Part 25
»Ik ben er zeker van. De Roode-Ceder, ofschoon reeds op jaren, bezit nog de volle kracht der jeugd; zijn stap is vast en volkomen regelmatig, gelijk die van al de echte woudloopers. Hij marcheert met de noodige voorzorg, dat is hij zet den voorvoet eerst op den grond, zoo als ieder doet die niet zeker is dat hij niet zal moeten terugtreden. In de afdruksels die wij gezien hebben is, zoo als ik u reeds gezegd heb, de hiel het eerst op den grond gezet en dus veel dieper ingedrukt dan de teen; dat is te begrijpen en kan schier onmogelijk anders zijn als men achteruit loopt, inzonderheid wanneer het lang duurt."
»Dat is waar," antwoordde don Miguel; »wat gij zegt is zoo zeker als twee maal twee vier is."
Valentin glimlachte.
»Wij zijn er nog niet," sprak hij, »laat mij begaan."
»Maar," opperde don Pablo, »gesteld nu dat de Roode-Ceder tot hiertoe gekomen is, hetgeen ik thans zoo zeker geloof als gij zelf, hoe komt het dan dat wij zijn spoor aan de andere zijde der rots niet hebben teruggevonden? Hoe zorgvuldig hij het moge verborgen hebben, zoo het werkelijk bestaat zouden wij het ontdekken."
»Zonder twijfel; maar het bestaat daar niet en het zou onnoodig tijdverlies zijn om er naar te zoeken. De Roode-Ceder is tot hiertoe gekomen, deze streep bewijst het u. Maar waarom kwam hij hier? zult gij mij vragen. Om een licht te begrijpen reden. Op dit harde graniet namelijk is geen enkel indruksel mogelijk; de Squatter heeft ons willen misleiden, door ons--al waren wij hem te slim--op een punt te brengen, waar wij zijne richting geheel verliezen moeten. Dit is hem in zooverre gelukt; maar hij heeft al te fijn willen spelen en daardoor zijne zaak bedorven; binnen drie minuten zal ik u zijn spoor aanwijzen, zoo duidelijk als had hij het uzelf aangetoond."
»Ik moet u bekennen, vriend, dat ik zeer verwonderd ben over alles wat gij mij zegt," hervatte don Miguel; »ik heb nooit iets kunnen begrijpen van dat hoogere instinct dat u in de prairie schijnt te besturen en voort te helpen, en waarvan ik met verbazing telkens nieuwe proeven heb gezien, maar ik verklaar u ronduit dat de tegenwoordige proef al de vorigen ver overtreft."
»Mijn hemel!" antwoordde Valentin, »gij maakt mij een kompliment dat ik niet verdien; al wat gij van mij gezien hebt is eene zaak van redeneering en vooral van gewoonte, zoo is het, bij voorbeeld, voor u even ontwijfelbaar als voor mij, dat de Roode-Ceder hier geweest is, niet waar?"
»Ja."
»Zeer goed; maar als hij hier geweest is, moet hij ook weder vertrokken zijn," riep de jager lachend, »want anders zou hij er nog moeten zijn, en dan hadden wij hem reeds."
»Dat is stellig."
»Goed; dus moeten wij nu zoeken op te sporen hoe hij is kunnen wegkomen."
»Dat is het juist en daar zie ik geen kans toe."
»Dat komt omdat gij niet goed ziet, of liever omdat gij u de moeite niet geven wilt."
»O! wat dat betreft, vriend, zweer ik u...."
»Vergeef mij, ik druk mij verkeerd uit; het is omdat gij u geen rekenschap weet te geven van hetgeen gij ziet."
»Hoe zoo! weet ik mij geen rekenschap te geven van hetgeen ik zie!" riep don Miguel min of meer gepikeerd door deze aanmerking.
»Zeer zeker," hernam Valentin bedaard, »en gij zult het mij dadelijk toestemmen."
»Dat is al wat ik verlang."
