Part 19
»Dat is mij ook gelukt; ik ben zonder ontdekt te worden tot dicht bij hunne kampementen doorgedrongen; zij houden er goed wacht, het zou eene dwaasheid zijn, te willen beproeven hun ongemerkt voorbij te komen, zij hebben rondom ons een grooten kring geformeerd, dien kring maken zij steeds nauwer, zoodat wij binnen drie dagen en misschien reeds vroeger volkomen ingesloten zullen zijn, en wij ons onmogelijk langer zullen kunnen verbergen, maar onfeilbaar in hunne handen moeten vallen."
»Demonios!" riep Fray Ambrosio, »dat vooruitzicht is alles behalve vroolijk, wij hebben van die duivelskinderen geen genade te wachten, die er integendeel hun genoegen in zullen vinden om ons op allerlei wijs te martelen. Hm! 't is om van te grijzen! ik krijg kippenvel als ik er aan denk dat ik in hunne handen zou moeten vallen; ik weet waar de Indianen in staat toe zijn als het hun om pijnigen te doen is, want ik heb hen in dat opzicht zoo vaak aan het werk gezien."
»Goed, dan zal ik op dit punt niet verder aandringen," zei de Squatter.
»Het zou ook geheel overbodig zijn. Gij zult beter doen met ons het plan mede te deelen, dat gij hebt uitgedacht om ons te redden."
»Met uw welnemen, dat heb ik u nooit verzekerd, ik heb u alleen gezegd dat het eenige kans had van te zullen slagen."
»Wij zullen niet woordenziften, daar staan onze zaken niet naar, geef ons liever uw voorstel."
»Gereedelijk."
De drie mannen luisterden met de meeste aandacht.
»Het is uitgemaakt," vervolgde de Roode-Ceder, »dat zoo wij bij elkander blijven en allen naar denzelfden kant zoeken te vluchten, wij onherroepelijk verloren zijn, namelijk als men onze voetsporen ontdekt, daar wel niet aan te twijfelen valt."
»Goed, goed," bromde de monnik, »ga maar voort, ik begrijp volstrekt nog niet waar gij heen wilt."
»Dat bezwaar heb ik rijpelijk overwogen en zie hier wat ik er op gevonden heb," vervolgde de Squatter ongestoord.
»Geef ons uwe vinding."
»Zij is doodeenvoudig deze: dat wij een dubbel spoor moeten maken."
»Hm! een dubbel spoor! dat wil zeker zeggen een valsch en een echt spoor? Dat plan is verkeerd."
»Waarom?" riep de Roode-Ceder met zijn gewonen glimlach.
»Omdat er altijd een punt zal zijn waar het valsche spoor met het echte samenloopt."
»Gij vergist u, compadre," viel de Squatter hem met drift in de rede, »de beide sporen zullen echt zijn, anders was het idee ongerijmd."
»Dan begrijp ik het niet meer, verklaar u nader."
»Met alle genoegen, als gij mij slechts een paar woorden tijd gunt. Een van ons allen moet zich voor de anderen opofferen, terwijl wij naar den eenen kant vluchten zoekt hij aan den anderen kant weg te komen, even als wij zijn spoor verbergende, om den vijand des te meer aan te lokken; zoodoende zal hij ons een doortocht openen door welken wij onopgemerkt kunnen passeeren. Begrijpt gij mij nu?"
»Caspita! of ik u begrijp? dat zou ik denken! uw plan is heerlijk," riep de monnik opgetogen.
»Het is alleen de vraag, zullen wij het uitvoeren?"
»Ja zonder verwijl."
»Zeer goed. Wie wil zich dan voor zijne kameraden opofferen."
Niemand gaf antwoord.
»Zoo!" hervatte de Roode-Ceder, »houdt gij nu allen uw mond? Kom Fray Ambrosio, gij zijt toch van den geestelijken stand, dat is een goed werk voor u."
»Dank u, compadre! ik heb nooit roeping gevoeld om martelaar te worden. Ik ben gansch niet eerzuchtig."
