De lynch-wet

Part 14

Chapter 144,050 wordsPublic domain

»Dat ben ik, beste vriend," riep de jager in vervoering, »meer dan ik u zeggen kan; maar het is juist mijn geluk dat mij in angst brengt. Mijne moeder is wel is waar bij mij, maar helaas! gij weet aan welke bezwaren ons leven in de woestijn bloot staat, alles is hier onrust en strijd; in deze oogenblikken vooral zijn wij op het spoor van een onverzoenlijke wraak. Is het voegzaam om van deze gevaren en bezwaren mijne moeder deelgenoot te maken, eene vrouw van gevorderden leeftijd, en daarbij wankelende gezondheid? Kunnen wij zonder wreed te zijn haar verplichten ons te volgen bij het nazetten van den booswicht dien wij zoeken? Neen, immers? Niemand uwer, daar ben ik zeker van, zal mij dit aanraden; maar wat dan gedaan? Mijne moeder kan evenmin alleen in deze grot blijven, verlaten, verstoken van alle hulp en aan allerlei ontbering ten prooi; daar wij niet weten waartoe de plicht dien wij met eede bezworen hebben ons morgen heen zal roepen. Aan den anderen kant, zal mijne moeder, die zoo blijde is met onze vereeniging, zoo gereedelijk bewilligen in eene al was het slechts voorloopige scheiding, die intusschen naar gelang der omstandigheden een onbepaalden tijd duren kan? Ik verzoek u dus, mijne eenige en ware vrienden, geeft mij allen uw raad, want ik kom er rond voor uit, ik weet niet welke partij ik kiezen zal; spreekt, mijne vrienden, zegt mij wat ik doen moet."

Er volgde van de zijde der jagers eene langdurige stilte.

Ieder begreep de verlegenheid van Valentin; maar om hem te helpen was het middel zeer moeielijk te vinden, daar allen evenzeer bezield waren met de gedachte om den Roode-Ceder geen rust te laten, maar hem tot het uiterste te vervolgen tot hij de billijke straf voor zijne wandaden ontvangen had.

Zoo als gewoonlijk, kreeg ook in deze omstandigheden de eigenbaat en het partijbelang de overhand boven de vriendschap. Alleen vader Seraphin, die zich de zaak minder persoonlijk aantrok beschouwde haar uit het rechte oogpunt; ook was hij de eerste die het woord opnam.

»Mijn vriend," antwoordde hij, »alles wat gij ons gezegd hebt is maar al te waar, ik neem op mij om uwe moeder tot rede te brengen: zij zal en moet zoo ik vertrouw begrijpen, hoe noodig het is dat zij naar de bewoonde wereld terugkeert, vooral in een getijde des jaars als waarin wij ons thans bevinden; alleen moeten wij zien hare gevoeligheid niet te kwetsen en haar met een zacht lijntje naar Mexico trachten over te brengen, zonder van de scheiding te spreken, die zij nog meer ducht dan gij zelf. Gedurende de reis van hier naar de grenzen der beschaving zullen wij trachten haar langzamerhand op de zaak voor te bereiden, zoodat de slag haar minder zwaar treffen zal wanneer het oogenblik van scheiden werkelijk komt. Dit is zoo ik meen het eenige wat gij in de gegeven omstandigheden doen kunt en doen moet. Denk hierover eens ernstig na, vindt gij een beter plan dan het mijne, ik zal de eerste zijn om er mij naar te schikken."

»Uw raad is inderdaad de beste dien men mij geven kan," zei Valentin met warmte, »en ik haast mij dien aan te nemen. Gij zijt alzoo gereed, vader, ons tot aan de grenzen te vergezellen?"

»Zonder twijfel, vriend; en verder zelfs, als het wezen moest. Maak u dus deswege niet ongerust; het is nu maar de vraag naar welk punt wij ons begeven zullen."

»Dat is waar!" riep Valentin; »maar dat is juist moeielijk genoeg. Ik zou mijne moeder liefst willen logeeren op eene plantage die niet te ver afgelegen was, zoodat ik haar dikwijls zou kunnen gaan zien, maar toch ver genoeg verwijderd van de wildernis om gedekt te zijn tegen alle gevaar."

