Part 21
Wij hebben hier bijzonder het oog op een dier van verbazende kracht, onbesuisden moed en grenzelooze kwaadaardigheid, dat door de geleerden ursus cinereus, en door de Noord-Amerikanen de grizzly bear wordt genoemd, maar in Europa meer onder den naam van wilde beer, of liever nog van grauwe beer bekend is.
De meeste reizigers geven van dit dier eene vervaarlijke beschrijving, onder anderen voorwendende dat het aan de domheid van den witten beer den moed der grootste verscheurende dieren paart.
Ofschoon zelf reiziger, ben ik hier genoopt nederig te bekennen, dat men de verhalen dezer heeren niet dan met zeker voorbehoud en groote voorzichtigheid moet aannemen, daar zij vaak onder hachelijke en voor onbenevelde waarneming ongunstige omstandigheden geplaatst, veelal slecht gezien en onder den indruk van het oogenblik, zonder het zelf te willen of te weten, zich aan verregaande overdrijving hebben schuldig gemaakt, welke overdrijving intusschen maar al te veel vertrouwen heeft gevonden en als een geloofsartikel werd aangenomen.
Ik heb hier geenszins het voornemen om den grauwen beer voor het oordeel mijner lezers in zijne eer te herstellen, maar vorder toch met alle bescheidenheid, dat men tegen hem niet onbillijker zij dan tegen de andere dieren, die uit de hand des almachtigen Scheppers zijn voortgekomen.
Alle overdrijving dus terzijde stellend en ons alleen tot de zuivere waarheid bepalende, zullen wij in weinige woorden opgeven wat er van den grauwen beer en zijne karaktertrekken te zeggen is.
Gedurende ons veeljarig verblijf in Amerika hebben wij dikwijls genoeg en van zeer nabij deze dieren gezien, om ons in deze zaak voor bevoegd te verklaren.
Men zal aan het, zoo al niet een beetje gevleid dan toch ten minste zeer juiste portret, dat ik van dit dier geef, moeten bekennen dat het van nature zoo in- als uitwendig reeds leelijk genoeg is en niet noodig heeft om door verdichting nog afschuwelijker en tot een afzichtelijk schrikbeeld gemaakt te worden.
De grauwe beer wanneer hij zijn vollen wasdom bereikt is ongeveer drie meters lang.
Zijne huid is wollig, zeer dik en geheel grijs behalve om de ooren waar hij bruin is.
Zijn uitzicht is verschrikkelijk, hij is het wildste en meest geduchte van alle verscheurende dieren in Amerika.
In weerwil van zijne lompe vormen en zwaarmoedig voorkomen is hij uiterst vlug, en daarom des te meer te vreezen omdat zijn ontembare moed zetelt in het besef van zijne verbazende kracht en steeds met woede gepaard gaat.
De grauwe beer valt op alle dieren aan, maar vooral op de groote grasetende, zooals de bison, het rund enz.
Wat inzonderheid tot de overdreven verhalen der reizigers aanleiding gaf, is dat de grauwe beer des winters niet slaapt maar gedurende dat jaargetijde de bosschen, waar alles voeten diep onder de sneeuw begraven ligt, verlaat en naar de vlakte afdaalt, waar hij nog wild weet te vinden om zich aan te verzadigen.
De Roodhuiden zijn zijne onverbiddelijke vijanden en vervolgen hem, om zijne lange, scherpe klauwen machtig te worden, daar zij halsketens uit vervaardigen, die bij hen op hoogen prijs staan.
Wat hier verder van wezen mag, maar met een van deze ontzaggelijke dieren stond Valentin thans van aangezicht tot aangezicht.
De ontmoeting was alleronaangenaamst en zoo ontijdig mogelijk.
Intusschen, nadat de eerste schrik begon te wijken, kozen de jagers kloekmoedig partij.
»Het is hier een strijd op leven en dood," zei Valentin laconiek; »gij weet dat de grauwe beer nimmer wijkt."
»Hoe zullen wij het dan overleggen?" vroeg don Miguel.
»Laten wij eerst zien wat hij doet," hernam de jager.
»Waarschijnlijk is dit een beer die verzadigd is, anders zou hij niet naar zijn nest terugkeeren, zooals gij weet gaan de beren maar zelden uit; hebben wij nu het geluk hier een beer te vinden die naar genoegen gedineerd heeft, dat zal voor ons des te beter zijn."
»Hoedat?"
