De lynch-wet

Part 28

Chapter 283,948 wordsPublic domain

De Zoon des Bloeds kon zijn genoegen nauwelijks ontveinzen.

»Welnu," zeide hij; »de Roode-Ceder, Fray Ambrosio en de anderen zijn slechts weinige mijlen van hier in de bergen verscholen; gij zult u daarheen begeven."

»Dat zal ik."

»Let wel, dat gij, onverschillig door welke middelen, maar dat gij u bij hen indringt, en hun vertrouwen weet te winnen, en als gij dat verworven hebt en de noodige inlichtingen hebt opgedaan, komt gij weder hier om ons in staat te stellen dat adderengebroedsel uit den weg te ruimen."

De gambusino dacht een oogenblik na, zoodat de Zoon des Bloeds meende dat hij begon te dralen.

»Aarzelt gij?" vroeg de andere.

»Ik aarzelen!" riep de ranchero met een zonderlingen grijnslach, »neen, señor, integendeel, maar ik ging met mij zelven te rade."

»Waarover?"

»Dat zal ik u zeggen: de last dien gij mij opdraagt is eene taak op leven of dood. Als ik faal is mijne rekening spoedig opgemaakt, dan slaat de Roode-Ceder mij dood als een hond."

»Wel waarschijnlijk."

»Hij heeft er het recht toe, ik kan er hem geen verwijt van maken; maar al ben ik dood, zou ik toch niet willen dat de schelm er goed afkomt."

»Gij kunt op mijn woord staat maken."

Op het magere gezicht van den gambusino kwam een trek van onbeschrijfelijke sluwheid en list.

»Daar maak ik ook staat op, señor, maar gij hebt zulke gewichtige zaken om handen, die al uw tijd vorderen, dat gij mij, zonder het te willen, misschien vergeten zult."

»Wees daar maar niet bang voor."

»Men kan voor niets instaan, señor, er kunnen in het leven zulke wonderlijke omstandigheden voorkomen, dat...."

»Waar wilt gij heen? Kom, verklaar u ronduit."

Andres Garote sloeg zijn zarape op, haalde een klein stalen kistje te voorschijn en zette het op de tafel, waar de partijganger aan gezeten was.

»Daar, señor," zeide hij op dien zoetsappigen toon dien hij zelden varen liet, »neem dat kistje, en als ik vertrokken ben, breek dan het slot open; ik ben zeker dat gij er eenige papieren in vindt die u belang zullen inboezemen."

»Wat moet dat nu beteekenen?" riep de Zoon des Bloeds ten hoogste verwonderd.

»Dat zult gij wel zien," antwoordde de gambusino altijd bedaard, »nu ben ik zeker dat, al mocht gij mij vergeten, gij u zelven niet vergeten zult, en dat ik van uwe wraak partij zal trekken."

»Kent gij dan die papieren?"

»Wat denkt gij, señor, dat ik dat koffertje gedurende zes maanden in mijn bezit zou hebben gehad zonder mij te verzekeren van hetgeen er in is? Neen, señor, ik weet gaarne wat ik heb, of bezit. Gij zult zien, dat het voor u zeer groote waarde heeft."

»Maar als dat zoo is, waarom hebt gij mij dan die papieren niet eerder ter hand gesteld?"

»Omdat de geschikte tijd daartoe niet gekomen was; ik wachtte slechts op de gelegenheid die mij van daag te stade komt. Wie zich wreken wil moet geduld leeren hebben, gij kent het spreekwoord wel, señor, de wraak is een vrucht die niet gegeten kan worden voordat hij rijp is."

Zoolang de gambusino sprak, hield de partijganger de oogen onafgewend op de cassette gericht, met vurigen blik en de handen krampachtig samengevouwen; en toen hij zweeg, vroeg hij hem:

»Gaat gij nu vertrekken?"

»Dadelijk señor; alleen zou ik, zoo gij er niets tegen hebt, aan de bepalingen die gij mij hebt voorgeschreven gaarne nog iets veranderen."

»Wat dan?"

»Ik geloof dat het beter zou zijn als ik niet verplicht was om hier terug te komen; dat zal maar kostbaar oponthoud geven met heen en weer loopen, daar de Roode-Ceder, wiens vermoedens niet sluimeren zullen, gewis gebruik van zal maken om zich te verplaatsen."

»Dat is zoo, maar hoe zullen wij dan doen?"

