De lynch-wet

Part 26

Chapter 264,011 wordsPublic domain

»Pardi! ik zal mij wel wachten zoo iets te denken, hoofdman! ik weet gij zijt een krijgsman van groote ondervinding, maar de slimste kan zich wel eens bedriegen."

»Ooah! En wat denkt mijn broeder dan?"

»Zal ik u mijn gevoelen ronduit zeggen?"

»Ja, mijn broeder spreke vrijuit, hij is een groot jager, zijne kennis is onbeperkt."

»Welnu! en wat denkt gij dan van dien beer," vroeg don Miguel.

»Dat het de Roode-Ceder of een zijner zoons is," antwoordde Valentin met drift.

»Waarom veronderstelt gij dat?"

»Vooreerst, omdat de beren op dit uur gewoonlijk naar de rivier gaan; maar gesteld dat deze er reeds geweest is, dan zult gij toch wel weten dat alle wilde dieren den mensch ontvluchten; dus zou hij, door het schitterend licht en het vervaarlijk geschreeuw in het anders altijd zoo stille bosch verschrikt, zich volgens zijn instinct, veeleer hebben zoeken te redden, hetgeen hij gemakkelijk had kunnen doen, dan hier voor onze oogen onbezorgd te staan dansen, bijna honderd voeten hoog in de lucht; des te meer daar de beren veel te slimme en zelfzuchtige dieren zijn om hun waard een kostelijke pels zoo dwaselijk op een takkenvloer te wagen zoo zwak en oneffen als waar hij stond te dribbelen; hoe meer ik er dus over denk, hoe meer ik mij overtuigd houd dat deze beer geen dier maar een mensch is."

De jagers en de Eenhoorn zelf, die met de meeste aandacht naar het gezegde geluisterd had, waren getroffen door de waarheid en juistheid zijner opmerkingen; duizend kleine bijzonderheden die zij anders nooit zouden hebben opgemerkt, kwamen hun thans in de gedachten en versterkten de vermoedens van den Franschman.

»Het is zeer mogelijk," riep don Miguel, »en wat mij betreft zou ik het bijna gelooven."

»Mijn hemel!" hervatte Valentin, »gij begrijpt dat men zich, ondanks zijne ondervinding, zeer gemakkelijk kan bedriegen in een nacht zoo donker als deze, vooral bij den vrij verren afstand waarop het dier zich bevond en door ons moest worden waargenomen; alleen hebben wij eene groote onvoorzichtigheid begaan, en ik wel het meest, dat wij ons niet nader van hem zochten te vergewissen."

»Ach! wat spreekt mijn broeder waar en goed," riep de Indiaan, »hij heeft volkomen gelijk, de wijsheid woont in hem."

»Thans zal het te laat zijn om terug te keeren, de knaap zal nu wel vertrokken zijn zonder zijn deel te vragen," zei Valentin nadenkend; »maar," vervolgde hij terstond met een bespiedenden blik om zich heen, »waar is Curumilla?"

Op hetzelfde oogenblik hoorden de jagers niet ver van hen af een sterk gekraak in de takken, gevolgd door een gesmoorden schreeuw.

»Oho!" riep Valentin, »zou dat de beer kunnen zijn die zijne zaken doet?"

Op eens hoorde men het geschreeuw van den ekster.

»Dat is het signaal van Curumilla," zei Valentin; »wat duivel of hij te doen heeft?"

»Dat dienen wij te weten, en daarom onmiddellijk terug te keeren," beweerde don Miguel.

»Pardi! denkt gij dan dat ik mijn ouden kameraad ooit in den steek zou laten?" riep Valentin terstond antwoord gevende met een dergelijk signaal als dat van den Ulmen.

»Gaan wij!" hernam don Miguel.

De jagers keerden op hunne stappen terug, zoo snel als de smalle en gevaarlijke weg hun toeliet.

Curumilla zat op zijn grootste gemak, in een dichten warklomp van takken en lianen, geheel onzichtbaar voor ieder die hem van beneden had willen bespieden, en lachte in zich zelven dat het schaterde.

