De lynch-wet

Part 27

Chapter 273,973 wordsPublic domain

»Denk niet aan mij, vader," antwoordde zij, »red u zelven; laat mij hier maar achter."

»U achterlaten!" riep hij woest, »nooit, al moest ik sterven! neen, neen! ik zal u redden!"

»Wat heb ik te vreezen van menschen die ik nooit kwaad heb gedaan?" hervatte zij, »zij zullen wel medelijden hebben met mijn toestand."

De Roode-Ceder grinnikte spotachtig.

»Vraag aan tijgers of zij medelijden hebben met antilopen," zeide hij, »gij kent de wilden nog niet, arm kind! Zij zullen u met helsche vreugd martelen en dooden."

Ellen zuchtte en liet het hoofd hangen zonder te antwoorden.

»Wij verliezen onzen tijd; laten wij besluiten," hernam Fray Ambrosio.

»Loop naar den duivel!" riep de Squatter barsch, »gij zijt mijn booze geest."

»Wat is de mensch toch een ondankbaar wezen!" riep de monnik, terwijl hij de oogen schijnheilig naar den hemel sloeg, »ik die uw beste vriend ben."

»'t Is genoeg!...." zei de Roode-Ceder met kracht, »wij kunnen hier niet langer blijven, laat ons terugkeeren."

»Alweêr."

»Weet gij een anderen weg, duivel?"

Zij trokken terug.

»Waar is Nathan?" vroeg de Squatter op eens; »heeft hij zich laten afzakken?"

»Zoo dom niet," riep de jongman met een lach, »maar ik ben van kostuum veranderd."

Hij stiet de takken uit elkander die hem onzichtbaar maakten; zijne kameraden schreeuwden bijna van verbazing.

Nathan had zich in een berenvel gestoken, op den kop na, dien hij in zijne hand hield.

»Oho!" riep de Roode-Ceder, »dat is een gelukkige inval! Waar hebt gij dat gestolen, jongen?"

»Ik had niets meer te doen dan het van den tak te haken, daar men het aan te drogen had gehangen."

»Dat moet gij met zorg bewaren, misschien zullen wij het spoedig noodig hebben."

»Dat heb ik ook gedacht."

»Kom, laten wij voortmaken."

Nauwelijks hadden zij eenige stappen gedaan of de Squatter stond stil, hief de armen op om zijne kameraden te waarschuwen, en bleef staan luisteren.

Na twee of drie minuten wendde hij zich om naar zijne kameraden, en fluisterde met eene nauwelijks hoorbare stem:

»De terugtocht is ons afgesneden, men loopt in de boomen, ik heb de takken hooren kraken en de bladeren ritselen."

Allen keken elkander verschrikt aan.

»Laten wij niet wanhopen," hervatte hij met drift, »alles is nog niet verloren; laten wij hooger klimmen en zijwaarts uitwijken, tot zij ons voorbij zijn gegaan, intusschen kan Nathan hen met zijn nieuwe kostuum bezighouden, de Comanchen doen gewoonlijk den beren geen kwaad, die zij zeggen dat van hunne familie zijn."

Niemand had hier iets tegen.

Sutter was de eerste die naar boven vloog, de monnik volgde hem kort op de hielen.

Ellen keek haar vader bedrukt aan.

»Ik kan niet," zeide zij.

»Ik zeg nog eens dat ik u zal redden, kind," mompelde hij op een toon van teederheid die zich moeielijk laat beschrijven.

Hij nam het meisje in zijne sterke armen, en zette haar bedaard op zijn schouder.

»Houd u maar goed vast," mompelde hij zacht, »en vooral vrees voor niets."

Met eene behendigheid en kracht, die de vaderlijke liefde vertienvoudigde, klampte zich de bandiet met de hand aan de takken boven zijn hoofd vast en verdween in het dichte loof, terwijl hij zijn zoon toeriep:

»Pas op! Nathan! speel uw rol goed, jongen; ons behoud hangt van u af."

