Part 22
De vrouw van den Eenhoorn kwam naast haar zitten, vatte hare hand en zag haar belangstellend aan.
»Voelt mijne moeder zich iets beter?" vroeg zij met eene stem zoo zuiver als die van den Mexicaanschen nachtegaal.
»Dank u, lieve kind," antwoordde de oude minzaam, »ik ben redelijk wel."
»Dat is goed," lispelde de Zonnestraal met een bevalligen glimlach, »want ik heb mijne moeder goede tijding mede te deelen."
»Goede tijding!" riep zij schielijk en met een doordringenden blik; »zou mijn zoon hier zijn gekomen."
»Dan zou mijne moeder hem wel reeds gezien hebben," zei de jonge vrouw op een toon van zacht verwijt.
»Dat 's waar," prevelde zij zacht, »arme Valentin!"
En zij liet het hoofd op de borst zinken.
De Zonnestraal staarde haar een poosje medelijdend aan.
»Zou mijne moeder het nieuws niet willen hooren dat ik haar breng?" vroeg zij.
Mme. Guillois zuchtte.
»Spreek, mijn kind," zeide zij.
»Een der machtige krijgslieden van onzen stam is in het dorp gekomen," vervolgde de jonge vrouw, »de Spinnekop heeft den Sachem sedert twee dagen verlaten."
»Ha!" riep de oude vrouw onwillekeurig toen zij zag dat de Zonnestraal ophield; »en, waar is de Sachem op dit oogenblik?"
»De Spinnekop zegt dat de Eenhoorn in de bergen is bij zijne krijg lieden; hij heeft Koutonepi gezien."
»Heeft hij mijn zoon gezien!" riep Mme. Guillois, die reeds wist dat de Comanchen Valentin zoo noemden.
»Hij heeft hem gezien," herhaalde de Zonnestraal; »de jager en zijne vrienden vervolgen den Roode-Ceder."
»En.... is hij niet gekwetst?" vroeg zij angstig.
De jeugdige Indiaansche zette een alleraardigst mondje van de welsprekendste soort.
»De Roode-Ceder is een hond," riep zij, »en een lafhartig oud wijf, zijn arm is veel te zwak en zijn oog te onzeker om den grooten bleeken jager te kwetsen. Koutonepi is een geducht krijgsman, hij spot met het gehuil der coyoten."
Madame Guillois had reeds lang genoeg onder de Indianen gewoond om met hunne beeldrijke taal vertrouwd te worden; zij drukte de jonge vrouw dankbaar de hand.
»Heeft de groote krijgsman mijn zoon gezien?" vroeg zij belangstellend.
»Ja," antwoordde de Zonnestraal met drift, »de Spinnekop heeft den bleeken jager gezien. Koutonepi heeft hem een collier voor mijne moeder medegegeven."
»Eene collier?" riep zij verwonderd, niet begrijpende wat de Indiaansche bedoelde, »wat zal ik daarmede doen?"
De Zonnestraal zette een min of meer ernstig gezicht.
»De blanken zijn groote toovenaars," zeide zij. »Zij kunnen krachtige medicijnen maken; met figuren in berken bast te trekken deelen zij elkander hunne gedachten mede op verren afstand; voor hen bestaat geen ruimte of afstand. Wil mijne moeder de collier niet ontvangen die haar zoon haar zendt?"
»Geef, geef mij die, kindlief!" riep zij schielijk; »alles wat van hem komt is voor mij van groote waarde."
De jonge vrouw haalde uit haar kleedje een vierkant stuk boombast te voorschijn, zoo groot als eene hand, en overhandigde het haar.
Mme. Guillois nam het gretig aan. Daar zij niet begreep wat dit geschenk beteekende, draaide zij het in hare hand om en om, terwijl de Zonnestraal haar oplettend aankeek. Op eens helderden de trekken der oude vrouw op en slaakte zij een kreet van blijde verrassing, daar zij aan de binnenzijde der schors eenige woorden zag, die er met de punt van een dolk op geschreven waren.