»Wij moeten er intusschen toch uit."
»Caramba! met alle genoegen, mits zoo min mogelijk ten koste van mijn huid of mijn haar."
De Roode-Ceder stond een poos in beraad. De avonturiers keken hem bezorgd aan en wachtten in stilte tot hij iets zou gevonden hebben om dit moeielijk vraagstuk op te lossen.
Eindelijk hief de Squatter het hoofd op.
»Hm!" mompelde hij, »alle bespreking ware hier nutteloos; gij zijt geen menschen vatbaar voor gevoel of redeneering."
Zij knikten toestemmend.
»Nu, wat wij dan doen zullen: wij zullen door het lot laten beslissen wie van ons zich zal opofferen; en hij dien het lot treft, zal zonder tegenspreken gehoorzamen. Vindt gij dat middel goed?"
»Daar wij het toch moeten uitmaken," zei Nathan, »dan maar hoe eer hoe liever; dit middel is zoo goed als een ander, ik heb er niets tegen."
»Ik ook niet," zei Sutter.
»Bah!" riep de monnik, »ik ben in het hazardspel altijd gelukkig geweest."
»Dus zijn wij het eens, en zweert gij nu dat hij, dien het lot treft, zonder aarzelen zal gehoorzamen en zijne taak nauwgezet zal uitvoeren?"
»Dat zweren wij!" riepen zij eenparig; »welaan, Roode-Ceder, maken wij het uit?"
»Ja; maar," hervatte de Roode-Ceder, »op welke wijs zullen wij het lot raadplegen?"
»Laat u dat niet verlegen maken, compadre," riep Fray Ambrosio met een lachend gezicht, »daar heb ik al voor gezorgd."
Onder deze woorden had de monnik reeds in de kap van zijn laars gegrabbeld en er een smerig spel kaarten uitgehaald.
»Ziedaar het orakel," vervolgde hij triomfant. »En dit schoone kind," riep hij naar Ellen wijzende, »zal de kaarten schudden, een van ons neemt af, dan deelt zij de kaarten onder ons, een voor een, en die dan de dos de espadas (schoppen twee) krijgt, maakt het dubbele spoor, vindt gij dat goed?"
»Zeer goed," antwoordden zij.
Ellen nam de kaarten van den monnik over en schudde ze een poos door.
Een zarape werd op den grond gespreid dicht bij het vuur, om in het schijnsel der vlam de kleur der kaarten te kunnen onderscheiden.
»Neem af," zeide zij, het spel op de zarape leggende.
Fray Ambrosio stak zijne hand uit; maar de Roode-Ceder hield lachend zijn arm terug.
»Wacht even," zeide hij, »de kaarten zijn van u, compadre, en ik ken uw spelerstalent; laat mij afnemen."
»Zoo als gij wilt!" antwoordde de monnik, blijkbaar teleurgesteld.
De Squatter nam af, Ellen begon met ieder een kaart te geven.
Het was inderdaad een zonderling tooneel dat hier plaats had.
Bij donkeren nacht, in de diepte der eenzame bergvallei, terwijl de wind boven hunne hoofden huilde, stonden vier mannen in gebogen houding, met gespannen nieuwsgierigheid het bleeke en tengere meisje aanstarende, dat in den flikkerenden gloed van het vlammende vuur een werk verrichtte van cabalistischen aard, daar ik geen naam voor weet; treffend was de uitdrukking op het gelaat der vier mannen, die in dezen oogenblik hun leven verspeelden op de kans van eene kaart; voorwaar, zoo een vreemdeling, zonder zelf gezien te worden, dit ongewone schouwspel had bijgewoond, zou hij gedacht hebben in een betooverenden droom te verkeeren.
Met gefronste wenkbrauwen, verbleekt aangezicht, hijgende borst en koortsachtige blikken, volgden zij iedere kaart die nederviel, terwijl zij zich nu en dan het zweet afwischten dat op hun voorhoofd parelde.