»O! dat is eenvoudig genoeg; weet gij wat, señor, als het oogenblik daar is om onze netten uit te zetten, ontsteek ik een vuur op de bergen, tot een teeken dat gij u op weg moet begeven, alleen zou het niet kwaad zijn dat er iemand met mij medeging om zich ergens, in de nabijheid van de plaats waar ik ben, schuil te houden."

»Aan dat verlangen zal voldaan worden," antwoordde de Witte-Gazelle, »en niet slechts één, maar twee personen zullen u vergezellen."

»Hoezoo dat?"

»Don Pablo de Zarate en ik hebben het voornemen u te volgen," hernam zij met een blik naar den jongman, die haar dadelijk begreep.

»Dan zijn wij in eens klaar," riep de gambusino, »en dan kunnen wij vertrekken zoodra gij maar wilt."

»Oogenblikkelijk, oogenblikkelijk!" riepen de beide jongelieden.

»Onze paarden zijn niet te zeer vermoeid, zij kunnen van daag dat toertje nog gemakkelijk doen," liet don Pablo er op volgen.

»Haast u dan, want de oogenblikken zijn kostbaar," zei de partijganger, die als op heete kolen stond om alleen te zijn.

»Ik vraag slechts eenige minuten om mijn paard te zadelen."

»Ga dan, wij wachten u hier."

De gambusino ging heen.

De drie personen spraken niet verder, maar schenen alle drie even vol belangstelling in het kistje, daar de Zoon des Bloeds zijne hand op hield, als vreesde hij dat men het hem ontstelen zou.

Drie minuten later hoorde men daarbuiten een paard in galop; en weldra stak Garote zijn hoofd door de deur terwijl hij het gordijn half ophief.

»Hier ben ik," riep hij.

De Witte-Gazelle en don Pablo stonden op.

»Vertrekken wij," zeiden zij onmiddellijk de deur uitgaande.

»Goede reis!" riep de partijganger hun na.

»Señorita, denk aan de cassette," grinnikte de gambusino, »gij zult verrukt zijn over den inhoud."

Het gordijn der tent viel; de paarden vertrokken in vliegenden galop.

Nauwelijks bevond de partijganger zich alleen of hij stond op, versperde zorgvuldig den ingang zijner hut, om niet gestoord te worden in het onderzoek dat hij zich voorstelde; ging toen weder zitten, na uit een zakje van antilopenvel eenige sleutels van verschillenden vorm te hebben gekregen.

Hij nam de cassette en bekeek haar aandachtig aan alle kanten. Er was niets bijzonders aan te zien; zooals wij reeds elders gezegd hebben, was het een licht koffertje van geciseleerd staal, met uitnemend veel smaak bewerkt, kortom, een kunstjuweeltje op zich zelve.

Ondanks zijn verlangen om te weten wat er in was, aarzelde hij toch het te openen; het kleine aanvallige meubeltje baarde hem eene ontroering daar hij zich geen rekenschap van wist te geven; hij meende het reeds vroeger gezien te hebben, maar zocht te vergeefs in zijne geheugenis op te delven onder welke omstandigheden.

»O!" mompelde hij binnensmonds als tegen zich zelven, »als ik eindelijk de voltooiing mocht bereiken van het werk waaraan ik mijn gansche leven heb toegewijd!"

Hij verviel in eene diepe mijmering en zat een geruimen tijd voor zich te kijken, zonder iets te zien en scheen geheel overstelpt door de bittere herinneringen die zijne borst beklemden.

Eindelijk hief hij de oogen op, schudde met ongeduldige drift zijne zware haarlokken en streek zich met de hand over het voorhoofd.

»Niet langer geaarzeld," zeide hij met eene holle stem, »laten wij zien waaraan wij ons te houden hebben. Er spreekt in mij eene stem, die mij zegt dat mijne nasporingen met goed gevolg zullen bekroond worden."

Nu greep hij met krampachtige handen een der loopers en stak dien in het slot, maar zijne ontroering was zoo sterk, dat hij met het werktuig onmogelijk iets kon uitrichten; hij wierp het toornig ter zijde.

»Ben ik dan een kind?" riep hij, »laat ik toch bedaard blijven."

Hij vatte den looper met vaste hand. Het kistje sprong open.

De partijganger keek gretig naar binnen.

Er was niets anders in dan een paar brieven, door den tijd verkleurd en verschrompeld.

Zoodra hij ze zag werd zijn gelaat doodelijk bleek: ongetwijfeld had hij met den eersten oogopslag het handschrift herkend. Hij brulde schier van vreugde, en greep de beide brieven onder het uiten van een vervaarlijken kreet.