»Is mijne moeder tevreden?" vroeg de Zonnestraal.
»Ja! ja!" riep zij.
En zij begon met ijver te lezen.
Het briefje was kort; het behelsde slechts weinige woorden, die echter voldoende waren om de arme moeder gelukkig te maken, daar zij zekere tijding behelsden van haar zoon.
Ziehier wat Valentin schreef:
»Moeder, heb goeden moed, ik ben in blakenden welstand."
»Tot spoedig,
Uw liefhebbende zoon Valentin."
Lakonischer brief kon hij onmogelijk geschreven hebben. Maar in de woestijn, waar de gemeenschap zoo moeielijk is moet men voor lief nemen wanneer een zoon bericht van zich geeft, al was het ook met een enkel woord.
Mme. Guillois was er van verrukt. Toen zij de weinige regels van haar zoon gelezen en herlezen had, wendde zij zich tot de jonge vrouw.
»Is de Spinnekop een opperhoofd?" vroeg zij.
»De Spinnekop is een der grootste krijgslieden van onzen stam," antwoordde de Zonnestraal trotsch; »de Eenhoorn stelt in hem groot vertrouwen."
»Goed! dat kan ik wel denken; hij komt zeker hier met eene bijzondere zending?"
»De Eenhoorn heeft zijn vriend verzocht om twintig uitgelezen krijgslieden van den stam te kiezen en ze hem toe te voeren."
Terstond kwam Mme. Guillois op eene gedachte.
»Heeft de Zonnestraal mij lief?" vroeg zij.
»Ik heb mijne moeder zeer lief," antwoordde zij met gevoel; »haar zoon heeft mij het leven gered."
»Verveelt mijne dochter zich niet nu haar man afwezig is?" hernam de oude.
»De Eenhoorn is een groot opperhoofd; als hij gebiedt buigt de Zonnestraal en gehoorzaamt; de krijgsman is de sterke en moedige arend, de vrouw is de bedeesde en vreesachtige duif."
Er volgde een vrij lange poos stilte, die de Zonnestraal eindelijk afbrak door met een fijn lachje te zeggen:
»Heeft mijne moeder mij iets te verzoeken?"
»Waartoe zou ik, kindlief," antwoordde zij, »gij zoudt mijn verzoek toch nooit toestaan."
»Dat denkt mijne moeder wel, maar zij is er niet zeker van," riep zij spitsvondig.
De oude vrouw glimlachte.
»Hebt gij dan geraden wat ik u wilde vragen?"
»Wellicht! Mijne moeder verklare zich, dan zal ik zien of ik mij bedrogen heb."
»Neen, het zou niet baten; ik weet dat mijne dochter het zal weigeren."
De Zonnestraal schoot in een vroolijken schaterlach en klapte in de handen als een kind.
»Dat weet mijne moeder wel beter," zeide zij. »Waarom vertrouwt mijne moeder mij niet? heeft zij misschien ondervonden dat ik ondeugend was?"
»Nooit; integendeel, gij waart altijd even voorkomend, gedienstig en goed voor mij, om mijne verdrietelijkheden te sussen en mijne bezorgdheid te verdrijven."
»Dat mijne moeder dan vrij spreke, nu de ooren eener vriendin voor haar geopend zijn," zeide de Zonnestraal zacht.
»Inderdaad," hernam de oude dame nadenkend, »wat ik verlang is rechtmatig. Is de Zonnestraal moeder?" vroeg zij met inzicht.
»Ja," antwoordde de Zonnestraal levendig.
»Houdt mijne dochter veel van haar kind?"
De Indiaansche keek haar verwonderd aan.
»Zijn er dan op het groote eiland der blanken moeders die niet veel van hare kinderen houden?" riep zij. »Mijn kind is mij zelf; het is immers mijn eigen vleesch en been? wat is er liever en schooner voor eene moeder dan haar kind?"
»Niets, dat is zoo," zuchtte Mme. Guillois. »Als nu mijne dochter eens van haar kind gescheiden was, wat zou zij dan doen?"