»Wees gerust, oude," antwoordde de jongman terwijl hij den berenkop over zijne ooren trok; »ik ben niet dommer dan een Indiaan; ze zullen mij wel voor een neef van hen aanzien."

De lezer weet reeds wat er op gevolgd is, en hoe deze krijgslist, die aanvankelijk zoo goed gelukte, door Curumilla verijdeld werd.

Toen de Squatter zijn zoon zag vallen, kreeg hij een oogenblik van woede en legde zijn geweer aan om den Araucaan neer te schieten.

Gelukkig had de monnik deze beweging tijdig genoeg gemerkt om er zich tegen te verzetten.

»Wat doet gij?" riep deze, het geweer opheffende, »wilt gij uwe dochter dooden?"

»Gij hebt gelijk," mompelde de Squatter.

Ellen had gelukkig Nathan niet zien vallen en dus niets van het overige begrepen, anders had haars broeders dood haar gewis een smartelijken gil afgeperst, die hen zou hebben verraden.

»O!" riep de Roode-Ceder, »alweder die Fransche duivel, met zijn verwenschten Araucaan, zij alleen zouden genoeg zijn om mij te overwinnen."

De vluchtelingen bleven nog meer dan een uur in de vreeselijkste spanning, zonder zich te durven bewegen, uit vrees van ontdekt te worden.

Zij waren thans hunnen vervolgers zoo nabij, dat zij hen duidelijk konden hooren praten.

Eindelijk echter verwijderden zich de stemmen, gingen de fakkels uit, en keerde alles tot de stilte terug.

»Oef!" riep de monnik, »zij zijn vertrokken."

»Niet allen," antwoordde de Squatter, »hebt gij dan dien verwenschten Valentin niet gehoord?"

»Dat is waar, onze aftocht is nog altijd afgesneden."

»Wij behoeven nog niet te wanhopen; vooreerst hebben wij hier niets meer te vreezen; rust een poosje, terwijl ga ik even op verkenning uit."

»Hum!" pruttelde Fray Ambrosio; »waarom gaan wij niet liever samen? dat zou dunkt mij veel voorzichtiger wezen."

De Roode-Ceder lachte bitter.

»Hoor eens, compadre," zeide hij, den monnik bij den arm grijpende, zoodat deze bijna geschreeuwd zou hebben; »gij mistrouwt mij, en gij hebt ongelijk; eens heb ik u willen verlaten, dat beken ik, maar tegenwoordig wil ik het niet meer, wij zullen samen omkomen of samen gered worden."

»Spreekt gij inderdaad oprecht, compadre?" riep de monnik.

»Ja, want op de bedriegelijke beloften van een priester had ik besloten mij te beteren, ik was van levenswijs veranderd, ik had een vreedzaam bestaan gevonden en eerlijken arbeid zonder iemand leed of last te veroorzaken; maar de menschen die ik had willen vergeten, hebben zich mijner herdacht om zich op mij te wreken: zonder mijne pogingen en mijn berouw in aanmerking te nemen, hebben zij mijne arme jacal verbrand en mijn zoon gedood, en nu vervolgen zij mij als een wild dier; ik voel den ouden tijger wild in mij ontwaken en de booze zuurdeesem die op den bodem mijner ziel sluimerde begint weder te gisten. Zij hebben mij een oorlog verklaard op dood en verdelging: welnu, ik neem dien aan en zal hem wederkeerig voeren, zonder verdrag of zonder hun om genade te vragen wanneer ik in hunne handen kom, evenmin als ik hun die geven zal wanneer zij in de mijne vallen. Laten zij op hunne hoede zijn, wee hun! want ik ben nog de Roode-Ceder! dien de Indianen den bijnaam van »menschenverslinder" gegeven hebben, en ik zal hun hart verscheuren! Wees dus voor het tegenwoordige gerust, señor padre, wij verlaten elkander niet, gij zijt zooveel als mijn geweten, wij zijn onafscheidelijk."

De Squatter uitte deze gruwzame gezegden op zulk een toon van woede en haat, dat de monnik aan de waarheid er van niet meer kon twijfelen en begreep dat het slechte beginsel bij hem weder geheel de bovenhand had bekomen.