Curumilla te hooren lachen was iets zoo ongewoons en scheen op zulk een uur zoo ongerijmd, dat Valentin er van schrikte en in de eerste oogenblikken niet anders dacht dan dat zijn vriend waanzinnig was geworden.

»Zeg eens, hoofdman," riep hij, omzichtig naar alle kanten rondziende, »wilt gij mij ook zeggen waarom gij zoo lacht? Al is het niet om daarin uw voorbeeld te volgen, zou ik er toch gaarne de reden van weten."

Curumilla keek zijn vriend met een strakken en verstandigen blik aan en antwoordde op welvoldanen toon:

»De Ulmen is vergenoegd."

»Dat zie ik wel," hernam Valentin, »maar ik weet nog niet waarom, en dat maakt mij nieuwsgierig."

»Curumilla heeft den beer gedood," zei de Araucaan deftig.

»Zoo!" riep Valentin verwonderd.

»Mijn broeder zie slechts, daar is de neef van den Sachem."

De Eenhoorn trok een ontevreden gezicht.

Valentin en zijne vrienden volgden met belangstellende blikken de richting die de Araucaan hun aanwees.

De lasso van Curumilla, stevig vastgemaakt aan den tak waarop de jagers stonden, hing in de ruimte beneden hen; aan het onderste einde balanceerde eene zwarte vormlooze massa.

Dit was het lijk van den beer.

Gedurende het gesprek dat de Eenhoorn straks met zijn vermeenden neef hield, had hij aandachtig de bewegingen van den dansenden beer bespied: even als Valentin de grimassen van het dier niet natuurlijk vond, had ook hij willen weten wat hij er van gelooven moest; bij gevolg had hij gewacht tot zijn vrienden zich verwijderden, alstoen het eene eind van zijne lasso aan een dikken tak vastgemaakt, en terwijl de beer, in den waan dat hij reeds van zijne vijanden ontslagen was, achteloos van zijn standpunt afdaalde, had de Indiaan hem allerbehendigst gelasseerd. Bij dezen onverhoedschen aanval had de beer gewankeld en het evenwicht verloren; kortom, hij was naar beneden gestort en ten slotte tusschen hemel en aarde blijven hangen, dank zij den loopenden knoop die hem om den hals zat, en die hem wel is waar belet had de beenen te breken, maar daarentegen binnen weinige sekonden had doen stikken.

De jagers haastten zich om de lasso op te trekken.

Allen brandden van verlangen om te weten of zij zich bedrogen hadden.

Na eenige inspanning hadden zij het lijk van den beer naar boven gehaald.

Valentin bukte met drift om hem te bekijken, maar rees oogenblikkelijk weder op.

»Ik dacht het wel," zeide hij met minachting.

Hij schopte tegen het berenhoofd, de huid liet los en viel naar beneden, alleen het misvormd en loodblauw gelaat van Nathan achter zich latende.

»O!" riepen zij, »Nathan!"

»Ja," hernam Valentin, »de oudste zoon van den Roode-Ceder."

»Dat is één!".... zei don Miguel somber.

De arme Nathan was niet gelukkig met zijne maskerades; met de eerste ontkwam hij ter nauwernood den brandstapel; met de tweede werd hij gehangen.

XXXV.

DE JACHT WORDT VOORTGEZET.

De jagers staarden eene poos stilzwijgend op het lijk van den bandiet.

De Eenhoorn, die hem zeker allerminst vergeven kon dat hij hem had durven bespotten door zich voor een zijner voorouders te doen doorgaan, stoorde voor een oogenblik den ernst die de overige toeschouwers eene poos gekluisterd hield, door zijn mes te trekken en met ongewone knaphandigheid den armen duivel te scalpeeren.

»Dat is de haarschedel van een hond der Langmessen uit het Oosten," zeide hij op minachtenden toon terwijl hij de bloedige trofee aan zijn gordel hechtte. »Zijn valsche tong zal niemand meer bedriegen!"

Valentin stond diep in gedachten.

»Wat gaan wij nu doen?" vroeg don Miguel.

