Part 17
»Sta op!" bromde Valentin zacht tegen elk zijner kameraden terwijl hij hen beurtelings op den schouder klopte.
»Gaan wij reeds vertrekken?" vroeg generaal Ibanez met een half gesmoorden geeuw, terwijl hij opvloog als een los gelaten springveer.
»Ja," was al wat de jager antwoordde.
Weldra waren allen gereed om te vertrekken.
»Op marsch!" hervatte Valentin, »maken wij ons de duisternis ten nutte; onze vijanden waken zonder twijfel in het ronde."
»Wij wachten op uwe orders," antwoordde don Miguel.
Met een wenk had de jager zijne vrienden om zich verzameld.
»Hoort mij aandachtig," zeide hij, »want eer wij de stoute onderneming wagen die ik mij heb voorgesteld, wil ik uw volkomen toestemming hebben. Onze positie is wanhopig, langer hier blijven is sterven, sterven van koude, van honger, van dorst, van gebrek en ellende, na ik weet niet hoe vele dagen van ondragelijk lijden, gij zijt allen hiervan overtuigd, niet waar?"
»Ja!" antwoordden zij uit éénen mond.
»Goed," hervatte hij; »nog langer te zoeken naar den weg dien wij verloren hebben, zou eene dwaasheid zijn die geen kans op welslagen hebben kan, is het zoo niet?"
»Ja," riepen zij andermaal.
De jager vervolgde.
»Welnu, het is eene poging, misschien even dwaas, die ik thans beproeven wil, en zoo die poging niet mocht slagen zullen wij ook omkomen, maar dan zullen wij ten minste onze laatste poging gedaan hebben en sterven zonder te lijden, ja bijna zonder doodstrijd; zoo wij echter als door een wonder mochten slagen, want het is schier een wonderwerk dat ik van Gods onuitputtelijke goedheid verwacht, dan zijn wij gered. Denkt hierover na eer gij mij antwoordt. Zegt mij, mijne vrienden, zijt gij vastelijk besloten mij te volgen en te gehoorzamen in alles wat ik u bevelen zal, zonder aarzelen en zonder morren: kortom, zijt gij bereid om voor eenige uren van uw eigen wil geheel afstand te doen om u alleen naar den mijnen te gedragen? Antwoordt mij!"
De jagers wisselden een blik.
»Beveel mij, vriend," sprak de hacendero het woord doende voor al zijne kameraden; »wij zweren dat wij u zullen volgen en gehoorzamen wat er ook van komt."
Er volgde een oogenblik stilte, die eindelijk door Valentin verbroken werd.
»Het is goed," zeide hij, »ik heb uwe belofte; het is mijne beurt om de mijne te volbrengen."
En met een gebaar vol stille majesteit, ontblootte de woudlooper het hoofd, sloeg de oogen ten hemel en sprak met een vaste stem: »Heere God, ons leven is in uwe handen, wij verlaten ons op uwe rechtvaardigheid en genade." Zich toen tot zijne kameraden richtende, zeide hij:
»Gaan wij!"
Zij maakten zich gereed hun kamp te verlaten. Valentin stelde zich aan het hoofd der kleine schaar.
»En nu," vervolgde hij kortaf, »beveel ik u de diepste stilte!"
De jagers begonnen den marsch met den Indiaanschen pas, waarbij de Franschman vooraan ging terwijl Curumilla volgde.
Door de nachtelijke duisternis was het geene gemakkelijke taak om vasten koers te houden in dezen verwarden chaos van rotsen, die hier en daar de besneeuwde toppen boven onpeilbare afgronden opstaken, op wier bodem men op onzekere diepte de onzichtbare waterstroomen hoorde murmelen.
Een enkele mistred zou doodelijk geweest zijn.