Intusschen vielen de kaarten steeds voort en de beslissende dos de espadas was er nog niet; Ellen had niet meer dan zes kaarten in hare hand over.
»Oef!" hijgde de monnik, »wat duurt dat lang!"
»Ba!" antwoordde de Roode-Ceder grinnikend, »wacht maar, misschien zult gij het kort genoeg vinden."
»Ik ben het," zei Nathan met eene beklemde stem.
Werkelijk was de schoppen twee juist voor hem gevallen. Allen haalden thans ruimer adem.
»Ei!" riep de monnik, den jongen Squatter op den schouder kloppende, »ik feliciteer u, Nathan, gij krijgt een schoone taak, mijn vriend."
»Wilt gij ze van mij overnemen?" grinnikte de andere.
»Ik wil u de eer niet ontnemen van ons te redden," zei Fray Ambrosio met zekeren bluf.
Nathan keek hem medelijdend aan, haalde de schouders op en keerde hem den rug toe.
De monnik raapte het spel kaarten bijeen en stak het met blijkbaar genoegen weder in zijne laars.
»Hm!" mompelde hij, »ze kunnen mij meer te pas komen, men kan niet weten in welke omstandigheden men zich somtijds geplaatst ziet."
Na deze philosophische opmerking, ging de monnik weder bij het vuur zitten, wel in zijn schik met de zekerheid dat hij zich niet voor zijne vrienden zou behoeven op te offeren.
Intusschen had de Roode-Ceder, die de volvoering van zijn plan niet uit het oog verloor, eenige stukken van het damhert op de heete kolen gelegd, om zijnen kameraden de noodige krachten te hergeven voor de zware vermoeienis die zij weldra zouden moeten verduren.
Gelijk gewoonlijk onder dergelijke omstandigheden liep de maaltijd stil af; ieder in zijn eigen gedachten verdiept, at snel zonder een gesprek te beginnen of aan den gang te houden.
Het was ongeveer vijf uren in den morgen, de hemel begon reeds te verbleeken en die grijze tint aan te nemen die het morgenrood voorafgaat.
De Roode-Ceder stond op, allen volgden zijn voorbeeld.
»Komaan, jongen," zeide hij tot Nathan, »zijt gij gereed? het is nu tijd."
»Ik vertrek zoodra gij het goedvindt, vader," zei de jongman resoluut. »Ik wacht alleen uwe laatste aanwijzingen, om te weten welke richting ik kiezen moet en waar ik u vinden kan, als ik soms, wat niet waarschijnlijk is, zoo gelukkig was er heelhuids af te komen."
»Mijne aanwijzingen zullen kort zijn. Gij neemt uw koers naar het noord-oosten, dat is de naaste weg om uit de bergen te geraken. Zoo gij den weg van Independencia kunt bereiken zijt gij gered, van daar zal het gemakkelijk zijn om in weinig tijds naar de grot van onze oude kameraden te komen waar gij u verschuilen en op ons wachten moet. Ik beveel u vooral aan om uw spoor zoo mogelijk te verbergen; wij hebben met de listigste en meest ervaren jagers in de prairie te doen: een duidelijk spoor zou terstond hun argwaan opwekken en dan slaat ons plan zeker feil. Gij hebt mij goed begrepen, niet waar?"
»Zeer goed."
»Verder laat ik het aan uw eigen beleid over; gij zijt met het leven der woestijn te wel bekend om u gemakkelijk te laten vangen; gij hebt een goede buks, kruit en kogels; ga, mijn jongen, goed geluk! Bovenal, onthoud dat gij onze vijanden achter u moet zien te lokken."
»Wees maar gerust," antwoordde Nathan half binnensmonds. »we zijn zoo dom niet."
»Dat weet ik, neem een stuk van het hert meê, en vaarwel!"
»Vaarwel, en laat de drommel u halen als gij niet op mijne zuster past: ik geef niets om uw oude karkassen, als het meisje maar geen gevaar loopt."
