De lynch-wet

Part 3

Chapter 34,008 wordsPublic domain

»Ik zal met u niet redetwisten over de beruchte strijdvraag of de gebreken en misdaden enkel persoonlijk zijn; de gebreken ja, zijn zulks misschien, maar in de woestijn behoort een geheel gezin aansprakelijk te worden gesteld voor de misdrijven van het hoofd; zonder dat bestaat er voor de eerlijke lieden geen veiligheid meer."

»O! hoe kunt gij zoo spreken!"

»Zeer goed! komen wij dan op een ander terrein, als dit u niet bevalt, daar heb ik niets tegen. Gij zijt bijv. de edelste en trouwste ziel die ik ken, don Pablo, en gij zult er zeker nooit aan hebben gedacht om Ellen lichtzinnig te behandelen, niet waar?"

»O!" riep de jongman met levendige drift.

»En zoudt gij haar dan tot uwe vrouw willen maken?" zei Valentin met snerpenden nadruk, terwijl hij hem strak in 't gezicht keek.

Don Pablo neigde wanhopig het hoofd.

»Ik ben onder de macht van den booze!" riep hij uit.

»Neen!" zei Valentin hem bij den arm grijpende; »gij zijt een dwaas! Als alle jongelieden, laat gij u door uw hartstocht beheerschen en wegslepen, gij luistert alleen naar deze en gij veracht de stem der rede, en daarom begaat gij verkeerdheden die bij de eerste gelegenheid zonder dat gij het wilt misdaden kunnen worden."

»Spreek toch zoo niet, mijn vriend."

»Nu zijt gij eerst aan de verkeerdheden," vervolgde Valentin onverbiddelijk, »maar wees op uwe hoede!"

»O! gij lijkt wel dwaas, vriend, dat gij mij zulke dingen zegt. Geloof mij vrij, hoe groot mijne liefde voor Ellen ook wezen mag, nooit zal ik de plichten vergeten die de zonderlinge stelling mij oplegt, in welke wij tegenover elkander geplaatst zijn."

»En gij zijt sedert eene maand met het verblijf van den onverzoenlijksten vijand uwer familie bekend, terwijl gij dat geheim in uw diepsten boezem bewaart, om aan de eischen van eenen hartstocht gehoor te geven, die niet anders dan op oneer voor u kan uitloopen! Gij ziet ons dagelijks te vergeefs alle mogelijke middelen aanwenden om het spoor van onzen bittersten vijand terug te vinden en gij verraadt ons in koelen bloede, ja met voorbedachten rade om dagelijks eenige woorden te kunnen wisselen met het voorwerp uwer liefde, terwijl gij ons diets zoekt te maken dat gij even als wij steeds op vruchtelooze ontdekkingen uitgaat. Welken naam kunt gij aan zulk een gedrag geven, zoo het niet is die van verraad?"

»Valentin! 't is of gij er op uit zijt om mij te beleedigen; de vriendschap die tusschen ons bestaat geeft u geen recht om dus te handelen; wees gewaarschuwd, het geduld heeft zijne grenzen."

De jager stuitte zijne rede met een snerpenden schaterlach.

»Gij ziet het, kind," zeide hij op strengen toon, »gij begint mij reeds te bedreigen!"

De jongman zonk geheel verslagen op den grond neder.

»O!" riep hij wanhopig, »heb ik nog niet genoeg geleden!"

Valentin beschouwde hem een poos met innig medelijden, toen boog hij naar hem toe en legde hem de hand op den schouder.

»Luister naar mij, don Pablo," zeide hij met eene zachtzinnige stem.

IV.

EEN BLIK TERUG.

Wij zullen thans ons verhaal hervatten van het punt waar wij het aan het slot van de Roovers der Prairiën gelaten hebben.

Gedurende een tijdsverloop van zes maanden sedert den dood van dona Clara, hadden er zekere gebeurtenissen plaats gehad, die de lezer volstrekt weten moet om hem te doen begrijpen hetgeen volgen zal.

