De lynch-wet

Part 8

Chapter 83,972 wordsPublic domain

De twee Mexicanen en Curumilla, die achter hunne verschansing gedekt stonden, beantwoordden met moorddadig geweervuur den aanval der Apachen en moedigden elkander aan om als dapperen met de wapens in de vuist te sneven.

Reeds lagen er een aantal gesneuvelde Indianen hier en daar op de vlakte; paarden zonder ruiter galoppeerden in alle richtingen en het gekerm der gewonden vermengde zich met het uitdagend geschreeuw der aanvallers.

Wat wij hierboven in zoovele woorden omschreven hebben, hadden Valentin en don Pablo in weinige sekonden gezien met den onfeilbaren oogopslag van lieden die aan dergelijke tooneelen sinds lang gewoon waren.

»Gij ziet het, hoofdman," zei Valentin tegen den Zwarte-Kat, »wij moeten ons bij onze vrienden gaan voegen; help ons, anders zijn zij verloren."

»Goed!" antwoordde de Zwarte-Kat, »de bleeke jager plaatse zich met zijn vriend midden in ons detachement en binnen weinige minuten zijn wij op den heuvel. Maar eens vooral moeten de bleeke opperhoofden mij laten begaan."

»Ga uw gang, hoofdman, ik laat dit geheel aan u over!"

De Zwarte-Kat sprak eenige woorden zacht tegen de krijgslieden die hij bij zich had.

Dezen groepeerden zich onmiddellijk rondom de beide jagers, die dus in hun midden geheel onzichtbaar werden.

»O, wee!" riep don Pablo alles behalve gerust, »ziet gij dat, vriend?"

Valentin glimlachte en nam hem bij den arm.

»Ik heb het plan van den Sachem begrepen; hij neemt het eenigst middel te baat dat mogelijk is. Wees gerust, alles gaat goed."

De Zwarte-Kat stelde zich aan het hoofd van zijn troep en gaf het sein.

Een ontzettend hoerah klonk door de lucht.

Het was de oorlogskreet van den stam der Bisons-Apachen.

De moedige Roodhuiden sleepten de beide blanken met zich voort, en stormden als razenden den heuvel op.

Valentin en don Pablo wisten nauwelijks wat er met hen gebeurd was toen zij zich reeds bij hunne vrienden bevonden, terwijl de krijgslieden van den Zwarte-Kat, als een neertuimelenden sneeuwval, in alle richtingen den heuvel weder afrenden als waren zij door een panischen schrik getroffen.

Intusschen was de strijd niet geëindigd.

De Indianen van Stanapat stormden als brullende tijgers tegen de palissaden op en lieten zich dooden zonder een stap te wijken.

De strijd, zoo hij lang aanhield, moest eindelijk noodlottig worden voor de partij der blanken, wier krachten reeds uitgeput raakten.

Dit hadden zoowel Stanapat als de Roode-Ceder begrepen, en dus verdubbelden zij hunne pogingen om hunne vijanden te overstelpen.

Maar op eens, toen de Apachen op nieuw tegen de stormpalen opklauterden om een laatsten aanval te beproeven, klonk achter hen de oorlogskreet der Coras, gepaard met een vreeselijke losbranding uit klein geweer. De Apachen, op hunne beurt overrompeld, aarzelden.

De Roode-Ceder wierp een blik om zich heen en uitte eene verwensching. Want aan de andere zijde van het kamp klonk ook de oorlogskreet der Comanchen.

»Voorwaarts! altoos voorwaarts!" brulde de Squatter, die gevolgd door zijne beide zoons en eenige vrijbuiters den heuvel besteeg.

Maar het tooneel was als met een tooverslag omgekeerd.

De Zwarte-Kat had de nieuwe hulp die voor zijne vrienden opdaagde nauwelijks gezien, of hij sloot zich dadelijk aan met den Eenhoorn. Aan het hoofd van hun vereenigden troep, vielen zij thans de Apachen in de flank, terwijl Mookapec en zijne tweehonderd uitgelezen krijgslieden hen in den rug aangrepen. Het vluchten begon; en veranderde weldra in volslagen verstrooiing.