»Maar," zei don Miguel, »goede vriend, als wij dan eens naar mijne hacienda trokken in den omtrek van Paso del Norte, mij dunkt die is er uitmuntend geschikt toe, te meer daar zij uwe moeder al de waarborgen van gemak en veiligheid aanbiedt die gij voor haar verlangen kunt."

»Inderdaad," riep Valentin, »mijne moeder zou zich nergens beter bevinden dan in uwe hacienda, ik zeg u hartelijk dank voor uw aanbod, maar ongelukkigerwijs kan ik het niet aannemen."

»Waarom niet?"

»Wel, mijn hemel! die reden is zoo klaar als de dag, het is dat uwe hacienda te ver van ons af is."

»Denkt gij dat?" vroeg don Miguel.

Valentin moest tegen wil en dank glimlachen om deze vraag van den hacendero.

»Vriend," zeide hij zachtzinnig, »sedert onze intrede in de woestijn hebben wij, door de omstandigheden gedrongen, zoo vele omwegen moeten maken, dat gij alle besef en berekening van afstand verloren hebt en volstrekt niet meer schijnt te weten hoe vele mijlen wij hier van Paso del Norte verwijderd zijn."

»Op mijn eer! dat moet ik bekennen," zei don Miguel verwonderd; »met dat al geloof ik niet dat wij er zoo heel ver af zijn."

»Hoe ver denkt gij?"

»Wel! honderd vijftig mijlen op zijn verst."

»Mijn goede vriend," riep Valentin hoofdschuddend, »gij zijt de rekening ver mis: wij zijn hier meer dan zeven honderd mijlen ver van Paso del Norte, en dat is de naaste grens der beschaafde wereld."

»Te duivel!" riep de hacendero, »dat zou ik nooit hebben gedacht."

»En dan nog," vervolgde Valentin, »van de stad Paso del Norte tot naar uwe hacienda bedraagt ongeveer vijftig mijlen, niet waar?"

»Ja, ongeveer."

»Gij ziet dus, vriend, dat ik tot mijn groote spijt uw edelmoedig aanbod onmogelijk kan aannemen."

»Wat dan gedaan?" zei generaal Ibanez.

»Dat is netelig genoeg," antwoordde Valentin, »wij hebben zoo weinig tijd."

»En wat uwe moeder betreft, die kan niet hier blijven, dat is volslagen onmogelijk," zei don Miguel.

Volgens zijne gewoonte, had Curumilla het gehouden gesprek in stilte gevolgd zonder een woord in het midden te brengen.

Toen hij evenwel zag dat de jagers het niet eens konden worden, wendde hij zich tot Valentin.

»Een vriend verlangt te spreken," zeide hij. Allen keken hem aan.

De jagers wisten dat Curumilla nooit het woord nam dan om een raad te geven, die bijna altijd gevolgd werd.

Valentin knikte dus toestemmend.

»Onze ooren zijn geopend, hoofdman," zeide hij.

Curumilla stond op.

»Koutonepi vergeet iets," zeide hij.

»Wat vergeet ik?" vroeg de jager.

»Koutonepi is de broeder van den Eenhoorn, den grooten Sachem der Comanchen."

De Franschman klopte zich met de vuist voor het hoofd van blijdschap.

»'t Is waar ook," riep hij, »dat ik daaraan niet gedacht heb! Waarlijk hoofdman, gij zijt een man dien de Voorzienigheid ons toezendt, niets ontgaat uw aandacht."

»Is mijn broeder voldaan?" vroeg Curumilla.

Valentin drukte hem hartelijk de handen.

»Hoofdman," riep hij, »gij zijt de uitmuntendste man dien ik ken, ik dank u uit grond van mijn hart; overigens hebben wij elkander volkomen begrepen en bij gevolg niets meer te zeggen, nietwaar?"

De Araucaansche Ulmen beantwoordde den handdruk van zijn vriend met de meeste hartelijkheid, ging weder zitten, en trok al zijne besluiten en gewaarwordingen samen in dit eene woord:

»Goed!"