Ondanks zijn scherpzinnig verstand en andere uitmuntende hoedanigheden, had Valentin het zwak dat aan vele menschen eigen is, namelijk om onder zekere omstandigheden gaarne met zijne verkregen kennis en ervaring te schitteren.
Dit gebrek, dat in de prairie zeer dikwijls voorkomt, was hem echter licht te vergeven en deed overigens aan het schoone karakter van Valentin geen schade.
»Gij zult het zien," vervolgde hij met die soort van toegevendheid, waarmede lieden die het wel weten gewoon zijn een of andere zaak aan onkundigen op te helderen; »de Roode-Ceder is hier gekomen en hij is verdwenen; ik kom hier en ik zie het; hij heeft niet kunnen wegvliegen, noch in de aarde kruipen; hij moet dus noodwendig een weg hebben gekozen, welken dan ook, daar een mensch door kan; nu ligt hier op de naakte rots een massa bladeren verspreid: een eerste bewijs."
»Hoedat?"
»Pardi! dat spreekt van zelf; wij zijn immers niet in het saizoen, dat de boomen hun blad laten vallen; zij kunnen dus niet van zelf zijn afgevallen."
»Waarom niet?"
»Omdat zij dan geel en verdord zouden moeten wezen, terwijl zij daarentegen groen en verlept en sommige zelfs verscheurd zijn: dus is het immers bepaald zeker dat zij met geweld van den boom zijn gerukt."
»Dat is waar," mompelde don Miguel meer en meer verwonderd.
»Laten wij thans zien door welke onbekende kracht zij van de takken kunnen zijn gerukt."
Onder dit zeggen was Valentin reeds voortgestapt, al bukkende, in de richting waar hij een donkere kras op de rots had gezien.
Zijne vrienden volgden hem, en bespiedden even als hij aandachtig den grond.
Op eens bukte Valentin en raapte een stuk boomschors op, zoo groot als de palm van eene hand, en liet het aan don Miguel zien.
»Thans is mij alles duidelijk," zeide hij. »Gij ziet wel dat dit stukje boombast verknepen en afgekauwd is alsof het sterk door een touw omkneld was geweest, niet waar?"
»Ja."
»Wel! begrijpt gij het nu?"
»Waarlijk, niet beter dan te voren."
Valentin haalde de schouders op.
»Luister eens goed," zeide hij, »de Roode-Ceder is hier geweest, met zijn lasso heeft hij het uiteinde van dien dikken tak weten te grijpen, dien gij daar boven ons hoofd ziet uitsteken; geholpen door zijne kameraden, heeft hij dien omgebogen tot op den grond. De zwarte streep die wij gezien hebben, bewijst welk eene inspanning die menschen hebben moeten doen om dit gedaan te krijgen. De tak eenmaal gebogen zijnde, hebben de kameraden van den Squatter dien de een na den ander beklommen; de Roode-Ceder, die het laatst achterbleef, heeft er zich door laten opheffen, en allen zijn zij dus zeventig of tachtig voeten hoog boven den grond gekomen; dat alles, gij zult het moeten toestemmen, was zeer vernuftig uitgedacht; maar ongelukkig hebben de hakken van den Squatter een kras van nauwelijks een haar breed op de rots achtergelaten, en zijn er een massa bladeren van den boom op de rots gevallen: bij het losmaken van zijne lasso is er een stuk van de schors afgebroken, en daar hij te weinig tijd had om weder naar beneden te gaan en de sporen van zijn bedrijf te verwijderen, hebben wij die gevonden en hierdoor weet ik alles wat er gebeurd is zoo goed alsof ik het zelf had bijgewoond."
Op deze even beknopte als duidelijke verklaring van den jager volgde van de zijde zijner vrienden geen verbazing, maar stomme bewondering; zij stonden versteld door zulk een ongehoorde proef van scherpzinnigheid.
»Het is mirakuleus!" riep don Miguel uit. »En gij gelooft dus dat de Roode-Ceder over dien boom is weggekomen?"
»Ik durf dit wedden om al wat gij wilt," zei Valentin. »Overigens zult gij het weldra zien, want wij gaan denzelfden weg op."
