Part 11
Valentin sloeg de armen bij zich neer, als iemand die er van afziet om een al te moeielijk raadsel op te lossen.
»Ik begrijp er niets meer van," zeide hij.
»Gij zult het eerlang begrijpen," riep zij.
Op eens sprong zij in den zadel en zich nog eens tot Valentin wendende, zeide zij:
»Vaarwel! caballero: ik vertrek naar den Zoon des Bloeds, weldra zien wij elkander terug. Vaarwel!"
En hiermede gaf zij haar paard de sporen, wuifde den jager met de hand een laatst vaarwel toe en vertrok in galop, terwijl zij spoedig in een wolk van stof verdwenen was.
Valentin keerde vol gedachten naar zijne vrienden terug.
»Wel?" vroeg hem don Miguel.
»Wel!" was zijn antwoord, »wat zou het wezen? dat meisje is het zonderlingste schepsel dat ik ooit ontmoet heb."
Zoodra zij den jager uit het gezicht was, verslapte de Witte-Gazelle den galop van haar paard en bracht het in den meer bedaarden pas, die beter met de omzichtigheid van een eenzaam reiziger in de prairie overeenkomt.
Het jonge meisje gevoelde zich op dit oogenblik gelukkig, zij was niet alleen geslaagd in haar plan om den jongman dien zij beminde uit een dreigend gevaar te redden, maar tevens om zich met Valentin en diens gezellen weder op een goeden voet te brengen.
De Roode-Ceder was haar, wel is waar, ontsnapt, maar voor ditmaal had hij toch een goede les gehad en zou hij, van alle zijden als een wild dier verjaagd, naar het zich liet aanzien spoedig in handen vallen van hen wier belang medebracht hem uit den weg te ruimen.
Zij reed onbezorgd voort, wierp nu en dan een verstrooiden blik in het rond, en bewonderde de kalme rust der prairie onder den glans der zonnestralen die zich spiegelden in het jonge groen der kreupelboschjes.
Nooit had zij de wildernis zoo schoon gevonden, nooit scheen de stilte zoo groot als die er thans heerschte in haar gemoed.
Reeds neigde de zon ten ondergang en verlengden zich de schaduwen van het hier en daar in vollen zomerdos prijkend reusachtig geboomte; de vogeltjes in het dichte gebladerte verscholen zongen den Heer der Schepping hun veelstemmig avondlied, toen de eenzame amazone op eens aan den rand eener groeve door het afvloeiende regenwater gedurende den wintertijd gegraven, een man meende te zien liggen half op den eenen elleboog geleund.
Deze man, bij wien een paard op korten afstand liep grazen, scheen met iets bezig te zijn daar het meisje niets van begreep, maar dat op het levendigst hare aandacht trok.
Ofschoon zij snel de plek naderde waar hij zich bevond, stoorde de vreemdeling zich niet aan haar en zette zijn onbegrijpelijk werk met gespannen aandacht voort.
Eindelijk stond zij vlak tegenover hem; en nu kon zij een uitroep van verrassing niet weerhouden; zij bleef pal staan om hem met verwondering aan te kijken.
De man speelde in zijne eenzaamheid monté, een soort van Mexicaansch lansquenet, met een spel kaarten dat er bijzonder smerig uitzag.
Deze vertooning vond zij zoo buitengewoon koddig dat zij in een schel gelach uitbarstte.
Bij dit geluid hief de man het hoofd op.
»Ziedaar!" riep hij zonder zich overigens in het minst verwonderd te toonen, »wist ik het niet dat er iemand komen zou; dat kan nooit missen, op dit gezegend benedenrond!"
»O, foei!" riep zij met een lach, »gelooft gij daaraan?"
»Canarios! ik ben er zeker van," antwoordde hij, »en gij zelve bewijst het mij, señorita, juist omdat gij komt."
»Leg mij dat eens nader uit, vriend, als ik u verzoeken mag, want ik moet u bekennen dat ik er geen letter van begrijp."