»Canelo!" riep don Pablo, »dat is niet moeilijk te gissen, vader; wij gaan onmiddellijk den Roode-Ceder vervolgen."

»Wat zegt mijn broeder Koutonepi?" zei de Eenhoorn zich eerbiedig tot Valentin wendende.

De jager keek op.

»Alles is geëindigd voor dezen nacht," antwoordde hij; »die man was daar geplaatst om ons af te leiden terwijl de anderen vluchtten. Hen thans te willen vervolgen zou een groote dwaasheid zijn; zij hebben op ons te veel gewonnen om hen met eenige mogelijkheid te kunnen inhalen; de nacht is zoo donker dat wij een krijgsman op post zouden moeten zetten bij iederen boom. Wij zullen ons bepalen bij onze schildwachten zooals wij die thans hebben uitgezet. Tegen den morgenstond zal de raad van den stam vergaderen om over de verdere maatregelen te beslissen."

Allen schikten zich naar het advies van den jager.

Men nam den terugtocht aan naar het kamp, waar men omtrent een uur later aankwam.

Terwijl zij het boschkamp intraden klopte de Eenhoorn Valentin op den schouder.

»Ik moet mijn broeder spreken," zeide hij.

»Ik hoor mijn broeder," antwoordde de jager, »zijne stem is muziek, zij verheugt mij altijd het hart."

»Mijn broeder zal wel blijde zijn," antwoordde de Sachem met een lach, »als hij hoort wat ik hem te zeggen heb."

»De Sachem kan mij niet anders dan goed nieuws brengen; wat heeft hij mij dan nu te vertellen?"

»De Zonnestraal is van avond in het kamp aangekomen."

Valentin ontroerde.

»Was zij alleen?" vroeg hij met drift.

»Alleen had zij niet durven komen," antwoordde de Sachem met zekeren trots.

»Dat is waar," zei Valentin ongerust. »Dus is mijne moeder...."

»De moeder van den grooten jager is hier; ik heb haar mijne calli ingeruimd."

»Dank u, hoofdman!" riep hij opgetogen. »O! gij zijt in waarheid een broeder voor mij."

»De groote bleeke jager is een kind van den stam en een broeder voor ons allen."

»O! mijne moeder, mijne goede moeder! is zij waarlijk hier gekomen? O! ik moet, ik wil haar ten eerste zien."

»Daar is zij!" zeide Curumilla.

De gedienstige Araucaan had, toen hij het eerste bericht van den Eenhoorn hoorde, terstond geraden hoeveel genoegen het zijn vriend zou doen, en was zonder iets te zeggen Mme. Guillois gaan halen, die van ongeduld toch niet slapen kon daar zij niet wist dat haar zoon zoo dicht bij haar was.

»Mijn zoon," riep de goede vrouw hem om den hals vallende.

Nadat de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren nam Valentin zijne moeder aan den arm en geleidde haar naar hare calli terug.

»Gij doet niet wijs, moeder," zeide hij op een toon van verwijt. »Waarom hebt gij het dorp verlaten? Het jaar is ver gevorderd, het is koud, gij kent het doodelijk klimaat in de prairie nog niet, uwe gezondheid is wankelend, ik wil dat gij u in acht neemt en uw zwak gestel zoo veel mogelijk ontziet, is het niet om u zelve dan zij het voor mij; helaas! als ik u verloor, wat zou ik beginnen?"

»Mijn lieve kind!" antwoordde de oude vrouw aangedaan. »O! wat ben ik gelukkig dat gij mij zoo lief hebt. Dit nu te ondervinden vergoedt mij rijkelijk hetgeen uwe afwezigheid mij heeft doen lijden. Ik bid u, laat mij mijn eigen zin volgen; op mijn leeftijd mag men niet rekenen op den onzekeren dag van morgen; laat mij niet van u scheiden en gun mij, als ik toch niet langer leven kan, ten minste het geluk van in uwe armen te sterven."