»Zoo! maar op die wijs zullen wij toch niet veel verder kunnen komen."
»Gij vergist u. In de natuurbosschen van die soort, welke thans voor ons ligt, bestaat bijna geen andere weg dan dien wij nemen zullen. Komaan, nu wij het spoor van den bandiet eindelijk voor goed hebben teruggevonden, hoop ik dat wij met lust zullen ontbijten om hem des te krachtiger te kunnen vervolgen."
De jagers zetten zich vroolijk rondom hun vuur en aten met smaak een bout van den grauwen beer.
Maar uit ongeduld namen zij, zooals men gewoonlijk zegt, dubbele brokken, zoodat hun maal in een ommezien geëindigd was en zij weldra gereed waren hunne nasporingen voort te zetten.
Valentin, ten einde zijn vrienden de juistheid zijner ophelderingen te kunnen bewijzen, gebruikte om den boom te beklimmen hetzelfde middel daar de Roode-Ceder zich van bediend had.
Werkelijk moesten de jagers, toen zij allen op den tak vereenigd waren, de waarheid erkennen van hetgeen Valentin hun gezegd had; de sporen van den Roode-Ceder waren overal duidelijk zichtbaar.
Zoo trokken zij een geruimen tijd voort, getrouw de sporen volgende door de bandieten nagelaten; hoe verder zij echter kwamen, hoe zeldzamer die sporen werden en eindelijk hielden zij geheel op.
Het spoor was voor de tweede maal verloren.
Valentin bleef staan, en wenkte zijne vrienden om bij hem te komen.
»Laten wij raad houden," zeide hij.
»Ik denk, dat de Roode-Ceder lang genoeg naar zijn zin over de boomen gewandeld had, en dat hij op den grond zal zijn afgedaald," opperde don Miguel.
Valentin schudde het hoofd.
»Gij zijt er niet achter, vriend," zeide hij, »wat gij daar beweert is letterlijk onmogelijk."
»Waarom dat?"
»Omdat het spoor, zooals gij ziet, hier juist eindigt boven een meer."
»Dat is zoo."
»Daarbij is het wel boven allen twijfel verheven dat de bandiet het niet al zwemmende zal zijn overgetrokken. Trekken wij dus, het mag gaan zoo het wil voort, ik ben er zeker van dat wij spoedig nieuwe sporen zullen vinden; de tegenwoordige richting is de eenige die de Roode-Ceder kan gekozen hebben, zijn doel is de linie der vijanden door te komen die hem van alle zijden insluiten. Ging hij de bergen in, dan zou hij, gelijk gij weet, en hij weet het even goed als wij, onherroepelijk verloren zijn, hij kon dus niet anders wegkomen dan daar ginds, en het is daar dat wij hem moeten nazetten."
»En blijven wij dan altijd op de boomen?" vroeg don Miguel.
»Pardi! Gij moet niet vergeten, mijne vrienden, dat de bandieten een meisje bij zich hebben. Dat arme kind is geenszins, zoo als zij, gewoon aan de moeielijke marschen door de woestijn; zij zou die geen uur lang kunnen volhouden zoo haar vader en hare broeders haar niet langs betrekkelijk minder moeielijke wegen vervoerden. Slaat de oogen eens naar beneden, en gij zult u kunnen overtuigen dat het voor hen onmogelijk zou zijn om met een jong meisje daar door te komen. Hier is dus onze weg," vervolgde hij nadrukkelijk, »en hier alleen kunnen wij onzen vijand aantreffen."
»Welaan dan, met Gods hulp!" riepen de Mexicanen.
Curumilla had, volgens zijne gewoonte, niet gesproken, hij was zelfs niet blijven staan om aan het gesprek deel te nemen, maar was steeds voortgemarcheerd.
»Ooah!" riep hij op eens.
Zijne vrienden liepen haastig toe.
De Ulmen had een stukje gestreept katoen in de hand, niet grooter dan een dollar.