Een afschuwelijke glimlach plooide zich op zijne lippen.

»Komaan, compadre," zeide hij, »ga nu op verkenning uit, wij zullen u hier wachten."

De Squatter verwijderde zich.

Gedurende zijne afwezigheid werd er geen woord tusschen de bandieten gewisseld; Sutter sliep, de monnik dacht na, en Ellen zat te schreien.

Het arme meisje had met eene mengeling van smart en ontzetting de woeste verklaring haars vaders aangehoord; zij berekende nu de diepte des afgronds in welken zij zich door het besluit van den Roode-Ceder plotseling voelde afstorten, een kloof die haar voor altijd van de maatschappij afzonderde en haar veroordeelde om levenslang in een toestand te verkeeren die haar in een poel van wee en tranen dompelde.

Na een uur afwezigheid ongeveer kwam de Roode-Ceder terug.

Er lag een glans van genoegen op zijn gelaat.

»Wel?" vroeg de monnik nieuwsgierig.

»Goed nieuws!" antwoordde hij, »ik heb een schuilplaats ontdekt, waar ik de fijnste speurhonden der prairie trotseer om mij te vinden."

»Nog al ver?"

»Geen honderd passen van hier."

»Zoo nabij?"

»Dat maakt haar juist zoo veilig: onze vijanden zullen nooit op het denkbeeld komen dat wij ons zoo dicht in hunne nabijheid hebben durven vestigen."

»Dat is waar: wij moeten er dadelijk naar toe."

»Zoodra gij maar wilt."

»Onmiddellijk."

De Roode-Ceder had niet gelogen, werkelijk was door hem een schuilhoek ontdekt die aan alle vereischten van veiligheid voldeed; als wij zelve op onze reistochten in de prairie niet dergelijke zaken gezien hadden, zouden wij aan de mogelijkheid van zulk een toevluchtsoord niet geloofd hebben.

Na een afstand van omtrent honderd vijftig ellen doorloopen te hebben, hield de Squatter stil boven een ontzaggelijken, door ouderdom uitgeholden eikenstam.

»Hier is het," zeide hij, met zorg de massa bladeren, takken en lianen uiteenscheurende die de holte geheel voor het oog bedekten.

»Hum! moeten wij daarin afdalen?" riep de monnik terwijl hij in de opening keek, die zoo donker was als een oven.

»Ja," antwoordde de Roode-Ceder; »maar stel u gerust, zij is minder diep dan gij denkt."

Ondanks deze verzekering aarzelde de monnik nog.

»Gij kunt het nemen of laten," hervatte de bandiet; »blijft gij anders liever ongedekt?"

»Maar wij zullen ons daar binnen niet kunnen verroeren."

»Zie om u heen."

»Ik zie al."

»Merkt gij dan niet op dat de berg, juist op dit punt loodrecht is?"

»Ja, werkelijk."

»Goed; wij zijn hier aan den rand der steilte, daar de arme Nathan van sprak."

»Ah!"

»Ja; gij ziet wel dat die doode boom om zoo te zeggen in den berg is ingeheid als een paal."

»Dat is waar, ik had het niet dadelijk opgemerkt."

»Welnu, als men in dit gat afklimt, dan komt men op omtrent vijftien voet diepte aan een tweede, dat de schors van den boom doorboort en met eene grot in verband staat."

»O!" riep de monnik verheugd, »hoe hebt gij dit hol ooit kunnen ontdekken."

De Squatter zuchtte.

»Dat is al wat tijd geleden," zeide hij.

»Ja maar," riep Fray Ambrosio, »als gij wist dat het hier was, kunnen anderen het ook weten."

»Neen," antwoordde hij hoofdschuddend, »slechts één man buiten mij die het wist, en deze kennis heeft hem het leven gekost."

»Dat stelt mij gerust."