»Wel om de eenvoudige reden," lachte Valentin, »dat even als alle dappere lui die op ongeregelde of onzekere uren eten, ook de beren, wanneer zij zich eenmaal aan tafel zetten gewoonlijk een goed maal doen tot verzadiging toe, hetwelk hen natuurlijk traag, vadzig en slaperig maakt, in een woord, de helft hunner gewone vermogens beneemt."
»Hm!" merkte don Miguel aan, »wat hun overblijft zal, dunkt mij, nog ruim voldoende zijn."
»Mij ook; maar stil! ik geloof dat hij partij gaat kiezen."
»Dat is te zeggen," riep don Pablo, »dat hij naar 't schijnt besloten heeft om ons aan te vallen."
»Dat wilde ik juist zeggen," antwoordde Valentin.
»In allen geval, wij moeten hem niet het eerst aan den slag laten komen," hervatte don Miguel.
»O! stel u gerust, ik ken de berenjacht; deze sinjeur is zeker niet verdacht op hetgeen ik voor hem gereed heb."
»Als gij maar zorgt, dat gij niet mis schiet, anders waren wij verloren, vriend!" merkte don Miguel aan.
»Pardi! dat weet ik zeer goed; ik zal er dus mijne maatregelen naar nemen."
Curumilla, bedaard als altijd, had een stuk kaarsenhout gesneden en was er mede in het kreupelbosch gekropen, op korten afstand van het roofdier.
De beer, na een poosje aarzelens, terwijl hij een vurigen maar donker loerenden blik in 't rond had geslagen, alsof hij de vijanden tellen wilde waarmede hij te doen zou krijgen, had voor de tweede maal gebromd en lekte zich den muil met een tong zoo rood als bloed.
»Komaan, ja," lachte Valentin, »lik uw baard af, kameraad; maar ik zeg u dat gij zooveel haast niet behoeft te maken, want gij hebt ons nog niet, maatje."
Alsof de beer deze uitdaging begreep, stelde hij zich in beweging en weldra kwam zijn monsterachtige kop geheel ongedekt te voorschijn, even boven den rand van het terras.
»Heb ik u niet gezegd dat hij te veel geschransd had," hernam de jager, »zie maar eens hoe veel moeite hij heeft om zich te bewegen! Kom dan, luiaard," vervolgde hij tegen het vreeselijke dier; »beweeg u nog een beetje!"
»Wees op uwe hoede," riep don Miguel.
»Hij zal op u afspringen!" riep don Pablo met schrik.
Werkelijk maakte de beer op eens een bliksemsnelle beweging en met een reusachtigen sprong stond hij midden op het rotsplat, tegen twintig passen van Valentin.
De stoute jager bleef pal staan, geen spier van zijn lichaam bewoog; alleen hield hij de tanden tot brekens toe gesloten en vertoonde zich een vlokje wit schuim aan de hoeken van zijn mond.
De beer gelijk wij reeds gezegd hebben stond geen twintig passen van den jager, die hem scheen te braveeren.
Het roofdier, door 's mans onverschrokkenheid verrast en in bedwang gehouden door den electrischen stroom, die als twee zonnestralen uit de oogen van den jager schoot, deed een stap achterwaarts.
Een oogenblik hield hij zich daar roerloos, met den kop naar omlaag; maar weldra begon hij met zijne geduchte klauwen den grond op te krabben, onder een zacht gehuil, als zocht hij zich tot den vreeselijken aanval op te hitsen.
Plotseling verzamelde hij zich op zijne achterpooten; Curumilla maakte zich dit oogenblik ten nutte om de kaarshouten fakkel te ontsteken, die hij met dit doel in gereedheid had gebracht, en op een teeken van Valentin liet hij de vlam den beer in de oogen schijnen.
Het plompe dier, door den schitterenden glans der fakkel verblind, die zoo onverwachts de omgevende duisternis verhelderde, richtte zich woest op de achterpooten en zich toen naar den Indiaan wendende, poogde het met de voorpooten de toorts te bereiken, waarschijnlijk om haar uit te dooven.
Valentin spande den haan van zijn geweer, zette zich vast op de beenen, legde aan en begon zacht te fluiten.
Nauwelijks had de beer het fluiten gehoord, of hij bleef eenige sekonden staan als om de reden te zoeken van dat ongewone geluid.
De jager floot intusschen voort; de toeschouwers van dit zonderling tooneel durfden nauwelijks ademen, zoo vol belangstelling als zij waren in den afloop van dit vervaarlijk tweegevecht tusschen slim overleg en brutale kracht.
