De lynch-wet

Part 4

Chapter 44,000 wordsPublic domain

»'t Is God die het zoo wil, arm kind," antwoordde de onbekende, terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en met allen ijver een kruis maakte.

»Misschien," hervatte zij gedwee. »Welnu, hoor mij dan; ik wil het wagen mijn hart uit te spreken, wat er ook van kome, dat zal mij verlichten. Op zekeren dag, jaren geleden, zat ik op moeders knieën te spelen, mijn vader en mijne zuster waren er ook bij, toen er op eens voor de poort onzer hacienda een vreeselijk geschreeuw klonk; het waren de Apachen-Indianen, die ons aanvielen; mijn vader, die een dapper man was, greep zijne wapenen en vloog naar den muur. Wat er toen eigenlijk gebeurde zou ik niet kunnen zeggen. Ik was destijds nauwlijks vijf jaren oud en het schrikkelijk tooneel dat ik destijds bijwoonde is voor mijn geheugen in een bloedigen sluier gehuld; ik herinner mij alleen dat mijne moeder, die ons al schreiende omhelsde, op eens op mijne zuster viel en ons met haar bloed overstroomde; te vergeefs poogden wij haar door onze liefkozingen te doen herleven; zij was dood."

Er volgde een poos stilte.

De Zoon des Bloeds scheen hare woorden te verslinden, hij zat met gespannen aandacht te luisteren, met verbleekt voorhoofd, gefronste wenkbrauwen, en de hand krampachtig om zijn karabijn geklemd, terwijl hij nu en dan het zweet afwischte dat langs zijn aangezicht liep.

»Ga voort, kind," mompelde hij.

»Ik kan mij niets duidelijk meer herinneren; mannen als duivels stormden de hacienda binnen, namen mijne zuster en mij op, en verwijderden zich zoo snel als hunne paarden loopen konden. Helaas! sedert dien tijd heb ik het lieve gezicht van mijne moeder niet meer gezien en de vriendelijke stem van mijn goeden vader niet meer gehoord; ik was voortaan alleen, te midden van de bandieten die mij geroofd hadden."

»Maar uwe zuster, kind, uwe zuster, waar is die gebleven?"

»Dat weet ik niet; tusschen onze roovers ontstond een hevige twist, er werd bloed vergoten. Ten gevolge van dezen twist scheidden zij van elkander. Mijne zuster werd door de eene partij medegenomen en ik door de andere; nooit heb ik haar wedergezien."

De Zoon des Bloeds scheen in hevige spanning en staarde het meisje aan met verteederden blik.

»Mercédes! Mercédes!" riep hij op eens losbarstend, »zoudt gij het wezenlijk zijn? zou ik u waarlijk na zoo vele jaren hebben terug gevonden?"

De Witte-Gazelle keek schielijk op.

»Mercédes!" riep zij; »dat is de naam dien mijne moeder mij gaf."

»En ik ben Stefano! Stefano, uw oom, uws vaders broeder!" riep de Zoon des Bloeds bijna uitzinnig van vreugde, terwijl hij haar in vervoering aan zijn hart drukte.

»Stefano! mijn oom! Ja, ja! ik herinner het mij! ik weet!..."

En zij zonk bewusteloos in de armen van Stefano.

»Ellendige, die ik ben! ik heb haar gedood.... Mercédes, mijn dierbaar kind. Kom weder tot u zelve!..."

Het meisje opende de oogen weder, viel Stefano om den hals en schreide van blijdschap.

»O! mijn oom, mijn oom! heb ik dan eindelijk een bloedverwant! mijn God, ik dank u!"

Het gezicht van den jager werd ernstig.

»Gij hebt gelijk, mijn kind," zeide hij; »dank God, want Hij is het die gewild heeft dat ik u zou wedervinden op het graf zelf van hen, die wij beiden sedert zoo lang beweenden."

»Wat bedoelt gij daarmede, oom?" vroeg zij verwonderd.

»Volg mij, mijne dochter," antwoordde de woudlooper, »volg mij en gij zult alles weten."