Valentin keek zijne moeder opmerkzaam aan, hare sombere gezegden hadden hem smartelijk getroffen; hij schrikte toen hij haar vervallen aangezicht zag dat in den laatsten tijd zeer bleek en mager was geworden.

Mme. Guillois zag wel dat haar zoon bewogen was; zij glimlachte weemoedig.

»Gij ziet het," zeide zij zacht, »ik zal u niet lang tot last zijn weldra zal de Heer mij tot zich roepen."

»O! spreek zoo toch niet, moederlief; verdrijf die sombere gedachten, ik hoop u nog vele jaren bij mij te hebben."

De oude dame schudde het hoofd, zooals oude lieden doen wanneer zij meenen van iets zeker te zijn.

»Maak u geen dwaze voorstellingen," antwoordde zij met eene vaste stem; »wees man, bereid u op eene aanstaande en onvermijdelijke scheiding; maar een ding moet gij mij beloven."

»Spreek, moeder."

»Wat er ook gebeure, zweer mij dat gij mij nooit meer van u zult verwijderen."

»Maar dat zou een moord zijn die gij mij beveelt, moeder, in uw tegenwoordigen toestand zoudt gij geen twee dagen lang bestand zijn tegen het leven dat ik leid."

»Laat het zoo zijn, mijn zoon, ik wil u niet meer verlaten; bezweer mij wat ik u verzoek."

»Moederlief!" zeide hij aarzelend.

»Weigert gij, mijn zoon!" riep zij met smart.

Valentin voelde zijn hart breken; hij had den moed niet om langer weerstand te bieden.

»Nu dan," mompelde hij bijna snikkend, »daar gij het eischt, moeder, zult gij uw zin hebben, ik zweer u dan dat wij niet weêr zullen scheiden."

Het was alsof een straal van hemelsche vreugd het verwelkte gelaat der oude vrouw voor een oogenblik verhelderde.

»Wees gezegend, mijn zoon," zeide zij, »gij maakt mij gelukkig door mijn verzoek in te willigen,"

»Het zij zoo," hernam hij met een gesmoorden zucht, »gij hebt het zoo gewild, en ik hoop dat God mij niet straffe omdat ik u gehoorzaamd heb. Maar nu vorder ik op mijne beurt dat de zorg voor uwe gezondheid aan mij alleen zij opgedragen."

»Wat wilt gij dan?" vroeg zij hem met een onbeschrijfelijken glimlach.

»Ik wil dat gij eenige uren rust neemt, die u zoo noodig is na de vele vermoeienissen van den dag en de aandoeningen van dezen avond."

»En gij dan, kind?"

»Ik, moeder, ik ga ook slapen, want is deze dag zwaar en moeielijk geweest, die van morgen zal het niet minder zijn; ga dus gerust slapen en bekommer u volstrekt niet om mij."

Mme. Guillois kuste haar zoon hartelijk vaarwel en wierp zich op het bed van dierenvellen, dat door de zorg van de Zonnestraal voor haar was gereed gemaakt.

Valentin trad de calli uit en begaf zich naar zijne vrienden, die op korten afstand rondom een vuur lagen, dat door Curumilla was aangelegd.

In plaats echter van te slapen, zoo als hij tegen zijne moeder gezegd had, wierp de jager eerst eenige armvollen droog hout op het vuur, om te zorgen dat het niet uitging, zette zich toen met den rug tegen een boom, kruiste de armen op de borst en verzonk in diepe gepeinzen.

Zoo ging bijna de gansche nacht voorbij zonder dat de jager er aan dacht om te slapen.

Welke gedachten kunnen er op dat oogenblik in het brein van den krachtvollen man hebben gewoeld en waren in staat om tranen op zijne gebronsde wangen te brengen.

Van waar die treurigheid en ontmoediging, die zijne ziel overmeesterden en hem zoo zwak maakten als eene vrouw.

Deze droefheid die hij als een kostelijken schat in zijn binnenste bewaarde was een geheim tusschen God en zijn geweten.

Geen sterveling die haar vermoedde, veel min er de oorzaak van kende, dan misschien Curumilla alleen; maar de trouwe Indiaan zou liever hebben willen sterven, dan zijn aangenomen broeder te doen blijken dat hij kennis droeg van de diepe, altijd bloedende wond die zijn hart verteerde.