Men herinnert zich zonder twijfel dat de Witte Gazelle, terwijl zij in bewusteloozen toestand naast het lijk van Sandoval lag, door den Zoon des Bloeds was opgenomen.

Laatstgenoemde had het meisje dwars voor zich op den hals van zijn paard geworpen, en was spoorslags met haar weggereden in de richting der teocali die hem tot verblijf en tevens tot sterkte diende.

Wij zullen thans deze twee gewichtige personages, die wij maar al te lang verwaarloosd hebben, op hun spoor volgen.

Het was verschrikkelijk om aan te zien, zoo teugelloos snel als de Zoon des Bloeds voortholde.

In den donkeren nacht, die vormlooze groep, van het paard met zijne twee menschelijke wezens bevracht, dat de nachtelijke duisternis gedurig verlichtte door de vonken die het uit de keien op den weg deed ontspringen.

De forsche hoeven van het voortijlende dier verpletterden alles wat zij aanraakten, terwijl het met spitsen neus en uitgerekten hals de lucht doorkliefde.

De ooren achterwaarts gestrekt en uit de opgesperde neusgaten dampwolken spuitend, die lange witte sporen achter zich lieten, stoof het voort, hijgend en snuivend, met het gebit tusschen de gesloten tanden, wit van de schuimvlokken en telkens brieschende van smart, terwijl zijne flanken onophoudelijk door de felle sporen van zijn ongeduldigen berijder geteisterd, rookten van zweet en bloed.

Maar hoe meer het zijn loop versnelde, des te meer trachtte de Zoon des Bloeds het aan te zetten en zijne snelheid te vermeerderen.

Boomen, rotsen, moerassen, heuvels, alles vloog met ongehoorde vaart aan weerszijden van den weg voorbij.

De Witte Gazelle had zich tot bewustzijn voelen terugbrengen door de korte en hortende schokken die het rennende paard aan haar lichaam mededeelde.

Haar ontbonden haren van ongewone lengte sleepten door het stof, hare ten hemel gerichte oogen zwommen in tranen van wanhoop, verdriet en onmacht.

Op gevaar af van zich het hoofd tegen de steenen langs den weg te verpletteren, deed zij vergeefsche pogingen om aan de armen van haren schaker te ontsnappen.

Doch deze, de woeste blikken vol onmiskenbare vreugd op haar gericht houdende, scheen niets te gevoelen van den schrik dien hij het jonge meisje veroorzaakte, of liever hij scheen er een onbeschrijfelijken wellust in te vinden.

Zijne hardvochtig saamgetrokken lippen lieten van tijd tot tijd een scherp gefluit hooren, dat dienen moest om de drift van zijn mustang aan te vuren, die door den aandrang van zijn berijder als razend geworden, om zoo te zeggen niet meer aan den grond raakte en de ruimte scheen te verslinden als het spookros uit de Duitsche ballade van Bürger.

Het meisje gaf een gil.

Maar die kreet ging verloren in de sombere echoos, weggedragen op den wervelwind van dezen onzinnigen loop.

Het paard rende altijd voort.

Op eens wist de Witte Gazelle, al hare krachten verzamelende, zich zoo schielijk los te rukken dat hare voeten reeds bijna den grond raakten; doch de Zoon des Bloeds was op zijne hoede en eer zij nog in staat was haar evenwicht te herstellen, bukte hij zonder zijn paard een oogenblik te vertragen en het meisje bij de lange haarvlechten vattende, hief hij haar op en zette haar weder op hare vorige plaats.

Een snik ontsnapte de borst der teleurgestelde Gazelle en zij viel weder in flauwte.

»Ha! gij ontsnapt mij niet," riep de Zoon des Bloeds, »niemand op de wereld zal u aan mijne handen ontrukken."

Intusschen had de nacht plaats gemaakt voor den dag.