De Gazelle stond met moeite op en volgde hem op zijn arm geleund. Aan den ernst, waarmede don Stefano sprak, had Mercédes wel gehoord dat haar oom haar iets zeer gewichtigs te verklaren had.

Zij konden tusschen de bouwvallen slechts moeielijk voort, door al het hooge gras en de warrige struiken en slingerplanten die er waren opgewassen.

Toen zij bij het kruis kwamen, bleef de Zoon des Bloeds staan.

»Kniel neder, Mercédes!" zeide hij haar met een droevige stem, »het is hier dat vijftien jaar geleden uw vader en moeder in een dergelijken nacht als deze door mij begraven werden."

Het meisje zonk zonder een woord te spreken op de knieën; don Stefano volgde haar voorbeeld.

Beiden baden zeer lang met tranen en snikken. Eindelijk stonden zij weder op.

Don Stefano gaf de Gazelle een wenk om zich aan den voet van het kruis neder te zetten, hij nam plaats aan hare zijde, en na zich met de hand over het voorhoofd te hebben gestreken, als om zijne gedachten te verzamelen, hervatte hij het gesprek met een doffe stem, die ondanks zijn vasten wil beefde van aandoening.

»Luister wel toe, mijn kind, want hetgeen gij hooren zult, kan wellicht dienen om ons, zoo zij nog bestaan, de moordenaars van uw vader en moeder te doen wedervinden."

»Spreek, oom," antwoordde het meisje met een vaste stem. »Ja, gij hebt gelijk, het is daarom dat God ons weder zoo gelukkig bij elkander heeft gebracht; geloof het vrij, Hij zal nooit gedoogen dat de moordenaars langer ongestraft blijven."

»Amen!" zei don Stefano, »sinds vijftien jaren wacht ik met geduld op het uur der wraak. Ik hoop dat God mij ondersteunen zal zoolang tot het slaat; uw vader en ik woonden eens samen op de plaats waar wij ons thans bevinden. Op dezen heuvel stond eens een uitgestrekte hacienda die wij er hadden doen bouwen; de omliggende velden behoorden aan ons en waren door tweehonderd peones ten onzen behoeve, op onze kosten ontgonnen. God zegende ons werk, zoodat het alleszins voorspoedig ging; ieder in het land achtte en beminde ons, want ons huis was altijd open om den ongelukkige of hulpbehoevende te ontvangen."

»Maar ofschoon ook al onze landgenooten ons hoogachtten, en onze ondernemingen toejuichten, de bewoners eener naburige hacienda daarentegen hadden ons een onverzoenlijken haat toegezworen. Om welke reden? Dit heb ik nooit kunnen te weten komen. Was het jaloezie, laaghartige nijd? wat het ook wezen mocht, zooveel was zeker, die lieden haatten ons. Zij waren drie in getal, en behoorden niet tot onzen landaard noch tot het Spaansche ras. Het waren Noord-Amerikanen, of althans zoover ik weet, want ik heb nooit gemeenzaam genoeg met hen in betrekking gestaan om mij hiervan te verzekeren; maar ten minste een van hen was inderdaad een Noord-Amerikaan, met name Wilke. Intusschen, hoe levendig de haat die ons scheidde ook wezen mocht, hij hield zich stil en niets deed veronderstellen dat hij eenmaal zoo vreeselijk zou uitbreken. Onder deze bedrijven werd ik door belangrijke zaken verplicht eenige dagen op reis te gaan. Uw vader en ik, arm kind, konden nauwelijks van elkander scheiden, het was alsof een heimelijk voorgevoel van dreigend onheil ons terughield.

»Ik vertrok. Toen ik terugkwam was de hacienda tot den grond toe verwoest, ik vond niets dan eenige kale muren en rookende puinhoopen. Mijn broeder en onze gansche familie zoowel als al onze bedienden waren vermoord."

Don Stefano hield op.

»Voltooi uw treurig verhaal, oom," zeide het meisje kortaf, »ik moet alles weten ten einde in uwe wraak voor de helft te kunnen deelen."