Intusschen hadden de overige personen deze onderhandeling bijgewoond zonder te weten wat zij beteekenen moest. Ofschoon zij reeds lang genoeg met den Araucaan hadden samengeleefd, waren zij nog niet op de hoogte om zijne achterhoudendheid te doorgronden of liever zijn laconisme te begrijpen; zij wachtten dus vol nieuwsgierigheid op de nadere verklaring die Valentin van de weinige woorden tusschen hem en den Ulmen gewisseld, geven zou.

»Onze vriend Curumilla heeft op eens den uitweg gevonden daar wij ons zoo stomp op hebben gedacht," riep Valentin met drift.

»Hoedat? verklaar u, vriend," zei don Miguel.

»Begrijpt gij dat niet?" vroeg Valentin.

»Op mijn woord niet."

»Het is toch dood eenvoudig," hernam de jager, »ik ben sinds lang door de Comanchen aangenomen; ik ben een lid van den stam van den Eenhoorn; dat opperhoofd zal gewis niet weigeren mijne moeder te huisvesten en te beschermen. De Roodhuiden houden veel van mij, de Eenhoorn is mij onbepaald toegedaan, ik ben zeker dat de Indianen mijne moeder zullen verzorgen en koesteren alsof ik het zelf deed, en buiten dat zal ik haar nu zoo dikwijls kunnen gaan bezoeken als ik verkies of de omstandigheden mij gedoogen."

»Canarios!" riep generaal Ibanez, »'t is op mijn woord waar. Hoofdman," vervolgde hij terwijl hij den Araucaan vroolijk op den schouder klopte, »ik moet ronduit bekennen, wij allen zijn niets dan domkoppen en gij hebt meer verstand in uw pink, dan wij in ons geheele lijf."

De beraadslaging had lang genoeg geduurd, de zon was reeds een uur op eer zij geëindigd was.

Mme. Guillois, na een kort maar verkwikkelijk slaapje geheel bekomen van de aandoeningen van den vorigen nacht, verscheen in de grot en omhelsde Valentin met een hartelijken kus.

Toen het ontbijt was afgeloopen werden de paarden gezadeld en ging men op weg.

»Waar voert gij mij heen, kind?" vroeg Mme. Guillois aan haar zoon. »Gij weet wel dat ik u voortaan geheel toebehoor en dat het alleen uw plicht is voor mij te zorgen."

»Wees niet ongerust, moeder," antwoordde hij, »al zijn wij in de woestijn, ik heb voor u eene schuilplaats gevonden, waar het mij mogelijk zal zijn u ten minste eenmaal 's weeks te komen zien."

Gelijk alle mannen met een vast en welberaden karakter begaafd, had Valentin, in plaats van het bezwaar te vermijden het liever fiks onder de oogen willen zien, wel overtuigd dat hoe stouter hij het aantastte, hoe korter het ook duren en hoe spoediger het hem gelukken zou de gevolgen er van af te wenden.

Onwillekeurig deed de oude vrouw haar paard stilstaan en zag haar zoon aan met de oogen vol tranen.

»Wat zegt ge daar toch, Valentin?" vroeg zij met eene bevende stem, »gaat gij mij verlaten?"

»Gij begrijpt mij verkeerd, moeder," antwoordde hij, »na eene zoo lange scheiding zou ik zeker nooit kunnen besluiten om mij van u te verwijderen."

»Helaas!" zuchtte zij.

»Hoor eens, moeder," vervolgde hij bedaard, »een ding moet gij steeds in het oog houden, namelijk dat men in de woestijn geheel anders leeft dan in de beschaafde wereld."

»Dat weet ik reeds!" zuchtte zij op nieuw.

»Goed dan," hernam hij; »het leven hier heeft zijne eischen die te veel zouden zijn om u thans uit te leggen, maar die onophoudelijk heen en weder trekken noodzakelijk maken; nu eens zijn wij hier, dan weder daar, zonder blijkbare reden, levende van den eenen dag op den anderen en daarbij altoos te paard."