Intusschen gingen de uren het een na het ander voorbij, de sterren verbleekten reeds aan den hemel, die den oostelijken horizont reeds met flauwe opaaltinten begon te kleuren.

De dag zou dus weldra verschijnen. Valentin, door de snerpende morgenkoude verkleumd, vestigde zijn blik op de aarde en prevelde met een gesmoorden zucht:

»Is zij gelukkig!"

Van wie sprak hij?

Wie was de onbekende, waarvan het aandenken hem gedurende een ganschen slapeloozen nacht had beziggehouden?

Niemand had dit kunnen zeggen, want nimmer nog was haar naam den jager op de lippen gekomen.

Het vuur was bijna uitgedoofd; hij stookte het weder aan.

»Ik moet toch een weinig zien te slapen," mompelde hij.

Zich toen dicht in zijn bisonsmantel wikkelende legde hij zich neder, sloot de oogen en zocht den slaap, dien grooten vertrooster der bedroefden, door velen vaak zoo lang te vergeefs ingeroepen eer hij komt om hun eenige uren vergetelheid te schenken van hunne smarten.

Hij was nauwelijks ingedommeld, of eene mollige hand werd hem zacht op den schouder gelegd en eene bedeesde stem fluisterde zijn naam aan zijn oor.

De jager opende dadelijk de oogen en vloog driftig op.

»Wie daar?" zeide hij.

»Ik, de Witte-Gazelle."

Werkelijk stond het meisje onbeweeglijk aan zijne zijde.

Valentin, die nu geheel wakker was, wierp zijn bisonsmantel af, stond op en schudde zich een oogenblik.

»Ik ben tot uwe orders," zeide hij, »wat wilt gij?"

»Ik kom u raadplegen," antwoordde zij.

»Spreek, ik hoor u."

»Heden nacht, terwijl gij met den Eenhoorn bezig waart den Roode-Ceder aan den eenen kant te zoeken, zochten de Zwarte-Kat en ik hem aan den anderen kant."

»Weet gij dan waar hij zich bevindt?" viel de jager haar schielijk in de rede.

»Neen, maar ik veronderstel het."

Hij keek haar aan met een uitvorschenden blik, dien zij doorstond zonder de oogen neer te slaan.

»Gij weet wel dat ik u thans geheel ben toegedaan," zeide zij oprecht.

»Vergeef mij, ik had ongelijk; wees zoo goed voort te gaan."

»Toen ik zeide dat ik u om raad kwam vragen, heb ik mij verkeerd uitgedrukt, ik kom u veeleer iets verzoeken."

»Wees verzekerd, als het mij eenigszins mogelijk is in uw verzoek te bewilligen, dat ik niet zal aarzelen."

De Witte-Gazelle bedacht zich een oogenblik, maar verkloekte zich en nam toen, naar het scheen, haar besluit:

»Gij hebt geen persoonlijke grief tegen den Roode-Ceder, niet waar?" zeide zij.

»Met uw verlof," antwoordde Valentin. »De Roode-Ceder is een booswicht, die eene familie daar ik veel achting en liefde voor heb in rouw heeft gedompeld; hij heeft een meisje vermoord dat mij zeer lief en waard was, en bovendien een man aan wien ik mij door innige vriendschap verknocht gevoelde."

De Witte-Gazelle kon haar spijt nauwlijks verbergen, maar hield zich goed.

»Derhalve?" zeide zij.

»Wanneer hij in mijne handen valt, dood ik hem gewis."

»Er is echter een ander persoon, die sedert vele jaren bloedige verongelijkingen aan hem te wreken heeft."

»Van wien spreekt gij, señorita?"

»Van den Zoon des Bloeds."

»Dat is waar, die moet, zooals hij mij gezegd heeft eene vreeselijke rekening met hem te vereffenen hebben."

»Welnu," hervatte zij levendig, »dan moest gij zoo goed zijn om den Roode-Ceder aan mijn oom--ik wil zeggen, aan den Zoon des Bloeds--over te laten."