»Dat is zoo," antwoordde don Stefano, »maar ik heb bijna niets meer te zeggen en zal het kort maken. Meer dan eene maand lang zwierf ik rond tusschen die rookende puinhoopen, de lijken zoekend van hen die mij dierbaar waren, en toen ik hen eindelijk na ongelooflijke moeite allen gevonden en zorgvuldig begraven had, zwoer ik op hun graf dat ik hen zou wreken. Dezen eed heb ik vijftien jaar lang met nauwgezetheid gehouden; ongelukkigerwijs, hoeveel schuldigen ik ook moge verslagen hebben, zijn de hoofdaanleggers van het komplot mij tot dusver steeds ontsnapt, want ondanks al mijne pogingen heb ik hen niet kunnen achterhalen. Uw vader dien ik stervend op de ruïne vond, had in mijne armen den laatsten adem uitgeblazen zonder mij zijne moordenaars te kunnen noemen, en ofschoon ik zware vermoedens heb om Wilke en zijne kameraden te beschuldigen, is mij nog geen bewijs in handen gekomen om mijn twijfel tot zekerheid te brengen, en zijn de namen der schuldigen mij steeds onbekend. Eergisteren slechts, toen ik dien nietswaardigen Sandoval vallen zag, meende ik eindelijk een hunner ontdekt te hebben."

»Daarin hebt gij u niet bedrogen, oom, die man was werkelijk een van onze beroovers," antwoordde Mercédes met eene vaste stem.

»En de anderen?" vroeg don Stefano met drift.

»De anderen, die ken ik, oom!"

Bij deze verklaring gaf don Stefano een schreeuw die naar het brullen van een wild dier geleek.

»Eindelijk!" riep hij met zulk eene woeste uitbarsting van vreugde dat de Gazelle er schier van schrikte.

»Mag ik nu zoo vrij zijn u eene vraag te doen, oom," hervatte zij, »dan zal ik daarna de uwe beantwoorden, zoo gij mij iets mocht te vragen hebben?"

»Spreek, kind."

»Waarom hebt gij u van mij meester gemaakt en mij herwaarts gebracht?"

»Omdat ik dacht dat gij de dochter waart van Sandoval en ik u daarom op het graf zijner slachtoffers wilde dooden," antwoordde de Zoon des Bloeds met eene bevende stem.

»Hebt gij dan niet gehoord wat die man mij gezegd heeft?"

»Neen: toen ik u bij hem gebogen zag, dacht ik dat gij hem in zijne laatste oogenblikken bijstondt. Uwe bezwijming, die ik aan uwe droefheid toeschreef, bevestigde mij in mijn vermoeden; dat was de reden waarom ik naar u toesnelde zoodra ik u vallen zag..."

»Maar die brief, dien gij mij hebt afgenomen, zou u alles hebben geopenbaard."

»Wel! denkt gij dan, kind, dat ik mij de moeite heb gegeven dien te lezen? Neen, ik heb u alleen herkend aan den rozenkrans die om uw hals hing."

»Is 't mogelijk!" riep het meisje op een toon van overtuiging. »Gods hand is in al deze dingen; Hij was het die alles bestuurde!"

»Noem mij nu op uwe beurt de moordenaars, Mercédes."

»Geef mij eerst den brief terug, oom."

»Ziedaar," zei don Stefano haar den brief overhandigende.

De Gazelle nam dien driftig aan, en scheurde hem in duizend kleine stukjes.

De Zoon des Bloeds staarde met stomme verbazing op dit koene bedrijf daar hij niets van begreep; toen het laatste stukje papier op den adem des winds verdwenen was wendde het meisje zich tot haar oom:

»Gij wilt de namen van mijns vaders moordenaars weten, oom, niet waar?" zeide zij.

»Ja."

»Gij staat er op dat de wraak die gij zoo lang gezocht hebt, u niet ontsnappe nu gij op het punt zijt van haar te bereiken?"

»Ja."