»Wat ik u bidden mag, mijn beste, laat mij toch niet langer lijden, maar zeg mij in eens waar gij op doelt."

»Hierop moeder, dat dit leven, vol onrust, vermoeienis en gevaren, zijne eigenaardige bekoorlijkheden kan hebben voor een jong mensch als ik, met mijn ijzeren temperament sinds lang tegen allerlei ongemakken gehard, maar dat het stoffelijk onmogelijk is voor eene vrouw op uwe jaren, zoo zwak en ziekelijk als gij zijt; daarbij zijt gij mijn eenigst goed, mijn dierbaarste schat, moeder lief! ik heb u als door een wonder teruggevonden en ik zou u gaarne zoo lang mogelijk behouden; daarom wil en mag ik u niet langer uit zwakke toegevendheid blootstellen aan vermoeienissen en ontberingen die gij geen acht dagen zoudt kunnen volhouden."

»En wat dan?" vroeg de moeder schroomvallig, terwijl zij zich tegen wil en dank overwonnen gevoelde door de nadrukkelijke wijs waarop de jongman gesproken had.

»Ik zal u zeggen waar ik toe besloten heb," hervatte hij opvleienden toon: »daar ik niet wil dat gij langer ongemak lijdt heb ik tevens gezorgd dat wij, zoo al niet gedurig, dan ten minste zoo dicht mogelijk bij elkander zullen zijn."

»Och ja!" riep zij, »u te zien, mijn jongen, u altijd te zien, meer verlang ik niet; wat geef ik om al het andere als ik u maar bij mij heb, om u te troosten als gij treurig zijt en om te deelen in uw geluk als gij blijde zijt."

»Moeder," vervolgde de jager, »ik geloof dat ik de zaken zoo goed mogelijk heb overlegd; vader Seraphin zal u wel nader bewijzen dat elke andere schikking eene dwaasheid zou geweest zijn."

»Als het niet anders wezen kan," mompelde zij.

»Ik breng u thans naar een dorp der Comanchen in wier stam ik als zoon ben aangenomen, hun opperhoofd bemint mij als een broeder; dat dorp ligt nauwelijks eenige mijlen van hier; daar zijt gij onder goede vrienden die u achten, eerbiedigen en liefhebben en u met weldaden overladen zullen,"

»Maar gij dan, mijn jongen?"

»Ik; moeder, ik kom u zoo dikwijls bezoeken als ik kan en ik verzeker u dat er maar weinig dagen voorbij zullen gaan dat ik u niet zie."

»Helaas, en gij, mijn arme jongen, waarom wilt gij toch zoo volstrekt dat leven vol gevaar en vermoeienis voortzetten? Wij zouden samen zoo gelukkig kunnen zijn, als gij maar wildet, en stil kunnen leven in een klein dorp in ons vaderland; zijt gij Frankrijk reeds vergeten, mijn jongen?"

Valentin zuchtte.

»Neen, moeder," zeide hij zwaarmoedig, »sedert ik u weder zag zijn al de herinneringen mijner jeugd ik weet niet hoe sterk in mij herleefd, en is het oude verlangen om Frankrijk nog eens weder te zien, dat verlangen dat ik reeds dood waande, in mij ontwaakt; u te zien heeft mij doen begrijpen dat men niet van goeder harte en ongestraft de genoegens van den vaderlandschen haard kan verloochenen, die men niet eer leert waardeeren voor dat men ze niet meer genieten kan. Ook bestaat bij mij het vaste voornemen om met u weldra dit eenzame land te verlaten en naar Frankrijk terug te keeren."

»Helaas!" riep zij op een zacht verwijtenden toon, »wij zouden daar zoo gelukkig zijn; waarom gaan we er dan niet dadelijk naar terug?"

»Omdat dit onmogelijk kan, moedertje; ik heb hier een heiligen plicht te volbrengen; maar ik geef u mijn woord van eer, als ik dien plicht heb volbracht en weder vrij ben blijven wij geen uur langer hier. Heb dus geduld, moeder; misschien vertrekken wij reeds over twee maanden naar Frankrijk."

