Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
AIMARD'S Indiaansche Verhalen
DE LYNCH-WET
DOOR
GUSTAVE AIMARD
MET 8 ILLUSTRATIËN VAN
CHs. ROCHUSSEN
DERDE DRUK
ROTTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ "ELSEVIER" 1884
INHOUD.
Bladz. 1. De jacal 1 2. In de jagershut 7 3. Een gesprek 14 4. Een blik terug 21 5. De hacienda Quemada 27 6. De Apachen 35 7. De Dolle-Bisonsheuvel 42 8. De Zwarte-Kat en de Eenhoorn 50 9. De samenkomst 57 10. Krijgslist 65 11. In een hoek van het bosch 72 12. De zendeling 79 13. Terugkeer tot het leven 86 14. Een oude kennis 93 15. Het herstel 100 16. De medeplichtige 107 17. Moeder en zoon 114 18. De beraadslaging 122 19. De Zoon des Bloeds 130 20. De Roode-Ceder 137 21. Curumilla 145 22. El Mal Paso 151 23. El Rastreador 158 24. Een kamp in de bergen 166 25. Een Hazardspel 173 26. Hoe Nathan zich kweet 179 27. Een spoor in de lucht 186 28. Een grauwe-berenjacht 192 29. Herkenning 199 30. Hoe Nathan voor toovenaar speelt 206 31. De Witte-Gazelle 213 32. Hoe Nathan zich verder gedraagt 221 33. Wie de slimste was 228 34. List tegen list 236 35. De jacht wordt voortgezet 243 36. De laatste schuilhoek 250 37. De cassette 257 38. Een rookzuil in de bergen 264 39. Het wilde zwijn in zijn laatste verschansing 272 40. De Lynch-wet 280
DE LYNCH-WET.
I.
DE JACAL.
Het was omtrent drie ure in den namiddag. Een eenzame ruiter, in Mexicaansche kleeding, reed in snellen galop langs den oever eener rivier zonder naam, die zich in de Rio Gila uitstort, en wier grillige kronkelingen hem noodzaakten om tallooze omwegen te maken.
Deze ruiter, ofschoon steeds met de hand aan den trekker van zijn geweer en scherp uitkijkende, om op alle onvoorziene gebeurtenissen dadelijk gereed te zijn, zette zijn paard gedurig aan met teugel en stem, alsof hij haast had om het doel zijner reis te bereiken.
De wind woei vrij sterk; met dat al was de lucht smoorheet en sjirpten de onder het lange gras verscholen krekels hun eentonig, wanluidend gezang. De vogels beschreven groote kringen in de bovenlucht en slaakten van tijd tot tijd scherpe kreten; zware koperkleurige wolken dreven gedurig over de zon en onderschepten hare doffe stralen; kortom, alles voorspelde een geducht onweder.
De reiziger scheen echter hier niet op te letten; op den hals van zijn paard gebogen, de blikken onafgewend voor zich uit richtende, versnelde hij onophoudelijk den galop van zijn viervoet, ongeacht den regen die met groote droppels begon te vallen, en het dof gerommel van den donder dat zich in de verte liet hooren.
Intusschen zou de jongman, zoo hij gewild had, zich gemakkelijk onder het schaduwrijke lommer van het eeuwenheugend natuurwoud hebben kunnen verschuilen, dat hij meer dan een uur aan zijne rechterhand had, en zoodoende het ergste van het onweder kunnen laten voorbijgaan; maar sterker aandrang dreef hem ongetwijfeld voort, want terwijl hij al sneller en sneller doorzette, gaf hij zich zelfs de moeite niet, zijn ruimen zarape over zijne schouders te slaan en zich zoodoende tegen den stortregen te dekken; het eenige waarmede hij zich behielp, was dat hij bij iederen rukwind die boven en rondom hem gierde, de hand aan zijn hoed bracht om hem dieper op zijn hoofd te drukken, terwijl hij gedurig met eene hortende stem zijn paard aanzette:
»Voort! voort! Negro!"
Inmiddels werd de rivier, wier boorden hij volgde, van lieverlede nauwer en op zeker punt waren de beide oevers zoo dicht met boomen, struiken en ineengevlochten lianen bezet, dat zij geheel onzichtbaar werd.
Aan dit punt komende, hield de reiziger stil.