»Geen jager noch strikkenzetter komt ooit hier; het is een onbereikbare sterkte; slechts een paar stappen verder in de zelfde richting voortgaande, zullen wij ons boven een afgrond van onpeilbare diepte bevinden, van welken deze berg een der wanden uitmaakt; overigens, om u alle vrees te ontnemen, zal ik het eerst afdalen."

De Roode-Ceder wierp eenige stukken kaarshout in de holte, hing zijn geweer achter zijn rug en liet zich nu aan de handen hangende, op den bodem des hollen booms nedervallen.

Sutter en Fray Ambrosio keken met groote belangstelling toe. De Squatter sloeg vuur, stak een der ocote-fakkels aan en hield haar boven zijn hoofd.

De monnik erkende nu terstond dat de oude scalpjager hem de waarheid had gezegd.

De Roode-Ceder trad de grot binnen, op welker bodem hij zijn fakkel plantte, derwijze, dat de holte in den boomstam verlicht bleef; daarna liet hij zich met de lasso weder bovenhalen bij zijne kameraden.

»Welnu," zeide hij, »wat denkt gij er van?"

»Wij zijn daar opperbest," antwoordde de monnik.

Zonder verder te aarzelen liet hij zich in het hol neder en verdween in de grot.

Sutter volgde zijn voorbeeld, maar bleef in den hollen stam staan om zijne zuster bij het afklimmen te helpen.

Het meisje scheen geen kennis meer te dragen van hetgeen rondom haar gebeurde. Zachtzinnig en volgzaam als altijd, gedroeg zij zich met werktuiglijke juistheid en onverschilligheid, zonder zich rekenschap te geven waarom zij het eene liever zou doen dan het andere; haars vaders gezegden hadden haar zoo diep getroffen, dat alle veerkracht en eigenwil in haar gebroken waren.

Nadat haar vader haar in den boom had nedergelaten, volgde zij haar broeder werktuigelijk in de grot.

Alleen achtergebleven, wischte de Squatter met de meeste nauwlettendheid ieder spoor of teeken uit, dat aan den scherpen blik hunner vijanden de plaats had kunnen aanwijzen waar zij waren doorgegaan; en na zich ten volle verzekerd te hebben dat niets zijne tegenwoordigheid aan deze plaats verraden kon, liet ook hij zich in de opening afzakken.

De eerste zorg der bandieten was nu, hun nieuwe verblijf op te nemen.

Het was zeer ruim.

Deze spelonk liep tot op aanmerkelijke diepte onder den berg door; zij verdeelde zich in verscheidene takken van verschillende hoogte, de een bijna tot de kruin des bergs opklimmende, terwijl anderen daarentegen diep in den grond afdaalden; een onderaardsch meer, de vergaarbak van een of ander ongenoemde rivier, strekte zich verder uit dan het gezicht reikte, onder een laag gewelf, dat wemelde van vledermuizen.

Tevens had de grot meer dan een uitgang, geheel in tegenovergestelde richting; deze uitgangen waren zoo goed verborgen, dat men ze uitwendig onmogelijk kon bespeuren.

Een ding slechts bekommerde de avonturiers, namelijk de vraag hoe zij levensmiddelen zouden bekomen; hiervoor echter meende de Roode-Ceder wel te zullen zorgen door strikken te zetten, en zelfs door in den berg te jagen.

Ellen was in een loodzwaren slaap geraakt, op het bed van bisonsmantels, dat haar vader in der haast voor haar had gereed gemaakt. Het ongelukkige meisje had zooveel geleden en sedert de laatstvorige dagen zoo zware vermoeienis moeten doorstaan, dat zij zich letterlijk niet meer op de been kon houden.

Toen de drie mannen de grot hadden bezichtigd, kwamen zij terug in het vertrek waar Ellen sliep.

De Roode-Ceder staarde haar een poos aan met een blik van onbegrensd leedgevoel; hij hield te veel van zijne dochter om haar niet te beklagen en niet met smart te denken aan het vreeselijk lot dat haar in zijne nabijheid te wachten stond, en daar hij geen middel voor wist om het af te wenden.

Fray Ambrosio die steeds waakte voor zijne eigene belangen, ontrukte den Squatter, aan zijne tweeledige beschouwing.