Alleen de Roode-Ceder en een kleine schaar vrijbuiters rondom hem hielden nog stand.

De kring der vijanden die hem omringde werd echter met ieder oogenblik al nauwer en nauwer.

De aanvallers waren nu aangevallenen geworden. Het zou spoedig beslist zijn; nog eenige sekonden en alles was gedaan en iedere kans op terugtocht hun afgesneden.

»Hoerah!" brulde de Roode-Ceder terwijl hij zijn geweer bij de tromp nam en als een knots boven zijn hoofd deed zwaaien. »Neer met die honden! Nemen wij hun hoofdhaar!"

»Nemen wij hun hoofdhaar!" herhaalden zijne gezellen, terwijl zij zijn voorbeeld volgden en alles neerbeukten wat in den weg stond en hun den doortocht betwistte.

Zoo slaagden zij om zich al strijdende een bloedigen uitweg te banen en vorderden zij langzamerhand naar de zijde van de rivier.

Plotseling wierp zich een enkel man den Roode-Ceder in den weg.

Die man was Mookapec.

»Ik kom u mijn hoofdhaar brengen, hond van een bleekmuil," schreeuwde de Indiaan met zijn strijdbijl op hem inhouwende.

»Ik zeg u dank," antwoordde de Squatter den dreigenden slag behendig afwerend. De Arendsveer sprong voorwaarts als een hyena en eer zijn vijand in staat was zich te dekken had hij hem met de machete een steek in de dij toegebracht.

De Roode-Ceder gaf een schreeuw van spijt toen hij zich gewond gevoelde, hij trok met de eene hand zijn mes terwijl hij met de andere den Indiaan bij de keel greep.

Laatstgenoemde zag zich verloren: het blauwe lemmer glinsterde boven zijn hoofd en drong het volgende oogenblik diep in zijne borst.

»Ha ha!" grinnikte de Roode-Ceder terwijl hij zijn vijand losliet, die dadelijk van zijn paard stortte, »ik geloof dat wij nu onze rekening vereffend hebben."

»Nog niet!" riep de Coras met een triomfanten lach; en met een laatste heldhaftige poging schoot hij zijn geweer op den Squatter af.

Deze liet de teugels glippen en tuimelde naast den Indiaan neder.

»Ik sterf gewroken!" mompelde de Arendsveer die reeds met den dood worstelde.

»O! ik ben nog niet dood!" antwoordde de Roode-Ceder terwijl hij zich op de eene knie oprichtte en den Coras de hersens insloeg, »ik zal het ontkomen hoe dan ook."

Behalve de wond in zijn dij had de kogel hem den schouder verbrijzeld. Evenwel, met medehulp zijner kameraden, die geen voet breed terugweken, gelukte het hem weder te paard te stijgen.

Nathan en Sutter bonden hem op den zadel vast. »Aftrekken! aftrekken!" riep hij, »of wij zijn verloren. Bergt uw hals! ieder voor zich!"

De vrijbuiters gehoorzaamden oogenblikkelijk en namen in alle richtingen de vlucht, dicht nagezet door de Coras en de Comanchen.

Intusschen gelukte het den meesten zich te redden: sommigen in het dichte bosch, waar zij spoedig verdwenen waren; anderen in de rivier, die zij overzwommen.

De Roode-Ceder was onder de eerstgenoemden.

Valentin en zijne vrienden hadden den goeden uitslag van het gevecht dank zij de tijdige hun verleende hulp nauwelijks gezien, of zij daalden met allen spoed den Bisonsheuvel af en reden de vlakte in om zich van den Roode-Ceder meester te maken.

Ongelukkig kwamen zij te laat en zagen zij hem alleen in de verte verdwijnen.

