Part 15
Hij had zich gemakkelijk bij pater Seraphin kunnen vervoegen om van dezen te vorderen hem den gewonde uit te leveren, maar dit middel stond hem zeer tegen de borst. Ook hij deelde in den eerbied dien men alom in het Verre Westen den missionaris toedroeg; hij zou hem nooit hebben durven vragen zijn gast aan hem uit te leveren, wel wetende dat dit verzoek bepaald zou worden van de hand gewezen; en aan den anderen kant zou hij ook in geen geval, om zijn doel te bereiken geweld hebben willen gebruiken, tegenover een man wiens karakter hij hoogschatte en bewonderde.
Hij moest dus wachten tot de Roode-Ceder van zijne wonden zou genezen zijn; hiertoe had de Zoon des Bloeds dan ook besloten en hij bepaalde zich, gelijk wij reeds gezegd hebben, tot het bespieden van al zijne gangen door Andres Garote.
Eindelijk, op zekeren dag, kwam laatstgenoemde met een verheugd gezicht in het kamp van den partijganger terug. Want hij bracht gewenschte tijding mede, namelijk, dat pater Seraphin den Roode-Ceder, na hem eerst genezen te hebben, in een jacal had gevestigd, waar hij thans met zijne dochter samen leefde als een kluizenaar.
De Zoon des Bloeds slaakte een kreet van blijdschap bij dit bericht en zonder zich eens den tijd te gunnen om behoorlijk na te denken, steeg hij te paard, liet het bevel over zijne bende en de orde in zijn kamp aan zijne nicht over en reed in vollen galop naar het dorp van den Eenhoorn.
De afstand was niet groot; de partijganger maakte dien in minder dan twee uren.
De Zoon des Bloeds was onder de Comanchen, die hij menigmaal goede diensten bewezen had, zeer gezien en bemind; ook werd hij met alle eerbewijs en het in zulke gevallen gebruikelijk ceremonieel door hen ontvangen.
De Eenhoorn vergezeld van eenige der voornaamste stamhoofden, reed hem een eind ver buiten het dorp te gemoet, onder de gewone juichtonen, geweerschoten en ruiterstoeren.
De Zoon des Bloeds schikte zich goedwillig naar de wenschen van den Sachem en reed bij zijne komst terstond aan zijne zijde op.
De Comanchen zijn een zeer bescheiden volk en zullen aan hunne gasten nimmer vragen richten, tenzij dezen er hun eerst vrijheid toe geven.
Zoodra de Zoon des Bloeds bij het vuur voor de raadshut plaats genomen en de groote vredespijp gerookt had, boog de Eenhoorn plechtstatig en nam het woord:
»Mijn broeder het bleekgezicht is welkom bij zijne roode vrienden," zeide hij. »Heeft mijn broeder eene goede jacht gemaakt?"
»De buffels zijn talrijk in de nabijheid der bergen," antwoordde de Zoon des Bloeds, »mijne jongelingen hebben er velen van gedood."
»Des te beter! mijn broeder zal dan geen hongersnood lijden."
De partijganger boog ten bewijze van dank.
»Denkt mijn broeder vele dagen bij zijne roode vrienden te blijven?" vroeg het opperhoofd; »zij zouden zich gelukkig achten hem een tijdlang bij hen te zien."
»Mijne uren zijn geteld," antwoordde de Zoon des Bloeds; »mijn oogmerk was alleen om mijne vrienden te bezoeken en naar den voorspoed van hun dorp te vernemen terwijl ik voorbijkwam."
Op dit oogenblik verscheen Valentin op den drempel der hut.
»Ziedaar mijn broeder Koutonepi," zeide de Eenhoorn.
»Hij is mij welkom," riep de partijganger; »ik heb zeer verlangd hem te zien."
De beide blanken bogen voor elkander.
»Hoe vind ik u toevallig hier?" vroeg de jager.
»Om u te vertellen waar op dit oogenblik de Roode-Ceder zich bevindt," antwoordde de partijganger onmiddellijk.