»Goed, goed," riep de Squatter; »wij zullen doen wat noodig is om voor uwe zuster te zorgen, wees voor haar niet bang, jongen; kom, ruk uit!"
Nathan omhelsde Ellen, zij drukte hem teeder de hand en pinkte een paar tranen weg.
»Schrei niet, Ellen," zeide hij brusk; »het leven van een mensch is niets, alles wel ingezien; treur dus om mij niet, het zal mij niet anders gaan dan de duivel wil."
Na deze woorden gezegd te hebben op een toon dien hij te vergeefs luchtig poogde te maken, wierp de wilde knaap zijn geweer over de schouders, nam een stuk van het hert mede, hing het aan zijn gordel en verwijderde zich met haastigen tred zonder een enkele maal om te zien.
Vijf minuten later was hij reeds in de struiken verdwenen.
»Arme broeder!" murmelde Ellen, »hij gaat zeker naar zijn dood."
»Bij God!" riep de Squatter, »wij gaan allen naar den dood, iederen stap dien wij doen komen wij hem onbewust nader, zelfs zonder dat wij er om denken; waarom zouden wij ons hart week maken over het lot dat ons wacht? Weten wij iets van hetgeen wij te wachten hebben? Denken wij aan ons zelven, kinderen: ook wij wandelen niet op rozen, dat zeg ik u vooraf opdat gij het weet; wij zullen al ons beleid en schranderheid noodig hebben om er goed af te komen, want op een mirakel durf ik niet rekenen."
»Dat is ook veel voorzichtiger," antwoordde Fray Ambrosio spotachtig, »overigens staat ergens geschreven, waar weet ik niet recht: help u zelven en de hemel zal u helpen."
»Ja," meesmuilde de Squatter, »en inderdaad was er nooit schooner gelegenheid om deze spreuk in praktijk te brengen dan thans, wat dunkt u?"
»Dat geloof ik ook, en daarom hoop en verwacht ik dat gij ons zeggen zult wat wij te doen hebben."
Zonder den monnik antwoord te geven, wendde de Roode-Ceder zich tot zijne dochter.
»Ellen, mijn kind," vroeg hij haar minzaam, »gevoelt gij u sterk genoeg om ons te volgen?"
»Maak u daar niet ongerust over, vader; overal waar gij doorkomt kan ik ook door. Gij weet dat ik van mijne kindsheid af gewoon ben door de wildernis te zwerven."
»Dat is zoo," hervatte de Roode-Ceder weifelend, »maar op de wijze die wij thans genoodzaakt zijn te reizen, zult gij zeker nog nooit gereisd hebben."
»Wat meent gij daarmede, men reist immers niet anders dan te voet, of te paard, of in een boot, zoo zijn wij zeker wel honderd maal van de eene plaats naar de andere gegaan."
»Daar hebt gij gelijk in; maar nu dringen ons de omstandigheden onze reis op een andere manier te doen. Wij hebben geene paarden, geen rivier of boot, en onze vijanden zijn meester van den grond."
»Zoo!" grinnikte de monnik, »dan zullen wij doen als de vogels en door de lucht vliegen?"
De Roode-Ceder keek hem ernstig aan.
»Dat hebt gij wellicht beter geraden dan gij denkt," zeide hij.
»Wat!" riep de monnik, »steekt gij den draak met ons, Roode-Ceder, of vindt gij dit oogenblik zoo geschikt om te gekscheren?"
»Ik ben niets minder gezind dan om te gekscheren, dat is mijn aard niet," antwoordde de Squatter doodbedaard, »en nu minder dan ooit. Dat wij niet zullen vliegen als de vogels, is alleen omdat wij geen vleugels hebben; maar behalve dat zullen wij toch onzen weg door de lucht moeten nemen; ik zal u zeggen hoe. Zie maar eens rechts en links om u heen, naar de zijden van den berg, daar strekken zich onmetelijke ongerepte wouden uit; daaronder zitten onze vijanden verscholen, en van daar naderen zij ons met den neus langs den grond, en zoeken naar het minste spoor dat wij er zouden nalaten als wij er doorgingen."