De zon verrees in al haren luister uit de kimmen.

Duizenden vogels begroetten met lustig gezang den terugkeer van het licht.

De natuur was vroolijk ontwaakt en de hemel, van het doorzichtigste blauw, beloofde een dier schoone dagen, die het gezegende klimaat dezer gewesten als zijn uitsluitend eigendom schijnt te bezitten.

Eene vruchtbare landstreek vol van de heerlijkste verscheidenheid breidde zich uit links en rechts van den weg, tot waar zij als in de verte verdween en met den horizon ineensmolt.

Het schijnbaar levenloos lichaam der Gazelle hing aan weerszijden van het paard, weerloos te balanceeren op iedere beweging die zijn galop haar mededeelde.

Het laag afhangend hoofd met doodelijke bleekheid bedekt, de lippen blauw en half geopend, de tanden gesloten, met ontblooten boezem en hijgende borst, trilde zij onder de forsche hand van den Zoon des Bloeds die haar loodzwaar drukte.

Eindelijk bereikten zij een grot, waar een veertigtal Indianen ten oorlog toegerust, gekampeerd lagen.

Die mannen waren het volk van den Zoon des Bloeds.

Hij gaf hun een wenk, en zij brachten hem een paard.

Het werd tijd: want nauwelijks stond het dier, dat hem tot hiertoe gedragen had, stil of het zakte ineen en uit zijne neusgaten, mond en ooren stroomde een zwart branderig bloed.

De ruiter besteeg oogenblikkelijk het versche paard, nam het meisje weder in zijne armen en reed andermaal voort.

»Naar de Hacienda Quamada!" [2] riep hij.

De Indianen, die blijkbaar alleen op de komst van hun chef hadden gewacht, volgden hem onmiddellijk.

Weldra ijlde de geheele troep met den Onbekende aan het hoofd in vliegenden galop voorwaarts, gehuld in een dikke wolk van stof die zij rondom zich opjoeg.

Na een rit van vijf uren, die in snelheid alle beschrijving voorbijstreeft, zagen de Indianen in de blauwende verte de hooge torenspitsen eener stad boven eene massa rook en dampen uitsteken.

De Zoon des Bloeds en zijn troep hadden de grenzen van het Verre Westen bereikt en waren buiten de woestijn.

De Roodhuiden reden een weinig links af en galoppeerden dwars door de velden en bouwlanden, met roekeloozen moedwil de rijpe oogsten vertrappende die ze bedekten.

Na verloop van omtrent een half uur bereikten zij den voet van een heuvel die zich midden in de vlakte verhief.

»Wacht mij hier," riep de Onbekende, zijn paard inhoudende; »en wat er ook gebeure, verroert u niet voor dat ik weder bij u kom."

De Indianen bogen ten teeken van gehoorzaamheid en nu zijn paard de sporen gevende reed hij met gevierden teugel weg.

Deze rit duurde niet lang.

Nauwelijks was de Zoon des Bloeds uit het oog zijner volgers of hij hield stil en steeg af.

Na zijn paard onttuigd te hebben, om het des te beter en naar hartelust het hooge en malsche gras op de vlakte te laten afknabbelen, nam de Onbekende het meisje weder op, dat hij een poos op de zoden had neergelegd waar zij roerloos was blijven liggen, en maakte zich gereed om met haar den heuvel te bestijgen.

Het was nu reeds avond, het uur waarop het vogelenkoor zijn laatste lied aanstemde voor de ondergaande zon, wier vurige schijf juist in de kimmen zonk en met hare schuinsche stralen geen helder licht meer verspreidde. De schaduw nam met rassche schreden toe.

Intusschen verhief zich de wind met eene kracht die van minuut tot minuut aanwies; de hitte was drukkend; dikke zwarte wolken met grijze randen, door een storm in de bovenlucht voortgestuwd, dreven zwaar door het uitspansel en schenen steeds lager op de aarde af te dalen.