De gelukkige wending die het gevecht genomen had was hun van onberekenbaar nut, daar zij hen niet alleen redde uit de hachelijke stelling waar zij zich in bevonden, maar tevens het verbond der Indianen-stammen in duigen wierp, die door de groote verliezen bij den aanval geleden, afgeschrikt, zich hals over hoofd terugtrokken, en de blanken hunne onderlinge geschillen liefst zelven lieten beslechten zonder zich verder in hunne veete te mengen.

Wat den Roode-Ceder betreft, zijne bende was geheel verslagen of althans ontbonden en verstrooid; terwijl hij zelf, geheel alleen gelaten, en daarbij zwaar gewond niet meer te vreezen was.

Het opvangen van dezen man, die thans als een wild dier in de prairie moest rondzwerven, was slechts eene vraag van tijd.

Ook Stanapat had met eenige zijner krijgslieden het hazenpad gekozen, zonder dat iemand wist waar hij gestoven of gevlogen was.

De drie overwinnende legerscharen kampeerden samen op het slagveld.

Volgens gewoonte hielden de Indianen zich terstond bezig met het scalpeeren hunner gesneuvelde vijanden.

Zonderling genoeg hadden zij geen enkelen krijgsgevangene gemaakt; de strijd was met zooveel verbittering gevoerd, dat ieder slechts zijn man had zoeken te dooden zonder er aan te denken zich van zijn persoon meester te maken.

Het lijk van Mookapec werd zorgvuldig opgenomen en met alle eerbewijs begraven op den Dolle-Bisonsheuvel naast den vermaarden Sachem die deze plaats het eerst tot zijn graf had gekozen.

De zon was juist aan het ondergaan op het oogenblik toen men de laatste plichten en eerbewijzen aan de gesneuvelde Coras en Comanchen bewezen had.

De kampvuren werden weldra ontstoken.

Iedereen nam plaats, en nadat de vredescalumet was rond geweest stond Valentin op.

»Sachems en opperhoofden," begon hij, »mijne vrienden en ik, wij zeggen u dank voor de edelaardige pogingen, waarmede gij ons geholpen hebt om de prairiën van het Verre Westen te bevrijden van den bandiet, die haar zoo lang heeft geteisterd en ontvolkt; het is niet slechts eene ijdele wraak die ons drijft, maar een loffelijk en menschlievend werk; de man dien wij bedoelen schandvlekt den naam van mensch en het ras waartoe hij behoort. Thans zijn hem van de talrijke bende roovers die hij onder zijne bevelen had slechts weinigen overgebleven: de bende boosdoeners, die weleer de schrik was der prairiën, bestaat niet meer, en weldra, ik ben er zeker van, zal ook hun hoofd in onze handen vallen.

»Houdt u steeds gereed om wanneer het wezen moet ons uwe hulp te bieden, gelijk gij dat heden gedaan hebt; keert tot zoolang naar uw dorpen terug; gelooft steeds dat wij hetzij afwezig of tegenwoordig de herinnering zullen bewaren der goede diensten die gij ons bewezen hebt, en dat gij, mocht het geval dit vereischen, altijd op ons kunt rekenen gelijk wij overal en altijd op u gerekend hebben."

Na deze toespraak, die door de Indianen met luide toejuiching werd beantwoord, ging Valentin weder zitten.

Er volgde eene lange poos stilte, gedurende welke de Indianen zorgvuldig hunne calumets bleven rooken.

De Zwarte-Kat was de eerste die het woord weder opvatte:

»Dat mijne broeders luisteren," zeide hij; »de woorden die mijne borst uitblaast zijn mij door den Meester des levens ingegeven; de wolk die mijn geest benevelde is opgeklaard, sedert mijne broeders de Coras en Comanchen, deze dappere natiën, mij de plaats hebben teruggegeven die mij aan hun raadvuur toekwam; de Eenhoorn is een wijs opperhoofd, zijne vriendschap is mij dierbaar.

»Ik hoop dat de Wacondah verhoeden zal dat tusschen den Eenhoorn en mij, en tusschen zijne jongelingen en de mijne, de minste onmin of tweespalt oprijze die de goede verstandhouding welke in de tegenwoordige oogenblikken tusschen ons bestaat zou kunnen verstoren, van nu aan tot over duizend en vijftig manen."

