De ontredderden. Eerste bundel. I en II.
Part 1
NEDERLANDSCHE··BIBLIOTHEEK ONDER·LEIDING·VAN·L·SIMONS
DE ONTREDDERDEN
DOOR G. VAN HULZEN
UITGEGEVEN·DOOR·DE MAATSCHAPPIJ··VOOR GOEDE·EN·GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM
INHOUD.
Bladz.
Deel I.
De Ontredderden 5 Straatkinderen 11 Keesie 51 't Onverwachte 69
Deel II.
Afgezakt 105
DE ONTREDDERDEN.
Een schip komt met volle zeilen in de branding, is reddeloos verloren. Een wrak, al ontredderd, wordt tot splinters geslagen en niets blijft ervan over.
Een huis, sedert lang bouwvallig stort plotseling in, wordt een ruïne, al blijven enkele gedeelten overeind, waaruit de slooper nog gave balken en ramen zal halen.
Een sterke boom die zijn wortels ver in de grond heeft, wordt ontworteld door een nog sterkere storm, of sterft op stam bij gemis aan voedingssappen.
Een mensch gaat te gronde door eigen moedwil of door alles wat men eertijds het noodlot noemde, een sloopende ziekte, de omstandigheden die machtiger zijn dan zijn wil, ofwel door de tergende teruggang van het geslacht dat hem zelf 't slechte blòed ingaf. Deze en nog zooveel andere gevallen, ze zijn schier eindeloos in de voortdurende en zich herhalende wentelgang van 't leven, 't is een deel van het leven, 't is het tegenstrijdige leven zelf.
Velen hebben er reeds van verhaald, ieder geslacht vertelt er van op zijn wijze, en ieder schrijver doet het weer anders.
En de lezers? De een leest enkel voor plezier, de ander om de schoonheid en het genot dat de schoonheid schenkt, en een derde wil ook nog leeren. Wie zal de lijn hier trekken en wie heeft het bij het goede eind?
In d'n beginne was er niets.
Toen schiep God de hemel en de aarde, de mensch en de dieren in zes volle dagen, de mensch naar zijn evenbeeld.
Die menschen vermenigvuldigden zich naar Gods woord en vermenigvuldigden ook de kwalen en de plagen; ze bestrijden en verdringen elkaar, ook als er geen dringende noodzaak toe bestaat. Nu en dan straalt tusschen hen 't licht van menschenmin en goddelijke liefde, van zachtheid uit sterkte geboren en van aanhankelijkheid, die enkel maar zwakheid is, maar gewoonlijk loopt het uit op dood en verderf of op ontreddering wat 't zelfde is. Ze overwinnen net als de dieren met geweld van natuurlijke kracht of door sluw instinkt, toch meestal zonder het zelf te weten, uit domheid, onberedeneerde zucht tot overheerschen, 't kleine eigenbelang en ook omdat ze niet anders kunnen: door de dwingende omstandigheden. Van deze omstandigheden, die de lichamen sloopt, de karakters smelt tot was, de sterke verandert in een levens-laffe en de zwakke ontneemt alle besef van God-gelijkheid, hiervan wil ik spreken.
Een razende storm slaat uiteen 'n vlot, dat de rivier afzakt. Dagen lang schuren de balken, door de zwiepende golven geteisterd, tot van het vlot niets meer overblijft. Alles schijnt reddeloos verloren en de schade valt niet te overzien.
Als evenwel de storm zich heeft gestild en de woedende wateren zich leggen, spoelt het wrakhout aan. Strandzoekers en jutters maken jacht en slepen de overblijfselen op het zand.
Veel blijkt er te zijn verloren, maar wat er aandrijft, wordt, hoe gehavend ook, niet als nutteloos weggesmeten. Een eerzaam man bouwt er zijn hutje van, waar hij in liefde woont, ver in duin of hei. Een boer rastert er heel knus mee af zijn kippenloop om de vossen buiten te houden. Ook dient het wrakhout vaak tot schoren van een ordentelijk huis, men maakt er zelfs schuttingen van bij het bouwen van een kathedraal of paleis.