Kortom, alles verkondigde voor den aanstaanden nacht een dier ontzettende orkanen zoo als men ze alleen in deze streken ontmoet en die de kloekhartigste mannen van schrik doen verbleeken.

De Zoon des Bloeds was steeds klimmende, met het meisje in zijne armen, wier verbleekt hoofd gevoelloos op zijn schouder rustte.

Lauwe regendroppels zoo groot als piasters begonnen bij tusschenpoozen te vallen en het aardrijk te besprenkelen, dat ze onmiddellijk inzoog.

Een scherpe en doordringende reuk wasemde uit den grond en bezwangerde den dampkring.

De Zoon des Bloeds klom steeds met denzelfden fermen langzamen stap met gebukt hoofd en gefronste wenkbrauwen.

Eindelijk had hij den top des heuvels bereikt.

Daar bleef hij eenige sekonden staan om een bespiedenden blik in het rond te werpen.

Op dit oogenblik scheurde een verblindende bliksemstraal het laaghangende zwerk en verlichtte het landschap met een blauwen weerschijn, terwijl het volgende oogenblik een krakende donderslag losbarstte.

»Ja," mompelde de Onbekende op somberen toon als beantwoordde hij met luide stem eene inwendige gedachte, »de natuur schijnt zich in harmonie te stellen met het tooneel dat hier zal plaats vinden, zij wordt de lijst voor dit tafereel; het onweder daarboven is nog op verre na zoo vreeselijk niet als hetgeen in mijn binnenste woedt. Welaan! het zij zoo; die vreeselijke melodie ontbrak er nog aan. Ik ben de Wreker, ik zal de taak van den daemon volbrengen die ik mij in een nacht van waanzinnigheid heb opgelegd."

Na deze onheilspellende woorden geuit te hebben, hervatte hij zijn tocht in de richting van een hoop half verkoolde steenen, die met zwarte punten niet ver van hem af, door het hooge gras opstaken.

De kruin van den heuvel waar de Zoon des Bloeds zich bevond, droeg den stempel van onbeschrijfelijke woestheid.

Tusschen de dichte struiken van het hooggepluimde gras zag men zwartgebrande puinhoopen, stukken van muren, en half ingestorte gewelven, voorts hier en daar vruchtboomen, wilde dahlia's, ceders en eene noria of waterput, aan welks langen balansstok nog de lederen emmer hing waarmede eertijds het water werd opgehaald.

Te midden der ruïnen verhief zich een zwart houten kruis, ter aanduiding van eene begraafplaats; aan den voet van dat kruis lagen in afschuwwekkende orde een twintigtal grijnzende doodshoofden opgestapeld, die door wind en zon geblakerd en gepolijst eene geelachtige kleur als ivoor hadden gekregen. In den omtrek van dit graf slopen de slangen en hagedissen, als de eigenaars dezer graftomben, in stilte tusschen het gras en staarden met hunne kleine, ronde, schichtige oogen den vreemdeling aan, die hunne eenzaamheid durfde verstoren.

Niet ver van het graf was een soort van afdak van saamgevlochten bamboes, dat hier en daar losgewaaid op het instorten stond, maar hoe bouwvallig het ook wezen mocht, toch een schamele toevlucht bood aan den reiziger die door het onweder verrast hier eene schuilplaats zocht.

Naar dit afdak richtte thans de Zoon des Bloeds zijne schreden.

Binnen eenige minuten had hij het bereikt en was hij tegen den regen beschut, die op dit oogenblik, in stroomen begon te vallen.

Het onweder was in zijne volle kracht; het bliksemde onophoudelijk, de donder klaterde en rommelde als duizend rollende wagens, en de storm geeselde het geboomte met verdubbelde woede.

De Zoon des Bloeds legde het meisje op een hoop dorre bladeren in een hoek van de schuur en na haar een poos met aandacht beschouwd te hebben, kruiste hij de armen op de borst, fronste de wenkbrauwen, en begon met onrustige schreden op en neder te stappen, met eene zachte stem, woorden zonder samenhang in zich zelven mompelende.