Hij steeg af, bespiedde met zorg den omtrek, nam zijn paard bij den toom en geleidde het naar een dicht kreupelbosch, waar hij het zorgvuldig verborg en met de lasso aan een boomstam vastmaakte, na het eerst de bossal (het gebit) te hebben afgedaan om het te vrijer te laten grazen.
»Blijf gij maar hier, mijn Negro," zeide hij, het moedige dier met de hand streelende, »en hinnik niet, want de vijand is nabij; ik kom spoedig weder bij u."
Het schrandere dier scheen te verstaan wat zijn meester hem zeide, want het strekte den fijnen kop uit en streek den jongman zacht langs de borst.
»Goed, goed, Negro, tot spoedig!"
De onbekende nam twee pistolen uit de holsters, stak ze in zijn gordel, wierp zijn karabijn over den schouder en verwijderde zich met haastige stappen naar den kant der rivier.
Hij drong zonder aarzelen het dichte bosch in, dat den oever der rivier bedekte en schoof voorzichtig de takken uiteen die hem den doortocht versperden.
Aan den rand van het water komende, bleef hij een poosje staan, boog zich voorover en scheen te luisteren; daarna richtte hij zich weder op en mompelde:
»Nog niemand! hoe is dat?"
Nu waagde hij zich op een warbosch; met andere woorden op eene vlecht van dicht ineengestrengelde lianen en struiken, die zich van den eenen oever tot den anderen uitstrekte en hier eene natuurlijke brug vormde over de rivier.
De brug, hoe licht en onvast zij schijnen mocht, was hecht en sterk, en ondanks de zwaaiende beweging die de gang van den reiziger haar mededeelde, kwam hij binnen weinige sekonden aan den overkant.
Nauwelijks had deze den anderen oever bereikt, of een jong meisje kwam uit het dichte kreupelbosch waar zij verscholen was te voorschijn.
»Eindelijk!" riep zij, hem te gemoet ijlend; »o! ik dacht dat gij nooit komen zoudt, don Pablo!"
»Ellen!" antwoordde de jongman met een blik daar zijne gansche ziel in te lezen was, »de dood alleen had het mij kunnen beletten."
Deze reiziger was don Pablo de Zarate; het meisje Ellen, de dochter van den Roode-Ceder [1].
»Kom!" riep zij.
De Mexicaan volgde haar.
Zij gingen eenige oogenblikken voort zonder een woord samen te wisselen.
Toen zij de struiken en het kreupelhout door waren dat de rivier omzoomde, zagen zij kort voor hen uit eene armzalige jacal, die zich eenzaam en treurig verhief en tegen eene rots gebouwd was.
»Hier woon ik," zeide het meisje met een weemoedigen lach.
Don Pablo zuchtte, maar antwoordde niet.
Zij gingen verder, in de richting der jacal, die zij weldra bereikten.
»Ga zitten, don Pablo," hervatte het meisje, haar gast een taboeret aanwijzende, daar hij zich onmiddellijk op neervlijde, »ik ben alleen; mijn vader en mijne twee broeders zijn dezen morgen met zonsopgang vertrokken."
»Zijt gij niet bang," vroeg don Pablo, »hier zoo alleen in de woestijn, omringd door duizend gevaren en zoo ver van alle menschelijke hulp?"
»Wat kan ik er aan doen?" antwoordde zij, »ik ben dit leven gewoon, het gebeurt immers zoo dikwijls."
»Gaat uw vader dan zoo gedurig van huis?"
»Sedert den laatsten tijd slechts; ik weet niet wat hij ducht, maar zoowel hij als mijne broeders schijnen bijzonder treurig en bezorgd; zij doen vaak verre tochten, en als zij dan vermoeid en teleurgesteld te huis komen, hoor ik van hen niets dan ruwe en korte woorden."
»Arm kind," zei don Pablo, »ik zal u wel zeggen wat de reden is van die verre reizen."
»Denkt gij dan dat ik die niet geraden heb?" hernam zij; »neen! neen, onze horizont is veel te donker en te dreigend, om niet te gevoelen dat er een onweder broeit, dat ons weldra overvallen zal,.... maar!" vervolgde zij, min of meer gedwongen, »laten wij liever over onze eigene zaken spreken, de tijd is kostbaar; wat hebt gij uitgericht?"
»Niets," antwoordde de jongman blijkbaar verlegen; »al mijne pogingen zijn vruchteloos geweest."