Zoo is het ook met de ontredderden in de samenleving, niet alles is verloren wat op de tast zoo lijkt.
Een kind rijgt kralen aaneen en doet het aandachtsvol, nu eens een groote dan een kleine, een bonte, een blanke, naast een gaafronde, een hoekige nevens een langwerpige schuivend, ze zamensnoerend, zonder eenig besef van regelmaat of kleur.
Een voorbijganger blijft staan.
De stille bedrijvigheid treft hem, maar dat het kind alles doorelkaar aaneenrijgt verbaast hem zeer. Te meer omdat het volstrekt niet lukraak rijgt en de keurende oogen langdurig heen en weer gaan alvorens de tastende vingers een nieuwe kraal naast de anderen voegen. Vaak wordt het eerst gekozene weer tenzij gelegd en een ander opgenomen.
--Waarom rijg-je die kleine fijne naast die zwaar-grooten, waarom die hard-groene nevens die fel-roode, vraagt hij na een poos. Vin-je 't zelf wel mooi?
Het kind kijkt verwonderd op, maar een antwoord heeft het niet.
De ander herhaalt zijn vraag, goedmoedig uiteenzettend wat hij bedoelt. Doch voor 't kind zijn 't blijkbaar klanken die het voor 't eerst hoort en niet verstaat. Dan glimlacht het even van: ik weet het toch wel, en wat ben je dom!--Opnieuw verdiept gaat de kleine voort onverstoord, alsof de ander er niet meer staat.
De toeschouwer haalt de schouders op en vervolgt zijn weg. Dat zoo'n kind alles zoo grappig aaneenrijgt zonder eenig overleg. Grooten hooren toch bij grooten, kleur bij kleur, soort bij soort, dan krijg je een mooi geheel, nu zijn het kralen en niet meer.
Een schrijver is geen spelend kind en de lezers zijn geen toeschouwers die hem ondervragen. Nauwelijks lezen ze de toelichting van een werk als die erbij wordt gegeven. Niet noodig, niet noodig, zeggen ze grif, we hebben immers hier de kralen en we maken zelf 't snoer.
Wie evenwijdig loopen ontmoeten elkaar niet en wie een tegenovergestelde kant uitgaan nog minder, botsing komt er niet licht, wel onverschilligheid en elkaar niet begrijpen, evenals de toeschouwer en 't kind. Dit kan de een voldoende zijn, een ander bevredigt het niet,--en als men mij nu vraagt hoe deze snoer zal zijn dan vrees ik het antwoord te moeten schuldig blijven. Ik toon u enkel de kralen, drie, vier naast elkaar, en dan een heele groote, die soms een boekdeeltje beslaat, en ge maakt maar zelf de snoer.
't Komt hier toch niet in de eerste plaats aan op de gave van samenstellen, wèl op de werkelijkheid, die gezien in 't ware licht, de schoone ontroering brengt, juist omdat het geen verdichtsel is.
De schrijver beeldt, verhaalt, denkt zichzelf weg, en als hij dit doet geeft hij louter fotografie. Maar wie onderstelt een schrijvend mensch, die niet denkt, die geen gevolg van oorzaak te onderscheiden weet, en aldus de aard der dingen niet zou weerspiegelen in zijn werk. De draad, de ijl-fijne draad die zich weeft door elk verhaal en die ook 't geheel maakt, blijft toch van hèm, van hem alleen, en die draad slingert zich door alles heen.
Op welke wijze rijg ik nu mijn snoer aaneen? 't Is reeds gezegd. Zoo ongeordend als 't kind, dat elk voorwerp op zichzelf beschouwt en enkel de dingen verbindt die het belangrijk vindt. Want wat de toeschouwer zoo willekeurig en gedachteloos toescheen was voor dit kind vanzelfsprekend, hoogste wijsheid door instinkt geleid, dat is 't verschil.