»Zoo als gij ziet," riep Valentin, »wij zijn op den rechten weg, gaan wij er dus niet van af."
Deze ontdekking deed alle redekaveling ophouden.
De dag daalde meer en meer, en de roode zonneschijf gloeide reeds van verre tusschen de boomstammen.
Na nog twee uren gemarcheerd te hebben was het volkomen duister.
»Wat nu gedaan?" vroeg don Miguel; »wij kunnen den nacht toch niet als papegaaien tusschen de takken doorbrengen; laten wij eene geschikte plaats opzoeken om te kampeeren, morgen kunnen wij met het aanbreken van den dag onze jacht hervatten."
»Ja," antwoordde Valentin lachend, »en als er dan dezen nacht, terwijl wij daar beneden rustig slapen, iets gebeurt dat den Roode-Ceder verplicht om terug te keeren, glipt hij ons door de vingers als een adder, zonder dat wij het eens opmerken. Neen, neen, vriend, gij moet u van nacht getroosten om als een parkiet zoo als gij zegt op een tak te slapen, indien gij de vrucht van al uwe zorgen en vermoeienissen niet wilt zien verloren gaan."
»O, o! als het niet anders wezen kan," riep don Miguel, »zal ik er mij aan onderwerpen, al moest ik ook acht dagen lang op een boom slapen, dat zou ik liever doen dan dat mij die booswicht ontsnapte."
»Wees maar gerust, hij zal ons zoo lang niet laten loopen; het boschzwijn is in de val, hij zal spoedig zijn man vinden. Hoe uitgestrekt de woestijn ook wezen mag, voor lieden die gewoon zijn haar in alle richtingen te doorkruisen bezit zij geen onbekende schuilhoeken. De Roode-Ceder is inderdaad een buitengewoon man en heeft meer gedaan dan iemand om ons te ontsnappen, maar thans is alles voor hem geëindigd, het is niets meer dan eene vraag van tijd."
»De hemel geve dat gij waarheid spreekt! Ik zou mijn leven willen opofferen om hem te zien straffen."
»Ik verzeker u, weldra is hij in uwe macht."
Op dit oogenblik trok Curumilla Valentin bij de mouw.
»Wel, hoofdman, wat hebt gij?" vroeg laatstgenoemde.
»Luister eens," riep de Indiaan.
De jagers spitsten de ooren; weldra hoorden zij, op vrij verren afstand, verwarde kreten, die van oogenblik tot oogenblik duidelijker werden, en eindelijk in een ontzettend rumoer overgingen.
»Wat zou daar toch gebeuren?" vroeg Valentin peinzend.
De kreten namen hand over hand toe, ongewone lichtvlammen verschenen in het bosch, zoodat er duizende vogels, uit hun slaap geschrikt in alle richtingen opvlogen onder angstig en klagend geschreeuw.
»Geeft acht!" riep de jager; »laat ons wel toezien wat wij te doen hebben."
Hunne onzekerheid duurde echter niet lang. Valentin verliet op eens den schuilhoek waar hij zich verborgen had en hief een langen en doordringenden kreet aan, die terstond door een vervaarlijk gehuil werd beantwoord.
»Wat is er toch?" vroeg don Miguel.
»De Eenhoorn!" antwoordde Valentin.
XXXIV.
LIST TEGEN LIST
De vlucht van Nathan was door een zonderling toeval ontdekt.
De Comanchen zijn evenmin als de andere Indianen gewoon om des nachts patrouille te maken of de posten te bezoeken, al zulke uitvindingen der beschaafde volken zijn in de prairie geheel onbekend. Naar alle waarschijnlijkheid zouden dus de Indianen niet voor de dag aankwam bemerkt hebben dat hun gevangene verdwenen was.
Nathan rekende hierop. Hij was met de gebruiken der Indianen te goed bekend om niet te weten waaraan hij zich te dien aanzien te houden had. Maar hij had gerekend buiten den haat, die altijd waakzame schildwacht, die door geen macht is in slaap te wiegen.