»God geve het! mijn zoon," zei de oude vrouw treurig. »Enfin, het moet dan maar gaan zoo als gij zegt, ik zal geduld hebben."

»Ik zeg u dank, moeder, uwe toegevendheid maakt mij gelukkiger dan ik u zeggen kan."

De oude vrouw zuchtte, maar sprak niet verder.

De kleine karavaan vervolgde in stilte haar tocht in de richting van het dorp der Comanchen, daar zij tegen drie ure in den namiddag aankwam.

»Moeder," riep Valentin, »gij weet nog niets van de leefwijze der Indianen; maak u dus niet ongerust over hetgeen gij hier hooren zult."

»Ik ben immers bij u?" riep zij, »waar zou ik bang voor zijn?"

»O!" riep hij vergenoegd, »gij zijt de moedige vrouw naar het Evangelie."

»Helaas! neen," antwoordde zij met een gesmoorden zucht, »gij bedriegt u al te zeer, mijn jongen; ik ben maar eene arme oude vrouw die haar zoon lief heeft, niet meer...."

XIX.

DE ZOON DES BLOEDS.

De Witte-Gazelle was bij den Zoon des Bloeds aangekomen. Deze lag met zijn troep op de kruin van een heuvel gekampeerd, van welks top hij ver over de prairie kon uitzien.

Het ging tegen den avond, de nachtvuren waren reeds ontstoken en de partijgangers zaten er omheen en maakten vroolijk hun avondmaal gereed.

De Zoon des Bloeds was blijde dat hij zijn nicht zag aankomen. Zij hadden samen een langdurig gesprek, na den afloop waarvan de wreker, zoo als hij zelf zich noemde, den ranchero wenkte nader te komen.

Ondanks zijne onbeschaamdheid, stond Andres Garote niet zonder zeker gevoel van angst tegenover den man, wiens blik hem scheen te willen doorboren en de diepste geheimen van zijn hart dreigde te zullen lezen.

De naam van den Zoon des Bloeds was te lang in de prairie bekend en gevreesd, dan dat de ranchero zich in diens tegenwoordigheid op zijn gemak konde gevoelen.

De partijganger zat bij het vuur zijn Indiaansche pijp te rooken, naast hem zat de Witte-Gazelle.

De ranchero kreeg bijna berouw dat hij zich in de tegenwoordigheid van zulk een man had durven begeven, maar deze gedachte duurde slechts een oogenblik; zijn haat kwam onmiddellijk weder boven en ieder spoor van verlegenheid verdween van zijn gelaat.

»Kom nader, kerel," zei de Zoon des Bloeds, »volgens hetgeen de señora mij zegt, denkt gij de middelen in handen te hebben om den Roode-Ceder te doen vallen?"

»Heb ik gezegd den Roode-Ceder?" antwoordde de ranchero, »ik geloof van neen, monseñor."

»Van wien hebt gij dan gesproken?"

»Van Fray Ambrosio."

»Wat geef ik om dien aterling," riep de andere, »wat die doet gaat mij niet aan en daar wil ik mij niet mede ophouden; ik heb wel andere en gewichtiger zaken te behartigen."

»Dat kan wel zijn, monseñor," antwoordde de ranchero stoutmoediger dan men van hem verwacht zou hebben; »maar ik heb alleen met Fray Ambrosio te doen."

»Loop dan naar den duivel, want in dat geval zal ik u in uwe onderneming gewis niet helpen."

Andres Garote verloor ondanks deze brutale ontvangst den moed niet, hij liet de schouders zakken, glimlachte loos en zei met een fleemende stem:

»Dat kan men niet weten, monseñor."

»Hum! dat zou toch bezwaarlijk gaan."

»Minder dan gij denkt, monseñor."

»Hoe dan?"

»Gij hebt het tegen den Roode-Ceder, niet waar?"

»Wat raakt het u, kerel?" antwoordde de Zoon des Bloeds barsch.

»Mij zeker niet met al, des te minder daar ik hem noch dank noch dienst schuldig ben, maar met u is dat anders, monseñor."