»Wat ik doen zou?" riep de Indiaansche terwijl hare zwarte oogen vlamden als vuur, »ik ging er naar toe, ongevraagd waar het ook was of hoe ik er kwam."
»Goed," riep de oude verheugd, »ik houd ook veel van mijn kind, mijne dochter weet het wel; en nu zou ik bij hem willen zijn, daar mijn hart treurt bij de gedachte dat ik nog langer van hem gescheiden moet blijven."
»Dat wist ik wel, dat ligt in den aard der zaak, daar kan men zich niet tegen verzetten; de bloem verwelkt van haar steel gerukt, zoo kwijnt eene moeder gescheiden van den zoon dien zij met hare melk heeft gevoed. Wat wenscht mijne moeder te doen?"
»Ach! ik wil zoo spoedig mogelijk vertrekken om mijn zoon nog eens te omhelzen."
»Dat is recht, ik help mijne moeder."
»Hoe zullen wij het aanleggen?"
»Daar zal ik voor zorgen; de Spinnekop laat den raad bijeenroepen om zijne boodschap te zeggen en zijn plan aan de hoofden voor te stellen; de meeste onzer jonge mannen zijn in het bosch verspreid en bezig met strikken te zetten en elanden te schieten, om hunne gezinnen te voeden; er zullen meer dan twee dagen noodig zijn om de twintig dappere krijgslieden te verzamelen die hij voor den Eenhoorn moet medenemen; hij vertrekt zeker niet voor de derde zon. Mijne moeder make zich dus niet ongerust, ik zal met den Spinnekop spreken; over drie dagen vertrekken wij."
Zij kuste de oude vrouw, die haar met eene teedere omhelzing beantwoordde; daarna stond zij op en verwijderde zich met een laatsten bemoedigenden wenk.
Mme. Guillois ging weder in hare calli; een zware last was haar van het hart gewenteld; in lang had zij zich niet zoo gelukkig gevoeld. Al haar leed in de pijnen der kwaal die haar bedreigden waren vergeten, zij dacht alleen aan het oogenblik waarop zij haar zoon weder zou zien en omhelzen.
Alles gebeurde zoo als de Zonnestraal voorspeld had.
Een uur later riep de hachesto met luid geschreeuw de opperhoofden te zamen in de groote medicijnhut.
De raad duurde lang en ging niet uiteen voordat de zon reeds begon te dalen.
Het verzoek van den Spinnekop werd toegestaan en twintig uitgelezen krijgslieden gekozen, om onder zijn geleide zich bij het opperhoofd van den stam te gaan voegen.
Maar, zooals de Zonnestraal wel vermoed had, waren de beste krijgslieden meerendeels afwezig, zoodat men op hunne terugkomst moest wachten.
Gedurende de twee volgende dagen hield de Zonnestraal drukke gesprekken met den Spinnekop, met Mme. Guillois daarentegen wisselde zij geen enkel woord; slechts wanneer de oude vrouw haar al te vragend aankeek, bepaalde zij zich met haar vriendelijk toe te lachen en den vinger op de lippen te houden als om haar het zwijgen aan te bevelen.
De arme moeder, alleen door kunstmatige opwinding gesterkt en door brandende koorts staande gehouden, telde met ongeduld de traag verloopende uren en deed in stilte de vurigste geloften voor het welslagen van haar voornemen.
Eindelijk, op den avond van den tweeden dag, kwam de Zonnestraal, die de oude vrouw tot hiertoe opzettelijk scheen te ontwijken, met een opgeruimd gelaat naar haar toe.
»Wel?" vroeg de moeder.
»Wij gaan vertrekken."
»Wanneer?"
»Morgen met enditha (zonsopgang)."
»Heeft de Spinnekop aan mijne dochter zijn woord gegeven?"
»Ja, hij heeft het mij gezegd; mijne moeder make zich dus gereed om te vertrekken."
»Ik ben al gereed."
De Indiaansche glimlachte.