Valentin ontroerde en wierp den spreker een open maar doordringenden blik toe.
»O! welk een belangrijk bericht geeft gij mij daar," riep hij.
»Ik geef het u niet, ik verkoop het u."
»Zoo! verklaar u nader als ik u verzoeken mag."
»Ik zal kort zijn. Er is in de gansche prairie niemand of hij heeft eene vreeselijke rekening te vorderen van dien bandiet, wat zegt gij er van?"
»Dat is waar."
»Dat monster heeft de aarde te lang en te zwaar gedrukt, het is tijd dat zij er van verlost worde."
Deze woorden werden door den Zoon des Bloeds op zulk een bitteren toon van haat uitgesproken, dat al de aanwezigen, ofschoon mannen met ijzeren zenuwen begaafd eene koude rilling door de aderen liep.
Valentin staarde den partijganger aan met een strengen uitvorschenden blik.
»Hebt gij hem zooveel te verwijten?" zeide hij.
»Meer dan ik kan uitspreken."
»Goed, ga voort."
Op dit oogenblik trad pater Seraphin de raadshut binnen doch zonder te worden opgemerkt, want aller oogen waren op den Zoon des Bloeds gevestigd.
De zendeling bleef in den donkersten hoek onbewegelijk staan en luisterde.
»Verneem wat ik u voorstel," vervolgde de Zoon des Bloeds; »ik zal u te kennen geven waar de booswicht zich schuil houdt. Wij zullen ons naar alle kanten verspreiden om hem in een onverbiddelijken kring te besluiten, en zoo gij of een der hier aanwezige opperhoofden gelukkiger mocht zijn om hem te grijpen dan ik, zult gij hem aan mij uitleveren."
»Om wat met hem te doen?"
»Om een schitterende wraak aan hem te nemen."
»Dat kan ik u niet beloven," antwoordde Valentin aarzelend.
»Waarom niet?"
»Om dezelfde reden zooeven door u genoemd; er is niemand in de woestijn die niet een vreeselijke rekening met dien onmensch te vereffenen heeft."
»Welnu?"
»De man dien hij naar mijn gevoelen het grievendst beleedigd heeft is don Miguel de Zarate, wiens eenige dochter hij lafhartig vermoordde. Don Miguel heeft alleen recht om naar welgevallen over hem te beschikken."
De partijganger was blijkbaar teleurgesteld.
»O! als hij hier was!" riep hij.
»Hier ben ik," antwoordde de hacendero op eens te voorschijn tredende, »ook ik heb eene bloedige schuld van den Roode-Ceder te vorderen, maar eene gerechte, groote en edele wraak, in het volle daglicht onder het oog van allen, ik wil hem niet vermoorden, ik wil hem straffen."
»Goed!" riep de Zoon des Bloeds met een gesmoorden juichkreet; »wij hebben dezelfde gedachte, caballero; want het is mijn doel om de Lynchwet op den Roode-Ceder toe te passen; maar de Lynchwet in al hare gestrengheid, op de plaats zelve waar hij zijn eerste misdrijf heeft gepleegd, ten aanzien van het volk dat hij verschrikt heeft gemaakt; dat wil ik doen, caballero. In het Verre Westen heet ik niet alleen de Zoon des Bloeds, maar ook de Wreker der Gerechtigheid."
Na deze woorden, met koortsachtige drift uitgesproken, werd het in de hut een geruime poos doodstil.
»Laat de wraak aan God over," sprak op eens eene stem, die de aanwezigen deed sidderen.
Allen keken op.
Pater Seraphin stond in hun midden met een kruisbeeld in de hand. Met opgericht hoofd en bezielden blik scheen hij een oogenblik de vergadering te beheerschen door den indruk zijner evangelische zending.
»Met welk recht stelt gij u tot werktuigen der goddelijke gerechtigheid," vervolgde hij. »Zoo die man schuldig was, wie zegt u dat hij op dezen oogenblik zijne zonden niet wenscht af te boeten door een oprecht berouw?"