»Daar heb ik dan nu de bewijzen die ik meende dat vernietigd waren!"

Hij opende de brieven met de meeste zorg, uit vrees dat zij in de vouwen scheuren mochten, en begon te lezen. Weldra ontsnapte een zucht van zelfvoldoening aan zijne beklemde borst.

»Ach!" murmelde hij, »levert de Hemel mij eindelijk mijne vijanden in handen; nu zullen wij onze rekening sluiten!"

Hij legde de brieven weder in de cassette, sloot het zorgvuldig dicht en stak het bij zich.

XXXVIII.

EEN ROOKZUIL IN DE BERGEN.

De drie avonturiers die het kamp van den partijganger zoo snel uitgereden waren, hadden den weg naar de bergen gekozen. Zij galoppeerden onophoudelijk en zwijgend voort.

De ontknooping van het vreeselijke drama, dat zoo lang had geduurd, begon te naderen, dat voelden zij, en toch waren zij treurig gestemd.

Zoo is de mensch, geen gevoel dat hem sterker overmeestert dan de droefheid; het menschelijk gestel is als geboren om te strijden, vreugde is een abnormale toestand; gevormd om op harde proeven te worden gesteld, is de sterkste soms de eerste die bezwijken zal in voorspoed; ja de beide aandoeningen, hoe verschillend in hare soort, zijn in hare uitwerksels zoo aan elkander gelijk, dat groote blijdschap de zielskracht evenzeer vernietigt als groote droefenis.

Dit bleek weder aan de drie boven genoemde personen. Op het oogenblik dat zij hunne lang gekoesterde hoop verwezenlijkt zagen, gevoelden zij zich gedrukt en neerslachtig, zonder eigenlijk te weten waarom.

De beslissende slag zou thans worden geslagen. Sedert maanden voerden zij een harden strijd tegen een geducht kampioen, die list tegen list en sluwheid tegenover sluwheid wist te stellen en ten slotte ofschoon zwaar gewond nog altijd overwinnaar was gebleven.

Ditmaal echter was de kans verkeerd; de zegepraal scheen te zullen verblijven aan de zijde van het goed recht; terwijl de bandiet, tot in zijn laatste wijkplaats teruggedrongen, met ieder uur verwachten kon te worden ten ondergebracht.

Intusschen ontveinsden zij zich geenszins de moeielijkheden van dezen beslissenden strijd, in welken de bandiet, zoo het hem al niet gelukte hen door nieuwe list andermaal te bedriegen, misschien door een eervollen dood in de laatste verschansing ontsnappen kon aan de straf die hem was toegedacht.

In hunne tegenwoordige stemming laat zich licht begrijpen dat er tusschen de drie avonturiers niet gesproken werd, tot zij eindelijk de eerste bergen bereikten.

Daar hielden zij stil.

»Caballeros!" zeide de gambusino, »eer wij verder gaan, zal het dunkt mij niet kwaad zijn eenige hoognoodige beschikkingen te maken."

»Welke beschikkingen bedoelt gij?" vroeg don Pablo.

»Wij komen hier in eene streek," antwoordde Andres Garote, »waar wij van onze paarden meer last dan nut hebben; in de bergen kan een voetganger overal voort en een ruiter schier nergens."

»Dat is zoo; laten wij dus onze paarden hier; de edele dieren zullen zich niet verder verwijderen dan noodig is om voedsel te vinden. Als wij ze later weder gebruiken moeten, zullen wij ze na weinig zoekens wel terugvinden."

»Is de señorita van dezelfde meening?" vroeg de gambusino beleefd.

»Volkomen," antwoordde zij.

»Stijgen wij dan af; ontzadelen wij de paarden en laten wij hen aan hun lot over."

Alle drie stegen af, ontnamen den paarden het hinderlijke tuig en stuurden hen met een klap op het kruis de wildernis in.

De edele dieren, aan deze behandeling gewoon, verwijderden zich nauwelijks eenige stappen en begonnen vreedzaam te weiden van het harde prairiegras.

»Ziezoo, dat is gedaan," zeide de gambusino; »denken wij nu aan ons zelven."

»Maar de tuigen," merkte de Gazelle aan; »als het oogenblik daar is, zullen wij ze gaarne onder ons bereik nebben."

»Zeer juist geredeneerd," hernam Andres; »wij zullen ze daarom op eene veilige plaats bergen; kijk, daar in dien hollen boomstam is een hoekje dat er bijzonder toe dienen kan."