»Dat geloof ik niet," riep de onbekende hoofdschuddend; »maar toch, strikt genomen zou het waar kunnen wezen. In allen geval, ik sta er voor in, dat het zoo is."
»Zeer goed, maar wees dan zoo goed en verklaar het mij nader."
»O, dat is gemakkelijk genoeg, señorita. Ik ben uit Jalapa, een stad die gij wel kennen moet."
»Ja, maar niet anders dan door de medicijn, die er den naam aan ontleent."
»Goed, goed," lachte de andere, »maar dat neemt niet weg dat Jalapa een mooie stad is."
»Integendeel! ga voort."
»Ik ga al voort. Gij moet dan weten dat wij te Jalapa een spreekwoord hebben."
»Zeer mogelijk; strikt genomen is dat op zich zelf zooveel bijzonders niet."
»Dat is waar, maar dat spreekwoord kent gij toch niet, zeg!"
»Neen, dat wacht ik van u te zullen hooren."
»Daar is het: »wilt gij gezelschap, leg dan de kaarten.""
»Dat begrijp ik niet."
»Loop heen!"
»Op mijn woord niet!"
»Met dat al is het toch zeer duidelijk; dat zult gij zien."
»Ik wou dat ik het reeds zag," riep het meisje, die het gesprek uitermate behagelijk vond.
De onbekende stond op, stak de kaarten in zijn zak met al den ernst die een speler van beroep aan dit werk besteedt en nu met den arm achteloos op den hals van het paard der Gazelle leunende sprak hij:
»Door eene reeks van omstandigheden, te lang om u te vertellen bevind ik mij moederziel alleen in deze onmetelijke prairie waar ik geen heg of steg weet; als fatsoenlijk stadsburger ben ik volstrekt niet op de hoogte van de zeden en gebruiken der wildernis, zoodat ik natuurlijk eerlang van honger en gebrek zal moeten omkomen."
»Met uw welnemen, dat ik u in de rede val, maar ik moet u, doen opmerken dat wij hier zoo wat drie honderd mijlen ver van de naaste stad verwijderd zijn en er dus strikt genomen nog al eenige tijd heeft moeten verloopen sedert gij, beschaafde man, u in de wildernis bevindt."
»Dat is ook zoo; wat gij daar zegt is maar al te waar, señorita; maar dat komt door die lange reeks van oorzaken daar ik u zoo even van sprak en die te veel tijd zouden kosten om u te vertellen."
»Zeer goed, ga voort."
»Welnu, toen ik zag dat ik verloren was, dacht ik aan het spreekwoord van mijn land, haalde ik de kaarten uit mijn alforjas (knapzak) en begon, ofschoon gansch alleen, te spelen, wel overtuigd dat er dan spoedig, ongevraagd wie of van waar, een kameraad zou opdagen, niet om een partijtje met mij te spelen, maar om mij uit de verlegenheid te helpen."
De Witte-Gazelle werd op eens ernstig en richtte zich op in den zadel.
»Gij hebt wel zeker spel gespeeld," zeide zij, »want zoo als gij ziet, Andres Garote, ik ben gekomen."
Zoodra de ranchero zijn naam hoorde, want het was inderdaad onze oude kennis die hier voor den duivel speelde, stak hij het hoofd op en keek haar aan.
»Wie zijt gij toch," zeide hij, »dat gij mij zoo goed kent; ik kan mij niet herinneren dat ik u ooit gezien heb?"
»Kom, kom," riep het meisje lachend, »uw geheugen moet dan wel kort zijn, vriend; of herinnert gij u de Witte-Gazelle niet meer?"
Bij dezen naam sprong de ranchero een voet achteruit.
»O! tonto--dwaas!--die ik ben," riep hij; »'t is waar. Maar ik kon zoo weinig denken dat ik u hier.... Neem mij niet kwalijk, señorita...."
»Hoe is het," viel de Gazelle hem in de rede, »hebt gij den Roode-Ceder in den steek gelaten?"
