De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 9
Een lange puntige hoed van gele zijde, op zijn gehele lengte met rood fluwelen linten overvlochten, zwaaide met losse zwier boven haar hoofd; onder uit dit hulsel viel een doek van het fijnste lijnwaad, langs haar wangen, over haar hals en schouders, tot bij het midden van de rug. Boven uit de top der kap, aan een gouden knoop, hing een doorschijnende sluier, in dewelke duizend gulden en zilveren stipjes gewrocht waren, en die op de rug der hakkenij volgens de bewegingen der Jonkvrouw heen en weder wapperde. Haar bovenkleed was op de borst open en liet een keurslijf van lazuur fluweel met zijn zilveren snoeren zien; het daalde slechts tot aan de knieƫn en was van het kostelijkste gouden laken. Onder uit die bovenkolder kwam een groen satijnen samaar, die zo lang was dat de vouwen langs de zijde der hakkenij neerhingen en meermalen de aarde raakten. Aardig was de weerglans van dit rijke kleedsel; want bij alle bewegingen veranderde het van toon en kleur. Dan scheen het, door de zon verlicht, als het fijnste goud met gele glans te blinken, dan weder werd het groen, dan weer blauw. Op de borst der jonge Edelvrouw, waar de twee einden van een kostelijk paarlesnoer zich verenigden, blonk een plaat van geslagen goud, op dewelke de zwarte Leeuw van Vlaanderen kunstiglijk in gitsteen was gesneden. Een gordel, ook met gouden schelpjes bedekt, en waaraan zijden en zilveren franjes hingen, neep haar het middel met een slot van twee robijnen vast.
De hakkenij die deze prachtige Jonkvrouw voerde, was ook op heel haar tuig met gulden en zilveren plaatjes en waggelende eikeltjes versierd.
Men voege nu daarbij de reeds gekende schoonheid der gelaatstrekken, en de zwierigheid der tengere leden van het meisje, en men vorme zich een denkbeeld over de bevalligheid die haar dan omringde. Waarlijk, zij geleek aan een dier nog ongeschapene wezens, welke alle volmaaktheden in zich verenigen; en gelijk de vermetele Dichters soms een vrouw durven dromen, om in hun opgetogene ziel te liefkozen en te beminnen.
Even zo kostelijk en zo prachtig waren de andere bijzijnde Vrouwen, in verschillende stoffen en kleuren gekleed.
De Koningin van Navarra kwam met de ganse stoet op een stille tred aangereden, en wendde de ogen met spijtige nieuwsgierigheid naar deze Vrouwen, die zozeer bij het zonnelicht glinsterden. Wanneer zij tot op een zekere afstand genaderd was kwamen de Edelvrouwen statiglijk tot bij haar gereden, en verwelkomden hun nieuwe Vorsten, met veel hoofse spreuken. De enige Machteld zweeg en bezag Johanna met een stuurs gelaat; het was haar niet mogelijk die Vrouw te eren, welke haar vader in een kerker had doen werpen. Het misnoegen was op haar wezenstrekken zichtbaar, en Johanna bedroog er zich ook niet over. Zij wierp haar trotse blik in de ogen van Machteld en wilde het meisje voor haar scherp gezicht doen bukken; maar zij vergiste zich, want de Jonkvrouw liet haar oogleden niet zakken en staarde met fierheid op de grammoedige Koningin. Deze, alreeds om de ongewone pracht der Edelvrouwen verstoord, kon zich niet langer bedwingen. Met een zichtbare spijt draaide zij haar hakkenij om, en riep terwijl zij nog eenmaal het hoofd tot de Vrouwen keerde: "Ziet, Mijne heren, ik meende alleen Koningin te zijn in Frankrijk; maar mij dunkt dat die van Vlaanderen, die in onze gevangenissen liggen, al te gader prinsen zijn; want ik hun vrouwen alhier gekleed zie als Koninginnen en prinsessen[56]!"
Deze woorden had zij zo luid geroepen dat al de omstaande ridders, ja zelfs enige Burgers dezelve verstaan hadden. Zij vroeg met een slecht verborgen ongenoegen aan de ridder die haar volgde: "Maar Mijnheer De Chatillon, wat is dit voor een trotse Jonkvrouw, die hier voor mij staat? Zij draagt de Leeuw van Vlaanderen op de borst.--Wat beduidt dit?"
De Chatillon naderde dichter bij de Koningin en antwoordde: "Het is de dochter van Mijnheer Van Bethune;--zij heet Machteld."