En mijn snoer, hoe zal die zijn? Een stoet van paupers, rijke nietsnutten gekweld door hun geld, de afgezakten van alle rangen, alle standen langzaam opklimmend, van de laagstontwikkelden tot de overbeschaafden, weer bont dooreen, een lange reeks van ontredderden en machteloozen,--en omdat het er zoovelen zijn kan ik maar kleine geschiedenissen geven, waarin de algemeene draad niet zal ontbreken, hoe elk geval ook op zichzelf werd gebeeld.
Wat die draad beteekent? Wel de nauwspeurenden bemerken het vanzelf en zij die daarvoor de aanvoeling missen hebben geen uitleg noodig. Ze lezen de verhalen op zichzelf en laten de draad voor wat ze is.
G. van Hulzen
STRAATKINDEREN. [1]
I.
In klemmende, aanzwellende volte van groote stad stond hij armelijk, een kleine jongen, pover in zijn voddige sjofelheid, schurkend zijn schrale schouders tegen het kil-massieve huis van Vijgendam, krampend van nijd, omdat hij nog niet bij elkaar had wat er vandaag weer moest wezen, vandaag zoo goed als alle andere dagen.
Als een zwart en grillig gordijn schoof hem raaklings voorbij de menschenrij, gehaast en onophoudelijk in schuivende, hobbelende vaart, de menschen die van alle kanten tegelijk aankwamen, hem kruisten gejacht en woelig, langs hem heenschoten zonder zelfs op hem te letten. Geen blik hadden ze voor hem over, zelfs geen snauw.
In elkaar gezakt, de oogen half toe onder de fletse brauwen, suf en moe van het langdurig staren naar die wirwar, zocht hij een enkele die zachter liep en die hij aanklampen kon, in gedurige angst van door 'n smeris te worden ingepikt als bedelaar. Dat uitkijken vorderde al zijn aandacht en maakte hem dof.
In zijn dertien jaren voelde hij zich oud en wijs, in staat een heele wereld te bedriegen, en nou ontging het hem finaal; hij kon er geeneen te pakken krijgen.
Gisteren haalde hij al niet genoeg òp en vandaag zou het nog minder worden. De goede verwachting van geluk waarmee hij vanmorgen uittrok dorde en schrompelde in hem en werd stage kwijning.
Z'n ongewasschen handen bekrabbelden netelig de hangzak, los bengelend in zijn broek, die zoo afzakte en aan de einden rafelend. Zijn vingers telden binnen in de zak.
Nog lang niet genoeg! Waarom telde hij eigenlijk, hij wist toch wel uit z'n kop hoe weinig hij had; in 't laatste uur kwam er geen snars bij, wat wou ie dan?.. En hoe stond 't met kleine Bet? Voor hem draaide het nog wel los; voor haar niet. Ze bracht haast nooit wat in, dan liep ze zware rammel op, en dàt kon-ie niet goed zien. Voor haar zat-ie ook nou in de rats, niet voor zichzelf, al kreeg-ie er ook vaak van langs.
Zijn vale pet, lodderig-scheef op z'n vlasharen, zakte nog scheever weg en zijn mond trok tot een grijns. Dat weer was ook zoo griezelig en grimmig, geen mensch bleef 'n oogenblik staan, hoe kon-ie ze dan om wat vragen?
't Was koud. Zijn magere schochten bescheukten de muur; 't deed hem goed.
Met zijn kromme vingers befriemelde hij de vettige kraag, zette die op tegen de plakharen en dàt gaf wat warmte.
Rondom hem lawaaide het in de dringende voortschuivende strubbeling, niemand had tijd voor hem. Wie hij dacht te kunnen aanspreken schoot al voorbij, en als hij het toch probeerde keken ze hem niet aan, hoorden ze zelfs niet naar zijn jankende stem. Hij zag er anders schunnig genoeg uit. Z'n broek vol franje, de eene pijp 'n eind te kort, de ander gescheurd, z'n hes verkleurd en veel te lang, geen knoop eran, de schoenen zoo groot als schuiten, en de das, een afgesneden lap, die zat als een touwtje om de hals, nou daaraan lag het niet. En lam voelde-ie zich ook. God, wat was-ie lamlendig en beroerd!