Intusschen stapte Valentin voort met de gewisheid van iemand die in den heldersten zonneschijn en langs het effenste pad in de prairie wandelde, nu rechts dan links omslaande, terwijl hij zich van tijd tot tijd langs bijna loodrechte steilten liet afglijden, zonder immer te aarzelen of naar zijne kameraden om te zien, die hij alleen nu en dan met een zachte stem dit enkele woord toeriep:
»Houdt moed!"
Inderdaad hadden deze vijf mannen een hart van koper en staal noodig om geen blijken van vrees of zwakheid te geven gedurende dezen ruwen tocht door eene streek zoo hoog en onherbergzaam, dat zelfs de arend er zich slechts zelden vertoont.
Zoo marcheerden zij bijna twee uren, zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd.
Na eene vrij lange afdaling die hen wel twintigmaal in gevaar bracht van de steile helling neder te storten, gaf Valentin zijne metgezellen een teeken om stil te houden.
Zij wierpen een nieuwsgierigen blik in het rond en zagen nu dat zij, om zoo te zeggen, hun evenwicht hadden terug gevonden op een klein bergterras van omtrent tien ellen in 't vierkant.
Rondom dit terras was alles donker.
Het grensde aan een afgrond van onpeilbare diepte.
De rots, als met het zwaard van Roeland in tweeën gehouwen, gaapte met een kloof van ongeveer twaalf à vijftien ellen breedte.
»Hier moeten wij over," zei Valentin; »ik geef u tien minuten om adem te scheppen en u gereed te maken."
»Hoedat, hier?" vroeg don Miguel verwonderd, »maar ik vind niets dan een steilen afgrond aan alle kanten."
»Welnu," antwoordde de jager, »dien zullen wij overspannen."
De hacendero schudde moedeloos het hoofd.
Valentin glimlachte.
»Weet gij wel waar wij hier zijn?" zeide hij.
»Neen," antwoordden de anderen.
»Dan zal ik het u zeggen," hervatte hij: »deze plaats heeft onder de Roodhuiden en jagers eene treurige vermaardheid; misschien zult gij zelf haar wel eens hebben hooren noemen, zonder ooit te vermoeden dat gij er eens zoo dicht bij zoudt komen; men noemt haar el mal Paso, of de kwade Pas, wegens de verbazende kloof die hier op eens den berg doorsnijdt en de gemeenschap met den anderen oever bot afbreekt."
»Welnu!" riep don Miguel.
»Welnu," herhaalde Valentin, »eenige uren geleden, toen wij daar boven op die plek waren en ik met de oogen de twee reizigers volgde die wij op den weg naar Santa-Fé zagen rijden, viel mijn blik toevallig op de mal Paso, en begreep ik dat ons nog ééne kans op behoud overbleef, namelijk zoo het ons gelukken mocht de mal Paso over te komen."
»Derhalve," vroeg don Miguel huiverend, »hebt gij besloten om een dolle proefneming te wagen?"
»Dat heb ik."
»Maar dat is God verzoeken!"
»Neen, dat is Hem om zijn wonderbaren bijstand te smeeken, anders niet. Geloof mij, vriend. God verlaat niet die vol vertrouwen zich onvoorwaardelijk op Hem verlaten, Hij zal ons helpen."
»Maar...." riep de hacendero.
Valentin viel hem met drift in de rede.
»Geen woord," zeide hij; »gij hebt gezworen mij te zullen gehoorzamen, ik heb gezworen u te redden; houdt gij uw eed gelijk ik den mijnen."
Zijne kameraden, tegen wil en dank door Valentin tot zwijgen gebracht, bogen het hoofd en antwoordden niet.
»Mijne broeders," hervatte de jager, »bidden wij God, opdat Hij er ons doorhelpe."
En zelf het voorbeeld gevende knielde hij op de rots neder; zijne kameraden deden hetzelfde.
Het was een grootsch en treffend gezicht, die vijf mannen daar vromelijk geknield te zien, op het kleine terras in den schemerenden nacht, te midden eener woeste natuur, boven een peilloozen afgrond die aan hunne voeten bulderde, terwijl hunne oogen ten hemel gericht, bijstand smeekten van Hem die alleen hen kon redden in den bangen strijd dien zij gingen ondernemen.