De Eenhoorn nam de calumet uit zijn mond, boog voor den Zwarte-Kat met een vriendelijken lach, en antwoordde:

»Mijn broeder de Zwarte-Kat heeft goed gesproken: mijn hart heeft van vreugde gegloeid toen ik hem hoorde. Waarom zouden wij geene vrienden zijn? Is de prairie voor ons niet groot of ruim genoeg? Zijn er de bisons niet in genoegzamen getale aanwezig? Dat mijne broeders hooren, ik zoek te vergeefs rondom mij naar de oorlogsbijl, zij is tusschen ons zoo diep begraven, dat de kinderen der kindskinderen onzer zonen haar nooit weder zullen kunnen terugvinden."

Nog andere redevoeringen werden door de overige Sachems gehouden en de beste overeenstemming bleef tusschen de bondgenooten heerschen.

Met het krieken van den dag werd de vergadering opgeheven en scheidde men op den meest vriendschappelijken voet. Ieder ging den weg naar zijn eigen dorp.

Valentin, Curumilla, generaal Ibanez, don Pablo en don Miguel bleven alleen.

De Witte-Gazelle zat eenige passen van hen af tegen een boomstam geleund, in diepe gedachten verzonken.

XI.

IN EEN HOEK VAN HET BOSCH.

Voort holde de Squatter zonder om te zien of te weten waarheen, ver van het slagveld gevoerd door den woedenden galop van zijn paard, dat hij de kracht niet meer had om te besturen of te beteugelen.

Deze man, altoos zoo onversaagd, zoo vast van wil en zoo onverzettelijk van aard, was omgekeerd als een blad van een boom en veranderd als met een tooverslag. Zijne gedachten waren beneveld, zwaar bloedverlies en het aanhoudend schokken van zijn galoppeerend paard hadden hem tot volslagen machteloosheid gebracht. Ware hij niet zoo stevig aan zijn paard gebonden geweest, dan zou hij zeker reeds twintigmaal uit den zadel zijn gestort.

Met afhangende armen, met het lijf diep op den hals van zijn paard gebogen en de oogen half gesloten holde hij voort, zonder besef van hetgeen er met hem gebeurde en zonder zelfs eene poging te doen om het te weten.

Hotsend en zwaaiend en beurtelings links en rechts geslingerd, bij iederen schok van zijn voorthollend paard, zag hij zonder duidelijk bewustzijn de boomen en struiken en rotsen aan weerszijden voorbij vliegen: hij dacht niet meer, hij leefde niet meer, dan in een schrikkelijken droom, ten prooi aan de zonderlingste en buitensporigste schrikgestalten.

De nacht volgde op den dag.

Het paard vervolgde zijn loop; als een verschrikte jaguar sprong het heen over iedere hindernis die het op zijn weg ontmoette, achtervolgd door een troep huilende coyotes, terwijl het vruchteloos poogde den levenloozen last af te schudden die zijn afgematte lendenen bezwaarde.

Eindelijk struikelde het uitgeputte dier in de duisternis over een boomwortel en stortte met zijn vracht ter aarde, onder het uiten van een klagend gebriesch.

De Roode-Ceder had tot dusver, wij zullen niet zeggen, van zijn toestand eenige heldere kennis gedragen, maar ten minste zeker bewustzijn bewaard dat hij nog leefde.

Toen het paard uitgeput neerzeeg voelde de bandiet een hevige pijn aan het hoofd, dit was het eenige; hij viel bewusteloos op den grond met een half gesmoorden vloek, het laatste verzet van den weerbarstigen ellendeling die tot zijn uiterst oogenblik de macht trotseerde, onder wier straffende hand hij bukken moest.

Hoe lang hij in dien toestand bleef zou hij niet hebben kunnen zeggen.