»Caramba! dat is een uitmuntend idee," zei don Pablo, »daar moeten wij gebruik van maken."

De drie zadels en hoofdstellen werden in den hollen boom gestopt en door den gambusino zoo dicht met dood blad bedekt, dat er niets van te zien of te vermoeden was.

»Laten wij thans voor ons eigen nachtverblijf zorgen," zei de Witte-Gazelle; »de nachten zijn koud in dit seizoen, vooral in de bergen, de avond daalt reeds snel, weldra omringt ons de duisternis."

Onze drie veldontdekkers waren laat uit het kamp gereden en terwijl zij zich met het afnemen en verbergen der tuigen bezighielden, was de zon al lager en lager naar de kimmen gezakt en eindelijk ondergegaan. Op dit oogenblik bevonden zij zich juist in de schemering tusschen dag en nacht, die in de prairie zoo kortstondig is en gedurende welke het wegstervende daglicht, met de aardsche duisternis om de heerschappij kampende, het landschap doopt in een soort van halflicht dat de voorwerpen vertoont als door een prisma gezien.

Dit oogenblik moesten zij zich ten nutte maken om zich te orienteeren, ten einde voort te kunnen gaan zonder vrees van te zullen verdwalen, wanneer de duisternis geheel de overhand zou hebben bekomen.

Zoo gedacht zoo gedaan, en na met een welberekenden blik de richting der verschillende bergspitsen te hebben opgenomen, hervatten zij stoutmoedig hun tocht.

Zij marcheerden omtrent een uur lang op een hellend vlak, dat al steiler en steiler werd en eindigde in een terras van geringe breedte, waar zij een poosje halt maakten, vooreerst om adem te scheppen, ten tweede om samen te overleggen wat zij verder doen zouden.

»Als wij hier nachtverblijf hielden," zei de Witte-Gazelle. »De steile rots achter ons beschermt ons uitmuntend tegen den wind, en gewikkeld in onze zarapes en bisonsmantels meen ik zeker dat wij goed slapen zullen."

»Niet te voortvarend, nina," zei de gambusino hoogwijs, »er is op dit oogenblik aan geen slapen te denken."

»Waar dan aan?" hervatte zij met drift, »wat mij betreft, verzeker ik u dat ik zeer goed slapen zal."

»Dat kan wel waar zijn, nina," hernam Andres, »maar wij hebben wel iets anders te doen."

»Wat dan?"

»Zien waar wij zijn."

»Zien waar wij zijn. Wordt gij nu dwaas, vriend? Het is stikdonker. De drommel zelf, gewend aan de duisternis als hij is, zou hier op zijn eigen staart trappen."

»Juist om die reden, nina; wij moeten ons de weinige oogenblikken eer de maan opkomt ten nutte maken om den omtrek te doorzoeken."

»Ik begrijp er niets van."

»Ziet gij dan niet hoe doorschijnend de lucht is; het zwakke schemerlicht der sterren is voldoende om de voorwerpen zelfs op verren afstand te onderscheiden, zoo de lieden die wij vervolgen nog eten, hebben zij waarschijnlijk dit uur uitgekozen om hunne spijzen te koken."

»Nu, maar wat zou dit?" riep don Pablo nieuwsgierig.

»Als gij mijne redeneering maar even wilt nagaan: de Roode-Ceder verwacht zijne vijanden alleen van de zijde der vlakte, niet waar?"

»Ja."

»Hij heeft dus zijne voorzorgen aan die zijde genomen, en niet aan deze; hij zal nooit vermoeden dat wij hem zoo nabij zijn en in den waan dat niemand hem hier bespiedt, durft hij den rook van zijn vuur veilig aan den nacht toe te vertrouwen; wel overtuigd dat niemand het zien zal, hetgeen ook letterlijk waar zou zijn als wij tot zijn ongeluk niet hier waren; begrijpt gij nu de reden waarom ik er op aandrong om nog in dat late uur de bergen in te gaan?"

De Witte-Gazelle zoowel als don Pablo waren verrast over de juistheid dezer redeneering en zij begonnen bij dit blijk van bekendheid met de woestijn, die hun gids aan den dag legde, een hooger dunk van hem op te vatten en hem stilzwijgend de meerderheid toe te kennen, die ieder mensch van ondervinding op een gegeven oogenblik altijd ten deel valt.

»Handel naar goedvinden," zei don Pablo.

»Wij schikken ons geheel naar uw raad," voegde de Gazelle er bij.