»Dat is vreemd," murmelde Ellen, »dat koffertje kan toch niet weg zijn."
»Dat geloof ik evenmin als gij, Ellen; maar in wiens handen is het geraakt? dat is het wat ik u niet zou kunnen zeggen."
Het meisje dacht even na.
»Wanneer hebt gij het eerst ontdekt dat het weg was?" hervatte don Pablo een oogenblik later.
»Nauwelijks een paar minuten na den dood van Henri; verschrikt als ik was door het rumoer van den strijd en het vreeselijk gedreun der aardbeving, wist ik bijna niet wat ik dacht of deed; maar toch ik herinner mij eene enkele omstandigheid, die ons zeker wel op weg zal helpen."
»Spreek, Ellen, spreek; hoe het ook gaan mag en wat er ook gedaan moet worden, ik doe het."
Het meisje zag hem aan met een onbeschrijfelijken blik; zij trad naderbij, legde hem de hand op den arm en zei met eene stem zoo helder en welluidend als een vogel:
»Don Pablo, eene ronde en vrijmoedige verklaring is tusschen ons onvermijdelijk."
»Ik begrijp u niet, Ellen," stotterde de jongman de oogen neerslaande.
»Ja," hervatte zij met een weemoedigen glimlach. »Ja, gewis gij begrijpt mij, don Pablo; maar dat doet niets ter zake, al veinst gij niet te weten wat ik u zeggen wil, ik zal mij zoo duidelijk verklaren, dat er tusschen ons geen misverstand meer mogelijk is."
»Spreek, Ellen, al kan ik uw doel nog niet gissen, voorzie ik toch reeds een ongeluk."
»Ja," zeide zij, »gij hebt gelijk, er schuilt inderdaad een groot ongeluk onder hetgeen ik u te zeggen heb, zoo gij niet van ganscher harte bewilligt in hetgeen ik u verzoek."
Don Pablo stond op.
»Waarom nog langer geveinsd?" riep hij, »daar ik u niet kan bewegen van uw voornemen af te zien, Ellen, is de verklaring die gij van mij vordert overbodig. Denkt gij dan waarlijk," vervolgde hij terwijl hij met driftige stappen de jacal op en neder trad, »dat ik niet duizendmaal de zonderlinge betrekking in welke wij tegenover elkander staan van alle kanten beschouwd en overwogen heb? De onvermijdelijke loop der omstandigheden heeft ons te zamen gebracht, op eene wijs die geen menschelijk doorzicht kan voorzien.
»Ik bemin u, Ellen, ik bemin u van ganscher hart, u, de dochter van den doodvijand mijner familie, van hem wiens handen nog rooken van het bloed mijner zuster, dat hij geplengd heeft in den koelbloedigsten en laaghartigsten moord! Ik weet dit alles; en ik beef als ik aan mijne liefde denk, die in het oog der oppervlakkig oordeelende wereld gedrochtelijk moet schijnen. Al wat gij mij kunt zeggen, heb ik mij zelven zoo dikwijls gezegd; maar eene onweerstaanbare macht sleept mij voort op deze noodlottige helling. Wil, redeneering en besluit, alles moet zwichten voor de hoop om u eene minuut te zien en eenige woorden met u te wisselen.
»Ik bemin u, Ellen, en ik ben in staat om alles, vrienden, verwanten en betrekkingen, alles te trotseeren, op het oogenblik waarop deze liefde voor aller oog openbaar wordt en men mij zou willen dwingen er van af te zien."
De jongman uitte deze verklaring met fonkelenden blik en schelle klaterende stem, als iemand wiens besluit onherroepelijk vast stond.
Ellen boog het hoofd, twee tranen rolden langs hare verbleekte wangen.
»Schreit gij!" riep hij, »mijn God! heb ik mij dan bedrogen en bemint gij mij niet?"
»Of ik u bemin, don Pablo!" antwoordde zij met een diepe stem, »ja, ik bemin u meer dan mij zelve; maar helaas, die liefde zal ons ongeluk zijn, een onoverkomelijke slagboom scheidt ons van elkander."
»Het kan zijn!" riep hij met vuur; »maar neen, Ellen, gij bedriegt u, gij zijt niet de dochter van den Roode-Ceder, gij kunt die niet zijn. O! dat koffertje, als wij dat verwenschte koffertje slechts hadden, ik zou de helft van den leeftijd dien God mij nog geven zal, willen missen om het terug te vinden. Ik ben stellig overtuigd dat in dit koffertje de bewijzen zijn die ik zoek."