Hij voelde en wist dat hij er goor en verlept uitzag, geel van armoe en ellende, maar dat hielp alles niet. Je mot niet lammig en ellendig wezen, je mot er alléén maar zoo uitzien; daar had-je 't...
Als vâer hem sloeg, en die zat nou in de doos, gilde-ie het uit als 'n magere big, al raakte die hem met g'n hand 'an. Dan stoof moeder ertusschen, schreeuwend dat-ie 't laten most. Hou je klauwen thuis, je hoeft hem niet zoo af te rammelen, snauwde ze. En dan gingen die twee aan de gang en hij kneep d'eruit, òf als hem dat niet lukte zette hij krampig 'n gezicht van half te zijn vermoord, griende dat hij 'n volgende keer beter zou oppassen en centjes thuis brengen. 'n Arme smoel trekken hielp altijd, maar vandaag gaf het niet. Geen lor bracht het in. Doe er 'es wat 'an, haal ze 't uit de zak, als ze niet willen geven en pesterig zijn?
Troosteloos liet hij zijne blikken gaan, keek even suffig rond en mopperde dan weer voor zich zelf weg.
Mooi praten hadden ze thuis; als 't niet wou kon je d'er niks aan doen. D'er zijn dagen voor de pech, b'voorbeeld vrijdags, dan loopt 't altijd mis, donderdag eigenlijk oôk al. Zaterdag is 'n goeie dag en maandag ook. Zondag dat hangt af van 't weer, kun je te voren niks van zeggen, je mot boffen.
Nou had-ie pech! echt pech! 't Ging belabberd, vanochtend, merkte-ie 't dadelijk al, goed. Nou dan trok-ie d'er tusschen uit...
Even deed-ie z'n oogen toe, keek door de oogharen heen als in bezinning of-ie 't wel zou doen. Ja, hij piepte 'em maar, 't gaf toch geen bal! Liever 'n pak rammel thuis dan 'n veeg van een smeris. Als je pech hebt komt het zoo ver; ze sturen je op naar de tuchterij, èn daar bedankte-ie voor, dat was voor hem geen kaas, dàt liet-ie 'an de stommerikken over!
Hij knipperde nog even met z'n oogen. Jessis, daar hadje al 'n kopere bout! Hij smeerde 'em, zou naar kleine Bet 'es gaan kijken wat ze gevangen had. Als-ie op z'n falie kreeg kwam d'er minder op an, hij kon er tegen met z'n karkas, maar zij niet. Gek als-ie 'n dag niet voor haar zorgde kon-ie 's nachts niet slapen. Hij moest haar dus wel helpen. O, zoo!
II.
De handen diep weggegraven in de bungelende zakken, sjokte hij grootmannetjesachtig naar de Achterburgwal, waar hij wist zijn zusje aan de wallekant te kunnen vinden, net over de kruisstraten waar ze op post stond, om toe te zien of er ergens wat viel te snaaien.
Van verre zag hij haar al. Ze stond er weer te stumperen, liep er voor tjomme rond.
Met z'n gauwe oogen wenkte hij haar hem te volgen naar een nauw goor steegje. Daar kon-ie de aangelegenheden goed beredderen!
--Hoeveel heb je al, vroeg hij heesch. La'w'es zien?
--Hoeveel? Niks!
Ze opende haar leege handen en streek er dan mee over haar jurk; ze keek hem aan met angstige oogen.
--Bè-je gek! Niks! zèg, kan je nog minder? Zie jij maar hoe je 't thuis eraf brengt. Ik doe niet mee, hoor!
--Ze loope me allemaal voorbij, kermde ze kleintjes.
--Natuurlik, as je ze niet 'anspreekt... heb je dan geen mond... denk je dat ze 't mij ma'r zoo in m'n handje leggen?
--Je bent ook veel grooter.
--Grooter, grooter, wat is dat? In de kleine hebbe ze meer fedusie; die geloove ze eerder!
--Ze hoore niet eens na' me! teemde ze terug.
--Och, jij speelt ma'r.
--Nietes hoor!