Toen hij eindelijk onder den indruk eener heilzame verademing de oogen weder opsloeg, schitterden de zonnestralen door het dicht belommerde woud, en kweelden de vogels onder het frischgroene gebladerte verscholen op lustige wijs hun veelstemmig morgenlied.

De Squatter slaakte een zucht van ontspanning en sloeg een half geloken blik in het rond. Op eenige passen van hem af lag zijn paard dood uitgestrekt.

Hij zelf zat met den rug tegen een boomstam.

Naast hem, op het gras geknield, lag Ellen die met teedere bezorgdheid zijn terugkeer tot het leven bespiedde.

»O! o!" prevelde de Squatter met eene heesche stem, »leef ik dan nog."

»Ja Goddank! ja, vader," antwoordde Ellen zachtzinnig.

De bandiet keek haar aan.

»God!" mompelde hij half in zichzelven, en er speelde een spottende lach op zijne lippen.

»Hij alleen heeft u gered, vader," riep het meisje.

»Kind!" mompelde de Squatter terwijl hij zich met de hand over het voorhoofd streek, »God is niets meer dan een woord. Spreek mij daar niet van."

Ellen liet het hoofd hangen en zweeg.

Intusschen was met het levensgevoel ook dat der lichaamssmart bij den Squatter teruggekeerd.

»O! wat heb ik een pijn," riep hij.

»Gij zijt gevaarlijk gewond, vader," zei Ellen; »helaas! ik heb gedaan wat ik kon om u te helpen, maar ik ben een dom kind en weet zoo weinig van deze dingen; misschien is al de zorg die ik aan u besteed heb juist niet wat uw toestand vereischt."

De Roode-Ceder, die er doodsbleek en machteloos uitzag, keek op en in zijne flauwe oogen blonk een gevoel van teederheid.

»Gij houdt dus nog van mij?" zeide hij.

»Dat behoort immers zoo, vader, ben ik het niet verplicht?"

De bandiet antwoordde niet, en de hem eigen welbekende glimlach plooide zich om zijne blauwe lippen.

»Helaas! wat heb ik lang naar uw gezocht, vader," vervolgde Ellen; »eerst dezen nacht, toen ik uw arme paard hoorde heb ik u bij toeval teruggevonden."

»Ja, gij zijt een goed meisje, Ellen. Ik heb thans niemand meer dan u: waar mijne zoons gebleven zijn weet ik niet. O!" riep hij in een opwelling van toorn, »die snoode Ambrosio is van alles de schuld; zonder hem zou ik nog in Paso del Norte zijn, in de bosschen die ik als mijn eigendom beschouwde."

»Denk daar niet meer aan, vader; in uw toestand hebt gij rust noodig, zie dat gij eenige uren slaapt, de slaap zal u goeddoen."

»Slapen!" zei de bandiet, »moet ik slapen? O neen," vervolgde hij met weerzin, »neen, waken moet ik; als ik mijne oogen sluit zie ik allerlei .... O! neen, neen, niet slapen!.."

Hij sprak niet verder.

Ellen beschouwde hem met een mengeling van schrik en medelijden.

Door bloedverlies verzwakt en door hevige wondkoorts geteisterd, begon er bij den Squatter een gevoel te ontwaken dat hij tot dusver nooit gekend had, hij werd bang.

Misschien was het gewetenswroeging die de herinnering zijner gepleegde misdaden bij hem te voorschijn riep.

Er volgde een lange poos stilte.

Ellen bespiedde met zorgvolle oplettendheid iedere beweging van den bandiet, wien de koorts in een soort van sluimering dompelde, waaruit hij nu en dan opschrikte, woorden zonder samenhang prevelde en de blikken verstrooid rondsloeg.

Tegen den avond werd hij rustiger, hij opende de oogen weder; zijne blikken stonden minder wild en zijn spraak was niet zoo afgebroken.

»Ik dank u, kind," zeide hij, »gij zijt een goed schaap; waar zijn wij hier?"

»Ik weet het niet, vader, dit bosch is zoo groot. Ik herhaal u, God alleen heeft mij tot u geleid."