Een uur ongeveer na de zoo gelukkig volvoerde vlucht van den jongen Squatter, was de Witte-Gazelle hetzij door koude wakker geworden of meer waarschijnlijk uit verlangen om zich te verzekeren of de gevangene wel goed bewaakt werd en onmogelijk zou kunnen ontsnappen, het kamp rond gegaan, hier en daar over de slapende krijgslieden heenstappende en zich zoo goed of kwaad mogelijk in de duisternis een weg banende; want de meeste kampvuren waren reeds uitgedoofd en die nog brandden verspreidden slechts een onzeker licht; maar gedreven door dat gevoel van haat dat zijne noodlottige dienaars vaak maar al te getrouw den weg wijst, had zij zich eindelijk in dit verwarde doolhof thuis gevonden en den boom bereikt waar zij dacht dat de gevangene aan vast gebonden zat.
De boom stond verlaten; de touwen die voor Nathan gediend hadden, lagen in stukken gesneden op eenigen afstand.
De Witte-Gazelle stond een oogenblik verbijsterd bij dit gezicht, dat zij wel het allerminst had verwacht.
»O!" mompelde zij woedend, »het is eene familie van duivels! Maar hoe is hij toch weggekomen? hoe heeft hij kunnen ontvluchten?"
Toen ging zij aan 't zoeken.
»Die ellendige rekels slapen gerust," zeide zij de twee krijgslieden ziende liggen, »terwijl de man dien zij in last hadden te bewaken, hier ver van daan is en hen uitlacht."
Zij schopte hen verachtelijk met den voet.
»Luie honden!" riep zij, »wilt ge wel opstaan, de gevangene is voort."
De vermeende slapers verroerden zich niet,
»O wee! wat beduidt dat?" riep zij.
Zij bukte om hen van naderbij te beschouwen.
Nu werd haar alles duidelijk.
»Dood!" riep zij; »hij heeft hen vermoord! welk eene duivelsche macht moet dat bandietengeslacht bezitten."
Na een poosje verslagen te hebben staan kijken, richtte zij zich woedend op, ijlde het kamp door en schreeuwde met een krijschende stem.
»Op! op! krijgslieden, ontwaakt! de gevangene is ontsnapt!"
Alles was oogenblikkelijk op de been gekomen. De Eenhoorn was een der eersten die zijne wapenen greep en haar te gemoet snelde om naar de oorzaak te vragen van dit ongewone geschreeuw.
Met weinig woorden had de Witte-Gazelle hem op de hoogte gebracht en de Eenhoorn, nog woedender dan zij, wekte zijne krijgslieden op en verspreidde hen in alle richtingen om Nathan te vervolgen.
Wij weten echter reeds dat de jonge Squatter ten minste vooreerst van hunne ijdele woede niets te duchten had.
Deze wonderbare vlucht van een man uit een kamp vol krijgslieden, zonder door de schildwachten te zijn opgemerkt, was iets zoo buitengewoons, dat de Comanchen, bijgeloovig als alle Indianen hier aan eene werkelijke tusschenkomst van den boozen geest moesten denken.
Intusschen was het geheele kamp in rep en roer; allen liepen naar alle kanten met brandende fakkels in de hand. De kring werd al grooter en grooter; de krijgslieden door ijver vervoerd, hadden het open kamp verlaten om zich in het bosch te begeven.
Op eens verscheurde een doordringende kreet het luchtruim.
Allen bleven als door een tooverslag staan.
De Eekhoorn stiet nu een even scherpen en langdurigen kreet uit, in antwoord op den zooeven gehoorden; terwijl al de Comanchen zich er ten slotte mede vereenigden.
»O! wat is dat?" vroeg de Witte-Gazelle.
»Koutonepi! mijn broeder!" antwoordde de Eenhoorn lakoniek, terwijl hij zijn signaal herhaalde.
»Snellen wij hem te gemoet!" riep zij uit.
»Kom!" zei het opperhoofd.
Zij ijlden onmiddellijk voort door een tiental krijgslieden gevolgd, en kwamen weldra onder den boom in welken Valentin en zijne kameraden zich bevonden.