»Oog om oog, tand om tand!" mompelde de Zoon des Bloeds, met eene sombere stem.
Vader Seraphin zag zich overwonnen; hij begreep dat alle redeneering schipbreuk zou lijden op deze bloeddorstige mannen voor wie het leven huns gelijken niets geldt en die de wraak tot eene deugd hebben verheven.
»Vaartwel," zeide hij met eene treurige stem, »vaartwel, arme verdoolden! Mijn mond mag u niet vervloeken, ik kan u alleen beklagen; maar weet dat ik het slachtoffer, dat gij aan uwen wrekenden hartstocht wilt brengen, door alle mogelijke middelen aan uwe slagen zal zoeken te onttrekken. Vaartwel!"
Hij trad de hut uit.
Toen de eerste opschudding door deze verklaring te weeg gebracht, eenigszins bedaard was, naderde don Miguel den Zoon des Bloeds, drukte hem de rechterhand en sprak:
»Ik neem uw voorstel aan: de Lynch-wet."
»Ja!" riepen al de aanwezigen, »de Lynch-wet!"
Eenige uren later keerde de Zoon des Bloeds naar zijn kamp terug.
Het was tengevolge van deze bijeenkomst dat Valentin don Pablo ging opsporen en op korten afstand van het dorp het gesprek met hem had dat wij aan het begin van dit boek vermeld hebben, toen wij den jongman van zijn bezoek bij Ellen in de hut van den Roode-Ceder, zagen terugkeeren.
XX.
DE ROODE-CEDER.
Nu wij gezien hebben wat er had plaats gehad gedurende de zes maanden tusschen den dood van dona Clara en het onderhoud van Valentin met don Pablo in de Berengrot, na het onweder, hervatten wij ons verhaal van het punt waar wij het aan het slot van ons derde hoofdstuk lieten rusten.
Nauwelijks was de zoon van den hacendero eenige minuten vertrokken of de deur der jacal werd met drift opengestooten en vier mannen traden binnen.
Deze vier mannen waren de Roode-Ceder, Fray Ambrosio, Sutter en Nathan.
Zij zagen er verdrietig en somber uit; het water liep hen met stralen uit de kleeren alsof zij uit de rivier kwamen.
»Hola!" riep de monnik. »Wat is dat hier! geen vuur, geen licht, niets op tafel om ons te ontvangen! gij schijnt weinig om ons te geven, nina."
De Roode-Ceder gaf zijne dochter een kus op het voorhoofd, wierp Fray Ambrosio een zijdelingschen blik toe en zeide met eene ruwe stem.
»Gij zijt hier bij mij te gast, vriend; laat ik u dat niet behoeven te herinneren; begin dus met mijne dochter beleefder te bejegenen, zoo gij niet wilt dat ik u op uwe plaats zet."
»Hum!" bromde de monnik, »'t is toch geen heilige monstrans, die jonge vrouw, dat gij terstond opstuift bij het eerste woord dat ik haar toespreek."
»Ik maak mij niet moeielijk," antwoordde de Squatter barsch terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg, »maar uwe manier van doen en spreken staat mij niet aan, en dat zeg ik u: laat ik het u niet behoeven te herhalen."
Fray Ambrosio sprak niet terug; hij begreep dat de Squatter in geen geschikte luim was om te redeneeren en wachtte zich dus voor iedere aanmerking die het verschil in een twist kon veranderen, iets dat hij des te minder verlangde daar de Squatter dien scheen te zoeken.
Gedurende deze korte woordenwisseling had Ellen, door hare broeders geholpen een fakkel van kaarshout ontstoken, het vuur zooveel mogelijk opgerakeld en de tafel gedekt met een maal dat zoo al niet weelderig ten minste voldoende was.
»Caballeros," zeide zij met hare zachte stem, »gij zijt gediend."
De vier mannen namen plaats aan de tafel met al de drift van hongerige lieden die een lange vasten gehad hebben.
Eer echter de Squatter het eerste stuk aan zijne lippen bracht, wendde hij zich tot zijne dochter.