Haar groezel-bleek gezichtje vertrok krampig alsof ze grienen wilde. Dat maakte hem van streek.
--Wel ja, nou dat ook nog, huilebalken zeker, hooresies, ik laat je staan! waarschuwde hij en wilde zich omkeeren.
--Ik huil toch nie.
--O, da's je geraje ook.
Hij schokte heen en weer op zijn schuiten van schoenen, liep zwaar door 't gore nauwe steegje met bijna geen huizen en hooge blinde zijmuren, groenig druipend van vocht.
--Ta-ta-ta, tetterde hij al weer, groot van kwaadheid.
Angstig oogde ze zijn smakkerig loopen na, bang dat-ie kwaad zou weggaan en haar alleen laten.
Maar hij ging niet, sjokte maar heen en weer, bleef dan weer staan, keek de hoogte in en floot een straatdeuntje.
Zijn handen, zoo groezel-viezig, groeven zich nog dieper weg in zijn kluiterig hangende broekzakken,--en hij vertrok minachtend zijn lippen, bestaarde dan opnieuw de lucht, scheukte met zijn schouders alsof hij nog op de Vijgendam stond te ruggewrijven tegen dat stevig huis.
Wat moest-ie met haar beginnen? Vandaag vrijdag een slechte dag, een olie-dag, nou ja, ook hem woûen ze niet geven,--maar niks, dat was dan ook heelemaal niks!
Bet volgde zenuwachtig al zijn bewegingen, en nu hij niets zei, voelde ze zich nog banger; haar groezel-bleek gezichtje werd vaal, wit-pips er van.
Een uitgeholde raap, die uitstaakte boven het verschoten kleedje, zoo zag haar hoofdje. Haar handen wriemelden door het gelige haar, dat verslonsd en verwaaid om de wijduitstaande ooren hing, krabten aan haar kleine neus, en ze wilde opnieuw gaan grienen.
Hij keek nog aldoor tartend omhoog, alsof hij het in de lucht moest zoeken, kwakkelde oud mannetjes-wijs weer heen en neer, de knieën doorgeknikt, de kleine schouders trekkend waarbij de handen in de bengelende zakken meegingen. Nog eens snauwde hij:
--Niks... nee, die is goed
Dan floot hij weer zijn straatwijsje.
De angst dat-ie haar alleen zou laten maakte haar scherpzinnig; ze zon op een list, begon:
--Enne, hoeveel heb jij dan wel? Ze vroeg het op 'n toon alsof ze wel heelveel verwachtte.
--Nà, ook niet zoo bar, ontweek hij eerst.
--Hoeveel dan? hijgde ze.
De schouders haalde hij op, gaf geen antwoord.
Zij stampte met haar uitgetreden schoenen en zei opnieuw:
--Nou zeg 't dan...
Hij keek haar aan met z'n oogen van een groot mensch, zei moeilijk, lip-optrekkend, onverschillig.
--Dertien cent. Da's alles, maar jij heet niks!
--Dertien sjent? en gisteren had je wel zevene dertig...!
--Gisteren, ja, maar gisteren dat is nou niet!
Voor Bet ging ineens open al wat haar te wachten stond, een pak slaag, trekken aan de ooren, geen eten krijgen. De schrik-gedachte van niet thuis te durven komen kwelde haar gruwelijk. Dertien cent met hun beiden, dat was veel te weinig. Verward tuurde ze naar de morsige steegjesgrond, voelde zich geheel beteuterd. Toen ineens kinder-gauw over die verschrikking heen, zei ze ernstigjes en verwijtend:
--Had dan ook gisteren wat weg gehoûe!
--Dat gaat ma'r zóó, ze zoekt zeker niet alles na!
--O, nou, onder 't bed, ik zou 't wel weten.
--Jij? Jij weet niks... ik mot er maar voor opdraaie!
Hij nam een aartsvaderlijke poze aan, zette de beenen wijd uit en stak weer de handen in de broekszakken, frommelde ze nog dieper, alsof-ie zeggen wilde: zie zoo, daar sta ik, wat moet je nou beginnen.