»Wel! compadre" zeide hij, »wij zijn waarschijnlijk gedoemd om hier een geruimen tijd te blijven?"

»Zoolang tot onze vervolgers moede worden ons te zoeken, en eindelijk aftrekken."

»Dat kan misschien nog lang duren; ik zou u dus tot meerdere zekerheid raden een ding te doen."

»Wat?"

»Er liggen hier groote blokken steen, die door den tijd van het gewelf zijn gevallen; zoo gij mij gelooven wilt, moesten wij er, eer wij gaan slapen drie of vier van de grootste voor den ingang der grot wentelen daar wij zijn binnengekomen."

»Waarvoor zou dat dienen?" vroeg de Squatter verstrooid.

»In onze tegenwoordige omstandigheden kunnen wij niet te veel voorzorgen nemen, de Indianen zijn zoo duivelsch listig dat zij in staat zouden zijn om door den hollen boom naar omlaag te komen."

»De padre heeft gelijk, oude," bromde Sutter, die reeds half sliep; »het is zoo groote moeite niet om die steenen naar het gat te rollen, dan zijn wij ten minste allen op ons gemak."

»Doe wat gij wilt," antwoordde de Squatter, die op nieuw zijne dochter aanstaarde.

De beide anderen stonden op om hun gemaakte plan dadelijk ten uitvoer te brengen, en een half uur later was de opening der grot zoo kunstig verstopt, dat iemand die het niet wist, nooit zou geloofd hebben dat er eene zoo groote opening bestaan had.

»Nu kunnen wij gaan slapen," zei Fray Ambrosio, »althans kunnen wij gerust zijn."

XXXVII.

DE CASSETTE.

In weerwil dat de Witte-Gazelle hem een goed eind vooruit was, had don Pablo haar in minder dan twee mijlen ingehaald.

Zoodra het meisje den galop van een paard achter zich hoorde had zij omgekeken.

Een enkele blik was haar genoeg om den Mexicaan te herkennen.

Toen zij hem zag kleurde een koortsachtig rood hare wangen, en deed eene stuipachtige beweging al hare leden trillen, kortom zij ontroerde zoo hevig, dat zij genoodzaakt was stil te houden.

Uit schaamte evenwel en te fier om den man dien zij zonder hoop beminde, te laten blijken welk een indruk zijne verschijning op haar maakte, vermande zij zich en gelukte het haar een onverschillig gelaat te toonen, terwijl het onderdrukte gevoel voortwoelde in haar binnenste.

»Wat doet hij dezen kant uit? en waar gaat hij heen?" vroeg zij zich zelve. »Wij zullen zien," vervolgde zij een oogenblik later.

Zij wachtte hem af.

Don Pablo had haar weldra achterhaald. Het meisje was in haar gejaagden zenuwtoestand al zeer weinig geschikt voor diplomatische onderhandelingen.

Toen de Mexicaan haar bereikte groette hij haar, en reed zonder het woord tot haar te richten spoorslags voorbij.

De Gazelle schudde het hoofd.

»Ik zal hem wel aan 't spreken krijgen," zeide zij.

Hiermede gaf zij haar paard de sporen, zweepte het met de chicote en voegde zich weldra in vollen galop aan de zijde van don Pablo.

De beide ruiters reden aldus een geruimen tijd naast elkander, zonder een woord te wisselen.

Elk van hen scheen bevreesd het gesprek te beginnen, wel bewust dat het terstond op een heet terrein zou worden gevoerd.

Altoos naast elkander voortgaloppeerende, kwamen zij aan een plaats waar het pad dat zij bereden zich vaneenscheidde en twee verschillende richtingen volgde.

De Witte-Gazelle hield haar paard in, en wees met de hand naar het noorden.

»Daar moet ik heen," zeide zij.

»En ik ook," antwoordde don Pablo zonder aarzelen.

Het meisje keek hem aan met een blik van verwondering die al te natuurlijk scheen om niet geveinsd te wezen.

»Waar moet gij dan heen?" hervatte zij.