»En eindelijk, gij wilt den eed dien gij gezworen hebt ten strengste volvoeren."

»Ja," antwoordde don Stefano ongeduldig. »Maar waartoe al deze vragen," vervolgde hij ongeduldig.

»Ik zal het u zeggen, oom," zeide zij, haar hoofd met zonderlinge fierheid verheffende, »ook ik heb een eed gezworen dien ik niet wil breken."

»Welk een eed?"

»Dien van mijn vader en moeder te wreken! en om dien te vervullen moet ik vrij zijn om naar eigen goedvinden te handelen; derhalve zal ik u die namen niet openbaren voor dat de tijd daar is; heden kan ik het nog niet."

Er blonk in het zwarte oog der Gazelle zoo veel vastheid van wil, dat de Zoon des Bloeds er van afzag om haar tot zijne wenschen over te halen; hij begreep dat elke aandrang van zijne zijde te vergeefs zou zijn.

»'t Is goed," zeide hij, »laat het dan zoo zijn, maar zweer gij mij dan...."

»Dat gij alles weten zult wanneer de tijd daar is!" riep zij de rechterhand naar het kruis uitstrekkende.

»Dat woord is mij genoeg; maar ik mag toch immers wel weten wat gij voornemens zijt te doen?"

»Tot op zeker punt, ja."

»Ik hoor u."

»Hebt gij een paard?"

»Het staat aan den voet van den heuvel."

»Breng het mij hier, oom, en laat mij vertrekken, opdat niemand kennis drage van de banden die ons vereenigen."

»Ik zal stil zijn als het graf."

»Wat gij ook ziet, of hoort, of wat men u van mij vertellen mag, geloof niets, verwonder u over niets; maar zeg bij u zelven dat ik handel in het belang van onze gemeenschappelijke wraak, want dat alleen is waar."

Don Stefano schudde het hoofd.

»Gij zijt nog wat jong, kind, voor zulk een zware taak," zeide hij.

»God zal mij helpen, oom," antwoordde zij met een blik vol dwependen ijver; »mijne taak is rechtvaardig en heilig, want ik wil de moordenaars van mijn vader straffen."

»Het zij dan zoo, als gij wilt," hernam hij. »Gij hebt naar waarheid gezegd dat uwe taak rechtvaardig en heilig is, en ik heb het recht niet om u te beletten haar te volbrengen."

»Ik zeg u dank, oom," riep het meisje met gevoel, »en terwijl ik nu op mijns vaders graf ga bidden, zult gij mij uw paard brengen, zoodat ik onverwijld kan vertrekken."

Don Stefano verwijderde zich zonder te antwoorden.

De Witte-Gazelle knielde neder aan den voet van het kruis.

Een half uur later, na vooraf haar oom teeder omhelsd te hebben, steeg zij te paard en reed weg in galop in de richting van het Verre Westen.

De Zoon des Bloeds oogde haar na zoolang hij in de duisternis iets van haar zien kon. Toen zij eindelijk verdwenen was, knielde hij op zijne beurt op het graf en murmelde met eene doffe stem:

»Zal het haar gelukken?.... Wie weet?" vervolgde hij op een toon die zich niet laat beschrijven.

Hij bad tot de dag aanbrak.

Met de eerste stralen der rijzende zon, keerde don Stefano naar zijne kameraden terug; ook hij begaf zich naar het Verre Westen.

VI.

DE APACHEN.

Op het knallen van het pistoolschot, waarmede Pedro Sandoval een einde aan zijn rampzalig leven maakte, waren, zooals wij in ons vorig verhaal gezegd hebben [3], de Apachen, die zich tot dusver buiten het bereik zijner stem bevonden, onverwijld toegesneld.

De Roode-Ceder had den Zoon des Bloeds, toen deze hem de Witte-Gazelle ontvoerde, een poos nagezet, doch zonder vrucht, zoodat hij zich genoodzaakt zag onverrichter zake naar zijne kameraden terug te keeren.