Een oogenblik later stond Valentin op.
»Hoopt!" zeide hij.
De jager trad naar den uitersten rand van het terras, bukte over den afgrond, de oogen met gespannen opmerkzaamheid voor zich uit richtende.
Zijne kameraden volgden al zijne bewegingen zonder er iets van te begrijpen.
Na eenige minuten onbeweeglijk te hebben gestaan kwam de jager bij zijne vrienden terug.
»Alles gaat goed," zeide hij.
Nu maakte hij de lasso los die aan zijn gordel hing en begon haar bedaard om zijne rechterhand te rollen.
Curumilla glimlachte; de Indiaan begreep terstond wat de Franschman van zins was; zonder een woord te zeggen, volgens gewoonte, maakte ook hij zijne lasso los en deed hetzelfde als Valentin.
»Goed!" zeide deze met een goedkeurenden wenk, »wij doen samen, hoofdman."
De beide woudloopers zetten het rechterbeen vooruit, strekten het lijf achterwaarts om een vasten stand te bekomen, en begonnen de lasso boven hunne hoofden te zwaaien.
Op een afgesproken teeken, vlogen de lasso's hun van de handen floten door de lucht.
Valentin en Curumilla hadden het andere eind van het koord in hunne linkerhand gehouden; zij trokken het beiden terug: de lasso's hielden vast en spanden zich: ondanks al hun trekken en rukken konden zij ze niet meer tot zich halen.
Valentin slaakte een kreet van blijdschap, zijn plan was hem gelukt.
Hij vereenigde de beide lasso's, sloeg ze om een rotspunt, en bond ze stevig vast.
Zich toen tot zijne kameraden wendende, zeide hij:
»Ziedaar een brug."
»Ach!" riepen de Mexicanen, »nu zijn wij gered."
Deze mannen met hunne verstaalde harten, die geen gevaar vreesden en geen hindernis te groot achtten, konden strikt genomen zoo spreken, al was ook de brug allergevaarlijkst.
Valentin en Curumilla hadden hunne lasso's over een rotspunt geworpen aan de overzijde der kloof; de loopende knoop aan het uiteinde had doel getroffen en had zich gesloten: op deze wijs was het middel van gemeenschap gevestigd; maar deze gemeenschap of deze brug, zooals Valentin het noemde, bestond uit niets meer dan twee van leder gevlochten koorden, van een duim dikte, hier gespannen over een afgrond van onbekende diepte en minstens vijftien ellen breed, die men met de vuist om het koord geklemd, al palmende moest oversteken.
Voorzeker, om op deze vreemdsoortige brug zich te vertrouwen was een waagstuk dat stof tot nadenken gaf, eene zaak van overweging zelfs voor den dapperste. Om aldus aan zijne handen te hangen, boven een afgrond, over eene lengte van vijftien meters, was niet uitlokkend in dezen donkeren nacht; als het koord eens brak of losging!
De jagers aarzelden.
»Wel!" zei Valentin, »zullen wij overgaan?"
Niemand gaf antwoord.
»Gij hebt gelijk," riep de jager meesmuilend, »gij zoudt eerst willen weten of de brug sterk genoeg is, is het zoo niet? Geheel tot uw dienst! zoo als gij wilt."
En met denzelfden bedaarden stap als altijd trad hij naar den rand der steilte. Bij de lasso komende greep hij die met de beide handen en wendde zich tot zijne kameraden.
»Ziedaar," riep hij, op dien onbezorgden toon die hem altijd was bijgebleven, »het gezicht kost u niets."
Zonder zich in 't minst te haasten, met al de gemakkelijkheid van een professor in sterke toeren, palmde hij zich in achterwaartsche beweging, greep voor greep, over de bergkloof om zijnen vrienden te wijzen hoe zij het moesten aanleggen.
