg frisch te wezen, kwam ze nu zelf los, op Hesselaar wijzend.
--Nee, hij hêt gisteravond 'n raap in gehad, en vanmiddag, nou ja, dàt wete we... ik laat hem maar uitslape en dan komp alles terecht.
--Waarom die kerels toch altijd zoo zuipe, schimpte vrouw Baller erover heen.
--Ja mensch, dat schijnt erbij te hoore... een man die geen borrel pakt is 'n witte raaf... dat kan je aan de balk schrijven... maar de mijne is anders niet kwaad... alleen je mot hem goed late... as-ie nou wat uitgeslapen is gane we naar Stoel en Spree... Zal ik nou herrie make... da'r wor' ik toch niet beter op.
Zij zette 't bord voor haar neer, zei aanmoedigend:
--Toe, eet maar een stukje... dán kom je wat bij... geve en neme, zoo is het overal in 't leve... je mot wete te schikke... de manne benne allemaal 't zelfde. Hee, ouwe, sta 'es op!
Ze klapte Hesselaar op de ingedoken schouders, schudde hem stevig door elkaar.
--Je mot denke, zei ze vergoelijkend, de heele week is 't hard aanpakke... van 's morge's vor dag en dauw tot 's aven's toe... en dan nog standjes en komplimente afwachte van de baze, ik ben al blij, dat-ie maar werk houdt... de rest komp vanzelf.
--Dat is 't hem net, maar de mijne is aldoor zonder, en ik draai er dan voor op. Dat maak-je duvels...
--Ja-ja, zuchtte Greet, már je bent ók már alleen... hebt geen kinders.
--Ik woû da'k ze nog had, huilsnikte ze bijna.
--Dat zou je niet zegge as je zooveel monde had open te houwe... En slijte dat ze doene... geen draad blijft er haast heel... maar goddank, ze benne gezond, dàt niet... ze vrete me de oore van de kop.
Lach-tevreden keek ze haar kinderrij rond, schudde Hesselaar weer door elkaar, schreeuwde:
--Wor' toch wakker, d'er is vrouw Baller!
Geeuwend richtte hij zich nu ook op, wreef de slaapoogen uit, --en de kinderen lachten luid om de vreemde gezichten, die vader trok.
--Hè-hè, flauwde hij, ik was pas in de dut, ho-ho!!!
Hij keek nog slaapgeeuwerig rond, merkte haar nu op.
--Zit jij hier... je man is op de zoek!
--Zoo, hêt-ie angst?
--Angst... angst? Dat weet 'k zoo net niet... hij was hier... ga maar gauw naar honk!
--'t Is nogal 'n lieverd!
--Ja, hoor'es, scherpte nu Hesselaar die zich in z'n heele lengte opstrakte, hoor ès daarmee kan ik me niet bemoeien. Ik zeg alleen wat ik weet, dat hij hier is geweest en je zoekt!
--Kom, eet eerst een stukkie, hap toe, en ga dan maar naar huis, vermaande nu ook Greet. Kwaad worden is gewoon-menschelijk maar kwaadblijven duvelsch... geen huis zonder kruis... overal valt wel eens wat voor, zeg nou zelf!
Gelijk schoof ze 't bord nog wat naderbij, moedigde aan om te eten.
Meer door de vriendelijke dwang dan door eetlust pakte vrouw Baller de vork, probeerde wat er in te stoppen. Maar de stukken kool bleven haar in de keel steken, en de tranen glibberden, onder 't moeizaam kauwen, langs de mondhoeken mee naar binnen.
Ze onderging sterk de gewaarwording, dat 't hier een ander huishouden was dan bij haar. Greet kon opspelen, niet gemakkelijk zijn, op haar tijd wist ze toe te geven. Ze waren niet zoogenaamd van beter kom-af, zooals haar man, en zooals ze zelf altijd graag had willen zijn, maar ze bezaten wat zij juist miste, de gemoedelijkheid, het zich schikken en passen naar de omstandigheden, het nemen naar 't uitvalt. Die Hesselaar zag er lang niet nuchter uit, had meer dan een glaasje teveel, maar zijn vrouw keek er even vroolijk om; ze gingen van avond uit, naar de komedie... en zij?
Een nieuwe verbittering wrangde òp, en ze moest die uiten, zei vinnig:
--Jullie hebbe makkelik prate, die vent van mijn is nou al vier maanden zonder... en as we maandag niet betale staan-ne-we op straat... de huisbaas wil niet wachte, èn ie-hêt g'n ongelijk.
Hesselaar en z'n vrouw zwegen, ze wisten wel waar 't stak.
Greet zei toen medelijdend:
--Sja fafferabel is het bij je niet!
--Wat za'k je zegge, bracht Hesselaar bij, je man is niet gewoon te werreke... ie hêt 'et nie' geleerd!
--Da'r hep je 't net, huilde vrouw Baller.
--Als 't nipt, kom dan ma'r hier na'rtoe, goedigde Greet, maar we hebbe zelf haas' g'n plaa's!
--Welnee! Da'rom doe ik 't toch niet... ieder mot z'n eige last, z'n eige pakkie drage, anders mooi genoch angeboje, dát niet!
Ze veegde met de handpalm de vochtigheid van haar wangen, terwijl ze naar 'n zakdoek in haar rokspleet zocht. Kordaat stond ze op, zei:
--'k Zal maar gaan... wel bedankt... voor je vriendelijkheid... dág Greet... dag Hesselaar... dág kindere!!