Middelerwijl hielden zij de handen aan hunne geweren, gereed om hun vriend te hulp te komen, zoodra zij hem in nood zagen.
Valentin bleef kalm, floot zachtjens den beer, die telkens als tegen wil en dank den kop naar hem omwendde.
Met de brandende fakkel in de hand volgde Curumilla aandachtig al de bewegingen van het dier.
De beer stond eindelijk vlak over den jager, slechts weinige passen van hem af, zoodat Valentin den warmen stinkenden adem rook die telkens als hij bromde uit zijn geprangde borst kwam.
De man en het roofdier verstonden elkanders blik. Het bloederig oog van den beer was als geboeid aan dat van den Franschman, die hem onverschrokken aankeek en zacht doorfloot.
Er verliep eene minuut, een eeuw van gespannen verwachting.
De beer als om aan den vreemden kluister te ontsnappen, die hem meer en meer overmeesterde, schudde tot tweemaal den kop links en rechts, en sprong met vervaarlijk gehuil voorwaarts.
Op hetzelfde oogenblik knalde er een geweerschot.
Don Miguel en zijn zoon snelden toe.
Valentin stond met een onbezorgden lach op het gelaat en het geweer bij den voet rustig op de plaats, terwijl twee passen van hem af het gevreesde dier woest lag te brullen en onder hevige stuiptrekkingen met den dood worstelde.
Curumilla staarde in gebogen houding nieuwsgierig naar de bewegingen van het monsterdier, dat aan zijne voeten lag te reutelen.
»Goddank!" riep don Miguel in verrukking, »dat gij er ongedeerd zijt afgekomen, vriend!"
»Dacht gij dan dat ik eenig gevaar liep?" antwoordde de jager eenvoudig.
»Wat? of ik dat dacht!" riep de hacendero met gemengde verbazing en verwondering, »neen, ik heb gebeefd voor uw leven, vriend!"
»Dit was toch waarlijk niet noodig," riep de jager luchthartig, »de grauwe beren zijn oude kennissen van mij; vraag het maar eens aan Curumilla hoeveel wij er op die wijs hebben doen buitelen."
»Maar," beweerde don Pablo, »de grauwe beren zijn immers onkwetsbaar, de kogels kaatsen zich plat op hun schedel en glijden af op hun pels."
»Dat is ook zoo; alleen vergeet gij dat er één punt is waar men hen kan treffen."
»Dat weet ik, het oog; maar het is schier onmogelijk om dat met het eerste schot te treffen; daartoe behoort men, ik wil niet zeggen een moed en onversaagdheid te bezitten zonder voorbeeld, maar eene zeldzame vastheid van hand."
»Dank u," antwoordde Valentin glimlachend; »maar terwijl onze vijand thans dood is, verzoek ik u hem te bekijken en mij dan te vertellen waar ik hem geraakt heb."
De Mexicaan boog met drift; werkelijk was de beer dood. Zijn reusachtig lijk, dat Curumilla reeds begon de prachtige pels af te stroopen, besloeg omtrent tien voeten grond.
Het welgerichte schot van den jager was in het rechteroog ingegaan.
De beide mannen gaven hunne verwondering luidkeels te kennen.
»Ja," zei Valentin, die hunne gedachten wel raden kon, »het is een redelijk mooi schot; maar als ik u iets leeren mag heeft dit dier een groot gedeelte van zijn schrikkelijken roem te danken aan zijne kwade gewoonte, om steeds op den mensch aan te vallen, dien hij toch maar zelden overwint."
»Maar zie eens, vriend, wat groote en scherpe klauwen! zij zijn minstens zes duim lang."
»Dat is waar; ik herinner mij een armen Comanch dien een grauwe beer door een enkelen slag met zijn poot den schouder verbrijzelde. Maar vindt gij het niet een belangwekkende jacht? Ik moet u bekennen dat zij voor mij onweerstaanbaar aantrekkelijk is."
»Ik gun u de pret, vriend," zei don Miguel; »dat gij in zulke gevechten behagen schept, laat zich begrijpen: gij zijt door uwe levenswijs zoo gemeenzaam geworden met het gevaar, dat gij er niet langer aan kunt gelooven; maar voor ons stedelingen, moet ik u bekennen, dat dit monster allerverschrikkelijkst is."
»Wel! don Miguel, hoe kunt gij zoo spreken, daar ik u meermalen leven om leven met een tijger heb zien kampen?"
»Dat is wel mogelijk, vriend, en als de gelegenheid zich aanbood deed ik het misschien nog, maar een jaguar is geen grauwe beer."