»Ellen!" zeide hij goedhartig.
»Vader," antwoordde zij, terstond bij hem komende, »wat verlangt gij? Ontbreekt er nog iets?"
»Dat niet, kindje," hernam hij, »ons ontbreekt niets, ik denk het ten minste niet."
»Wat is het dan?" vroeg zij min of meer verwonderd.
»Waarom gaat gij ook niet zitten, zooals wij?" vroeg hij.
»Neem mij niet kwalijk, vader, ik heb geen honger; het zou mij onmogelijk zijn een stukje te eten."
De Squatter zuchtte; maar zei verder niets en begon de gasten te bedienen, terwijl Ellen zich in den donkersten hoek der jacal terugtrok.
Het maal was treurig; de vier mannen schenen afgetrokken, zij aten schielijk en zwijgend.
Toen hun honger verzadigd was staken zij hunne pijpen aan en begonnen te rooken.
»Vader," zei Nathan op eens terwijl de Roode-Ceder zwaarmoedig naar de rookwolkjes keek die uit zijne pijp naar het gewelf der jacal opstegen, »ik heb sporen ontdekt."
»Ik ook," zei de monnik.
»En ik ook," zei de Squatter, »wat meer?"
»Wat meer!" riep Fray Ambrosio; »canarios! Gij neemt het wel vroolijk op; sporen in de woestijn beteekenen altijd een vijand."
»Wat geef ik daarom?" zei de Roode-Ceder de schouders ophalende.
»Hoedat, wat geef ik daarom?" riep de monnik terwijl hij bijna opsprong, »nu, die vind ik aardig, als men u hoort zou men zeggen dat gij er niets meê te maken hadt; is uw leven niet evenzeer in gevaar als het onze?"
»Wie zegt u, dat ik het niet zou willen verdedigen?" antwoordde de Squatter, hem aanstarende met een blik die hem onwillekeurig de oogen deed neerslaan.
»Hum!" riep de monnik na een poosje gezwegen te hebben; »dat gij niet veel om uw leven geeft kan ik begrijpen; gij hebt het lang genoeg op alle manieren gebruikt, om er niet over te treuren, tegen u in vrijheid gezegd; maar gij vergeet iets, vriendje, al wil ik mij zelven er buiten laten, zou ik toch recht hebben u eenige niet ongegronde verwijten te doen."
De Squatter schudde onverschillig de asch uit zijne pijp op de tafel uit, stopte haar op nieuw, stak haar aan en begon weder bedaard te rooken, zonder dat hij in 't minst op het gezegde van den monnik scheen te letten.
Deze fronste de wenkbrauwen en balde de vuisten, maar bedacht zich schier oogenblikkelijk en vervolgde met geveinsde onverschilligheid terwijl hij met zijn mes speelde:
»Ja, vriend, gij vergeet eene zaak, daar gij intusschen wel eens om behoordet te denken."
»Wat dan?"
»Uwe kinderen, caspita!"
De Squatter schoot hem een spotachtigen blik toe.
»O, por Dios Santo!" hervatte de monnik, »ik spreek hier niet van uwe zoons, dat zijn mannen, en altijd sterk en dapper genoeg om zich te weren als het noodig is; daar maak ik mij juist zoo ongerust niet over."
»Over wie maakt gij u dan ongerust?" vroeg de Squatter, hem strak aanziende.
»Waar ik mij ongerust over maak!" herhaalde de monnik met zekere aarzeling.
»Ja."
»Over uwe dochter Ellen, canarios! wat zal daarvan worden als gij dood zijt?" zeide de monnik met de stoutmoedigheid van vreesachtige lieden die dadelijk willen zien of de mijn die zij ontsteken niet verkeerd barsten zal.
De Squatter schudde treurig het hoofd.
»Dat is waar," mompelde hij terwijl hij naar zijne dochter omzag.
De monnik glimlachte, hij had doel getroffen en vervolgde:
»Als gij u zelven prijs geeft, geeft gij haar op; uw onwil zou ook haar dood kunnen veroorzaken, wees dus op uwe hoede!"