Vervolgens, nadat hij den overkant bereikt had, waar hij zijn geweer achter liet, keerde hij even bedaard naar zijne vrienden terug.
Dezen hadden met ongeruste blikken en ingehouden adem al zijne bewegingen gadegeslagen, terwijl zij onwillekeurig huiverden over het gevaar dat de onverschrokken Parijzenaar durfde trotseeren.
»Ik hoop," zeide hij op het terras terugkomende, »dat gij nu ten minste van de soliditeit der lasso's overtuigd zijt en niet langer zult aarzelen."
Zonder te antwoorden ging Curumilla over de brug.
»Dat 's één!" riep Valentin lachend, »'t is eigenlijk geen haverklap waard. Wiens beurt is het?"
»De mijne," antwoordde don Pablo.
Hij ging over.
»Nu is het mijne beurt," riep don Miguel.
»Ga," zei Valentin.
De hacendero stond na eenige minuten mede aan den anderen oever.
Twee bleven er nog over. Valentin en generaal Ibanez.
»Komaan," riep de jager, »'t is aan u, generaal; ik moet er het laatst overgaan."
De generaal schudde moedeloos het hoofd.
»Ik zal niet kunnen," zeide hij.
XXIII.
EL RASTREADOR.
Valentin dacht dat hij hem niet goed verstaan had.
»Wat zegt gij?" riep hij met zijn oor naar den generaal.
»Ik zal daar nooit over kunnen," herhaalde deze.
De jager keek hem bevreemd aan. Hij kende den generaal sinds lang en had hem in te veel veege omstandigheden gezien om aan zijn moed te twijfelen.
»Waarom niet?" vroeg hij.
De generaal stond op, greep hem bij den arm en met den mond bijna op het oor van den jager, wierp hij een schuwen blik in het rond en fluisterde met een half gesmoorde stem:
»Omdat ik niet durf."
Bij deze ongedachte bekentenis, deed Valentin een sprong achteruit, keek zijn vriend met de meeste opmerkzaamheid aan, want wat hij gehoord had kwam hem uit den mond van zoo iemand inderdaad monsterachtig voor.
»Gij steekt er den draak immers mede?" riep hij.
De generaal schudde het hoofd.
»Inderdaad," zeide hij, »ik ben bang. Ja, ik begrijp wel," vervolgde hij een oogenblik later met een zucht, »het komt u vreemd voor, niet waar, dit te moeten hooren van mij, dien gij zoo dikwijls de grootste gevaren met een lachend gezicht zaagt braveeren, en dien gij nooit verbaasd of versaagd hebt gekend? Maar wat zal ik u zeggen, vriend, het is niet anders, ik ben bang; ik weet niet waarom, maar het idee van dien afgrond over te moeten met de vuisten om het touw geklemd, dat zoo licht kan breken onder mijn gewicht, baart mij een belachelijke maar onoverwinnelijke vrees daar ik mij zelf geen rekenschap van kan geven en die mij onwillekeurig doet beven van angst; zulk een dood komt mij al te ijselijk voor, ik zou er mij niet aan kunnen wagen."
Zoolang de generaal aan het woord was staarde Valentin hem met de grootste opmerkzaamheid aan.
Generaal Ibanez scheen dezelfde man niet meer, zijn gelaat was bleek, op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, een stuipachtig beven deed al zijne leden schudden, zijne stem was dof en zijne woorden stotterend.
»Ba ba!" riep Valentin met een gedwongen glimlach, »het is inderdaad niets, met een beetje wil zult gij die vrees gemakkelijk meester worden, het is niet anders dan een voorbijgaande duizeling."
»Ik weet niet wat het is, ik zou het niet kunnen zeggen, maar ik verklaar u, dat ik reeds alles heb gedaan wat menschelijk mogelijk is, om dat gevoel te onderdrukken dat mij beheerscht en overmeestert."
»En nu?"
»Er is niets aan te doen, integendeel, ik geloof dat mijne vrees toeneemt naarmate ik mij inspan om haar te overwinnen."