»Waar gij heen moet," antwoordde hij.

»Maar ik moet naar het kamp van den Zoon des Bloeds."

»Welnu, ik insgelijks; vindt gij daar zooveel wonders in?"

»Ik; niets; wat gaat het mij aan," riep zij meesmuilend.

»Gij zult mij dus wel toestaan, nina, u tot zoo ver gezelschap te houden?"

»Ik kan noch wil u dat beletten, caballero, de weg is vrij," hernam zij droog.

Zij zwegen als bij onderlinge afspraak; ieder redeneerde met zich zelven en verdiepte zich in zijn eigene gedachten.

Nu en dan wierp de Gazelle haar nevenman een van die helderziende blikken toe waarmede de vrouwen in iemands hart kunnen lezen; er trilde een glimlach op hare lippen, en zij schudde moedwillig het hoofd. Welke zonderlinge gedachten woelden er wellicht in dat zeventienjarig brein?

Altoos in denzelfden galop doorrijdende kwamen zij tegen twee uren na den middag aan het veer eener kleine rivier, aan welks anderen oever men omtrent twee mijlen verder, tegen het hangen van den berg, de tenten in het kamp van den Zoon des Bloeds zag schemeren. De Witte-Gazelle bleef staan en op het oogenblik dat don Pablo met zijn paard in het rivierbed wilde afdalen legde zij haar kleine hand aan den teugel en sprak, hem terughoudend, met eene zachte maar vaste stem:

»Eer wij verder gaan, caballero, zou ik gaarne een woord met u spreken."

Don Pablo zag haar verwonderd aan, maar deed geen enkele poging om zich aan haar vriendelijken maar lastigen drang te onttrekken.

»Ik hoor u, señorita," antwoordde hij met eene buiging.

»Ik weet waarom gij naar het kamp van den Zoon des Bloeds gaat," hervatte zij.

»Daar twijfel ik aan," riep hij hoofdschuddend.

»Onnoozele! toen ik dezen morgen met Valentin sprak, laagt gij te slapen aan onze voeten."

»Dat is zoo."

»Al waren uwe oogen gesloten, uwe ooren waren geopend."

»Waarmede gij zeggen wilt?"

»Dat gij ons gesprek hebt afgeluisterd."

»En als dat zoo eens was, wat zoudt gij daaruit besluiten?"

»Dit: gij gaat naar het kamp om mijne plannen te dwarsboomen, ja zelfs in duigen te werpen, zoo dat mogelijk was."

»Ik!"

»Gij."

De jongman sidderde. Hij was zichtbaar teleurgesteld dat men hem zoo volkomen had kunnen doorgronden.

»Señorita," begon hij aarzelend....

»Ontken het maar niet," riep zij goedwillig, »het zou u niets baten; ik weet alles."

»Alles!"

»Ja, en veel meer nog dan gij zelf er van weet."

De Mexicaan was verslagen.

»Laten wij met open kaart spelen," vervolgde zij.

»Met alle genoegen," antwoordde hij, zonder te weten wat hij zeide.

»Gij zijt verliefd op de Squattersdochter," zeide zij ronduit.

»Ja," antwoordde hij.

»Gij wilt haar redden?"

»Ja."

»Ik zal u helpen."

»Gij?"

»Ik."

Er volgde een poosje stilte.

Deze weinige woorden waren tusschen de beide sprekers met zenuwachtige snelheid gewisseld.

»Gij bedriegt mij immers niet?" vroeg don Pablo een oogenblik later beschroomd.

»Neen," antwoordde zij oprecht, »waarom zou ik? Gij hebt haar eenmaal uw hart gegeven, men verlieft niet voor de tweede maal, ik zal u helpen, zeg ik u."

De jongman staarde haar aan met gemengde verwondering en schrik.

Hij wist dat de Witte-Gazelle nauwlijks vijf of zes maanden geleden Ellen's onverzoenlijke vijandin was, hij vreesde dus een strik.

Zij begreep dit onmiddellijk, een treurige glimlach vloog over hare lippen.