»Waartoe zoudt gij u met eene dwaze hoop vleien, don Pablo? Ik zelf heb te veel gewicht gehecht aan eenige losse woorden tusschen den Squatter en zijne vrouw gewisseld; mijne kindsche herinneringen hebben mij bedrogen, dat is helaas maar al te zeker; ik ben er thans van overtuigd, dat ik werkelijk de dochter ben van dien man."
Don Pablo stampvoette van verontwaardiging.
»Denkt gij dat!" riep hij: »het is onmogelijk, het kan niet zijn; de valk paart zich niet met de duif, de duivels kunnen geene engelen gewinnen! Neen! die booswicht kan uw vader niet zijn!..... Hoor eens, Ellen, bewijzen heb ik er niet voor, integendeel, alles stelt mij in het ongelijk; de schijn is geheel tegen mij: en toch! hoe dwaas het ook schijne, toch ben ik zeker dat ik gelijk heb en dat mijn hart mij niet misleidt als het mij zegt dat die man u vreemd is."
Ellen zuchtte.
Don Pablo hervatte:
»Intusschen, Ellen, moet ik u oogenblikkelijk verlaten. Langer hier blijven zou uwe veiligheid in de waagschaal stellen; doe mij dus de noodige verklaring die ik verwacht."
»Waartoe dat!" prevelde zij ontmoedigd, »het koffertje is weg."
»Dat ben ik niet met u eens; integendeel, ik geloof dat het in handen gekomen is van iemand die er zich van bedienen wil, tot welk oogmerk weet ik niet, maar ik zal er wel achter komen, stel u deswege gerust."
»Daar gij het eischt, don Pablo, hoor mij dan, ofschoon hetgeen ik u zeggen zal zeer onbepaald is."
»Elke lichtstraal hoe zwak ook, zal strekken om mij den weg te wijzen en zal misschien voldoende zijn om het verlorene weder te vinden."
»God geve het!" zuchtte zij. »Ziedaar dan het weinige wat ik zeggen kan, en nog is het mogelijk dat ik mij bedrieg, want op het oogenblik toen het gebeurde was ik zoo verschrikt, dat ik niet zeggen kan of hetgeen ik dacht te zien stellig waar is."
»Maar hoe dan ook......" zei de jongman ongeduldig.
»Toen Harry door een kogel getroffen met den dood lag te worstelen, waren er twee mannen bij hem, de eene reeds gewond, was de herbergier Andres Garote, de andere die zich op het zieltogende lijk had geworpen scheen met drift de zakken te onderzoeken."
»Wie was die laatste?"
»Fray Ambrosio."
»Fray Ambrosio!"
»Ja; ik meen zelfs mij te herinneren dat hij van den armen jager wegging met kwalijk verborgen zelfvoldoening, terwijl hij iets in zijn borst wegmoffelde dat ik niet goed zien kon."
»Zonder twijfel heeft hij zich van het koffertje meester gemaakt."
»Zeer waarschijnlijk, maar ik zou het niet kunnen verzekeren, want ik herhaal u, vriend, dat ik geheel buiten staat was om iets duidelijk te onderscheiden."
»Maar," vervolgde don Pablo, die zijn eigen idee volhield, »waar is Fray Ambrosio gebleven?"
»Dat weet ik niet; na de aardbeving zijn mijn vader en zijne metgezellen in verschillende richtingen verstrooid, daar elk een goed heenkomen zocht. Mijn vader had meer dan iemand anders er belang bij om zijn spoor te verbergen. De monnik verliet ons bijna onmiddellijk; sinds dien tijd heb ik hem niet meer gezien."
»Heeft de Roode-Ceder er niets van gezegd dat gij weet?"
»Nooit."
»Dat is vreemd! maar geen nood, Ellen, ik zweer u dat ik hem vinden zal, al moest ik hem in de onderwereld zoeken! Niemand anders dan die ellendeling heeft het koffertje gestolen."
»Don Pablo," zeide het meisje opstaande, »de zon gaat onder, mijn vader en mijne broeders kunnen ieder oogenblik komen; wij moeten scheiden."
»Gij hebt gelijk, Ellen, ik ga."