»Tot morgen!" zeide zij.
»Tot morgen!"
Met het aanbreken van den dag, zooals den vorigen avond was afgesproken, trokken Mme. Guillois en de Zonnestraal op weg onder geleide van den Spinnekop en zijne twintig krijgslieden om zich naar den Eenhoorn te begeven.
XXX.
HOE NATHAN VOOR TOOVENAAR SPEELT.
De Spinnekop, ofschoon Comanch en krijgsman van den echten stempel, dat wil zeggen, vermetel, arglistig, brutaal en wreed, was daarom niet geheel onbekend met de wetten der beleefdheid ook jegens vrouwen; hij had dus het verzoek van de Zonnestraal, om de moeder van den grooten bleeken jager naar den Eenhoorn te geleiden, met genoegen aangenomen.
De Indiaan, die als de meesten zijner stamgenooten zich zeer aan Valentin verplicht rekende, nam met vreugde deze gelegenheid te baat om zijn weldoener eene dienst te bewijzen.
Zoo de Indiaan alleen met zijne twintig makkers rustig op weg ware getogen, zou hij, om hier eene uitdrukking der Comanchen te bezigen, den afstand tusschen het dorp en den Eenhoorn binnen twee zonnen hebben afgerend; maar nu hij twee vrouwen onder zijn geleide had, waarvan de eene niet alleen hoog bejaard, maar bovendien eene Europeaansche was, met andere woorden geheel ongewoon met het leven der wildernis, nu begreep hij toch wel, zonder dat iemand er hem iets van zei--want Mme. Guillois zou eer gestorven zijn dan zich te beklagen, en zij alleen had het hem kunnen zeggen--nu begreep hij wel, zeg ik, dat hij zijne manier van reizen een weinig wijzigen moest. Hij deed het dan ook.
De beide vrouwen, elk op een stevig paard gezeten, Mme. Guillois bovendien op een zacht kussen van zes of acht pantervellen, werden dus uit vrees voor ongelukken midden in den troep geplaatst, die omdat zij sterk genoeg in getal waren, niet in den gewonen Indiaanschen pas, d.i. als de ganzen achter elkander, maar in vier of vijf gelederen reed.
Zoo marcheerde men, om zoo te zeggen, in een sukkeldraf op den geheelen eersten dag. Tegen zonsondergang liet de Spinnekop afzitten en gaf hij order om te kampeeren.
Hij zelf was een der eersten die afsteeg, en met behulp van zijn mes had hij in een ommezien een aantal takken gekapt, waaruit hij als met een tooverslag, eene hut deed verrijzen, om de twee vrouwen behoorlijk in te huisvesten, beschut tegen den nachtelijken dauw of koude.
De vuren werden ontstoken, het souper klaar gemaakt, en terstond na den maaltijd begaven allen zich ter rust, uitgenomen de schildwacht.
Maar ook Mme. Guillois sliep niet; door koorts en ongeduldig verlangen wakker gehouden, zat zij den ganschen nacht in een hoekje der hut in diep nadenken verzonken.
Met het opgaan der zon werd de tocht hervat; doch daar men de bergen naderde, werd de wind zeer koud en lag er een dikke mist over de dalen verspreid. Ieder wikkelde zich zorgvuldig in mantel en pels tot omstreeks tien ure des voormiddags, toen de zonnestralen kracht genoeg kregen om deze voorzorg onnoodig te maken.
In zekere streken van Amerika heeft het klimaat de minder aangename bijzonderheid, dat het des morgens, zoo als men zegt, steen en been vriest, terwijl het op den middag smoorheet wordt en des avonds daarentegen de thermometer op nieuw onder nul daalt.
De tweede dag ging zonder meldenswaardig voorval voorbij. Tegen den avond echter, een uur voordat men halt zou maken, ontdekte de Spinnekop, die eenige paardlengten voor den troep uitreed om den weg te verkennen, voetsporen. De voetsporen waren geheel versch, zeer duidelijk, gelijkmatig en diep en schenen van een jong, krachtvol man te zijn die het reizen gewoon was.