Deze waren intusschen reeds bezig met het maken der noodige toebereidselen om den ouden bandiet te begraven, wiens lijk zij niet wilden blootstellen om door de wilde dieren verscheurd of door de roofvogels verslonden te worden.

Pedro Sandoval was zeer bemind bij de Apachen, met welke hij lang in betrekking gestaan had en die in menige omstandigheid zijn moed en vooral zijne bekwaamheden als strooper hadden leeren op prijs stellen.

Stanapat had nu zijn troep verzameld en bevond zich aan het hoofd van een aantal onverschrokken krijgslieden.

Hij verdeelde hen in twee detachementen en naderde toen den Roode-Ceder.

»Wil mijn broeder de woorden van een vriend hooren?" vroeg hij hem.

»Dat mijn vader spreke, al is mijn hart droevig, mijne ooren zijn geopend," antwoordde de Squatter.

»Goed," hernam de Sachem; »mijn broeder neme een gedeelte van mijne jongelieden om met hen de Bleekgezichten na te jagen; intusschen zal ik de noodige lijkplichten aan den dooden blanken krijgsman wel volbrengen."

»Kan ik aldus een vriend verlaten eer zijn lijk aan de aarde is teruggegeven?"

»Mijn broeder moet weten wat hem te doen staat, maar de Bleekgezichten verwijderen zich snel."

»Gij hebt gelijk, hoofdman; ik vertrek, maar ik heb uwe krijgslieden niet noodig; mijne gezellen zijn voldoende. Waar zal ik u terug vinden?"

»Aan de teocali van den Zoon des Bloeds."

»Goed; zal mijn broeder daar spoedig zijn?"

»Binnen twee dagen."

»Eer de tweede zon ondergaat ben ik met al mijne krijgslieden bij den Sachem."

Stanapat boog het hoofd zonder te antwoorden.

De Roode-Ceder trad naar het lijk van Sandoval, bukte en greep de kille hand van den doode.

»Vaarwel, broeder," zeide hij; »vergeef mij dat ik uwe begrafenis niet zal bijwonen, maar een belangrijke plicht roept mij elders; ik ga u wreken. Vaarwel oude kameraad, rust in vrede; uwe vijanden zullen niet vele dagen meer tellen; vaarwel!"

Na deze lijkrede gaf de Squatter zijne makkers een wenk, groette Stanapat nog eens en reed weg in galop, door de overige bandieten gevolgd.

Nadat zij hunne bondgenooten hadden zien verdwijnen, hervatten de Apachen de aanstalten voor de lijkplechtigheid, die gedurende het gesprek van hun opperhoofd met den roover gestaakt waren.

Stanapat nam zelf de taak op zich om het lijk te wasschen en het aangezicht van den overledene met allerlei kleuren te beschilderen, terwijl de overige Indianen er omheen stonden te jammeren en te huilen, en sommigen, wier droefheid grooter of meer overdreven was, zich met een mes in de armen sneden of met een enkelen slag van hun hartsvanger den top van een der vingers aan de linkerhand afhakten ten teeken van rouw.

Toen alles gereed was plaatste de Sachem zich aan het hoofd van het lijk en richtte het woord tot de omstanders in dezer voege:

»Waarom weent gij?" zeide hij, »waarom jammert gij? Gij ziet wel dat ik niet ween, ik, die zijn oudste en trouwste vriend ben geweest. Hij is naar het andere land gegaan, de Wacondah heeft hem tot zich geroepen; ofschoon wij hem niet tot ons kunnen doen wederkeeren, is het onze plicht hem te wreken! De Bleekmuilen hebben hem gedood, wij zullen zooveel Bleekgezichten dooden als wij kunnen, om hem een goed geleide te bezorgen, opdat hij met een talrijken stoet trawanten voor den Wacondah verschijne, gelijk een beroemd krijgsman voegt! Dood aan de Bleekgezichten!"

»Dood aan de Bleekgezichten!" herhaalden de Indianen met hunne wapens zwaaiend.