»Waarom vraagt gij mij dat?"

»Omdat het uur van handelen gekomen is, don Valentin."

»Verklaar u nader."

»Sedert de bandiet in de bergen is opgesloten, zonder uitzicht op ontsnapping, heeft mijn oom mij gelast, om zoodra het oogenblik daar was, u te verzoeken de gevangenneming aan hem te willen afstaan."

»Maar als hij hem eens liet ontsnappen?" zeide hij.

Zij glimlachte op eene onbeschrijfelijke manier.

»Dat is onmogelijk," antwoordde zij; »gij weet niet wat een haat van twintig jaar beteekent."

Zij sprak deze woorden op een toon van verbittering, die den Franschman, hoe dapper hij ook wezen mocht, onwillekeurig deed huiveren.

Valentin zou, zooals hij zeide, den Roode-Ceder in koelen bloede in een gevecht hebben gedood, wanneer het toeval hen gewapenderhand tegenover elkander had geplaatst; maar het streed met zijne gevoelens van riddereer en krijgsmansdapperheid, om een ontwapenden vijand te vellen, hoe laaghartig en slecht die vijand ook wezen mocht.

Daarbij, ofschoon hij inwendig ten volle de noodzakelijkheid erkende om zulk een verscheurend dier in menschengedaante als de Roode-Ceder voor goed uit den weg te ruimen, speet het hem niet dat een ander de verantwoordelijkheid van zulk eene daad op zich nam en voor hem den plicht van beul vervulde.

De Witte-Gazelle staarde hem oplettend aan en volgde met belangstelling de verschillende gewaarwordingen die op zijn gelaat afwisselden, om te weten waartoe hij besluiten zou.

»Wel?" vroeg zij hem een oogenblik later.

»Wat moet ik doen?" antwoordde hij.

»Mij laten handelen, het kordon rondom hem zoo dicht samentrekken dat onze vijand er onmogelijk door kan, al veranderde hij zich in een prairiehond, en verder rustig afwachten."

»Lang?"

»Twee of drie dagen; is dat te lang?"

»Neen, zoo gij uwe belofte houdt."

»Die zal ik houden, of om nader bij de waarheid te komen, mijn oom zal die houden."

»Dat is hetzelfde."

»'t Is beter."

»Dat heb ik willen zeggen."

»Dat blijft dus afgesproken."

»Een woord nog."

»Spreek."

»Gij weet immers wat mijn vriend don Miguel de Zarate van den Roode-Ceder te lijden heeft gehad, niet waar?"

»Ik weet het."

»Gij weet dat de booswicht zijne dochter heeft vermoord."

»Ja," riep zij, met een bevende stem, »ik weet het; maar laat dat aan mij over, don Valentin; ik zweer u dat don Miguel de Zarate beter zal gewroken worden dan hij ooit heeft durven hopen."

»Goed; zoo er binnen de drie dagen die gij mij verzoekt, aan dien moordenaar nog geen recht is gedaan, neem ik die taak op mij, en zweer ik u op mijne beurt, dat het geducht zal zijn."

»Dank, don Valentin; mijn oom rekent op uw woord."

»Nu vertrek ik."

»Dadelijk?"

»Onmiddellijk."

»Waarheen?"

»Naar den Zoon des Bloeds, om hem uw antwoord te brengen."

De Witte-Gazelle trad naar haar paard, dat niet ver van daar gezadeld aan een boom vastgemaakt stond. Met een sprong was zij in den zadel, en na den jager nog een laatsten groet van dank te hebben toegewuifd reed zij weg in vliegenden galop.

»Zonderling schepsel!" mompelde Valentin.

Daar het gedurende dit gesprek volkomen dag geworden en de zon reeds was opgegaan, begaf Valentin zich naar de hut van den Eenhoorn om den raad der hoofden te doen samenroepen.

Nauwelijks was de jager de calli binnengetreden, of don Pablo, die tot dusver onbewegelijk stil en met de oogen gesloten gelegen had, alsof hij sliep, stond onmiddellijk op.