De Spinnekop keerde naar zijn troep terug, zonder zijne ontdekking noch de gevolgen die hij er uit afleidde aan iemand mede te deelen.
De Zonnestraal, die op dat oogenblik het dichtst bij hem was, klopte hem op den schouder om zijne aandacht te trekken.
»Zie eens, krijgsman," sprak zij met de hand een weinig links vooruit wijzende, »zoudt gij niet denken dat daar ginds iemand loopt?"
De Indiaan bleef staan, hield de hand boven de oogen om de gezichtstralen beter in een punt te kunnen samentrekken, en tuurde langen tijd aandachtig naar de donkere stip die de jonge vrouw hem aanwees. Eindelijk reed hij weder voort en schudde herhaalde malen het hoofd.
»Wel! wat denkt mijn broeder er van?" vroeg de Zonnestraal.
»Het is een man," antwoordde hij, »van hier gezien schijnt het een Indiaan, en toch, weet ik niet recht of ik wel of kwalijk gezien heb."
»Hoedat?"
»Hoor eens, gij zijt de vrouw van het eerste opperhoofd van den stam, ik kan het u dus gerust zeggen: er steekt hier iets vreemds achter; ik heb zoo even te voren voetstappen ontdekt. Naar de richting gerekend, zijn zij blijkbaar van dien man daar, te meer nog daar zij nog zeer versch en slechts voor weinige oogenblikken gemaakt zijn."
»Welnu?"
»Welnu, die voetstappen zijn geen sporen van een Roodhuid, maar van een blanke."
»Dat is inderdaad zonderling," mompelde de jonge vrouw ernstig wordende; »maar zijt gij wel zeker van hetgeen gij zegt?"
De Indiaan glimlachte verontwaardigd.
»De Spinnekop is een krijgsman," sprak hij, »een kind van acht jaar had het even goed kunnen zien als ik, de voeten staan buitenwaarts gekeerd; de Indianen daarentegen zetten die binnenwaarts; bovendien is de groote teen dicht bij de anderen aangesloten, terwijl bij ons Roodhuiden de groote teen sterk afwijkt; nu vraag ik mijne zuster, of het mogelijk is, zich na zulke kenteekenen te vergissen?"
»'t Is waar," riep zij, »dat kan niet!"
»En ziedaar," hervatte hij, »let eens op de houding van dien man, nu wij hem een weinig meer nabij komen; het blijkt duidelijk dat hij zich zoekt te verbergen, hij denkt dat wij hem nog niet gezien hebben, en gaat diensvolgens te werk. Kijk, daar bukt hij achter dien mastikboom; daar komt hij weder te voorschijn. Nu houdt hij stil en staat in beraad, hij vreest zeker dat wij hem gezien hebben en dat zijn gang ons verdacht is voorgekomen. Ziet gij wel, hij gaat zitten om ons af te wachten."
»Laten wij oppassen," zeide de Zonnestraal.
»Ik heb hem in 't oog," antwoordde de Spinnekop met een grimmigen blik.
Intusschen was al hetgeen de Spinnekop gezegd had letterlijk waar. De onbekende, na herhaalde pogingen om zich achter de struiken te verbergen of tusschen de heuvels onzichtbaar te maken, begreep weldra, dat, zoo hij den schijn aannam van te vluchten, zijne vervolgers hem des te scherper zouden in 't oog houden en, daar zij te paard waren, hem spoedig zouden achterhalen. Hij schikte zich dus moedig in zijn lot en keerde naar de vlakte terug, waar hij op den grond ging zitten, met den rug tegen een tamarindeboom, en bedaard begon te rooken, in afwachting van den troep ruiters, die snel naderden.
Hoe dichter echter de Comanchen bij hem kwamen, hoe meer zij hem voor een Indiaan begonnen te houden. Eindelijk waren zij geen twintig passen van hem af, en nu hield alle twijfel op. De man was, of scheen althans een dier zwervende toovenaars te zijn, die in menigte in het Verre-Westen van volksstam tot volksstam trekken, om de zieken te genezen of om hunne wonderkuren te verrichten.