De jager zag hen aankomen; toen zij op korten afstand waren riep hij hun toe.
»Waar zijt gij?" antwoordde de Eenhoorn.
»Boven in dezen ceder!" riep Valentin, »blijf staan en zie!" De Indianen bleven staan en keken naar boven.
»Ooah!" riep de Eenhoorn verwonderd, »wat doet mijn broeder daar?"
»Ik zal het u zeggen; maar help mij eerst afklimmen; wij zijn hier niet gemakkelijk genoeg geplaatst om te praten, vooral over de zaken die ik u te vertellen heb, hoofdman."
»Goed; ik verwacht mijn broeder."
Valentin sloeg zijne lasso om een der takken en maakte aanstalten om zich naar beneden te laten glijden.
Curumilla legde hem de hand op den schouder.
»Wat wilt gij, hoofdman?" vroeg de jager.
»Gaat mijn broeder naar omlaag?" hernam de Araucaan.
»Zooals gij ziet," riep Valentin hem de lasso wijzende.
Curumilla schudde onvoldaan het hoofd.
»De Roode-Ceder!" zeide hij.
»Canarios!" riep de jager, zich op het voorhoofd kloppende, »daar dacht ik niet meer om! Ben ik dan gek geworden! Pardi! hoofdman, gij zijt een heerlijke vent, gij denkt aan alles; wacht even!"
Valentin bukte, zette de handen als een roeper aan weerszijden van den mond.
»Hoofdman!" riep hij.
»Wat wil mijn broeder?" antwoordde de Eenhoorn.
»Kom boven."
»Goed!"
De Sachem greep de lasso, klom met krachtige vuisten naar boven en bereikte weldra den tak, waar Valentin en de jager hem ontvingen.
»Hier ben ik!" zeide hij.
»Welk toeval bracht u hier in het bosch zoo laat in den nacht?" vroeg de jager.
De Eenhoorn vertelde hem in weinige woorden wat er gebeurd was.
Bij dit verslag fronste Valentin de wenkbrauwen en deed op zijne beurt verslag van zijn wedervaren.
»Dat wordt ernstig," sprak de Eenhoorn hoofdschuddend.
»Ja," antwoordde Valentin; »uit alles blijkt, dat zij die wij zoeken, niet ver van hier kunnen zijn; misschien hooren zij ons zelfs."
»'t Is wel mogelijk," mompelde de Eenhoorn; »maar wat kunnen wij er tegen doen, 't is nog diep in den nacht."
»Goed! maar laten wij althans even slim zijn als zij. Hoeveel krijgslieden hebt gij daar beneden?"
»Tien, denk ik."
»Goed. Zijn er ook eenigen onder daar gij u op zoudt kunnen verlaten?"
»Op allen!" antwoordde de Sachem fier.
»Ik spreek niet zoo zeer van hun moed, maar van hunne ervaring."
»Ooah! ik heb den Spinnekop."
»Dan weet ik wat ons te doen staat," zei Valentin. »Laat hem boven komen en met uwe krijgslieden, over welke gij hem het kommando geeft, onze plaats vervangen; hij moet hier de linie van gemeenschap afsnijden, terwijl ik met mijne kameraden u volgen zal. Ik zou gaarne de plaats willen bezien waar uw gevangene is vastgebonden geweest."
Alles wat Valentin bevolen had werd uitgevoerd.
De Spinnekop posteerde zich op de boomen, om met de tien krijgslieden die hij onder zijn bevel had zorgvuldig wacht te houden; terwijl Valentin, voortaan verzekerd dat hij een onoverkomelijken slagboom tegen den Roode-Ceder had daargesteld, zich gereed maakte om met den Eenhoorn af te klimmen en naar het kamp te gaan.
Curumilla hield hem nogmaals terug.
»Waarom zoudt gij naar beneden gaan?" zeide hij.
De Franschman kende zijn kameraad zoo goed, en was aan zijne wijze van spreken zoo gewoon, dat hij hem met een half woord begreep.