»Wat weet gij daarvan?"

»Ik veronderstel het, monseñor, en daarom had ik plan u een koop voor te slaan."

»Een koop!" riep de Zoon des Bloeds verontwaardigd.

»Ja, monseñor," antwoordde de ranchero onbeschaamd, »en een voordeeligen koop voor u, durf ik te zeggen."

»En voor u dan?"

»Voor mij natuurlijk ook."

De Zoon des Bloeds begon te lachen.

»Die man is gek," zeide hij de schouders ophalende en vervolgde tegen zijne nicht: »hoe drommel kwam het u in het hoofd om mij dien kerel hier te brengen?"

»Kom," riep de Witte-Gazelle, »gij kunt hem licht aanhooren, wat schaadt u dat?"

»De señorita heeft gelijk," riep de ranchero levendig, »hoor mij, monseñor, dat verbindt u tot niets; buitendien als mijn voorstel u niet bevalt, kunt gij immers altijd weigeren."

»Dat 's waar," antwoordde de Zoon des Bloeds met minachting. »Kom spreek dan maar op, Picaro, maar een verzoek, maak het kort."

»O, het is mijne gewoonte niet om lange praatjes te maken."

»Kom, ter zake, ter zake!"

»De zaak is zoo," hervatte de ranchero resoluut. »Gij wilt u,--ik weet niet waarom, en dat is mij volstrekt onverschillig--maar gij wilt u op den Roode-Ceder wreken, ik op mijne beurt, om redenen daar ik u niet meê zal lastig vallen, wil mij wreken op Fray Ambrosio, dat is duidelijk genoeg, niet waar?"

»Volkomen duidelijk. Ga voort."

»Best. Nu kan ik u eenvoudig voorslaan, dat gij mij helpt mij te wreken aan den monnik, dan zal ik u helpen u te wreken aan den bandiet."

»Daar heb ik uwe hulp niet bij noodig."

»Misschien niet, monseñor, maar als ik niet vreesde al te vrijpostig te zijn, zou ik zelfs zeggen...."

»Wat zoudt gij mij zeggen?"

»Dat gij mijne hulp niet missen kunt?"

»Voto a Dios!" riep de andere met een schaterenden lach, »dat is erger dan gekscheren, die kerel komt bepaald om mij te bespotten."

Andres Garote bleef met de grootste bedaardheid staan.

»Maar komaan, ga voort," hervatte de Zoon des Bloeds, »het is veel vermakelijker dan ik zoo even dacht; en hoezoo kan ik u niet missen?"

»O! mijn hemel, monseñor, dat is dood eenvoudig, daar gij niet weet waar de Roode-Ceder gebleven is."

»Dat is waar; ik heb hem sedert lang te vergeefs gezocht."

»En ik zet het u hem te vinden, als ik u niet te hulp kom."

»Weet gij dan waar hij is, gij?" riep de Zoon des Bloeds driftig zijn hoofd opstekende.

»Ha zoo! nu schijn ik voor u belangrijk te worden, monseñor," zei de ranchero met een nurksch gezicht.

»Antwoord mij, ja of neen," hernam de partijganger, woest, »weet gij waar hij is?"

»Ei! zou ik u dan ooit zijn komen opzoeken?"

De partijganger bedacht zich een oogenblik.

»Zeg mij waar hij is," herhaalde hij.

»Gaat onze koop dan door?"

»Hij gaat door."

»Zweert gij mij dat?"

»Op mijne eer."

»Goed," zei de andere vergenoegd, »luister dan nu."

»Ik luister."

»Gij weet zonder twijfel dat de Roode-Ceder en de Gids der Prairiën samen slaags zijn geweest?"

»Dat weet ik, ga voort."