Werkelijk was deze toovenaar niemand anders dan Nathan, de Squatterszoon, dien de lezer zonder twijfel reeds lang zal hebben herkend.
Na volgens zijne loffelijke gewoonte, met een koelbloedigen moord den armen toovenaar, wiens kennis helaas niet ver genoeg reikte om dit afschuwelijk verraad te voorzien, voor zijn gewichtige dienst te hebben betaald, was Nathan haastig opgemarcheerd, vast besloten om de liniën zijner vijanden door te trekken, terwijl hij zich bijna zeker hield van goed te zullen slagen, dank zij de vermomming in welke hij zich had gestoken, eene vermomming, die hij, wij moeten het zeggen, meesterlijk wist uit te voeren.
Zoodra hij dus de ruiters in de verte zag naderen, had hij de oude les te baat genomen, »die goede beenen heeft behoeft het gevaar niet af te wachten," en het op een loopen gezet. Ongelukkig echter was hij te voet, en reeds tamelijk vermoeid van den verren tocht dien hij had gemaakt; bovendien zag hij op zulk een open en weinig boschrijk terrein, als het tegenwoordige, geen kans om zich te verbergen en vreesde veeleer argwaan te zullen wekken bij lieden, die, daar zij hem niet kenden, hem anders licht zonder nader onderzoek zouden nemen voor hetgeen zijne kleeren aanduidden. Daarbij rekende hij op den bijgeloovigen aard der Indianen en op de ruime mate van onbeschaamdheid die hij bezat om hen te bedriegen.
Al deze beschouwingen maakte Nathan met de snelheid van iemand die gewoon was te kiezen en te handelen. Zijn besluit stond in een paar minuten vast en zich aan den voet van een boom nedervlijende, stopte hij bedaard zijne calumet en wachtte al rookende de komst der reizigers af.
Overigens moeten wij zeggen dat Nathan een man was van vermetele waagzucht en ontembare stoutmoedigheid; geen stelling hoe netelig en onverwacht ook kon hem verschrikken, maar behaagde hem veelmeer, en zelfs de koortsachtige spanning waarin zij hem bracht had voor iemand van zijn karakter iets bekoorlijks.
Als een echt avonturier, was zijn vaste grondregel om van iedere omstandigheid partij te trekken, en zijn voordeel te doen zoo vaak de gelegenheid zich aanbood; dus stelde hij haar ook thans op woeker, en nauwelijks hielden de Indianen bij hem stil of hij richtte tot hen dadelijk het woord.
»Ik heet mijne zonen welkom in mijn kampement," zeide hij met dien sterk geteekenden keelklank, die het roode menschenras eigen is en door de blanken zoo moeielijk wordt nagebootst; »de Wacondah heeft hen tot mij geleid, ik zal mij beijveren zijn wil te eerbiedigen door hen zoo goed te ontvangen als mij mogelijk is."
»Dank u," antwoordde de Spinnekop, hem met een uitvorschenden blik aankijkend, »wij nemen het aanbod van onzen broeder even gul aan als hij het ons doet; mijne jonge lieden zullen met hem kampeeren."
Hierop gaf hij zijne bevelen, die terstond werden uitgevoerd. Even als den vorigen dag bouwde de Spinnekop met eigen hand voor de vrouwen eene calli, waarin deze zich onverwijld terugtrokken. De toovenaar had haar aangezien met een blik die haar een huivering door de leden joeg.
Na den avondmaaltijd stak de Spinnekop zijne Indiaansche pijp aan en nam naast den toovenaar plaats; hij verlangde met hem te praten en tot opheldering te komen, niet zoozeer omtrent kwade vermoedens, maar omtrent zekere twijfelingen, die er bij hem bestonden.
Onwillekeurig gevoelde de Indiaan voor den onbekende een onverwinnelijken afkeer, daar hij zich geen rekenschap van wist te geven.