»Adieu, don Pablo, het dondert sterk, wie weet of gij wel zonder ongeluk bij uwe vrienden terugkomt."
»Ik hoop ja, Ellen, maar als gij mij vaarwel toeroept twijfel ik geenszins of ik zal u wederzien; geloof mij, lief kind, stel uw vertrouwen op God, Hij alleen kent de harten; zoo Hij wil dat wij elkander beminnen, is het omdat die liefde ons gelukkig zal maken."
Op dit oogenblik schoot er een bliksemstraal door de wolken en kraakte er een vreeselijke donderslag.
»Daar is de orkaan!" riep het meisje, »ga, in 's hemels naam ga."
»Tot weerziens, mijn beminde, tot weerziens," zei de jongman de hut uitstormende, »vertrouw op God en op mij."
»Hemelsche Vader!" riep Ellen, terwijl zij op de knieën zonk; »geef dat mijne voorgevoelens mij niet bedriegen, want dan zou ik uit wanhoop sterven."
II.
IN DE JAGERSHUT.
Nadat don Pablo vertrokken was, bleef Ellen nog lang peinzen; zij gaf geen acht op het al heviger en heviger losbrekend onweder, noch op het woest gehuil van den storm, die met iederen rukwind de ellendige jacal deed schudden en dreigde omver te werpen.
Ellen dacht na over haar gehouden gesprek met den Mexicaan; de toekomst scheen haar somber en treurig en met vele smarten beladen.
Ondanks al hetgeen de jongman haar gezegd had, was de hoop in haar hart niet doorgedrongen, zij gevoelde zich onwillekeurig als naar den rand eener steilte gesleept, waar zij onfeilbaar in zou moeten afstorten.
Alles voorspelde haar een onvermijdelijk dreigend ongeluk, dat Gods hand vreeselijk en onverbiddelijk zou doen wegen op den man wiens wandaden Zijne gerechtigheid maar al te lang hadden getrotseerd.
Tegen middernacht hoorde zij een gedruisch van paarden dat langzamerhand naderde en eindelijk hielden er verscheidene personen voor de hut stil.
Ellen stak een toorts van kaarshout aan en opende de deur.
Er traden drie mannen binnen.
Het was de Roode-Ceder met zijne twee zonen Nathan en Sutter.
Sedert eene maand ongeveer was er in de wijze van doen en spreken van den Squatter eene onverklaarbare verandering gekomen.
Deze woeste onbeschofte man, wiens dunne lippen zich gedurig tot een spottenden lach samentrokken, die steeds schampere en harde woorden in den mond had, die van niets anders droomde dan van moord en plundering zonder ooit wroeging of berouw te kennen, die man was sedert eenigen tijd somber en droefgeestig geworden; eene heimelijke onrust scheen hem te verteren; somwijlen, wanneer hij meende dat niemand op hem lette, kon hij met onbeschrijfelijk treurigen blik naar Ellen zitten staren en slaakte hij diepe zuchten, terwijl hij zwaarmoedig het hoofd schudde.
Ellen had deze verandering, daar zij geen voldoende reden voor wist en die haar ongerustheid niet weinig vermeerderde, niet onopgemerkt gelaten; want voor zulk eene omkeering in een gemoed zoo krachtig en weerbarstig als dat van den Roode-Ceder moesten wel zeer ernstige redenen bestaan.
Doch welke waren die redenen? ziedaar eene vraag die Ellen vruchteloos poogde op te lossen, daar geen de minste lichtstraal haar geest verhelderde of hare vermoedens tot klaarheid bracht.
De Squatter, zoo veel zijne verwaarloosde opvoeding dit toeliet, was betrekkelijk altijd goed voor haar geweest en behandelde haar met zekere grofsoortige zachtmoedigheid, zooveel mogelijk den ruwen klank zijner stem verzachtend als hij haar toesprak.
Sedert echter de boven gemelde omkeering bij hem had plaats gegrepen, was hij jegens Ellen de teederheid zelve geworden.
Hij waakte met de meeste zorg voor haar welzijn en trachtte onophoudelijk te voorzien in de duizend kleine geriefelijkheden daar de vrouwen zoo veel prijs op stellen, maar die in de woestijn zoo moeilijk te bekomen zijn en daarom eene tiendubbele waarde bezitten.