»Neen, Ellen, dat hebt gij mis," antwoordde hij met zijn sarcastischen glimlach; »God heeft het niet gedaan, maar de duivel, die zeker bang was dat hij in mij zulk een goed vriend zou verliezen."

»O, spreek toch niet zoo dwaas, vader," riep het meisje droevig; »de nacht daalt snel, het zal weldra geheel donker zijn; laat ik eens voor u bidden, opdat God de gevaren van ons afwende die ons gedurende de duisternis kunnen bedreigen."

»Kind!" riep hij, »vindt gij den nacht in het bosch dan zoo verschrikkelijk, daar wij toch ons gansche leven in de woestijn hebben doorgebracht? Stook liever een vuur van droge takken, om de wilde dieren af te schrikken, en leg mijne pistolen bij mij, ik verzeker u dat zal beter zijn dan uwe nuttelooze gebeden."

»Laster God toch niet, vader," antwoordde Ellen met drift; »gij zijt zwaar gewond en bijna stervend, het scheelt weinig of gij waart dood, ik ben zwak en buiten staat u naar wensch te ondersteunen; ons leven is in de hand van Hem wiens macht gij vruchteloos poogt te ontkennen; Hij alleen, zoo hij wil, kan ons redden."

De bandiet barstte los in een stuipachtigen lach.

»Laat Hij het dan doen, voor den duivel!" riep hij, »dan zal ik aan Hem gelooven."

»Vader, in 's hemels naam! spreek toch niet langer zoo," mompelde het meisje geërgerd.

»Doe wat ik u zeg, dwaas kind," viel de Squatter haar bits in de rede, »en laat mij met rust."

Ellen moest zich omkeeren om de tranen af te wisschen die haar uit de oogen sprongen. Zij stond treurig op om haar vader te gehoorzamen.

Deze volgde haar met de oogen.

»Arm, onnoozel schaap," meesmuilde hij, »troost u maar, ik heb het met u zoo kwaad niet gemeend."

Ellen sprokkelde al de droge takken bijeen die zij vinden kon, maakte er een hoop van en stak er den brand in. Weldra vatte het hout vuur en kronkelde er eene heldere vlammenzuil omhoog.

Zij liep naar het doode paard om de pistolen uit de holsters te halen en legde die onder het bereik van den Squatter; daarop kwam zij weder naast hem zitten.

De Roode-Ceder glimlachte vergenoegd.

»Ziedaar," zeide hij, »nu hebben wij immers niets meer te duchten; laten de wilde dieren nu maar komen, wij zullen ze wel verjagen. Nu zullen wij den nacht rustig doorbrengen. Wat morgen betreft, meisje, dat zullen wij nader zien."

Zonder te antwoorden wikkelde Ellen hem zoo veel zij kon in de dekens of dierenvellen, die zij van het paard had genomen om den gewonde tegen de nachtkoude te beschermen.

Al deze zorg en zelfverloochening troffen den bandiet.

»En wat gij nu, Ellen," zeide hij, »houdt gij van die dierenvellen niets voor u zelve?"

»Waartoe zou ik dat, vader? het vuur zal voor mij voldoende zijn," zeide zij zacht.

»Maar eet dan ten minste iets, gij zult wel honger hebben; want, als ik mij niet bedrieg, hebt gij den ganschen dag nog niets gebruikt."

»Dat is waar, vader, maar ik heb geen eetlust."

»Dat doet er niet toe," hernam hij haar dringende, »een al te lang vasten zou u kunnen schaden, ik verlang dat gij iets eet."

»Het is onnoodig, vader," antwoordde zij aarzelend.

»Eet, ik wil het zoo," riep hij; »is het niet om u zelve, doe het dan om mij; eet, al was het ook nog zoo weinig, om te versterken; wij weten niet wat ons binnen weinige uren wacht."

»Helaas! ik zou u gaarne gehoorzamen, vader," zeide zij, de oogen neêrslaande, »maar het is mij onmogelijk."