De Sachem wendde het hoofd af en een verachtelijke glimlach plooide om zijne bleeke lippen bij deze geestdrijvende uitbarsting.

Doch die glimlach duurde slechts een ondenkbaar oogenblik en terwijl Stanapat dadelijk zijne Indiaansche gevoelloosheid weder aannam, begon hij met al de bij dergelijke gevallen gebruikelijke deftigheid, het lijk op de wijze der Roodhuiden aan te kleeden en te omhullen met de schoonste mantels en de rijkste dekens die men vinden kon.

Vervolgens werd het lijk in zittende houding in den bereids gedolven kuil geplaatst, welks bodem en zijwanden vooraf met hout waren belegd; een stel paardentuig, een zweep, eenige wapenen en andere voorwerpen werden mede in het graf gelegd; daarop wierp men er de aarde overheen en bedekte het zorgvuldig met een aantal groote steenen, om te beletten dat de wolven het lijk zouden opgraven.

Deze plicht volbracht zijnde, stegen de Apachen, op een wenk van hun opperhoofd, te paard en reden in galop den weg op naar de teocali van den Zoon des Bloeds, zonder verder aan hun kameraad te denken, dien zij zoo plechtig ter aarde hadden besteld en daar zij nu van scheidden alsof hij nooit bestaan had.

De Apachen marcheerden drie dagen achtereen; op den vierden avond, na eene vermoeiende dagreis door eene zandige vlakte, maakten zij halt omtrent een mijl ver van de Rio Gila, in een dicht bosch, dat hen goede gelegenheid gaf om er zich in te verbergen.

Zoodra het kamp was opgericht zond Stanapat naar alle zijden verspieders uit, om te zien of er ook andere gewapende benden van de verbondene natiën in de nabijheid waren, en tevens of zij ook sporen van den Roode-Ceder konden ontdekken.

Nadat de schildwachten waren uitgezet, want in het Verre Westen houden de verschillende Indianenstammen zorgvuldig de wacht wanneer zij op het oorlogspad zijn--ging Stanapat al de posten bezoeken en maakte hij zich gereed om het bericht der veldontdekkers te hooren, van welke verscheidene reeds waren teruggekeerd.

De drie eersten die hij ondervroeg meldden hem weinig bijzonders, zij hadden niets verontrustends gezien.

»Goed!" zei het opperhoofd, »de nacht is donker, mijne jonge lieden hebben mollenoogen; morgen, met het opgaan der zon zullen zij wel klaarder zien; van nacht kunnen zij gaan slapen. Met het eerste morgendagen zullen zij weder uitgaan; wellicht dat zij dan iets ontdekken zullen." En hij wenkte hen met de hand dat zij zich konden verwijderen.

Zij bogen eerbiedig voor hun opperhoofd en gingen zwijgend heen.

Maar een van hen bleef stil en onbewegelijk staan, als ware het bevel niet tot hem gericht geweest. Stanapat wendde zich tot hem en na hem een poos te hebben aangezien zeide hij:

»Mijn zoon de Vlugge-Eland heeft mij zeker niet verstaan, hij ga ook heen even als zijne kameraden."

»De Vlugge-Eland heeft zijn vader verstaan," antwoordde de Indiaan onverschrokken.

»Waarom blijft hij dan hier?" zei Stanapat.

»Omdat hij niet gezegd heeft wat hij gezien heeft, en omdat hetgeen hij zag voor het opperhoofd van gewicht is."

»Ooah!" riep Stanapat. »En wat heeft mijn zoon dan gezien dat zijne kameraden niet zouden gezien hebben?"

»De andere krijgslieden waren elders aan 't zoeken, daarom hebben zij het spoor niet gezien dat ik gevonden heb."

»Heeft mijn zoon dan een spoor gevonden?"

De Indiaan boog toestemmend.

»Ik verwacht dat mijn zoon zich nader verklare," hervatte de Sachem.

»De Bleekgezichten zijn slechts twee pijlschoten ver van het kamp van mijn vader verwijderd," antwoordde de Indiaan lakoniek.