Nathan van zijn kant, terwijl hij met al den ernst van een Roodhuid zat te rooken en zich in dikke wolken van tabaksdamp hulde, die hij gestadig uit neus en mond blies, volgde in stilte iedere beweging van den Indiaan, zonder zich den schijn te geven alsof hij op hem lette.
»Is mijn vader op reis?" vroeg de Spinnekop.
»Ja," antwoordde de vermeende toovenaar kortaf.
»Sedert lang?"
»Sedert acht manen."
»Ooah!" riep de Indiaan verbaasd, »waar komt mijn vader dan van daan?"
Nathan nam de pijp uit zijn mond, trok een geheimzinnig gezicht en sprak op ernstigen en terughoudenden toon:
»De Wacondah is almachtig, zij tot wie de Meester des levens spreekt, bewaren zijne woorden in hun binnenste."
»Dat is waar," antwoordde de Spinnekop met eene buiging, al begreep hij er niets van.
»Is mijn zoon geen krijgsman van de geduchte koningin der prairiën, is hij geen zoon van de dappere Comanchen?" hervatte de gewaande toovenaar.
»Ik ben inderdaad een krijgsman der Comanchen."
»Is mijn zoon misschien uitgegaan om te jagen?"
»Neen, ik ben op dit oogenblik op het oorlogspad."
»Ooah! denkt mijn zoon nu een grooten toovenaar te bedriegen, dat hij zulke woorden tegen mij durft spreken?"
»Mijne woorden zijn waar, mijn bloed vloeit helder als water in mijne aderen, geen leugen heeft mijne lippen bezoedeld, mijn hart blaast mijne borst niets dan waarheid in," antwoordde de Spinnekop, blijkbaar gramstorig, daar hij zich door het verwijt van den toovenaar, gekrenkt gevoelde.
»Goed, ik wil dat wel gelooven," zei deze, »maar sedert wanneer voeren de Comanchen hunne vrouwen mede op het oorlogspad?"
»De Comanchen zijn meester om te doen wat zij goed vinden; niemand heeft het recht hen tot verantwoording te roepen."
Nathan begreep dat hij op een verkeerden weg was en dat, wanneer hij het gesprek op dit terrein wilde voortzetten, hij den man dien hij zoo veel reden had te ontzien, tegen zich zou krijgen. Hij veranderde dus van taktiek.
»Minder dan iemand," zeide hij zachtzinnig, »matig ik mij het recht aan om van de daden der krijgslieden rekenschap te vorderen, ik ben een man van den vrede."
De Spinnekop glimlachte minachtend.
»Inderdaad," zeide hij op zekeren toon van gebelgdheid, »de groote geneesheeren daar mijn vader er een van is, zijn als de vrouwen, zij leven zeer lang; de Wacondah beschermt hen."
De gewaande toovenaar wachtte zich wel den bitteren spot, die in dit gezegde lag opgesloten, nader te doen uitkomen en hield zich alsof hij dien niet opmerkte.
»Gaat mijn zoon naar zijn dorp terug?" vroeg hij.
»Neen," hernam de andere, »integendeel, ik ga met mijne beroemdste krijgslieden naar het groote opperhoofd van mijn stam, die op eene onderneming uit is."
»Tot welken stam behoort mijn zoon dan?"
»Tot dien van den Eenhoorn."
Nathan ontroerde inwendig, ofschoon hij er niets van liet blijken.
»Ooah!" riep hij, »de Eenhoorn is een groot opperhoofd, zijn roem strekt zich uit over de gansche aarde. Waar is de krijgsman die zich met hem in de prairie zou durven meten?"
»Kent mijn vader hem?"
»Die eer heb ik niet, al heb ik er dikwijls naar verlangd; tot op dezen dag heb ik den vermaarden Sachem nog nooit kunnen ontmoeten."
»Laat u dat niet langer verdrieten; als mijn vader het verlangt, zal ik hem met den Eenhoorn in kennis brengen."