De gambusino liet zich door dezen bijval noch door hoogmoed noch door te groot zelfvertrouwen vervoeren; hij vergenoegde zich met zijne twee gezellen aan te bevelen op de plaats te blijven tot hij terug kwam, en verwijderde zich toen.

Zoodra hij alleen was ging de gambusino, in plaats van te loopen, zooals hij tot hiertoe gedaan had, plat op den grond liggen en kroop hij op handen en knieën langzaam langs de rotsen, van tijd tot tijd stil houdende om het hoofd op te heffen en rond te kijken, terwijl hij tevens de ooren gespitst hield op het minste geluid.

Hij bleef lang weg. Don Pablo en de Gazelle wandelden ongeduldig het terras op en neder, om zich onder het wachten warm te houden.

Eindelijk, na verloop van bijna twee uren, kwam hij terug.

»Wel!" vroeg don Pablo.

»Kom eens mede," zei de gambusino laconiek.

Zij volgden hem.

Hij geleidde hen een pad af, zoo steil dat zij op handen en knieën moesten voortkruipen om niet in den afgrond te storten.

Na een vrij lange afklimming met ongehoorde moeite volbracht te hebben, richtte de gambusino zich op en wenkte zijne kameraden hetzelfde te doen.

Deze lieten het zich geen tweemaal zeggen, want zij konden bijna niet langer.

Zij bevonden zich nu weder op een terras, van dezelfde soort als het vorige; ook dit terras was even als het andere begrensd door een steile rots, doch midden in die rots was een opening, als de mond van een oven, en, wat meer is, in die opening zag men zeer in de verte een licht glinsteren, omtrent als eene ster.

»Zie eens," zei de gambusino.

»O! wat is dat?" mompelde don Pablo verwonderd.

»Zouden wij reeds gevonden hebben wat wij zoeken," riep de Witte-Gazelle.

»St!" riep Andres Garote haar de hand op den mond leggende; en met eene nauwelijks hoorbare stem fluisterde hij: »Wij zijn hier aan den ingang eener grot; die onderaardsche gewelven planten het geluid zoo wonderbaar voort, en de Roode-Ceder is zoo scherp van gehoor; hoe ver hij ook op dit oogenblik van ons verwijderd is, zou hij ons licht kunnen hooren."

Zij staarden eene poos naar het bevende licht, dat als een ondeelbaar punt in de duisternis blonk en er uitzag als het oog der spelonk. Somwijlen kwam er eene donkere schaduw voor deze ster, en bleef zij eenige minuten lang onzichtbaar.

Toen de gambusino dacht dat hunne nieuwsgierigheid genoeg voldaan was, trok hij hen even aan den arm en voerde hen zachtjes terug.

»Komt," zeide hij.

Zij begonnen weder te klimmen. Omtrent een half uur later deed hij hen op nieuw stil staan en strekte den arm uit in een bepaalde richting.

»Ziet eens nauwlettend," zeide hij hun.

»O!" riep don Pablo terstond, »dat is rook."

Werkelijk scheen er een fijne kolom witte rook als een dunne doorschijnende straal uit de aarde ten hemel te stijgen.

»Er is geen rook zonder vuur," grinnikte de gambusino; »eerst heb ik u het vuur laten zien en nu ziet gij den rook. Zijt gij overtuigd? hebben wij het hol van den tijger gevonden?"

»Ja," riepen beiden tegelijk.

»Dat is beter dan slapen, niet waar?" hervatte hij min of meer op een toon van triomf.

»En wat moeten wij nu doen!" viel de Witte-Gazelle hem met drift in de rede.

»Canarios! dat is eenvoudig genoeg," antwoordde Andres; »een van u moet onmiddellijk naar het kamp terugkeeren om onze ontdekking aan te kondigen, dan zal de meester wel doen wat hij noodig acht."

»Goed!" zei het meisje, »dan ga ik."

»En gij?" vroeg de gambusino zich tot don Pablo richtende.

»Ik blijf hier."

Garote had hier tegen niets aan te merken.

De Witte-Gazelle ijlde met koortsachtige drift de berghelling af.

De gambusino strekte zijn bisonsmantel op den grond uit, wikkelde zich in zijn zarape en ging liggen.

»Wat gaat gij doen?" vroeg don Pablo

»Dat ziet gij," was zijn antwoord, »ik maak mij gereed om te slapen; wij hebben voor het oogenblik niets meer te doen en zullen moeten wachten tot morgen; ik zou u raden mijn voorbeeld te volgen."