»Nu, ik zal er met u niet langer over kibbelen," zei Valentin. »Terwijl Curumilla ons ontbijt gereed maakt, ga ik even op verkenning uit in de diepte der vallei. Help gij intusschen onzen kok een boutje van mijn wildvang braden, en ik ben zeker, als gij er eens van geproefd hebt, dat de smaak van dit gebraad uw gevoelen omtrent de grauwe berenjacht zal wijzigen."
Hiermede wierp Valentin onbezorgd zijn geweer over schouder dat hij al pratende weder geladen had, en stapte de struiken in, achter welke hij bijna onmiddellijk verdween.
Het wild, zoo als Valentin den grauwen beer had verkiezen te noemen, woog minstens vier honderd pond. Na het met zijne gewone Indiaansche handigheid te hebben gevild, had Curumilla het, met medehulp van de twee Mexicanen, aan een stevigen boomtak opgehangen, die onder de zwaarte er van boog; hij had eenige lapjes uit de lenden gesneden en er de lever uitgehaald, die voor geoefende jagers het lekkerste beetje is; daarna, terwijl don Pablo en don Miguel bezig waren het vuur aan te stoken en de lapjes op de kolen te leggen, was de Indiaan de grot ingegaan.
Don Pablo en diens vader, sinds lang aan de vrije manieren van den Araucaanschen Ulmen gewoon, hadden hierop geen aanmerking gemaakt en hielden zich ijverig bezig met de toebereidsels voor het ontbijt, te meer daar zij na de vermoeienissen van dien nacht en de lange ontberingen waaraan zij hadden blootgestaan, grooten eetlust gevoelden, die door den reuk der berenbiefstuk nog meer werd geprikkeld.
Intusschen was het maal sinds geruimen tijd klaar en nog keerde Valentin niet terug. De beide koks maakten zich hierover ongerust.
Curumilla kwam evenmin uit de grot terug, ofschoon hij er reeds meer dan een uur geleden was binnengegaan.
De Mexicanen keken elkander aan.
»Kan er ook iets met hen gebeurd zijn?" vroeg don Miguel.
»Wij moeten eens gaan zien," antwoordde don Pablo.
Beiden stonden op.
Don Pablo stapte naar de grot, terwijl don Miguel zich naar het uiteinde van het terras begaf.
Op hetzelfde oogenblik kwam Valentin aan de eene zijde te voorschijn terwijl Curumilla aan de andere verscheen.
Curumilla had twee jonge berenvellen in de hand.
»Wat beteekent dat?" vroeg don Pablo niet zonder verbazing.
De Ulmen glimlachte.
»De beer was een wijfje," zeide hij.
»Kunnen wij ontbijten?" riep Valentin.
»Als gij maar wilt, vriend," antwoordde don Miguel. »Wij wachten slechts op u."
»Ik ben lang uitgebleven, niet waar?"
»Meer dan een uur."
»Het was buiten mijne schuld. Verbeeldt u dat het daar beneden zoo donker is als de nacht. Het heeft mij de grootste moeite gekost om het lijk van onzen vriend terug te vinden, maar hij is nu Goddank begraven en buiten bereik van de tanden der wolven en andere ondieren in de prairie."
Don Miguel drukte hem hartelijk de hand terwijl twee tranen langs zijne wangen liepen.
»Valentin!" zeide hij met eene bewogen stem, »gij zijt beter dan wij allen; gij denkt om alles; geen omstandigheden, hoe ernstig ook, kunnen u doen vergeten wat gij als plicht beschouwt. Dank beste vriend, dank, dat gij het lijk van den armen generaal aan de aarde hebt wedergegeven. Gij maakt mij op dit oogenblik wezenlijk gelukkig."
»Goed, goed," riep Valentin het hoofd afwendende om de ontroering te verbergen die hem tegen wil en dank overmeesterde; »laten wij gaan eten zoo gij wilt. Ik heb grooten honger, de zon komt op en wij zijn nog altijd in dit ontzettende doolhof, waar wij zooveel gevaar hebben geloopen ons gebeente te laten."
De jagers zetten zich rondom het vuur en begonnen met lust aan het op hen wachtende maal.
Toen zij er mede gedaan hadden, hetgeen niet veel tijd vorderde, dank zij de vermaningen van Valentin die hen telkens aanspoorde om twee stukken op elkander te leggen, stonden zij op en maakten zich gereed om hun tocht voort te zetten.