Nu floot hij het straatdeuntje:
We gane nog niet naar huis, Nog lange niet, nog lange niet!
Treiterend keek hij naar de lucht, die boven het enge steegje maar met een spleet te zien viel, en zij voelde nu wel het onoverkomelijke van al die dingen. In machtelooze kwaadheid trappelde ze op de uitgesleten schoenen, trappelde zóó fel dat alles aan haar lichaampje meehotste.
Hij floot nog harder, keek nog strakker naar de lucht en nu begon ze te huilen, uitbarstend-geweldig. Ze trappelde en huilde om 't hardst, haar gore boezelaar bijna stukbijtend van nijd en niet te bedwingen kribbige bangheid.
Langzaam haalde hij nu zijn handen uit de zakken keerde zich welbewust om, en zei smalend:
--Salussies, ik groet je, balk jij maar door!
Hij ging, maar zij liep hem grienend achterna, eer bang dan kwaad; ze greep hem vast bij zijn hes, tandklapperend onder het huilen en kermde:
--Help me nou, Heintje-lief... help me nou... laat me niet alleen!
Tranen biggelden over haar wangen en vielen in groote droppen op de boezel neer.
--Welja, ik mot maar altoos hellepe, weerde hij onwillig af.
--Nou, doe het dan deze keer nog maar?
--Rep toch zelf niet, niet meer dan dertien cent?
Opnieuw begon ze te huilen--en hij begreep wel, dat-ie er zoo niet kwam.
--Toe nou, Heintje, help me nou, smeekte ze weer.
--Nou vooruit dan... schei uit met griene!
Hij veegde met de schort haar oogen uit, mokte nog wat na; en zij hikte:
--Ja-ja, Heintje!
Ze stonden nu beiden even bedremmeld in niet weten wat aan te vangen. Waar zullen we naartoe gaan? peinsde hij, en zij dacht, wat zal hij me nou laten doen, ik heb niks tegen te zeggen. En plots, door haar tranen heen, kreeg ze 'n goede inval; ze riep:
--Laat 't, la me los, ik weet al wat!
Ze trok hem de boezel uit de handen, liep de steeg al uit en schreeuwde tegen Hein:
--Wacht ma'r hier, ik klamp die 'an!
--Wie?
--De matroos, daar!
--Hem, nee-maar! die is vet, zie je dat niet?
--Kan me niet schele!
Ze sidder-schokte, liep huilend de matroos achterna.
Hein stond haar na te kijken, ongeloovig met toch 'n vage verwachting in zijn bedeloogen. Wie vraagt nou aan 'n dronke matroos?
Ze had de zeeman ingehaald, liep nu vlak achter hem en wilde hem aan zijn kleeren vast pakken. Maar dat ging niet best, de rechtafgesneden jas gaf geen vat.
Het Jantje voelde toch iets ervan, bleef staan en keek om, verwonderd.
--Meneer... meneer?
--Bè-je besuikerd, ik ben geen meneer, wat mijnheer!
--Meneer de matroos, och toe...
Het Jantje met zijn zatte oogen moest toch lachen om dat meneer de matroos en rammelde afsnauwend-medelijdend:
--Waarom huil je schaap?
--Mijn moeder slaat me dood, als ik niks thuis breng, kermde ze, terwijl ze haar handen wrong.
--O, ho, dood? zeg, dat is maar zoo weinig niet.
--Nee, huilde ze, maar zij doet 'et!
Zij hikte, huilde opnieuw, van dat huilen niets meenend, in klaar besef te moeten doorgrienen, hoe harder hoe beter.
De matroos in zijn goedmoedige zatheid maakte gijntjes.
--Ik geloof er geen bliksem van, ratelde hij door. Maar al wat topzwaar voelde hij zich toch bewogen worden; hij tastte in zijn zak, gaf een geldstukje om van het gejank af te wezen, zei dan ruw:
--Daar dan!... Je bent een gauwdief en je belatafelt de kluit, maar affijn.
In haar hand zag Bet een kwartje glinsteren.
--Nee, nee, meneer de matroos, huilde ze nog en ze kneep haar hand meteen toe.