»Ooah!" riep de Sachem twijfelmoedig, »dat schijnt mij te sterk!"

»Wil mijn vader het zien?"

»Ik wil het zien," zei Stanapat opstaande.

»Mijn vader volge mij, en hij zal het dadelijk zien."

»Gaan wij."

De twee Indianen gingen op weg. De Vlugge-Eland leidde den Sachem het bosch door en toen zij aan den oever der rivier kwamen, wees hij hem op korten afstand eene rots, wier zwarte gestalte zich zwijgend en statig aan den somberen oever der Gila verhief.

»Daar zijn zij," zeide hij met de hand naar de rots wijzende.

»Heeft mijn zoon hen gezien?"

»Ik heb hen gezien."

»Dat is de rots van den Dolle-Bison, als ik het wel heb," hervatte de Sachem.

»Ja," antwoordde de Roodhuid.

»Ooah! die stelling zal moeielijk te nemen zijn," mompelde de Sachem terwijl hij de rots nauwkeuriger opnam.

Deze plaats heette werkelijk de rots of heuvel van den Dolle-Bison. Om welke reden men haar dezen naam gaf, dien zij nog draagt, zullen wij hier kortelijk vermelden.

Omtrent vijftig jaar geleden hadden de Comanchen een beroemd opperhoofd, die zijn stam tot den krijgshaftigsten en meest geduchten van alle volken in het Verre Westen verhief. Dit opperhoofd heette Stomish-Washin-Ghu, of Dolle-Bison, en was niet slechts een groot krijgsheld maar ook een groot staatsman. Met behulp van zekere vergiften, en inzonderheid door rottenkruit, dat hij voor pelterijen van de blanke kooplieden inruilde, gelukte het hem zich van al zijne tegenstanders te ontdoen, en tevens zijnen onderdanen een aan bijgeloovige vrees grenzenden eerbied in te boezemen.

Toen hij eindelijk zijn eigen dood voelde naderen en begreep dat zijn laatste uur weldra slaan zou, wees hij eene bepaalde plaats aan waar hij verlangde begraven te worden.

Dit was eene kegelvormige rotskolom van graniet en zand, van omtrent 145 ellen hoogte.

Deze natuurlijke kolom bestrijkt tot op verren afstand de rivier, die haar voet bespoelt en na verscheidene bochten in de vallei gemaakt te hebben er andermaal dicht voorbij stroomt. De Dolle-Bison beval dat men zijn graf boven op den top der rots zou stichten, op welks top hij vaak gewoon was zich neder te zetten.

Zijn laatste wil werd uitgevoerd met al de getrouwheid die de Indianen in dergelijke gevallen eigen is.

Zijn lijk werd op de kruin van de rots geplaatst alsmede zijn beste strijdpaard. Beiden werden met zand en steenen bedekt en tot een kleinen heuvel opgehoopt. In deze ruwe tombe werd een stok geplaatst, aan welke de banier van den Sachem hing, tegelijk met de tallooze hoofdschedels die hij gedurende zijn leven op zijne vijanden had buitgemaakt.

Aldus werd de berg van den Dolle-Bison eene plaats van vereering voor de Indianen, waar ieder Comanch als hij voor de eerste maal ten strijde zal trekken, zijn oorlogsmoed komt bekrachtigen door het aanschouwen van den lagen heuvel waar het skelet van den krijgsman en zijn paard rust.

Stanapat beschouwde den heuvel met de meeste oplettendheid; het was inderdaad eene sterke schier onneembare stelling.

De blanken hadden haar bovendien zoo veel mogelijk versterkt door het omhakken der grootste op het terrein aanwezige boomen en door het oprichten van zware palissaden, uit scherp gepunte palen bestaande en over hare geheele lengte beschermd door eene droge gracht van zes ellen diepte. Aldus gewapend was de heuvel in eene wezenlijke vesting herschapen, die althans niet zonder een regelmatig beleg kon genomen worden.

Stanapat trad het bosch weder in, gevolgd door zijn metgezel en keerde naar zijn kampement terug.