»Laten wij wel op onze gangen letten, caballeros, en een wakend oog in het rond houden, want als ik mij niet bedrieg zullen wij binnen het uur een spoor ontdekken."
»Waarom zoudt gij dat denken?"
»Ik heb er geen bepaalde reden voor," antwoordde de Franschman glimlachend, »maar het is alsof een donker voorgevoel mij verzekert dat wij spoedig den man zullen ontmoeten dien wij reeds zoolang zoeken."
»Ik hoop dat gij waarheid spreekt, vriend!" zei don Miguel.
»Op marsch, op marsch!" riep Valentin, terstond oprukkende. Zijne kameraden volgden hem.
Op dit oogenblik verscheen de zon boven den gezichteinder, het bosch ontwaakte als op een tooverslag, en de vogels onder het bladerdak verscholen, begonnen uit volle keelen hun morgen-hymne om het gesternte des dags te begroeten.
XXIX.
HERKENNING.
Zooals wij reeds gezegd hebben, was Madame Guillois door haar zoon in het winterdorp der Comanchen geïnstalleerd, en de Indianen hadden haar met vreugd ontvangen als de moeder van hun aangenomen zoon; zij hadden de gemakkelijkste calli onmiddellijk voor haar ingeruimd en haar met alle blijken van teederheid en kieschheid verzorgd.
De Roodhuiden bezitten boven de blanken een onbetwistbare meerderheid in alles wat gastvrijheid betreft. Een gast is bij hen eene heilige zaak, dermate dat zij hun eene slaafsche dienstbaarheid betoonen door het inachtnemen van al zijne begeerten, zelfs zijne minste grillen.
Pater Seraphin, na den Roode-Ceder gewaarschuwd te hebben op zijne hoede te zijn, was naar Mme. Guillois teruggekeerd, ten einde haar des te beter te kunnen bewaken.
De eerwaarde missionaris was een oude kennis en vriend van de Comanchen, dien hij in vele gevallen goede diensten had bewezen en die hem niet vereerden als geestelijke, want daarvan begrepen zij te weinig, maar als een goed en edelaardig mensch die steeds geneigd en gereed was zich voor zijn naasten op te offeren.
Zoo verliepen er eenige weken, zonder dat er in het lot der oude vrouw eenige merkbare verandering kwam.
De Zonnestraal, die zich op eigen gezag als bediende van Madame Guillois had aangeworven, beijverde zich om haar die duizend kleine diensten te bewijzen, die in het innerlijk leven der vrouw zulk een groote plaats beslaan; zij hield haar met haar gebroken Indiaansch-Fransch-Spaansch gebabbel in eene opgeruimde stemming en zorgde voor haar als een liefhebbende dochter voor hare oude moeder, door haar op alle mogelijke wijze den tijd te korten, of liever, zooals de Spanjaarden het met eene eigenaardige uitdrukking noemen, »den tijd te verschalken" (enganar), dat in allen geval beter is dan het Fransche tuer le temps, want zoo het ons al eens gelukt den tijd te verschalken, eindigt de onverbiddelijke toch altoos met ons te dooden, in plaats van wij hem.
Zoolang pater Seraphin bij Mme. Guillois bleef verdroeg zij de afwezigheid van haar zoon tamelijk geduldig. De zachte en vaderlijke vermaningen van den missionaris deden haar deze wreede scheiding wel niet vergeten, want eene moeder vergeet zoo iets niet, maar in een gunstiger licht beschouwen.
Ongelukkig had vader Seraphin ernstiger plichten te vervullen, die hij niet langer mocht verzuimen; tot haar leedwezen moest hij den loop van zijn zwervend leven hervatten, en zijne roeping volgen zoo vol zelfverloochening en lijden, om het licht des Evangelies en den troost der Christelijke godsdienst aan de verste Indianenstammen te brengen.
Vader Seraphin was voor Mme. Guillois een belangrijke schakel in de keten die haar aan haar zoon verbond; met den zendeling kon zij gerust en vertrouwelijk over haar lieveling praten, daar hij de geheimste gedachten van haar hart kende en ook met een enkel woord hare bezwaren wist op te heffen of haar nieuwen moed in te boezemen. Toen hij echter vertrok, en zij voor het eerst sedert hare komst in Amerika zich weder alleen bevond, had zij om zoo te zeggen haar zoon voor de tweede maal verloren.
De scheiding was ook inderdaad hard, zij had al hare christelijke gelatenheid en hare lange gewoonheid aan het lijden noodig om den nieuwen slag die haar trof door te staan.