»Wat! zoo'n dapper man als gij!"
»Goede vriend," antwoordde de generaal met een treurigen lach, »moed is veelal een zaak van de zenuwen; 't is even onmogelijk voor den een om altijd dapper als voor den ander om altijd lafhartig te zijn; op den eenen dag beheerscht de stof het verstand veel meer dan op den anderen. Op zulke dagen moet de zedelijke mensch voor den zenuw-mensch zwichten en leert zelfs de stoutmoedigste vreezen; heden is het voor mij een van die dagen, nu weet gij alles."
»Kom vriend," hernam Valentin, »denk er maar eens goed op door; wat duivel! gij kunt immers hier toch niet blijven, terugkeeren is even onmogelijk; maak dus van den nood eene deugd."
»Alles wat gij mij daar zegt," viel de generaal hem in de rede, »heb ik mij zelven reeds gezegd; en ik zeg u nogmaals eer ik mij aan dat touw zou wagen schiet ik mij liever voor den kop."
»Maar dat is immers eene dwaasheid!" riep de jager, »dat is eigenlijk gekkenpraat, ronduit!"
»Zeg er van al wat gij wilt; ik begrijp even goed als gij dat ik mij bespottelijk aanstel, maar ik kan er niets tegen doen."
Valentin stampvoette van ongeduld, keek om naar zijne kameraden, die aan de andere zijde der barranca verzameld stonden en niet wisten waar zij dit onbegrijpelijk oponthoud aan toe moesten schrijven.
»Hoor eens, generaal," hervatte hij een oogenblik daarna, »ik zal u zoo niet verlaten, het moge gaan zoo 't wil; wij zijn door te goede banden aan elkander gehecht om u hier op die rots van honger te laten sterven; als men in de wildernis bijna een jaar met iemand samen geleefd, allerlei gevaren getrotseerd, koude en hitte, honger en dorst geleden heeft, gaat men zoo niet van elkander af. Indien het u inderdaad onmogelijk is om de kloof over te gaan, zoo als onze makkers gedaan hebben, zal ik er een ander middel op vinden."
»Ik dank u, vriend," antwoordde de generaal neerslachtig hem de hand drukkende; »maar geloof mij, als ik u raden mag laat mij dan hier blijven; het zal met mij gaan zoo als het God behaagt; onze kameraden wachten u met ongeduld, de tijd dringt u, vertrek, gij moet."
»Ik vertrek niet," riep de jager vastberaden, »ik bezweer u dat gij met mij mede gaat."
»Neen, zeg ik u, ik kan niet."
»Probeer het."
»'t Is vruchteloos, ik gevoel dat het hart er mij toe ontbreekt, vaarwel, vriend."
Valentin antwoordde niet, hij bezon zich.
Reeds het volgend oogenblik hief hij het hoofd met een glans van blijdschap op.
»Pardi!" riep hij vroolijk, »ik dacht wel dat ik er een middel op zou vinden. Laat mij eens begaan, ik sta borg voor alles. Ik breng u over als in een rijtuig; gij zult het zien."
De generaal glimlachte.
»Dappere ziel!" murmelde hij.
»Blijf hier," antwoordde Valentin; »binnen een paar minuten ben ik terug, meer tijd behoef ik niet om het noodige gereed te maken."
De jager greep het touw en ging over.
Nauwelijks zag de generaal hem aan den overkant, of hij knoopte de lasso los die om de rots zat en slingerde haar naar de overzijde.
»Wat doet gij! Houd op!" schreeuwden de jagers bijna verbijsterd van schrik.
De generaal boog zich over den afgrond, zich met de linkerhand aan de rots houdende.
»De Roode-Ceder mag uw spoor niet vinden," antwoordde hij, »daarom heb ik de lasso losgeknoopt, vaartwel mijne broeders, houdt goeden moed, de Almachtige helpe u."
Er viel een geweerschot, dat door de verre echo's der bergen werd teruggekaatst, en het lijk van den generaal tuimelde met dof gedruisch langs de steile wanden in den afgrond.