»Caramba!" riep de ranchero, »zeg liever dat de Roode-Ceder mij in den steek heeft gelaten; doch om hem geef ik minder, er is een andere oude vriend daar ik drommels kwaad op ben."
»Ah zoo!"
»Ja, en ik zou het hem graag betaald zetten, des te meer daar ik er op dit oogenblik wel kans toe zie."
»En wie is die vriend?"
»Gij kent hem even goed als ik, señorita."
»Dat kan wel zijn, maar dan dien ik zijn naam toch te weten, of gij moest dien geheim willen...."
»Volstrekt niet," viel haar de ranchero met drift in de rede; »gij kent zijn naam even goed als ik; de man dien ik bedoel, is Fray Ambrosio."
Toen zij dezen naam hoorde begon de Gazelle in het gesprek meer en meer belang te stellen.
»Fray Ambrosio!" riep zij, »en wat hebt gij dien braven man te verwijten?"
De ranchero keek het meisje strak aan, om te zien of het haar ernst was. Het gelaat der Witte-Gazelle stond koel en strak; zij schudde het hoofd.
»'t Is een oude rekening tusschen hem en mij," zeide hij, »God zal ons oordeelen."
»Goed, dan wil ik u geen verderen uitleg vragen; en daar uwe zaken mij niet bijzonder veel belang inboezemen, te minder omdat ik met de mijne genoeg te doen heb, zult gij mij wel toestaan u te verlaten."
»Waartoe dat?" riep de ranchero schielijk, »laten wij bij elkander blijven, wij zijn immers wèl samen; waarom zouden wij scheiden?"
»Waarom? omdat wij waarschijnlijk niet denzelfden kant uitmoeten."
»Hoe weet gij dat, nina? Als ik u hier heb moeten aantreffen, is het zeker omdat wij samen zouden reizen."
»Ik ben niet van dat gevoelen; ik was op weg naar een man dien gij waarschijnlijk niet gaarne onder de oogen zoudt willen komen."
»Dat 's niet gezegd, nina, dat 's niet gezegd," antwoordde de ranchero met zekeren ijver; »want ik heb gezworen mij te zullen wreken aan zekeren monnik Ambrosio; en alleen ben ik te zwak om het uit te voeren of, om u de waarheid te zeggen, ik heb er den moed niet toe."
»Goed," riep de Gazelle meesmuilend, »maar hoe zult gij het dan maken om u die wraak niet te zien ontsnappen?"
»O! daar weet ik wel raad op, dat is niets; ik ken iemand in de woestijn die hem een doodelijken haat toedraagt en die er vrij wat voor geven zou om tegen hem een afdoend bewijs in handen te krijgen, want ongelukkig heeft die man het gebrek van eerlijk te zijn."
»Ah! zoo."
»Ja, wat denkt gij? niemand is immers volmaakt."
»En wie is die man?"
»O! hebt gij nooit van hem hooren spreken, nina?"
»Zeg wat gij weet! en noem mij zijn naam, zeg ik u."
»Zooals gij wilt; men noemt hem den Zoon des Bloeds."
»De Zoon des Bloeds!" riep de Gazelle blijkbaar verrast.
»Ja; kent gij hem?"
»Zoo wat; ga voort."
»Ronduit gezegd, dien man zoek ik."
»En gij hebt de bewijzen in handen, zegt gij, om dien Fray Ambrosio te doen vallen?"
»Ik denk wel van ja."
»Waarom denkt gij het?"
De ranchero haalde de schouders op en trok zijn mond veel beteekenend samen.
De Witte-Gazelle wierp hem een van die doorborende blikken toe waarmede men in de diepte der harten lezen kan.
»Hoor eens," zeide zij, hem de hand op den schouder leggende, »den man dien gij zoekt zal ik u doen vinden."
»Gij?"
»Ja!"
»Spreekt gij waarlijk in ernst," riep de ranchero met een sprong van verbazing.
»Zoo ernstig als ooit; maar ik dien vooraf te weten of gij waarheid gesproken hebt."