»En waarom toch? ik zeg u immers dat ik het zoo verlang."

»Omdat ik niets te eten heb."

Deze verzekering trof den bandiet als een mokerslag.

»O dat is verschrikkelijk!" prevelde hij, »arm kind; ik ben een ellendeling, Ellen, die uwe liefde niet verdien."

»Blijf bedaard, vader, als ik u bidden mag; ik heb geen honger zeg ik nog eens; het is slechts om een enkelen nacht te doen en morgen, dan hebt gij immers zelf gezegd, zullen wij nader zien, maar tot zoolang ben ik vast overtuigd dat God ons wel helpen zal."

»God?" riep de Squatter tandknarsend, »alweder dat woord!"

»Ja! God alleen, vader," antwoordde het meisje in vervoering met fonkelend oog en bevende lippen, »en God zeker, want al zijn wij zijne gunst onwaardig, Hij is goed, Hij zal ons toch niet verlaten."

»Reken gij dan op Hem, onnoozel kind, en gij zult zien dat gij over twee dagen dood zijt."

»Neen!" gilde het meisje bijna van vreugd, »want Hij heeft mij verhoord, Hij zendt ons reeds hulp."

De Squatter keek op en zonk onmiddellijk weder op den grond terug, terwijl hij de oogen sloot en in zich zelven de vraag mompelde, die hem sinds eenigen tijd uit het hart op de lippen was gekomen en hem tegen wil en dank overmeesterde:

»Zou God dan inderdaad bestaan?"

Ontzettende vraag, die zich telkens meer aan hem opdrong en waarop zijn folterend geweten dreigde de waarheid te zullen zeggen naarmate zijn granietharde ziel begon weg te brokkelen voor de herhaalde slagen der wroeging.

Maar Ellen lette niet meer op de verslagenheid van den Roode-Ceder; zij was reeds opgestaan en weggeijld met uitgestrekte armen en schreeuwende uit al hare macht:

»Help! help!"

Zij had sedert eenige oogenblikken stellig gemeend zeker gedruisch in het bosch te hooren.

Dit gedruisch, in 't eerst zwak en bijna onmerkbaar, was genaderd; weldra had zij lichten tusschen het geboomte zien schitteren en hoorde zij duidelijk den galop van een talrijken troep ruiters.

Werkelijk had zij geen vijftig passen gedaan in die richting, of zij zag zich omringd door een tiental Indianen te paard, die met fakkels in de hand twee personen eskorteerden in lange mantels gewikkeld.

»Help! help!" herhaalde Ellen zich op de knieën werpende met de armen voor zich uitgestrekt.

De ruiters bleven staan.

Een van hen steeg af, nam haar bij de hand en noopte haar om op te staan.

»Wie moeten wij helpen, arm kind," zeide hij met eene zachte stem.

De minzame wijs waarop de onbekende haar toesprak deed de hoop in haar hart herleven.

»O!" mompelde zij verheugd, »mijn vader is gered!"

»Ons leven is in Gods hand;" antwoordde de onbekende op ernstigen toon; »maar breng mij bij uw vader en al wat menschen doen kunnen om hem te helpen zal gedaan worden."

»Het is God die u zendt! wees gezegend, goede vader," zei Ellen, hem de hand kussende.

Door de beweging die hij maken moest om haar op te heffen was de mantel van den vreemdeling open gegaan en had zij een geestelijke herkend.

»Wijs mij den weg," zeide hij.

»Kom!"

Ellen ijlde vroolijk vooruit, de kleine karavaan volgde haar.

»Vader! vader!" riep zij, toen zij bij den gewonde kwam, »ik wist wel dat God ons niet verlaten zou; ik breng u hulp."

Op dit oogenblik trokken de vreemdelingen het kleine boschkamp binnen waar de Roode-Ceder lag.

De Indianen en de andere persoon met den mantel bleven een weinig achteraf. Wat den priester betreft, deze liep vol ijver naar den bandiet en bukte bij hem neder.