»Wat moet ik doen?" zei de Roode-Ceder.
»Voorzorgen gebruiken, zoo als wij, Voto de Dios! Geloof mij toch, wij worden bespied; als gij nog langer hier blijft, begaat gij eene groote onvoorzichtigheid."
De beide zoons van den Squatter knikten toestemmend.
»Dat onze vijanden ons op het spoor zijn, is ontegenzeggelijk," merkte Sutter aan.
»En dat zij ieder oogenblik hier kunnen zijn," voegde Nathan er bij.
»Gij hoort het," zei de monnik.
»Nog eens, wat moet ik doen?" vroeg de Roode-Ceder.
»Caspita! verhuizen, zoodra mogelijk."
»Waar zal ik heen in dezen tijd van het jaar? weldra zal het gaan sneeuwen en dan is alle vervoer onmogelijk; de jacal te verlaten, is zooveel als van honger omkomen."
»Ja, als wij in de woestijn bleven," zei de monnik met eene fleemende stem.
»Waar wilt gij dan naar toe?" riep de Squatter.
»Hoe weet ik dat? er zijn zeker steden genoeg op de Indiaansche grenzen denk ik, des noods zouden wij samen naar Paso del Norte kunnen terug keeren, daar hebben we althans vrienden en zijn we zeker van goed ontvangen te worden."
De Roode-Ceder keek hem strak aan en zeide ironisch.
»Laat uwe gedachte voluit hooren, señor padre; gij hebt een doel met naar Paso terug te willen; geef het mij te kennen."
»Caspita! gij weet er zooveel van als ik," riep de monnik, »wat behoeven we zoo fijn te spelen, en elkander om den tuin te leiden."
De Squatter stond onstuimig op en stiet met den voet zijn stoel achteruit.
»Gij hebt gelijk," zeide hij toornig, »spelen wij met open kaart, dat is al wat ik verlang; en om u een voorbeeld te geven van openhartigheid verzoek ik u te luisteren. Gij hebt nooit het doel uit het oog verloren waarmede gij in de woestijn gekomen zijt. Gij hebt maar één oogmerk en ééne begeerte, namelijk de goudmijn, wier aanwezen gij ten koste van een moord hebt leeren kennen; om dat doel te bereiken zijn geen vermoeienissen u te zwaar, geen gevaren te groot; gij geeft het niet op tot welken prijs ook, de hoop om goud in te zamelen verblindt u en maakt u schier gek, is het waar of niet?"
»'t Is waar," antwoordde de monnik, »wat meer?"
»Wat meer? dat zult ge hooren. Nu onze bende vernietigd of uiteengeslagen is, hebt gij aldus geredeneerd--op eene wijze, moet ik zeggen, die zoowel voor uwe schranderheid als voor de vastheid van uw karakter pleit," vervolgde de Squatter met een bitteren glimlach--»ziehier uwe redeneering: De Roode-Ceder weet ten naaste bij waar de goudmijn ligt, ik moet hem zien te noodzaken met mij naar Paso del Norte te gaan, om er eene nieuwe bende te vormen, want laat ik hem alleen in de prairie, dan zal hij zoodra ik vertrokken ben den schat zoeken en den buit inzamelen die mij toebehoort. Heb ik het niet goed geraden? zeg, kameraad?"
»Omtrent." antwoordde de monnik inwendig verwoed dat hij zich zoo ontmaskeren zag.
»'t Is immers zoo?" vervolgde de Squatter. »Nu; maar als alle slechte karakters, door merg en been bedorven, zijt gij uw doel voorbij geschoten door aan mij dezelfde lage begeerten toe te schrijven die gij bezit, en hebt gij gemeend dat ik een moordenaar zijnde, ook een dief wezen moest. Weet het wel," riep hij stampvoetend, »dat al had ik den door u begeerden schat hier onder mijne voeten, ik niet bukken zou om er een stukje van op te rapen. Goud is mij niets waard, ik veracht het; toen ik instemde om u naar de mijn te geleiden hebt gij natuurlijk gemeend dat ik dit uit gierigheid deed, maar gij hebt u bedrogen, ik had toen een veel krachtiger en ten minste edeler doel: de wraak. Houd u dit thans voor gezegd en spreek mij nooit weer van uw vervloekte goudmijn, daar ik zooveel om geef als om een avellana (een notendop). Hiermede goeden avond, compadre; ik ga slapen, of althans ik zal zien of ik kan slapen en ik raad u hetzelfde te doen."