Andres Garote keek haar aan.
»Hebt gij het dan ook op Fray Ambrosio gemunt?" vroeg hij.
»Dat gaat u niet aan," antwoordde zij, »het is hier de vraag niet wat ik zal doen, maar wat gij zult doen; hebt gij die bewijzen waarvan gij spreekt, ja of neen?"
»Ik heb ze."
»Inderdaad?"
»Op mijn eer!"
»Volg mij dan, en binnen twee uren zijt gij bij den Zoon des Bloeds."
De ranchero trilde van vreugde, en er kwam een glimlach op zijn verschrompeld gezicht.
»Spreekt gij in ernst?" riep hij.
»Kom mede," antwoordde zij.
De ranchero sprong te paard.
»Ik ben al klaar," zeide hij, »laten wij gaan."
»Laten wij gaan," herhaalde de Gazelle.
Zij vertrokken.
Intusschen had de dag plaats gemaakt voor den nacht, de zon was sinds lang ondergegaan, een tallooze menigte sterren blonken aan het hemelgewelf; de beide tochtgenooten reden naast elkander, snel als de wind, zwijgend en zonder om te zien.
»Komen wij er haast?" hijgde Andres Garote eindelijk.
De Witte-Gazelle wees hem met de hand voor zich uit, in de richting die zij volgden, en op korten afstand schitterde er een licht door het geboomte.
»Daar is het," zeide zij.
XV.
HET HERSTEL.
De Roode-Ceder beterde slechts langzaam, ondanks de ijverige zorgen door pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin aan hem besteed.
De zedelijke schok door den bandiet ontvangen toen hij zich zoo eensklaps tegenover den zendeling bevond, was te sterk geweest om geen invloed op zijn gestel uit te oefenen.
Evenwel was de Squatter zich tamelijk gelijk gebleven, sedert den dag, toen hij tot het leven terugkeerende zich in ootmoed voor den zendeling had neergebogen. Wat het ook wezen mocht, hetzij oprecht berouw, of een gespeelde rol, maar hij was op dien voet volstandig blijven voortgaan, tot groote voldoening van den missionaris en de twee vrouwen, die uit grond van hun hart God dankten voor zulk eene verandering.
Zoodra de lijder in staat was op te staan en eenige passen in de grot te wandelen, had pater Seraphin, die nog altijd vreesde Valentin te zien opdagen, hem gevraagd wat hij voornemens was en welke levenswijs hij in 't vervolg dacht te kiezen.
»Vader," antwoordde de Squatter, »ik ben voortaan uw eigendom; wat gij mij raden zult zal ik doen, ik moet u doen opmerken dat ik een soort van wildeman ben, die geheel zijn leven in de woestijn heeft doorgebracht. Hoe zou ik deugen in eene stad, onder menschen van wier gewoonten of karakter ik niets begrijpen zal?"
»Dat is zoo," zei de zendeling; »geheel zonder middelen van bestaan op uw leeftijd en met geen ander vak bekend dan dat van jager of woudlooper, zoudt gij een allerellendigst leven kunnen hebben en misschien bitter armoede moeten lijden."
»Dat zou mij niet terughouden, vader, als ik daarmede mijn vorige leven kon afboeten, maar ik heb de menschen te zwaar beleedigd om in hun midden terug te keeren; 't is in de woestijn dat ik leven en sterven moet, om door een onbezoedelden ouderdom, zooveel ik vermag, de misdrijven te vergoeden van eene jeugd daar ik met afgrijzen op terugzie."
»Ik moet u prijzen, uw voornemen is goed, laat er mij eenige dagen over nadenken, dan zal ik zien of ik u de middelen verschaffen kan om te leven zooals gij dat verstaat."
Hierbij bleef het gesprek.
Er verliep bijna eene maand zonder dat de missionaris, behalve de vermaningen die hij den Roode-Ceder dagelijks gaf, op het hier boven tusschen hen gesprokene terugkwam.