Ze daalde de trap af nog eenzamer dan ze die was opgeklommen. Dat gepraat had haar kapot gemaakt. Al die kinderen om de zondagstafel, de gezelligheid van de volle kamer, de zoete dwalm van het tevreden samenzijn, en 't vreemde voor haar dat de man, al was ie alles behalve nuchter, zich niet norsch of leelijk aanstelde, waarbij Greet gemoedelijk zat, Greet, die nu al vooraf genoot van 't uitgaan 's avonds, als 't bijna-volwassen kind van beneden voor haar zou oppassen, dat natuurlijk-gezonde van een groot gezin werkte na, gaf haar een sterke aandoening, 't besef, dat het leven, ook al mankeert er wat aan, niet ellendig is, als je maar niet te zwaartillend, te veeleischend bent.
Nam zij 't leven dan te zwaar op, maakte ze van alle kleinigheden een te groote zaak, wist zij niet te plooien, niet toe te geven? 't Kon. Hesselaar zei 't ook nog, dat haar man niet geleerd had te werken, dat hem daarom alles tegensloeg, zoodat ze moest schipperen en wat meer door de vingers zien. Best mogelijk! Maar lag het dan aan haar, als hij dronk en niet verdiende? Ze ging uit wasschen, wou alles voor lief nemen, alléén ze kon tegen 'n man niet aardig, niet aanhalig doen, als ze 't niet meende. Ze was nu eenmaal zóó en niet anders!
De moeheid, die ze bij de Hesselaars even vergat, zette weer op, dwong haar tot al-langzamer en tragelijker gaan. Een knagend wee, waarvoor ze geen woorden had, omgolfde haar; ze voelde zich zóó klein, zóó klein, als platgeslagen. 't Viel haar onnoemlijk zwaar tot haar ouwe doen terug te keeren. 't Liefst ging ze maar dadelijk dood. Waarvoor, waarom leefde ze? Haar bestaan had geen doel, geen reden!
Twijfel-traag liep ze voort tot aan de gracht, dicht bij haar straat, en ze bleef weifelen. De goed-bedoelde redeneeringen van Greet en Hesselaar hadden haar geest van verzet wel wat neergedrukt, maar haar nog niet overtuigd,--en de herinnering aan 't zoet geteem van dominee dat haar eerst kalmeerde, ergerde haar nu, riep nieuwe wrevel op. Wat haar 't meest huiswaarts droeg, dat waren haar moeë voeten, die vanzelf de terugweg insloegen.
De zondagstad woelde nu druk, vol uitgaande menschen, die een breede ruimte noodig hadden. 't Vroor hard. De sneeuwvoren lagen gestold tot richels ijs, die splinterden en kraakten onder de haastig-gaande voeten. Een voorgevoel van aanstaand ongeluk doorzoog haar onbewust, ze wist zelf niet wat, maar er moest wat gebeuren. Misschien maakte haar man zich van kant, lag hij dronken thuis, of viel van de trappen. In elk geval stond haar wat te wachten. 't Schokte haar zenuwend op, dreef haar angstig voort. De glad gevroren straten maanden haar weer aan tot voorzichtig gaan. Een paar keer slipte ze al uit, raakte bijna van de beenen, en net als een wagen aanreed. De zorg voor vallen deed haar voeten wankelen. Telkens stootte ze tegen menschen op en 't uitwijken werd al moeielijker.
Ze was nu zoowat thuis. De zak zou ze bij de melkboer maar laten liggen, ze was te moe, om daarmee de steile trap op te klimmen. Een aarzeling overviel haar, een zucht om terug te keeren, maar ze liep toch door. Ze hoorde of zag niets meer van wat om haar heen liep, keek niet meer uit. Ze ging haar noodlot tegemoet... daarboven.
VIII.
Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich 't voorgevallene van 's avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er 'n flinke spat op te zetten. Veel kostte 't em niet, hij had op de klap gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met 'n aardige snee in de neus, zooals hij dat noemde, had hij 't aangedurfd weer bij z'n lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij 't weer goed willen maken, maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield, in elk geval kwam 't vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.
Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleiding te geven, zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op 't minst gerucht. 't Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door 't vertrek waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens en de gordijnen hingen nog omlaag. 't Was klam en donker in de kamer.
Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.
De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, 't zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend; ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.
Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene, glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp om een sprong te kunnen doen.
--Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z'n hand 't dier afwerend. Dat wil de vrouw niet hebben, dat weet je.
De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier, dat naar 't scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling, ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij probeerde nu van-uit-z'n-bed te lezen; de poes miauwde weer en sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu zelf d'eruit. De nieuwsgierigheid was al overgegaan in het stekelig gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek kon hebben uitgehaald.
Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl 't velletje papier in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon 't haast niet gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan, ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.
Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten, dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar 't raam, trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.
--Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!
Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd open over 't onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog niet in hem wortelen, 't leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde, dat hij in woede uitbarstte en de geheele kamer vol vloekte. Maar tegelijk greep de treurnis over 't feit zelf hem zoo overweldigend aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen die geen uitweg konden vinden.
Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende voetdruksels. Vaag herinnerde hij 't zich als iets dat al heel ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!
Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde 't zelfs niet meer te denken. 't Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk, alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn eigen ellende. 't Was hem of 't al stiller en stiller werd, of de eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij begreep 't aldoor nog niet, 't wilde er niet zoo grif in.
De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op, doch de woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig, in 't genot om ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en smeet haar een eind van zich af.
--Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!
't Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden, hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!