»Welnu," riep de monnik.
»Welnu, terwijl ze daar druk bezig zijn met ons spoor op den grond te zoeken, zullen wij hun door de vingers glippen als een adder, door van boom tot boom en van tak tot tak te marcheeren twintig ellen boven hunne hoofden, zonder dat zij er aan denken om eventjes op te kijken, hetgeen hun buitendien niet veel zou baten, daar de boomkruinen zoo dicht gebladerd en zoo door lianen aan elkander geweven zijn dat zij ons nooit zullen kunnen ontdekken. Om kort te gaan, deze kans op behoud, hoe zeker of onzeker zij ook wezen moge, is de eenigste die ons overblijft. Vraagt nu aan u zelven of gij moed genoeg hebt om er de proef van te nemen."
Er volgde een poos stilte. Eindelijk greep de monnik den Squatter bij de hand en drukte die met kracht.
»Canarios! compadre," zeide hij met een soort van eerbied, »gij zijt een groot man, vergeef mij dat ik aan u getwijfeld heb."
»Gij neemt het dus aan mijn plan?"
»Caspita! of ik het aanneem? Met geestdrift, en ik zweer u dat geen eekhoorn ooit beter gesprongen zal hebben dan ik hoop te doen."
XXVI.
HOE NATHAN ZICH KWEET.
Nauwelijks was Nathan zijnen kameraden uit het gezicht, of hij bleef staan.
Hij was noch zoo onverschillig noch zoo gerust als hij zich wel had willen voordoen.
Zoodra hij zich dus alleen bevond, ver van de blikken die hem zouden kunnen bespotten, liet hij zijn kwade luim den vrijen loop en verwenschte het lot, dat hem zulk eene zorgelijke en gevaarvolle taak had opgedragen.
Nathan, wij meenen dit reeds elders gezegd te hebben, was een reus in gestalte, een soort van Hercules, begaafd met buitengewone kracht en wildemansdrift. Sedert zijne eerste kindsheid gewoon om in de woestijn te leven en bloedige tooneelen van jacht en oorlog bij te wonen, was hij de man niet om zich zoo licht te laten ontmoedigen of wanhopig te worden; even hardvochtig jegens zich zelven als omtrent anderen, nam hij gereedelijk de gevolgen van zijn toestand zooals zij waren voor zijne rekening, en besloot dus ook dezen keer, daar het toch niet anders wezen kon, het uiterste te wagen om zijn haar te behouden en te kampen tot den laatsten snik.
Op dit oogenblik echter was het niet zoozeer zijne positie die hem ongerust maakte. Honderden malen bij zijne omzwervingen door de prairie, had hij zich in even groot gevaar bevonden, maar tot dusver, als hij zijn leven moest wagen, had hij dat altijd gedaan met een bepaald doel, hem volkomen bekend, in het vooruitzicht, hetzij ver of nabij, van een of ander voordeel; en voor ditmaal zou hij een wil gehoorzamen die de zijne niet was, daar hij het doel niet van begreep en die ten voordeele strekte van anderen.
Hij verwenschte zijn vader, Fray Ambrosio en zich zelven, dat hij zich in zulk een wespennest had gestoken, daar hij geen kans zag om er goed uit te komen.
Om de waarschuwing van zijn vader bekreunde hij zich weinig; zelfs diens laatste aanbeveling werd door hem niet in acht genomen. Nathan had volstrekt geen lust om zijn spoor te laten ontdekken, hij bedacht al wat mogelijk was om het voor den scherpzinnigsten en meestgeoefenden blik te verbergen en deed geen voetstap eer hij zich verzekerd had dat de vorige volkomen verdwenen was.