De Squatter had ten allen tijde Ellen zekere woeste, of als men het zoo noemen kan, brutale en hardvochtige vriendschap getoond, die geheel met zijn ruw en ongevoelig karakter overeenstemde; maar sedert hij hare onbezweken trouw had leeren waardeeren en de zelfverloochening waarmede zij hem op het krankbed verzorgde, was er bij hem eene soort van omwenteling voorgevallen; een nieuw gevoel was er ontwaakt in zijn hart en met al de kracht zijner ziel was hij begonnen dat bekoorlijke schepsel lief te hebben.
De anders zoo woeste man behoefde het lieve meisje slechts te zien om zoo gedwee te worden als een lam, een glans van genoegen straalde uit zijne wilde oogen, en zijn mond, altijd zoo gereed tot vloeken, opende zich gaarne om zachte woorden te spreken.
Menigmaal, als hij aan de zijde van den berg op korten afstand van de grot met haar zat te praten, soms uren achtereen, kon hij met onbeschrijfelijk genot luisteren naar die welluidende stem, wier streelende klank hij tot hiertoe zoo weinig had gekend of opgemerkt.
Ellen verborg haar eigen leed in haar boezem en wendde eene opgeruimdheid voor die zij wel verre was van te bezitten, om den man niet te bedroeven dien zij als haar vader beschouwde en die zoo gelukkig scheen haar vroolijk aan zijne zijde te zien.
Inderdaad, zoo iemand op dit oogenblik op het gemoed van den ouden bandiet eenig overwicht bezat en in staat scheen hem op den goeden weg terug te brengen, was het Ellen.
Zij wist dit wel en gebruikte met fijn overleg de macht die zij over hem had om het mogelijke te doen tot verbetering van den wildeman, die in zijn leven tot dusver voor al wat mensch heet een soort van duivel geweest was.
Op zekeren morgen terwijl de Roode-Ceder, bijna geheel van zijne wonden hersteld, aan den arm van Ellen zijne gewone wandeling deed, kwam pater Seraphin, die sinds de laatste twee dagen afwezig was geweest, hem te gemoet.
»Ach! zijt gij daar, vader!" riep de Squatter zoodra hij hem zag; »ik begon reeds ongerust te worden dat ik u niet weder zien zou, en ik ben blij dat gij terug zijt."
»Hoe bevindt gij u thans?" vroeg de missionaris.
»Zeer wel; ik zou geheel genezen zijn zoo mijne krachten reeds waren teruggekeerd, maar dat zal niet lang meer duren, hoop ik."
»Zoo veel te beter, want dat ik zoo lang afwezig ben geweest, daarvan zijt gij zelf min of meer de oorzaak."
»Hoedat?" vroeg de Squatter nieuwsgierig.
»Gij weet wel dat gij mij eenigen tijd geleden uw verlangen hebt te kennen gegeven om u in de prairie te vestigen."
»Dat heb ik ook."
»Welnu, alles wel ingezien," hervatte de zendeling, »komt mij dat voor u veel verkieslijker voor, daar het u de middelen zal verschaffen om aan de vervolging uwer vijanden te ontsnappen."
»Geloof mij, vader," zei de Roode-Ceder ernstig, »dat ik geenszins verlang te ontsnappen aan hen die ik beleedigd heb; als mijn dood de misdaden kon afkoopen waaraan ik schuldig sta, zou ik niet aarzelen om mijn leven op te offeren ter voldoening aan de openbare gerechtigheid."
»Ik acht mij gelukkig, vriend, te zien dat gij zulke goede gevoelens koestert, maar ik geloof dat God, die in geen geval den dood des zondaars wil, naar zijn gunstrijk welbehagen u liever de gelegenheid laat om door een voorbeeldig leven zooveel mogelijk het kwaad te herstellen, dat gij gedaan hebt."