En zonder het antwoord van den monnik af te wachten keerde de Squatter hem den rug toe en verwijderde zich naar een ander vertrek.
Ellen had zich reeds lang ter ruste begeven.
Fray Ambrosio bleef dus met de zoons van den Squatter alleen.
Er volgden eenige minuten stilte tusschen hen.
»Ba ba," riep de monnik eindelijk onbezorgd, »hij mag weigeren zoo veel hij wil, maar hij zal moeten toegeven."
Sutter schudde twijfelmoedig het hoofd.
»Neen," riep hij, »gij kent den oude nog niet, als hij eens neen zegt, blijft het neen."
»Hm!" zei Nathan, »vader is sedert den laatsten tijd zeer veranderd, hij takelt af, en schijnt van zijn oude karakter alleen de stijfhoofdigheid behouden te hebben; ik vrees dat het u niet gelukken zal, señor padre."
»Dat zullen wij zien!" zei de monnik luchtig. »Morgen wordt het weer dag; intusschen zullen wij zijn raad opvolgen en gaan slapen."
Tien minuten later was alles in de jacal in slaap of althans scheen te slapen.
Het onweder duurde den ganschen nacht voort met onverzwakte woede en deed de wanden der hut kraken. Eerst tegen den morgen kwam de lucht tot bedaren.
Met het krieken van den dag stond de Squatter op en trad naar de deur, om te zien welk weer het was.
De morgenstond liet zich goed aanzien, de hemel was helder en de Roode-Ceder maakte zich gereed om naar de corral te gaan om zijn paard en die zijner gasten te zadelen.
Eer hij de jacal uittrad keek hij naar buiten en liet hij zijn blik rondweiden.
Op eens smoorde hij een uitroep van verrassing en deinsde schielijk terug.
Hij had in de verte een ruiter bespeurd die met vollen teugel kwam aanrennen.
»Vader Seraphin!" mompelde hij verwonderd, »welke gewichtige reden kan die hebben om op zulk een uur hier te komen en daarbij zooveel spoed te maken?"
Op dit oogenblik traden de monnik en zijne zonen in het voorvertrek.
De Squatter hoorde hunne stappen achter zich.
Hij keerde zich driftig om.
»Houdt u schuil! verbergt u!" riep hij met eene heesche stem.
»Wat gebeurt er dan?" vroeg de monnik nieuwsgierig op hem afkomende.
De Squatter gaf hem met de vuist een duw tegen de borst dat hij midden in de kamer stoof.
»Hebt gij mij niet verstaan?" riep hij toornig.
Hoe woest echter de Squatter hem had teruggewezen, was hij niet gezwind genoeg geweest om den monnik te beletten te zien wie er aankwam.
»Ha! ha!" riep hij met een gemaakten lach, »vader Seraphin! Caspita! als onze vriend biechten wil had ik hem immers even goed kunnen helpen? hij behoefde het mij maar even te zeggen, dan had hij dien raaf uit Europa kunnen missen."
De Roode-Ceder keerde zich om alsof hem een adder gebeten had en keek de drie mannen met zulk een woesten blik aan, dat zij onwillekeurig terugdeinsden.
»Ellendeling!" riep hij met eene holle stem en vreeselijk gebaar; »als ik mij niet ontzag zou ik u kunnen dooden als een hond! Maar ik waarschuw u, bij het minste woord dat gij tegen dien heiligen man durft zeggen, zal ik u levend villen! Verberg u, zeg ik u nog eens."