Gelukkig wanneer hij maar een glimlach zag zweven op de lippen van het arme kind welks lijden hij vermoedde zonder er nochtans de verborgen oorzaak van te kennen, bespiedde hij haar met des te meer ongerustheid, wanneer haar bleeke kleur en roode oogen hem blijken gaven van hare doorwaakte nachten of vergoten tranen gedurende zijne afwezigheid.
De hardvochtige man, bij wien de laatste zweem van teederheid scheen te zijn verstorven, voelde op eens in zijn hart een ongekende snaar trillen, welker bestaan tot hiertoe voor hem was verborgen gebleven, en onwillekeurig zag hij zich als tegen wil en dank met de menschheid verzoend door de reinste van alle hartstochten: de vaderlijke liefde!
Er was inderdaad iets groots en tegelijk iets schrikbarends in de genegenheid van dezen man des bloeds voor zulk een zwak en fijngevoelig meisje als Ellen.
Zijn wilde dierenaard vertoonde zich zelfs in de liefkozingen waarmede hij haar overlaadde: een zonderling samenstel van moederlijke teederheid en tijgerachtige jaloezie.
De Roode-Ceder scheen alleen voor zijne dochter en door zijne dochter te leven. Met de liefde scheen ook de schaamte bij hem teruggekeerd, terwijl hij namelijk zijn rooversbedrijf onafgebroken voortzette, hield hij zich voor Ellen alsof hij het geheel had opgegeven om het eerlijke woudloopers- en jagersbedrijf aan te nemen.
Het meisje liet zich door deze leugen maar half om den tuin leiden.
Doch wat ging het haar aan?
Zij was zoo geheel met hare liefde ingenomen dat alles daar buiten haar onverschillig werd.
De Squatter en zijne zonen waren verdrietig, zij schenen vol zorg toen zij de jagershut binnen traden.
Zij gingen zitten zonder een woord te spreken.
Ellen haastte zich om het eten op te disschen, dat zij gedurende hunne afwezigheid had gereed gemaakt.
»Het avondeten is klaar," zeide zij.
De drie mannen zetten zich stilzwijgend aan tafel.
»Zult gij niet mede eten?" vroeg de Roode-Ceder.
»Ik heb geen honger," antwoordde zij.
De Squatter en zijne beide zoons begonnen te eten.
»Hum!" bromde Nathan, »Ellen is lekker, zij houdt meer van de Mexicaansche keuken dan van de onze."
Ellen bloosde maar antwoordde niet.
De Roode-Ceder sloeg met de vuist op de tafel en riep toornig:
»Zwijg, zeg ik! wat gaat het u aan of uwe zuster eet of niet, zij is immers vrij om hier te doen of te laten wat zij verkiest."
»Dat spreek ik niet tegen," bromde Nathan, »maar het is alsof zij opzettelijk weigert om met ons samen te eten."
»Gij zijt een wolvenkind! ik zeg u nog eens dat uwe zuster hier baas is en dat niemand recht heeft om haar verwijtingen te doen."
Nathan boog gemelijk het hoofd en at weder voort.
»Kom maar hier, kind," hervatte de Roode-Ceder, zijne ruwe stem zooveel verzachtende als hij maar kon. »Kom eens hier, ik zal u iets geven dat ik voor u heb medegebracht."
Het meisje naderde.
De Roode-Ceder haalde een gouden horloge met een langen gouden ketting er aan uit zijn borstzak.
»Ziedaar," vervolgde hij, het haar om den hals hangende, »ik weet dat gij sinds lang gewenscht hebt een horloge te bezitten, dit heb ik voor u gekocht van een reiziger dien wij in de prairie ontmoetten."
Onder het uitspreken dezer woorden voelde de Squatter tegen wil en dank dat hij rood werd, want hij loog: het horloge was geroofd van eene vrouw door hem bij het aanranden eener karavaan gedood.
Ellen had gezien dat hij rood werd.
Zij deed het horloge weer af en gaf het aan den Roode-Ceder terug, zonder iets te zeggen.
»Wat doet gij, kind," zeide hij verwonderd over deze weigering, die hij voor 't minst niet verwachtte, »waarom neemt gij dit kleinood niet aan, ik zeg u nog eens dat ik het opzettelijk voor u gekocht heb."
Ellen keek hem strak aan, en antwoordde met eene vaste stem:
»Omdat er bloed aan dat horloge kleeft; het is zeker afkomstig van een diefstal, misschien van een moord."