»Ik ben uw eigendom, vader, heb ik u eenmaal gezegd, en ik herhaal het nog; wat gij mij raadt, zal mij een bevel zijn, een bevel dat ik met vreugde volbrengen zal. Het is eerst sedert de Voorzienigheid mij met u in betrekking bracht, dat ik de grootheid mijner wanbedrijven heb leeren beseffen. Helaas! ik ben er niet alleen geheel verantwoordelijk voor, want daar ik nooit anders dan slechte voorbeelden gezien heb, kende ik geen onderscheid tusschen goed en kwaad, dacht ik dat alle menschen slecht waren, en ben ik in mijn doen niet anders te werk gegaan dan in den bedriegelijken waan van wettige zelfverdediging."
»Nu dan, terwijl uw oor thans voor de waarheid is opengegaan, en uw verstand den verheven zin van het Evangelie begint te begrijpen, is u het pad aangewezen; voortaan hebt gij alleen te volharden op den goeden weg dien gij vrijwillig zijt ingetreden."
»Helaas!" zuchtte de Squatter, »ik ben zulk een slecht schepsel en de vergeving zoo diep onwaardig, dat naar ik vrees de Almachtige mij niet in genade zal aannemen."
»Deze woorden zijn eene beleediging voor de Godheid," zei de zendeling ernstig; »hoe schuldig de zondaar ook is, mag hij toch nooit wanhopen aan de Goddelijke barmhartigheid; of zegt het Evangelie niet: er zal grooter blijdschap zijn in den hemel over eenen zondaar die zich bekeert dan over honderd rechtvaardigen die de bekeering niet noodig hebben."
»Verschoon mij, vader."
»Welaan," hervatte de missionaris, op eens van toon veranderende, »komen wij dan terug op de reden die mij tot u bracht. Ik heb voor u in een aangenaam oord, eenige mijlen van hier eene jacal laten bouwen waar gij met uwe dochter wonen kunt."
»Wat zijt gij toch goed, vader!" zei de Squatter in vervoering, »wat ben ik u toch een dank schuldig!"
»Spreken wij daar niet van, ik zal mij genoeg beloond achten als ik zie dat gij in uw berouw volhardt."
»O! vader, gij moet gelooven dat ik mijn vorige leven verfoei en verafschuw."
»Ik hoop maar dat dit altijd zoo blijven zal. Die jacal waar ik u zoodra gij zulks verlangt brengen zal, ligt in zulk een stillen en verborgen hoek, dat zij schier onmogelijk te ontdekken is; ik zelf heb haar van de noodige voorwerpen en gereedschappen voor uw dagelijksch gebruik voorzien; gij zult er voedsel vinden voor een aantal dagen, alsmede vuurwapenen en kruit om u tegen de wilde dieren te verdedigen of op de jacht te gaan. Ik heb er ook eenige strikken en bevervallen bijgevoegd, kortom, alles wat een pelsjager en strikkenzetter noodig heeft."
»O! hoe goed zijt gij, vader!" riep Ellen met tranen van vreugde op de wangen.
»Kom, kom, spreken wij daar niet van," hervatte de zendeling vroolijk. »Ik deed niets meer dan mijn plicht: overigens heb ik, tot meerdere zekerheid en om alle onbescheiden nieuwsgierigen den pas af te snijden, de geheele zaak voor een ieder geheim gehouden; de jacal is door mij alleen, zonder iemands hulp gebouwd. Gij kunt dus gerust zijn dat niemand u in uwe hermitage zal komen storen."
»En wanneer kan ik nu naar mijne hut gaan, vader?"
»Wanneer gij maar wilt; alles is gereed."
»O, ja! als ik niet vreesde ondankbaar te schijnen, zou ik zeggen op staanden voet, vader."
»Zoudt gij denken dat gij reeds weder sterk genoeg zijt om eene reis van vijftien mijlen goed te maken?"
»Ik gevoel mij op dit oogenblik meer dan gewoon sterk, vader."
»Kom dan maar aanstonds mede; want als gij zelf mij dat voorstel niet gedaan hadt, zou ik het u gedaan hebben."