»Liefde is mij niet meer gegund," zeide zij, »mijn hart is niet eens groot genoeg voor den haat die mij verteert, ik behoor alleen aan de wraak. Geloof mij, don Pablo, ik zal u trouw dienen. Als gij eindelijk gelukkig zijt, zult gij misschien voor mij een weinig vriendschap en dankbaarheid gevoelen. Dat is helaas, het eenige wat ik nog begeer. Ik ben een van die ongelukkige wezens die als op een hellend vlak schijnen te staan en zich in hun val niet kunnen ophouden. Beklaag mij, don Pablo, maar vrees niet dat ik u verraden zal, ik herhaal u, gij zult nooit trouwer vriendin gehad hebben dan mij."

Het meisje sprak deze woorden op zulk een toon van oprechtheid, en men kon zoo duidelijk zien dat zij haar hart zonder voorbehoud ten offer bracht, dat don Pablo er tegen wil en dank door bewogen werd, en haar met jeugdige gulheid zijne hand toestak.

Zij drukte die met warmte, wischte een traan weg en nu alle aandoeningen ter zijde stellende, zeide zij:

»Nu verder geen woord meer, wij verstaan elkander, niet waar?"

»O, ja!" antwoordde hij.

»Gaan wij over de rivier," riep zij glimlachend, »binnen tien minuten zijn wij in het kamp; niemand behoeft te weten wat er tusschen ons gesproken is."

Tien minuten later kwamen zij werkelijk in het kamp van den Zoon des Bloeds, waar zij met vroolijke juichkreten en welkomstgroeten ontvangen werden.

Zij reden het kamp door in galop en hielden eerst stil voor de tent van den partijganger.

Deze, door het gejuich bij hunne komst verrast, was naar buiten gekomen om hen op te wachten.

De ontvangst was hartelijk. Na de eerste plichtplegingen deed de Witte-Gazelle haar oom verslag van haar wedervaren en van het gebeurde in het kamp van den Eenhoorn tijdens haar oponthoud aldaar.

»De Roode-Ceder is een ware duivel," antwoordde hij; »ik alleen heb de middelen in handen om hem meester te worden."

»Op welke wijs?" vroeg don Pablo.

»Dat zal ik u laten zien," zeide hij.

Zonder zich nader te verklaren, bracht hij een zilveren fluitje aan zijne lippen en blies er een langen helderen toon uit.

Op dit appèl werd het bisonsvellen gordijn voor den ingang der hut opgeheven en verscheen er een man.

Don Pablo herkende Andres Garote. De gambusino boog met die vleiende en slaafsche beleefdheid, die den Mexicanen bijzonder eigen is, en wachtte terwijl hij met zijne kleine grijze en verstandige oogen den Zoon des Bloeds strak aankeek.

»Meester Garote," zeide de partijganger zoodra hij hem zag, »ik heb u geroepen omdat ik u over ernstige zaken spreken moet."

»Ik ben tot uwe geëerde orders," antwoordde hij.

»Gij herinnert u zeker het contract dat tusschen ons gesloten is toen ik u in mijn quadrilla heb aangenomen?"

Andres Garote boog toestemmend.

»Ik herinner het mij," zeide hij.

»Zeer goed. Hebt gij nog altijd een wrok tegen den Roode-Ceder?"

»Niet bepaald tegen den Roode-Ceder, señor, persoonlijk heeft hij mij nooit leed gedaan."

»Dat is zoo; maar ik geloof dat gij u wilt wreken aan Fray Ambrosio."

In het oog van den gambusino fonkelde een blik van haat, die bij den partijganger niet onopgemerkt bleef.

»Ik zou mijn leven willen geven om het zijne te hebben."

»Goed! zulke lieden bevallen mij; als gij wilt zal aan uw verlangen spoedig voldaan worden."

»Als ik wil! señor, als ik wil!" riep de ranchero met vuur. »Canarios! zeg mij maar wat ik daarvoor doen moet en het zal spoedig gedaan zijn. Ik zweer u dat ik niet zal aarzelen."