Na rijpe overweging had hij zijne gedachten aldus samengetrokken:
»Wat duivel, wat geef ik om hen? ieder voor zich! Als ik mijn haar verlies, zullen zij het mij niet teruggeven. Ik zal mij dus zoo goed mogelijk verdedigen; zij moeten zelf maar zien hoe zij het maken; wat mij betreft, ik zal mij uit den brand zoeken te redden zooveel ik kan."
Bij deze korte alleenspraak, met luider stem, zooals alle lieden die gewoon zijn alleen te leven, voegde Nathan de nauwelijks merkbare schouderbeweging die in alle talen beteekent: »Laat er van komen wat wil!" En na met zorg zijn geweer te hebben bekeken om te zien of alles in orde was trok hij weder op weg.
De Europeanen, gewoon aan de beperkte gezichteinders der oude wereld, aan bestrate of gemacadamiseerde wegen vol lachende landhuizen en drukke passage, kunnen zich moeielijk zelfs in de verte een juist denkbeeld maken van den toestand des eenzamen reizigers in dien oceaan van groen, in de wildernissen van het Verre-Westen, waar men bij iederen voetstap door den loerenden blik van onzichtbare vijanden bespied of door verscheurende dieren vervolgd kan worden.
Een man, hoe moedig hij ook wezen mag en hoe gewoon aan het avontuurlijke leven der woestijn, vreest onwillekeurig en gevoelt zijne zwakheid, wanneer hij den blik om zich heen slaat en zijne kleinheid ziet tegenover de onmetelijke wildernis die hem omringt.
Als men in de prairie naar het noorden wil, moet men eerst zuidwaarts trekken, wel toeziende het gras niet te pletteren waar men op loopt, of de takken niet te breken die den doortocht versperren en vooral het zand en de keien niet te doen kraken onder zijne voeten.
Ieder geluid in de woestijn wordt door de Roodhuiden onderscheiden en verklaard; de Indiaan behoeft slechts een paar sekonden te luisteren en zal u dadelijk zeggen of het dier, dat hij in de verte hoort springen, een paard, een beer, een bison, een eland of een antilope is.
Een steen, die van de berghelling in de diepte rolt, is voldoende om hem een zwervenden landlooper aan te kondigen.
Kleine plasjes water of hier en daar weggespatte droppels aan den oever van een veer, bewijzen hem dat er één of meer reizigers over de rivier zijn gegaan.
Aan eene ongewone beweging in de golvende grashalmen der prairie, bemerkt hij den spion die hem bespiedt.
In een woord, van den vertrapten grasspriet tot den loggen bison die onder het grazen eensklaps de ooren spitst, of de asshata die zonder blijkbare oorzaak opspringt, alles in de woestijn dient den Indiaan als een boek waarin hij leest of hem een vriend of vijand is voorafgegaan, en hij volgt hun spoor al waren zij hem honderd mijlen vooruit.
In deze oorden, waar het stoffelijke leven bijna alles is, bereiken de zintuigen bij den mensch een verbazenden trap van volkomenheid, het gezicht en gehoor vooral zijn bij hem in hooge mate ontwikkeld, en hiermede paren zich eene vlugheid, ontembare moed en weergalooze kracht van zenuwen en spieren, die hem op het oorlogspad bijzonder geducht maakt en te stade komt.
Behalve de bovengenoemde eigenschappen, zijn list en verraad de twee groote hulpmiddelen waarmede de Indiaan zijn vijand weet te verschalken, dien hij zelden in open kamp maar liefst bij verrassing zal aanvallen.
De noodzakelijkheid is voor den wilden Roodhuid de hoogste wet; gelijk alle onbeschaafde of onzedelijk ontwikkelde naturen waardeert hij alleen physieke kracht en maakt weinig of geen werk van maatschappelijke deugden, die hij ook niet noodig heeft en die hem in zijn wilden levensstaat veeleer schade dan voordeel zouden aanbrengen.