Telkens als hij het meisje voorbijkwam hield hij op, staarde haar aan met een onbeschrijfelijken blik, en hervatte hoofdschuddend zijn onrustige wandeling.

»Neen!" riep hij eindelijk met een doffe stem, »dat duurt hier te lang, ik moet er een eind aan maken. Is het mogelijk! zulk een kloek en sterk meisje ligt daar zoo bleek, verslagen en half ontzield! O dat het de Roode-Ceder eens was en ik hem zoo onder het bereik mijner hielen had! Maar geduld! zijne beurt zal komen, en dan...!"

Een sardonische glimlach plooide zich op zijne lippen, en hij bukte naar het meisje.

Hij beurde zachtjes haar hoofd op, nam een flacon uit zijn gordel en was gereed haar die onder den neus te houden, maar op eens deinsde hij terug, liet de Gazelle weder op haar bladerbed zinken en verwijderde zich met een uitroep van schrik en verbazing.

»Neen!" riep hij, »dat is niet mogelijk, ik moet mij bedrogen hebben, het is eene illusie, een droom!"

Na een poosje aarzelens naderde hij de Gazelle op nieuw, en bukte bij haar neder.

Ditmaal scheen hij echter geheel van manieren veranderd; zoo barsch en brutaal als hij vroeger jegens haar geweest was, zoo zachtzinnig en kiesch ging hij thans met haar te werk.

Door de ruwe schokken namelijk, die de Gazelle gedurende de jongste gebeurtenissen had moeten doorstaan, waren er een paar diamanten knoopjes van haar keurs losgesprongen, zoodat haar boezem gedeeltelijk bloot lag en de Zoon des Bloeds het kleine scapulier van zwart fluweel had ontdekt, dat aan een gouden kettingje om haar hals hing en waarop in zilver twee door elkander geslingerde letters geborduurd waren.

Bij het zien van dit geheimzinnig naamcijfer ontstelde de Zoon des Bloeds zoo hevig, dat hij zich zelven bijna niet meester was.

Hij greep het scapulier met zenuwachtige drift, brak het kettingje en wachtte tot een nieuwe bliksemflits hem andermaal in de gelegenheid zou stellen om de letters te bezien en zich te verzekeren dat hij zich niet bedrogen had.

Hij behoefde niet lang te wachten; nauwelijks eenige sekonden later werd de heuvel door een schitterenden bliksemstraal verlicht.

Hij bekeek het nader en werd terstond overtuigd: het naamcijfer was werkelijk wat hij had meenen te zien.

Hij viel plat op den grond, hield zijn hoofd met beide handen vast en verzonk in diep nadenken.

Er verliep meer dan een half uur eer deze man met zijne ijzeren ziel van zijne stomme verbazing terugkwam.

Toen hij het hoofd weder ophief liepen er twee groote tranen langs zijne gebronsde wangen.

»O! die onzekerheid doodt mij!" riep hij, »daar zal ik, het koste wat het wil, een einde aan maken; ik moet volstrekt weten waaraan ik mij te houden en wat ik te hopen heb."

Zich fier en in zijne volle lengte oprichtende, trad hij ferm en stout naar het meisje toe, dat nog altijd onbeweeglijk lag.

Nu begon hij de Gazelle op gelijke wijs te behandelen als hij Shaw vroeger eens gedaan had, en beproefde aan haar dezelfde krachtige middelen die hem toen bij den jongman zoo goed waren gelukt.

Maar het arme meisje had sedert de twee laatste dagen zulke harde stooten moeten doorstaan, dat het leven in haar geheel uitgebluscht scheen.

Ondanks de ijverige zorgen die hij aan haar besteedde, bleef zij steeds zoo ongevoelig en stijf als een lijk; al zijne middelen schenen hun kracht te hebben verloren.