Generaal Ibanez had zich een kogel door het hoofd gejaagd [7].
Bij deze onverwachte ontknooping van dit buitengewone tooneel stonden de jagers als verplet.
Zij begrepen niet waarom de generaal uit vrees van den dood in het overtrekken der kloof te zullen vinden, zich een kogel door het hoofd had gejaagd.
De dood van den generaal was echter op zich zelf verklaarbaar genoeg; het was niet dat hij vreesde te sterven, maar de wijze waarop dit zou gebeuren schrikte hem af, en daar hij voor bewezen aannam dat hij zijne kameraden onmogelijk over de brug zou kunnen volgen, verkoos hij er hoe eer zoo beter een eind aan te maken.
Overigens had de ongelukkige generaal hun in zijn dood een onberekenbare dienst bewezen; hierdoor toch was hun spoor van overtocht zoo geheel verdwenen, dat de Roode-Ceder het onmogelijk zou kunnen terug vinden, althans zoo er te zijnen gevalle, om zoo te zeggen geen mirakel gebeurde.
De jagers, ofschoon het hun, dank zij het vernuftig waagstuk van Valentin, gelukt was uit den noodlottigen kring te ontkomen, binnen welken de bandiet hen had opgesloten, bevonden zich nog altijd in een hoogst gevaarlijken toestand en moesten zoo spoedig mogelijk naar de vlakte afdalen om een gebaand pad hoedanig dan ook te vinden; bij gevolg, gelijk het onder zulke omstandigheden in de woestijn altoos gaat, moest ieder ander gevoel bij hen wijken voor de noodzakelijkheid die haar ijzeren hand deed gevoelen; het gemeenschappelijk gevaar wekte bij hen op eens het instinct van zelfbehoud, dat bij den mensch in geen geval sterft, al schijnt het voor een wijl in te dommelen.
Valentin was de eerste die zijne droefheid over het verlies van hun kameraad meester werd en de zelfbeheersching hernam die hem nimmer in gebreke liet.
Sedert zijne komst in de wildernis had de jager zoo vele wonderbare tooneelen bijgewoond en in zoo menig somber treurspel eene werkdadige hoofdrol gespeeld, dat bij hem moeten wij zeggen de teederder gevoelens aanmerkelijk waren verstompt, zoodat de droevigste gebeurtenissen hem niet dan bezwaarlijk van zijn stuk konden brengen.
Met dat al droeg Valentin den generaal eene oprechte en hartelijke vriendschap toe, wiens edelaardig en inderdaad groot karakter hij in menige omstandigheid had leeren kennen en waardeeren; toen dus de noodlottige ramp hem trof die zoo plotseling alle banden tusschen hem en den generaal verscheurde, was hij er diep door geschokt.
»Komaan!" riep hij eindelijk het hoofd schuddend als om er de treurige gedachten uit te verdrijven die er zich wilden nestelen, »cora que no tiene remedio olvidarla e lo mejor! [8] Onze vriend heeft ons verlaten voor een andere wereld, misschien is het goed dat het zoo is: wat God doet is welgedaan, met treuren kunnen wij den generaal toch niet weder in 't leven terug roepen; denken wij dus aan ons zelven, mijne vrienden, wij liggen nog niet op rozen en als wij ons niet haasten loopen wij gevaar den generaal spoedig te volgen. Kom, toonen wij dat wij mannen zijn."
Don Miguel de Zarate zag hem aan met een droevigen blik.
»Gij hebt misschien gelijk," zeide hij, »de man is thans uit zijn lijden, zorgen wij dus voor ons zelven. Spreek, don Valentin, wat moet er gedaan worden? wij zijn bereid u te gehoorzamen."
»Goed," zeide Valentin; »het wordt tijd dat onze moed herleeft, want het ergste deel onzer taak is nog niet voorbij; het zou ons weinig baten dat wij de barranca over zijn, zoo men ons hier ontdekte, dit is het vooral wat ik vermijden wil."