»Het is waar," zeide hij tegen den Eenhoorn, »laten wij liever over de boomen gaan van tak tot tak. Curumilla heeft gelijk; op deze wijze zullen wij den Squatter, zoo hij in dezen omtrek is, onfeilbaar ontdekken."
De Sachem der Comanchen boog ten bewijze van toestemming en zij gingen op marsch.
De weg duurde niet lang.
Zij marcheerden nauwelijks een half uur, toen Curumilla, die vooraan ging, eensklaps met een gesmoorden uitroep bleef staan.
De jagers keken op, en op korten afstand ontwaarden zij eene groote zwarte massa, die onbezorgd heen en weer schommelde.
»He!" riep Valentin; »wat is dat?"
»Een beer," antwoordde Curumilla.
»Inderdaad," zei don Pablo; »het is eene prachtige zwarte beer."
»Laten wij hem een kogel toezenden," zei don Miguel.
»Pas op, doe dat niet!" riep don Pablo met drift, »een geweerschot zou ons dadelijk ruchtbaar maken en aan hen die wij zoeken, de plaats verraden waar wij zijn."
»Ik zou hem toch gaarne meester worden," merkte Valentin aan, »al was het alleen om zijn pels."
»Neen!" riep de Eenhoorn, die tot dusverre gezwegen had; »de beren zijn te goede neefjes van mijne familie."
»Dat is iets anders," riep de jager, terwijl hij met moeite een spotachtigen lach smoorde.
De Indianen in de prairie, wij meenen dit reeds gezegd te hebben, zijn zeer bijgeloovig. Onder andere stellen zij algemeen, dat zij uit zekere dieren afkomstig zijn, voor welke zij bij gevolg grooten eerbied koesteren; dit belet hen wel is waar niet om ze nu en dan, in geval van hongersnood, te dooden, maar tot eer van de Roodhuiden moeten wij zeggen dat zij op dit punt zeer bijzonder te werk gaan en hunne vermeende voorzaten nooit zullen neerschieten, zonder hun vooral duizendmaal verschooning gevraagd en met zoovele woorden gezegd te hebben, dat alleen gebrek aan voedsel hen noodzaakte om van dit uiterste middel tot levensonderhoud gebruik te maken.
De Eenhoorn had echter op dit oogenblik geen levensmiddelen noodig, daar zijn kamp er ruim van voorzien was; hij ging dus jegens zijn neef den beer met de loffelijkste beleefdheid en eerbied te werk.
Vooreerst boog hij voor hem en sprak hem eenige minuten lang op de vriendelijkste wijze toe. Intusschen bleef de beer onophoudelijk balanceeren zonder groot gewicht of aandacht aan zijn toespraak te schenken, integendeel scheen hij zich meer te vervelen dan gevleid te gevoelen door de komplimenten van zijn neef.
De Sachem belgde zich weldra over deze ongemanierde onverschilligheid, wenkte den beer een laatste afscheid toe en ging verder.
De kleine troep zette den tocht eenigen tijd in stilte voort.
»Het maakt niet veel uit," zei Valentin op eens; »maar zonder juist te weten waarom, zou ik de pels van uw neef gaarne gehad hebben, hoofdman."
»Ooah!" antwoordde de Eenhoorn, »er is overvloed van bisons in het kamp."
»Canarios! dat weet ik zeer goed," riep de jager; »maar dat is hier de vraag niet."
»Wat dan?"
»Ik weet het niet, maar die beer zag er min of meer verdacht uit; hij scheen mij niet van de goede soort."
»Spot mijn broeder er meê?"
»Op mijn woord van eer niet, hoofdman; ik zweer u dat die knaap daar mij niet echt voorkomt; ik zou mij geen oogenblik bedenken om dadelijk terug te keeren en er het mijne van te hebben."
»Denkt mijn broeder dan dat de Eenhoorn een kind is en niet zou kunnen zien of hij een dier voor zich heeft of niet?" riep de Sachem hooghartig.