Door den dreigenden toon waarop de Squatter sprak tot inkeer gebracht, gingen de drie mannen zonder een woord te zeggen de kamer uit.
Drie minuten later hield pater Seraphin zijn paard in voor de deur der jacal en steeg af.
De Roode-Ceder en zijne dochter kwamen hem met ijver te gemoet.
Pater Seraphin trad de hut binnen en veegde zijn zweet af, dat hem van het voorhoofd droppelde.
De Roode-Ceder bood hem een butacca (leuningstoel) aan.
»Ga zitten, vader," zeide hij, »gij zijt sterk bezweet; wilt gij niets gebruiken, om u te ververschen?"
»Ik dank u," antwoordde de zendeling; »wij hebben geen oogenblik te verliezen, hoor mij."
»Wat is er gaande, vader? waarom komt gij met zooveel haast hier?"
»Helaas!" antwoordde hij, »gij wordt door een groot ongeluk bedreigd."
De Squatter verbleekte.
»'t Is waar," mompelde hij met een somberen blik, »de boete begint."
»Houdt moed, mijne kinderen!" zei de missionaris minzaam; »hoe, weet ik niet, maar uwe vijanden hebben uw schuilhoek ontdekt; morgen, heden wellicht, zijn zij hier; gij moet vluchten, vluchten zoodra mogelijk."
»Waarom zou ik?" mompelde de Squatter; »ik zie Gods vinger in alles, niemand kan zijn lot ontgaan; het is beter dat ik hier blijf."
Vader Seraphin zette een ernstig gezicht en zei met eene strenge stem:
»God wil u zonder twijfel beproeven; maar u zelven moedeloos aan uwe doodvijanden over te leveren ware eene lafheid, een zelfmoord, dien de hemel u niet vergeven zou. Ieder die leeft moet zich verdedigen als men hem aanvalt, vlucht daarom, zeg ik, ik beveel het u."
De Squatter antwoordde niet.
»Daarbij," vervolgde pater Seraphin zooveel mogelijk op vroolijken toon, »misschien is het maar een voorbijgaande storm; als uwe vijanden u hier niet vinden, zullen zij zeker hunne vervolging laten varen en kunt gij binnen eenige dagen hier terugkeeren."
»Neen," zei de Squatter neerslachtig, »'t is hun om mijn dood te doen. Daar gij het zoo verlangt, vader, zal ik u gehoorzamen, maar voor dat ik ga moet ik u om ééne gunst verzoeken."
»Spreek, mijn zoon."
»Ik voor mij," hernam de Squatter met kwalijk verborgen ontroering, »ik ben een man; ik kan zonder te zwichten de zwaarste vermoeienissen doorstaan en de grootste gevaren trotseeren...."
»Ik begrijp u," viel de missionaris hem met drift in de rede; »ik had reeds plan om uwe dochter onder mijne bescherming te nemen. Stel u deswege gerust, het zal haar aan niets ontbreken."
»O! ik dank u, ik dank u, vader!" riep de Squatter, op een toont dien men van zulk een man nooit zou verwacht hebben.
Ellen had tot dusverre het gesprek stilzwijgend aangehoord; zij trad thans op eens tusschenbeide en zei met edelen ernst:
»Ik ben u van ganscher harte dankbaar voor de goede bedoelingen die gij met mij hebt; maar ik kan mijn vader niet verlaten, ik zal hem overal volgen waar hij gaat, om hem te troosten en met christelijk geduld het leed te helpen dragen dat God over hem beschikt."
De beide mannen schenen gereed haar tegen te spreken en tot andere gedachten te willen brengen.
»Laat af," vervolgde zij met geestdrift; »heb ik tot hiertoe mijns vaders gedrag moeten lijden toen het schuldig was, thans, nu het berouw bij hem is ingetreden beklaag ik hem en heb hem des te meer lief; mijn besluit staat onherroepelijk vast."
Pater Seraphin zag haar met bewondering aan.
»Goed, mijn kind." zeide hij, »God zal uwe reine en edele trouw beloonen."