De Onbekende werd wanhopig toen hij zijne pogingen om het meisje te doen herleven, zag mislukken.

»O!" riep hij telkens, »zij kan niet dood zijn; dat zou God nooit gedoogen!"

En gedurig begon hij op nieuw met dezelfde middelen, wier vruchteloosheid hem reeds gebleken was.

Op eens sloeg hij zich woest met de vuist op het voorhoofd. »Ik ben dwaas!" zeide hij.

En driftig in zijn borst tastende, haalde hij uit een zak in zijn dolmantel een kristallen fleschje te voorschijn met zeker bleekrood vocht gevuld; hij deed er haastig de stop af, stak de punt van zijn dolk tusschen de tanden der Gazelle en goot haar eenige droppels van het vocht in de keel.

De uitwerking volgde onmiddellijk.

Hare trekken ontspanden zich, een levendig rood kleurde hare wangen, de Gazelle opende flauw de oogen en murmelde met een gebroken stem: »Hemel! waar ben ik?"

»Zij is gered!" riep de Zoon des Bloeds met een zucht van blijdschap, terwijl hij het zweet afwischte dat van zijn voorhoofd gutste.

Om hem heen loeide nog altoos de orkaan in al zijne kracht.

De wind deed het wrakke afdak kraken, de regen stortte bij stroomen neder en de donder rolde boven hunne hoofden met een geweld dat hemel en aarde er van daverden.

»Een schoone nacht voor eene herkenning," mompelde de Zoon des Bloeds.

V.

DE HACIENDA QUEMADA.

Het was eene zonderlinge groep, die door dit bekoorlijk meisje en den ruwen woudlooper gevormd werd op den top van dien woest liggenden heuvel in het licht van den flikkerenden bliksem en onder het klateren van den donder.

De Witte-Gazelle was op nieuw verbleekt en in flauwte gevallen.

De Zoon des Bloeds doorboorde met scherpen blik de duisternis van den nacht en door de stilte vervoerd, bukte hij andermaal bij het meisje neder.

Bleek, als eene witte lelie door den storm geknakt, en met de oogen gesloten, scheen de Gazelle niet meer te ademen.

De onbekende nam haar in zijne gespierde armen en droeg haar naar een half ingestorten muur, aan welks voet hij zijne zarape op den grond uitspreidde; met de meeste zorg zette hij haar neêr op dit minder harde leger. Het hoofd der Gazelle rustte gevoelloos tegen zijn schouder.

Toen zat hij haar langen tijd aan te staren.

Droefheid en medelijden stonden op het gelaat van den Zoon des Bloeds geteekend.

De man, wiens leven tot hiertoe niets dan een eindeloos treurspel was geweest, zonder geloof of hoop in het hart, onbekend met de zachte gevoelens en geheimzinnige sympathiën des levens, hij, de wreker zonder genade, de dooder der Indianen, was bewogen en gevoelde een nieuwen hartstocht in zijn binnenste ontbranden.

Twee groote tranen vielen op nieuw langs zijne gebronsde wangen.

»O mijn God! zou zij dood zijn," riep hij wanhopig. »O!" vervolgde hij, »ik ben laag en wreed geweest jegens dit zwakke schepsel, en nu straft God er mij voor."

Den heiligen naam van het Opperwezen, die hem anders slechts diende om te vloeken, sprak hij thans met zekeren eerbied uit.

Het was een soort van gebed, eene stem uit zijn hart: de ontembare man was eindelijk overwonnen, hij geloofde!

»Hoe zal ik haar helpen?" vroeg hij zich zelven.

De regen bleef bij stroomen vallen en het water bereikte eindelijk het meisje, zoodat zij weder tot zich zelve kwam.

Zij opende de oogen en prevelde met eene gesmoorde stem: »Waar ben ik? Wat is er toch gebeurd? O! ik dacht dat ik zou sterven."

»Zij spreekt, zij leeft, zij is behouden!" riep de Zoon des Bloeds.