»Goede God!" riep hij uit, wanhopig de handen vouwend, »hoe zal ik de arme Ellen redden? Als zij in handen van deze furie valt is zij verloren!"

Daarop, na zich een oogenblik bedacht te hebben, liep hij inderijl naar de hut van den Eenhoorn. Valentin kwam er juist uit toen de jongman aan den ingang verscheen.

»Waar gaat gij zoo haastig heen, vriend?" vroeg hem de jager.

»Ik verlang een paard!" antwoordde don Pablo.

»Een paard!" riep de jager verwonderd, »om wat te doen?"

De Mexicaan wierp hem een zonderlingen blik toe.

»Ik moet naar het kampement van den Zoon des Bloeds," zeide hij ronduit.

Een weemoedige glimlach plooide zich om de lippen van den jager. Hij drukte den jongman de hand en zei op meêwarigen toon:

»Arm kind."

»Laat mij gaan, Valentin, ik bezweer het u," zeide hij smeekend.

De jager ontbond het paard dat aan de jonge twijgen voor de deur der calli stond te knabbelen.

»Ga," zeide hij treurig; »ga waar uw lot u heen roept."

De jongman bedankte met vuur, sprong in den zadel, gaf zijn paard de sporen en verwijderde zich in vliegenden galop.

Valentin oogde hem na zoo lang hij kon, en toen de ruiter in de verte verdwenen was slaakte hij een diepen zucht, zacht in zich zelven mompelend:

»Ook hij is verliefd!....de ongelukkige!"

Hij trad de calli binnen daar zijne moeder gehuisvest was om haar den morgengroet te brengen.

XXXVI.

DE LAATSTE SCHUILHOEK.

Thans moeten wij naar den Roode-Ceder terugkeeren.

Toen de Squatter het geschreeuw der Roodhuiden gehoord en in de verte de fakkels onder het geboomte had zien schitteren, achtte hij zich in het eerste oogenblik verloren, hij bedekte zijn gelaat wanhopig met de beide handen en zou door schrik overstelpt gevallen zijn, zoo Fray Ambrosio hem gelukkig niet in tijds had opgevangen.

»Demonios!" riep de monnik. »Pas toch op, compadre, het is gevaarlijk om hier misbaar te maken."

De ontmoediging van den bandiet duurde echter slechts een oogenblik, en bijna dadelijk hersteld, richtte hij zich even fier en onversaagd op als te voren en riep met eene forsche stem:

»Ik zal nog ontsnappen!"

»Goed, compadre, dat noem ik braaf gesproken," zeide de monnik, »maar er moet gehandeld worden."

»Voorwaarts!" brulde de Squatter.

»Hoe dat, voorwaarts!" riep de monnik met schrik terugdeinzend; »maar voorwaarts, dat is immers naar het kamp der Roodhuiden?"

»Voorwaarts! zeg ik u."

»Voorwaarts, en de duivel helpe er ons door!" mompelde Fray Ambrosio.

De Squatter, zooals hij gezegd had, marcheerde onversaagd naar het kamp.

Weldra kwamen zij weder op dezelfde plaats, waar zij Nathan met de lasso hadden opgehaald en die zij in hun eerste oogenblik van schrik verlaten hadden om den terugtocht aan te nemen.

De Squatter schoof de bladeren uit elkander en keek naar omlaag.

Het gansche kamp was in rep en roer; de Indianen liepen als dollemannen in alle richtingen.

»O!" mompelde de Squatter, »ik had gehoopt dat die duivels ons gezamenlijk zouden gevolgd zijn; het is onmogelijk hier af te dalen."

»Daar valt niet aan te denken," zei Nathan, »dan waren wij onherroepelijk verloren."

»Wij moeten besluiten tot het een of ander," pruttelde de monnik.

Ellen, die niet meer kon van vermoeienis, was op een tak gaan zitten.

Haar vader keek haar aan met een wanhopigen blik.

»Arm kind!" prevelde hij half binnensmonds; »dat gij zoo lijden moet!"