»Hm," kwam don Pablo, »dat is zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk."
»Niets is onmogelijk met kracht, moed en behendigheid; luistert aandachtig naar hetgeen ik u zeggen zal."
»Wij luisteren."
»De barranca is aan dezen kant niet zoo steil als aan de overzijde die wij verlaten hebben, merkt gij het wel?"
»Dat is waar," riep don Miguel.
»Ziet gij dat kleine terras, omtrent twintig ellen beneden ons? daar begint een ondoordringbaar warbosch, dat tot op den bodem der kloof afdaalt, namelijk tot aan den voet van den berg."
»Ja."
»Daar moeten wij heen."
»Moeten wij daar heen, vriend!" riep don Miguel verbaasd, »maar hoe komen wij dan op dat terras daar gij van spreekt?"
»Op de eenvoudigste manier," zei Valentin, »door middel van mijn lasso laat ik er u in af."
»Dat zou kunnen; inderdaad, dat is voor ons zeer gemakkelijk, maar gij, hoe komt gij dan weer bij ons?"
»Maakt u daar maar niet ongerust over."
»Zeer goed," hernam don Miguel; »vergun mij echter eene aanmerking te maken."
»Ga uw gang."
»Daar voor u, goede vriend, is een gebaand spoor," hernam de hacendero terwijl hij er met de hand naar wees, »mij dunkt zelfs dat het zeer geschikt en zonder moeite te bereiken is."
»Inderdaad," antwoordde Valentin bedaard, »daar hebt gij volkomen gelijk in; maar twee redenen beletten mij dat spoor te kiezen, zoo als gij het noemt."
»En die twee redenen?"
»Zal ik u dadelijk zeggen; vooreerst, dat spoor is zoo gemakkelijk te volgen dat de Roode-Ceder terstond vermoeden zal dat wij het gekozen hebben, als de duivel hem bij geval hier heen stuurt."
»En de tweede?" viel don Miguel hem in de rede.
»De tweede is deze," hervatte Valentin, »behalve de onbetwistbare voordeelen die de door mij voorgeslagen afdaling ons geeft, wil ik niet,--en ik ben zeker dat gij er eveneens over denkt, mijne vrienden,--wil ik niet, zeg ik, dat het lijk van onzen armen kameraad, die daar op den bodem der barranca getuimeld is, onbegraven blijft en door de wilde beesten verslonden wordt; ziedaar mijn tweede reden, don Miguel, wat denkt gij er van?"
Bij deze edele taal voelde de hacendero zijn hart opengaan, hij beefde van ontroering; twee groote tranen liepen hem ongemerkt langs de wangen.
Hij greep de hand van den jager en drukte die met kracht.
»Valentin," zeide hij met eene haperende stem, »gij zijt beter dan wij allen; uw edele hart is een brandpunt van alle groote en voortreffelijke gevoelens; ik zeg u dank voor uwe goede gedachte, mijn vriend."
De geestvervoering zijner vrienden bracht echter op het gelaat van Valentin geen verandering, geen blos of glimlach te weeg; wat hij gezegd had was zoo zeer de eenvoudige uitdrukking van zijne natuurlijke geaardheid, dat hij meende niets buitengewoons gedaan te hebben en niet begreep hoe men hem voor zoo iets nog bedanken kon.
»Dat is dus afgesproken," zeide hij, »gaan wij dan?"
»Zoodra gij maar wilt."
»Goed; maar daar de nacht donker en de weg gevaarlijk is, zal Curumilla, die van ouds met deze dingen gewoon is, het eerst afdalen om u te wijzen hoe het gaat. Kom, hoofdman, zijt gij gereed?"
De Ulmen boog toestemmend; Valentin zette zich pal tegen de rots, sloeg de lasso tweemaal om zijn lijf en liet het andere einde in de kloof vallen, daarop wenkte hij Curumilla om af te dalen.