Nathan zelf was bijna een Roodhuid, slechts bij lange tusschenpoozen had hij zich nu en dan een enkelen dag in de steden der Unie opgehouden. Hij kende dus niets van het leven, dan hetgeen hij in de wildernis had geleerd; zulk eene opvoeding heeft soms hare waarde, wanneer zij gepaard gaat met aangeboren goedheid en rechtschapenheid en zuiver zedelijke begrippen, waardoor de mensch in staat is zijne zinnen te beheerschen en onder zijne gewaarwordingen het edele en goede boven het onedele en slechte te kiezen.
Ongelukkig had Nathan geen anderen zedemeester gehad dan zijn vader en zich reeds vroeg gewend om de zaken uit hetzelfde oogpunt te bezien als de Squatter, zoodat het bijna niet erger kon; en bij het toenemen in jaren hadden de ontvangen lessen bij hem zoo rijkelijk vruchten gedragen, dat hij voor de type kon doorgaan van een beschaafd man die in den wilden natuurstaat was teruggezonken: de ergste soort van verbastering die zich denken laat. Nathan bezat geen liefde, geen geloof, geen eerbied; slechts één wezen op de wereld had op hem zekeren invloed, namelijk zijne zuster Ellen, en die was op dit oogenblik niet bij hem.
De jongman wandelde vrij lang voort, zonder iets te bemerken dat bij hem eenig vermoeden van naderend gevaar kon verwekken.
Intusschen deed deze gewaande veiligheid hem zijne voorzorgen niet veronachtzamen, integendeel; steeds voortgaande met geveld geweer, het lijf gebukt en het oor gespitst op het minste gerucht, terwijl zijn jakhalzenblik al de struiken en boschjes bespiedde, raakte hij meer en meer in gedachten verdiept, die hoe verder hij ging des te somberder werden.
De reden hiervan was duidelijk: hij wist dat hij door onverzoenlijke vijanden omgeven, door talrijke en sluwe spionnen bespied werd, en toch, geen ritselend blad of krakende grashalm vertoonde zich in de prairie. Alles scheen in den normalen toestand; het was hem niet mogelijk om de minste verdachte beweging in het gras of in de struiken op te merken.
De stilte was al te diep om natuurlijk te zijn. Nathan liet zich dus door deze gekunstelde rust niet in slaap wiegen.
»Hm!" mompelde hij in zich zelven, »wij zullen hier spoedig aan den slag komen, daar is niet aan te twijfelen; de duivel hale die verwenschte Roodhuiden! zouden zij dan nooit teekenen van leven geven? Ik marcheer hier in den blinde zonder te weten waarheen, ik ben zeker dat ik ergens in een strik zal vallen dien dat vee mij gespannen heeft en daar ik mij onmogelijk uit zal kunnen ontwarren."
Nathan vervolgde zijn marsch tot omtrent tien ure des morgens.
Op dit oogenblik, terwijl hij honger kreeg en zijne beenen moede werden, besloot hij om het kostte wat het wilde een poosje halt te houden, een stuk te eten en een weinig rust te nemen.
Werktuigelijk keek hij rond om voor zijn bivak een gemakkelijke plek te zoeken.
Plotseling maakte hij eenen schrikachtigen zijsprong en verborg zich haastig achter een grooten lorkenboom.
Nauwelijks vijftig passen van de plaats, waar hij zich bevond, had hij een Indiaan in achtelooze houding op den grond zien liggen, bezig met op zijn gemak een weinig pemmican (gedroogd en tot poeder gestampt vleesch) te gebruiken.
Nadat zijne eerste verrassing voorbij was, sloeg Nathan den Indiaan opmerkzaam gade.
Het was een man van ongeveer dertig jaren; hij droeg niet de gewone kleeding der krijgslieden; maar de twee groote uilenveêren die boven zijn rechter oor in zijn dikken haarbos prijkten, deden hem als een Doorboorde-Neus-Indiaan kennen.
Nathan beschouwde hem vrij lang, zonder te weten welke partij hij kiezen moest; eindelijk nam hij zijn geweer op schouder, kwam uit zijne hinderlaag en stapte naar den Indiaan.