»Na den slag zocht iedereen een goed heenkomen. De Roode-Ceder was gewond; hij bracht het niet ver, en viel weldra in flauwte onder een boom neêr. De Franschman en zijne vrienden zochten hem overal; en ik geloof dat het hem slecht vergaan zou zijn als zij hem in handen hadden gekregen. Maar gelukkig voor hem had zijn paard hem midden in een dicht woud gevoerd, waar niemand hem dacht te vervolgen. Bij toeval, of liever door mijne geluksster zoo als ik nu begin te denken, kwam ik dien kant uit waar hij zich bevond; zijne dochter Ellen was bij hem en bood hem zooveel mogelijk hulp, ik was er wezenlijk van getroffen toen ik het zag. Hoe zij daar kwam weet ik niet, maar zooveel is zeker, zij was er.

»Zoodra ik den Roode-Ceder in de verte had gezien dacht ik een oogenblik om den jager op te sporen en hem mijne ontdekking mede te deelen."

»Hum! waarom hebt gij zulk een gedachte niet dadelijk ten uitvoer gebracht, kerel?"

»Om eene zeer eenvoudige reden, maar die ik voor alles afdoende houd."

»Laat mij die reden hooren," riep de Zoon des Bloeds, die onwillekeurig in het verslag van den ranchero hoe langer zoo meer behagen vond, te meer daar het even koddig als flink werd voorgedragen.

»Ik zal u die zeggen," hervatte Garote. »Don Valentin, zoo als hij heet, is ongemakkelijk, ik sta bij hem niet in den allerbesten reuk en bovendien was hij zoo dicht bezet met Comanchen en Apachen en dergelijk kanalje, dat ik om u de waarheid te zeggen bang werd en geen lust had om er mijne haren aan te wagen, die ik liefst wilde behouden. Ik bleef dus achter af, uit vrees dat ik zonder profijt de kastanjes voor anderen uit het vuur zou halen."

»Zoo kwaad niet geredeneerd."

»Niet waar, monseñor? Terwijl ik mij zoo stond te bedenken welke partij ik kiezen zou, kwam er een troep van tien of twaalf ruiters, ik weet niet van waar, op de plaats waar de Roode-Ceder half dood nederlag."

»Is hij dan werkelijk gewond?"

»Ja, en ik durf zeggen gevaarlijk genoeg; aan het hoofd der ruiters was juist een Fransch missionaris, dien gij zoo ik meen kennen moet?"

»Pater Seraphin?"

»Dezelfde."

»Wat heeft hij gedaan?"

»Iets dat ik in zijne plaats zijnde zeker niet zou gedaan hebben; hij heeft den Roode-Ceder opgenomen en weggevoerd."

»O! dat is juist zijne wijze van doen," riep de Zoon des Bloeds ondanks zich zelven. »En naar welke plaats heeft hij den gewonde vervoerd?"

»Naar een grot, daar ik u brengen zal, zoo gij dat wilt?"

»Liegt gij niet?"

»Neen, monseñor."

»'t Is goed, ga nu slapen; gij kunt op mijne belofte rekenen indien gij getrouw zijt."

»Dank u, monseñor, wees daar maar gerust op; al was ik niet gezind u getrouw te zijn, zou mijn eigen belang mij verbinden u niet te bedriegen."

»Dat is waar."

De ranchero verwijderde zich. Een half uur later sliep hij zoo gerust als ieder eerlijk man die meent dat hij zijn plicht gedaan heeft.

Den volgenden morgen met het krieken van den dag, trok de bende van den Zoon des Bloeds op marsch.

In de woestijn is het vaak zeer moeielijk te vinden wat men zoekt, uit hoofde van het zwervende leven dat iedereen ter zake van zelfbehoud verplicht is te voeren; de partijganger, die zich vooral met Valentin en diens vrienden wilde verstaan, verloor dus veel tijd eer hij met zekerheid wist waar hij met de zijnen kampeerde.

Eindelijk kwam een zijner veldontdekkers hem berichten dat de Franschman dien dag naar het winterdorp der Comanchen vertrokken was.

Hij richtte zich onmiddellijk naar dien kant.

Intusschen had de Zoon des Bloeds Andres Garote gelast om op al de bewegingen van den Roode-Ceder een wakend oog te houden, daar hij geen beslissende poging wilde wagen alvorens van zijne zaak zeker te zijn.