»Wie is daar?" riep zij met verheffing van stem, terwijl zij zich met moeite oprichtte.

Zoodra zij het bruine gezicht van den partijganger zag, schrikte zij, sloot de oogen weder en viel bijna in hare onmacht terug.

Zij begon zich het vroeger gebeurde te herinneren.

»Stel u gerust, mijn kind," zeide de onbekende, terwijl hij zooveel mogelijk den ruwen klank zijner stem poogde te verzachten; »ik ben uw vriend."

»Mijn vriend, gij!" riep zij uit, »wat beteekent dat in uw mond?"

»O! vergeef mij, ik was dwaas, ik wist niet wat ik deed."

»U vergeven! waarom? Ik ben immers geboren om ongelukkig te zijn."

»Wat moet zij veel geleden hebben!" murmelde de Zoon des Bloeds.

»O ja," vervolgde zij met eene stem alsof zij droomde.

»Ja, ik heb veel geleden. Mijn leven, hoe jong ik wezen mag, is tot hiertoe niets dan een langdurig lijden geweest. En toch, voorheen, het is zeer lang geleden, herinner ik mij dat ik gelukkig was. Maar helaas! het zwaarste leed in deze wereld is de herinnering van verloren geluk in het ongeluk."

Een zucht ontsnapte aan haar geprangde borst, zij liet het hoofd op de handen zinken, en schreide.

De Zoon des Bloeds hing als aan hare lippen, staarde haar aan en luisterde.

Die stem, die trekken, alles wat hij hoorde of zag versterkte de vermoedens die hij in zijn boezem koesterde en bracht ze allengs tot zekerheid.

»O! spreek! spreek nog eens," hernam hij met teederen nadruk. »Wat herinnert gij u van uwe jonge jaren?"

De Gazelle keek hem aan, een bittere glimlach vertrok hare lippen.

»Waarom zou ik in het ongeluk aan verloren vreugde denken?" zeide zij droevig het hoofd schuddende. »Waartoe zou ik aan u deze dingen vertellen, aan u inzonderheid die mijn beul hebt willen zijn? Of is het misschien eene nieuwe foltering die gij mij zoekt aan te doen?"

»O!" riep hij met schrik, »hoe kunt gij dat van mij denken? Helaas! ik ben schuldig jegens u, dat erken ik, maar vergeef mij. Vergeef mij, ik smeek, ik bezweer het u! Ik zou mijn leven willen opofferen om uw lijden te verlichten, om u een verdriet te besparen."

De Witte Gazelle beschouwde met gemengde verbazing en vrees den man, die bijna voor haar op de knieën zonk en wiens ruwe gezicht men in zijne tranen had kunnen wasschen; zij begreep niets van hetgeen hij tot haar sprak, zoo weinig kwam het overeen met de onbarmhartige wijze waarop hij haar straks behandeld had.

»Helaas!" zuchtte zij, »mijne geschiedenis is die van alle ongelukkigen; er was een tijd toen ik, als andere kinderen, vogeltjes had om mij in slaap te zingen, en bloemen, die mij toelachten als ik ontwaakte; ik had ook eene zuster, die met mij speelde, en eene moeder die mij beminde en kuste. Dat alles is voor altijd verdwenen."

De onbekende had met behulp van twee staken en eenige dierenvellen eene kleine tent gespannen om haar tegen de woede van het onweder te beschutten, dat intusschen allengs begon te bedaren.

Zij had hem hiermede bezig gezien.

»Ik weet niet waarom," zeide zij met zekeren weemoed, »maar ik gevoel mij geneigd om u meer vertrouwen te schenken, al hebt gij mij ook zooveel kwaad gedaan! Vanwaar komt dat gevoel dat gij mij onwillekeurig inboezemt? Ik zou u veeleer moeten haten."

Zij sprak niet verder, maar verborg haar hoofd met beide handen en snikte overluid.