Het leven onder Indianen is zeer treurig en eentonig, vooral gedurende den winter, in het diepste der bosschen, in eene slecht gebouwde hut, aan alle zijden toegankelijk voor den wind, wanneer de boomen van hunne bladeren beroofd, met rijm en ijzel bedekt en de dorpen half onder de sneeuw begraven zijn; de hemel een ijzergrauwe kleur heeft en loodzwaar nederhangt, en gedurende de lange winternachten de stormwinden huilen en de regen soms dagen achtereen bij stroomen nedervalt.
Alleen, beroofd van een vriend aan wien zij haar volle hart uitstorten en hare bekommeringen kon toevertrouwen, verviel Mme. Guillois allengs in eene sombere zwaarmoedigheid, daar niemand haar aan ontrukken kon.
Eene vrouw op den leeftijd als de moeder van Valentin breekt niet ongestraft met al hare oude gebruiken, om eene reis te ondernemen als zij, in het hart der Amerikaansche wildernissen.
Hoe eenvoudig en sober ook de levenswijze van zekere klasse in de Europeesche maatschappij wezen mag, geniet zij toch betrekkelijk veel grooter gemakken dan die men in een Indiaansch dorp kan verwachten, waar zelfs de meeste voorwerpen van eerste noodzakelijkheid ontbreken en het leven zich binnen zijne eenvoudigste vormen terugtrekt.
Zoo zal bijv. de vrouw, die gewoon was des avonds te arbeiden in een gemakkelijken armstoel, in het hoekje van den haard, in een goed gesloten kamer en bij het licht eener lamp, zich wat zij ook doet in geen geval kunnen t'huis vinden in eene armzalige hut, waar zij op den vastgeklopten kleibodem moet zitten, neergehurkt bij een vuur welks rook haar de oogen verblindt, in een vertrek zonder venster, alleen verlicht door het onzekere schijnsel eener walmende houtfakkel.
Toen Mme. Guillois Havre verliet had zij slechts één doel, een verlangen, namelijk haar zoon; elke andere vraag moest daarbij achterstaan, en zij offerde met genoegen de rust op, die zij tot hiertoe genoot om den geliefden Valentin terug te vinden dien zij meende verloren te hebben en die haar gansche hart innam.
Intusschen, ondanks haar sterk gestel en mannelijk vast karakter, na eene lastige reis van drie maanden over zee en de niet minder vermoeiende van eenige weken door ongebaande bosschen en prairiën, altoos te paard te hebben volbracht, terwijl zij zich alleen met wildbraad voeden en onder den blooten hemel slapen moest, was hare gezondheid langzamerhand bedorven en namen hare krachten zoowel moreel als physiek af, zoodat zij het eindelijk moest gewonnen geven en erkennen dat zij niet in staat was om zulk een strijd langer vol te houden.
Zij vermagerde en verzwakte zichtbaar; hare wangen werden hol, hare oogen zonken in de oogholten, haar neus werd spitser, haar aangezicht was bleek en haar blik dof; kortom, alle verschijnselen gaven duidelijk te kennen dat deze vrouw, die tot dusver haar leed zoo dapper weerstand had geboden, snel verminderde en door eene kwaal ondermijnd werd, die haar sedert lang inwendig verteerde en eindelijk met geweld uitbrak.
Mme. Guillois stelde zich dan ook van haar toestand weinig goeds voor, zij berekende koelzinnig en met juistheid alle waarschijnlijke omstandigheden, volgde voet voor voet de verschijnselen van hare kwaal en toen de Zonnestraal met eenige bezorgdheid vroeg wat haar toch schortte en of zij ziek was, antwoordde zij met den bedaarden blik van een ter dood verwezen martelares die niets meer te hopen heeft, en een treurigen glimlach die meer zegt dan tranen:
»Het is niets, mijn kind, ik ga sterven."
Deze woorden werden op zulk een toon van weemoed en gelatenheid uitgesproken, dat de jonge Indiaansche de tranen in de oogen drongen.
Op zekeren morgen dat het dorp zich baadde in den schitterenden zonneschijn, bij een helderblauwen hemel en zoele lucht, zat Mme. Guillois voor hare calli, haar verkleumde leden koesterend in dezen laatsten herfstlach en volgde zij werktuigelijk en met slaperigen blik, de dorrende bladeren, die door eene lichte morgenkoelte voortgedreven, op den kalen grond voor de hut ronddwarrelden.
Niet ver van haar af speelde een troep kinderen die elkander naliepen en vervolgden met vroolijk gejuich en geschater.