»Dus is alles naar wensch, niet waar? en gij neemt mij dan volstrekt niet kwalijk dat ik zooveel haast maak om u te verlaten, vader?"
»In 't minst niet, stel u daaromtrent gerust."
Al pratende waren onze drie wandelaars de berghelling afgedaald daar de grot op lag en bevonden zij zich in de kleine vallei.
Drie gezadelde paarden stonden hun daar te wachten door een Indiaan bewaakt.
»In de wildernis zijn de afstanden bijna te groot om te voet te gaan," zei pater Seraphin, »men kan bijna niet leven zonder paarden; gij zult mij pleizier doen als gij deze van mij aanneemt."
»Maar vader," riep de Squatter, »dat is toch te veel, dat is veel te veel; gij overstelpt mij waarlijk."
Vader Seraphin schudde het hoofd.
»Begrijp mij goed," zeide hij, »er steekt in alles wat ik voor u doe veel meer slim overleg en baatzucht dan gij veronderstelt."
»Zoo!" riep de Roode-Ceder.
»Baatzucht in een goed werk!" riep Ellen ongeloovig, »nu schertst gij toch, vader."
»Neen, lieve kind, ik spreek in goeden ernst; gij zult mij weldra begrijpen: dat ik alles voor uw vader zoo goed overlegd en in orde heb gebracht, is om hem volkomen in staat te stellen een eerlijk en braaf jager te worden en hem ieder voorwendsel te ontnemen om tot zijne oude dwalingen terug te keeren, zoodat het nu geheel zijn eigen schuld zou zijn als hij niet volharden mocht in zijn besluit om zich te verbeteren."
»'t Is waar," hernam de Roode-Ceder. »Nu vader, dan dank ik u voor uwe baatzucht, die mij den gelukkigsten aller menschen maakt en mij bewijst dat gij vertrouwen in mij stelt."
»Kom! nu te paard."
»Maar," zeide Ellen, »wij kunnen dunkt mij toch zoo niet vertrekken."
»Gij hebt gelijk," beaamde de Squatter, »hoe kan ik toch zoo wezen, waar staat mijn hoofd?"
»Wat woudt gij zeggen?"
»Bij God! er is immers hier nog iemand, die zoo trouw geholpen heeft om mij op te passen, vader; die goede vrouw is zich tot hiertoe in alles gelijk gebleven; ik prijs mijne dochter dat zij mij hielp herinneren niet ondankbaar jegens haar te zijn en ik wil deze grot niet verlaten zonder haar mijne erkentenis...."
»Dat behoeft niet," viel de missionaris hem met drift in de rede, »die goede vrouw is op dit oogenblik een weinig onpasselijk, zij heeft mij verzocht u van harentwegen geluk te wenschen en te verzekeren hoeveel genoegen het haar doet dat gij zoo geheel buiten gevaar zijt."
De Roode-Ceder en zijne dochter drongen er nu niet verder op aan; zij begrepen wel dat de zendeling wellicht bijzondere redenen had om deze zaak te laten rusten. Zij stegen dus in den zadel en zwegen er van, ten einde hun weldoener niet te mishagen.
De Squatter wist niet dat de vrouw die hem verpleegd had de moeder was van Valentin Guillois, zijn doodvijand. Vader Seraphin had Ellen laten beloven dat zij dit geheim niet aan haar vader zou openbaren, en het meisje had er van gezwegen zonder naar de reden van deze geheimhouding te vragen.
Christelijke liefde en edelmoedigheid, die den grond van haar karakter uitmaakten, hadden de moeder van den jager in staat gesteld om in haar hart het gevoel van afkeer te verbergen dat de Roode-Ceder haar inboezemde, en zoo lang deze in gevaar verkeerde was zij met de meeste zelfverloochening en trouw behulpzaam geweest om hem te verzorgen; maar naar mate de Squatter begon te herstellen en hare zorgen minder noodig waren, had de goede vrouw zich terug getrokken, en eindelijk zag zij den zieke slechts bij lange tusschenpoozen.