--Loop naar de weergâ met je meneer de matroos. Maak nou maar dat je weg-komt.
--Ja meneer de matroos! huil-dirkte ze.
Ze deed alsof ze haar tranen droogde, keerde zich voet-schuifelend om, het kwartje geknepen in haar hand, slifferde dan langzaam terug heel effen en gewoon.
De matroos zette zich weer in beweging, het ronde, roode hoofd schuddend om de ellende, die misschien wel echt en waar kon wezen, ook om zichzelf, dat hij zoo stom was om geld te geven. Ze bedelen er maar op los!
--Nou? riep Hein al van verre, nou hè-je 'n beit... niks hè... een krats?
Ze hield zich nog stiekum, wenkte geheimzinnig met haar magere hals, zei dan fluisterend:
--Een maffie!
--Een kwartje? je liegt, je zegt maar wat, hikte zijn stem ongeloovig.
--Ga mee! zei ze.
En hij met haar meesjokkend raffelde nu:
--Là-w'es zien!
--Nee, eerst doorloope, strakkies!
Nog altijd de handen diep in z'n zakken, voelde hij al wat mee van haar blijdschap, liep nu naast haar, scheukend zijn schouders, en beiden gingen ze kordaat, klakstappend, om spoedig uit het gezicht te wezen.
--Kijk maar! zei ze triomfantelijk en ze toonde hem 't gekregene.
--Ja... waarachies!
Zijn oogen staarden begeerig naar 't zilverstukje, dat in haar nu-open-hand lag,--en op zijn beurt maande hij aan, wantrouwig:
--Doorloope, Bet!
--Natuurlik, wat dach-je-dan?
Ze sjokten door, nu erg vertrouwelijk naast elkaar en van de stad met al het gekledder, gestamp, gerij en geraas, merkten ze weinig. Ze dachten enkel aan 't kwartje en 't geluk van uit de knel te wezen, het besef van nu eens geen ongeluk te hebben. Ze liepen door uit instinkt bang dat het een "stille" kon hebben gezien en dat ze dan opgepakt konden worden als bedelaars. De angst, ingeboren angst voor policie woog zwaar, zwaar door onbestemde, vage begrippen van te worden opgestuurd naar een verbeterhuis, met schampeering vrijgelaten of rauwe herrie thuis, geschimp, gescheld en slaag toe. Daarom bleef het: vóór alles uit je oogen zien, oppassen... je weet nooit hoe je d' erin loopt. Bof is goed... maar policie deugt niet!
Nu wat uit 't oog van de buurt, in een andere straat aangeland, een stille straat, waar de enkele menschen wel te overzien waren, week weg de verdachtheids-aanvoeling, welde op 'n allesberekenende, overleggende kinder-sluwheid.
--Wat sulle we doen, vroeg Heintje, die zijn handen uit zijn diepe zakken optrok.
--Wissele, natuurlik!
--Ja, da's goed... anders geloove ze 't nie.
--Allemaal centen, een duppie er bij--en dat beware we voor morrege!
Met 'n glans van leepheid in haar kleine oogjes gluurde ze naar hem, maar hij voelde 't voorstel als een knauw van zijn meerderheid, gnuifde daarom gewoontjes:
--Dat geeft nou net niks!
--Jawel, jawel, snauwde ze terug. En bang dat hij niet zou toegeven, begon ze weer van ongeduld te trappelen.
--Wat wi-je dan?
--Verberge een dubbeltien.
Hij trok z'n wenkbrauwen eens op, en zei toen:
--Nou, mij best! Vooruit dan maar... eerst wissele.
Ze stapten een snoepwinkel in, kochten twee suikerhempjes, voor ieder een, vroegen van 't kwartje een dubbeltje terug en de rest aan centen.
De dikke juffrouw, die uit gemak liever twee dubbeltjes, dan al die koperen centen uit-telde keek ze eens aan, dacht: O, o! nou dat is me er weer een stel. Geen zuivere koffie!
III.
Op hun suikerbrok zuigend, vettig smikkelend, sloegen ze de weg in naar huis.