»'t Is waar," zei de jongman, »gij hebt gelijk," en zich in zijn zarape wikkelende ging hij almede op den grond liggen. Zoo verliep er een uur; de beide mannen sliepen of schenen ten minste te slapen.

Plotseling richtte don Pablo zich op den elleboog, bukte voorzichtig over zijn kameraad en bekeek hem met aandacht.

Andres Garote sliep inderdaad zoo gerust als mogelijk was.

Na zich hiervan verzekerd te hebben stond de jongman op, bekeek zijne wapenen, wierp een laatsten blik op den slapende, en klom den berg af.

De maan was opgekomen, hare bleeke stralen verspreidden nauwlijks licht genoeg om voort te gaan zonder vrees van in den afgrond te storten.

Toen de jongman het lagere terras bereikte, waar in de straks genoemde grot het bewuste bevende licht nog altijd brandde, bleef hij een oogenblik staan, prevelde in stilte een gebed terwijl hij de oogen ten hemel opsloeg die met duizend sterren boven zijn hoofd schitterde, en na nog eens zijne wapens bekeken te hebben om zich te verzekeren dat zij in orde waren sloeg hij een kruis en waagde zich onversaagd in de grot.

Er behoorde vrij wat moed toe om aldus een gevaar te gaan braveeren des te geduchter naarmate het minder bekend was.

Met het oog op het licht gevestigd dat hem tot poolster diende liep don Pablo voorzichtig met de armen vooruit, het lijf gebukt en het oor gespitst, nu en dan staan blijvende om de naamlooze geluiden te verkennen die gewoonlijk in onderaardsche gewelven weerklinken, en gereed om zich tegen de onzichtbare vijanden te verweren die hij in de schaduw meende te zien.

Zoo stapte hij een geruimen tijd voort zonder dat het licht in de verte merkelijk grooter scheen te worden, toen de wand van graniet, waar hij zich onder het voortgaan met de linkerhand aan vasthield, op eens eindigde, en hij in den achtergrond eener kleine door een fakkel van kaarshout flauw verlichte kamer, of rotsholte, Ellen zag liggen, op de naakte rots geknield, in vurigen gebede.

De jongman bleef staan door bewondering getroffen bij dit onverwachte schouwspel.

Ellen lag met losgereten haren, die haar wild over de schouders hingen; met haar verbleekt gelaat, badende in tranen, scheen zij ten prooi aan de grievendste zielesmart.

Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst.

Don Pablo kon bij dit hartbrekend gezicht zijne ontroering niet langer meester blijven. Onbedachtzaam alle voorzichtigheid ter zijde stellende, ijlde hij met open armen naar het meisje toe en riep op een toon van hartstochtelijke liefde:

»Ellen! Ellen! wat deert u?"

Op deze stem, die zoo onverwachts haar gehoor trof, stond het meisje op en zeide met een gebiedenden wenk vol majesteit:

»Vlucht, ongelukkige, vlucht of gij zijt verloren!"

»Ellen," hervatte hij, haar te voet vallende en de handen smeekend naar haar opheffende, »wat ik u bidden mag, hoor mij!"

»Wat komt gij hier doen?" riep zij.

»Ik kom u redden of sterven."

»Mij redden," herhaalde zij op droevigen toon; »neen, don Pablo, mijn lot is voor altijd besloten, laat mij met vrede; vlucht als ik u bidden mag."

»Neen, zeg ik u, er zweeft een vreeselijk gevaar over uws vaders hoofd, hij is reddeloos verloren; kom en vlucht, nu het nog tijd is. O! Ellen, ik bid u in naam onzer liefde, zoo rein en oprecht, volg mij!"

Het meisje schudde onwillig het hoofd met eene beweging die hare lange blonde tressen deed golven.

»Ik ben ten doode gedoemd, don Pablo, u langer hier te houden is uw verderf te zoeken. Gij bemint mij zegt gij, welnu, op mijne beurt zeg ik u, uit naam van uwe liefde en uit dien van de mijne zoo gij het wilt, bid ik u mij te verlaten, voor altijd te verlaten! O! geloof mij toch, don Pablo. Zoo gij mij aanraakt, zijt gij dood, ik ben een vervloekt schepsel."

De jongman kruiste de armen op de borst en richtte fier het hoofd op.

»Neen!" zeide hij vastberaden, »ik zal niet vertrekken, de belanglooze trouw mag uw deel alleen niet zijn; wat zegt mijn leven, als ik u niet meer zien mag? Ellen! wij zullen samen sterven."