Bij deze woorden plaatste hij zijn vinger op de mond, om de Koningin tot veinzerij en stilzwijgen te raden. Zij dit verstaande gaf haar toestemming door een glimlach te kennen:--een glimlach vol wrede valsheid en hatelijke wraakzucht.
Wie op dit ogenblik de Deken der wevers beschouwd had, zou gezien hebben hoe stijf zijn enig oog op de Koningin gehecht was; geen rimpeltje was op haar voorhoofd gekomen of verdwenen, of Deconinck had het gevat en in zijn geheugen bewaard. Op haar ontstelde gelaatstrekken had hij haar toorn, haar begeerte en haar aanslagen reeds gelezen; reeds wist hij dat De Chatillon de uitvoerder harer bevelen zijn zou, en hij bedacht ook op dit ogenblik welke middelen er nodig waren om de list of het geweld dier vijandin te verijdelen.
Kort hierna stegen de Vorsten van hun paarden en klommen op de troon die hun te midden der Markt was opgericht. De schildjonkers en staatjuffers schaarden zich in twee rijen op de trappen, de edele ridders bleven te paard om de stelling staan.
Nadat iedereen de plaats die hem bestemd was, genomen had, kwamen de heren Wethouders met de maagdekens, die de stad Brugge verbeelden moesten, vooruit, en boden de sleutels der poorten op een kostelijk fluwelen kussen aan de vreemde Vorsten. Terzelfder tijd bliezen de Faamengelen nogmaals op hun bazuinen, en de Leliaards riepen voor de tweede maal: "Leve de Koning! Leve de Koningin!"
Een dode stilte was onder de Burgers en het scheen dat zij zich als gevoelloos hielden, opdat men te beter hun misnoegen merken mocht: hierin bereikten zij ten volle hun doel; want Johanna overdacht reeds in haar gehoond gemoed, hoe zij best deze oneerbiedige onderdanen zou kunnen straffen en vernederen.
De Koning, Philippe le Bel, van een zachtere inborst zijnde, ontving de Wethouders met de grootste goedwilligheid, en beloofde voor de welvaart van Vlaanderen ten krachtigste bezorgd te zullen zijn. Deze belofte was in Philippe niet geveinsd; hij was een edelmoedig Vorst en eerlijk ridder[57], en zou wellicht het geluk zijner onderdanen, zowel in Frankrijk als in Vlaanderen teweeggebracht hebben; maar twee oorzaken van kwaad deden deze goede gedachten in hem zonder vrucht zijn. De eerste en ergste was de beheersing zijner trotse Vrouw Johanna; deze, wanneer Philippe le Bel een goed voornemen had, kwam als een boze geest hem tot kwaad aandrijven, en dwong hem alle haar verderfelijke inzichten goed te keuren. De tweede oorzaak zijner slechte daden, was de verkwisting die hem alle middelen, of recht of onrecht deed gebruiken om het verspilde geld door ander te vervangen. Nu vormde hij de innigste wensen voor de welvaart van Vlaanderen; maar wat kon het baten, mits Johanna van Navarra er reeds anders over beschikt had?
Na de sleutels afgeleverd waren, bleven de Vorsten nog enige tijd op de aanspraken der Wethouders luisteren en kwamen eindelijk van de stelling. Ieder steeg te paard, en de stoet rende langzaam door de overige straten der stad, totdat zij eindelijk in het Prinsenhof[58] gingen, om er het middagmaal met de voornaamste heren en Leliaren te nemen. Terwijl keerden de ambachtsgezellen naar hun huisgezinnen terug, en het feest nam een einde.
Des avonds, lange tijd na het vertrek der gasten, was de Koningin Johanna alleen met haar staatjuffer in de kamer waar zij slapen moest. Reeds had zij een goed gedeelte van het lastige plechtgewaad afgelegd, en was nog bezig met zich van al haar juwelen te ontbloten. De driftige beweging harer handen en de spijtige uitdrukking harer wezenstrekken gaven het grootste ongeduld te kennen. De staatjuffer werd met bitsigheid toegesproken en alle haar daden met gramschap berispt en beknibbeld: halssnoeren en oorbellen werden als nietswaardige voorwerpen hier of daar neergesmeten, terwijl morrende spreuken zonder ophouden uit de mond der Vorstin vielen.
Een witte nachtkolder aangetogen hebbende, liep zij in een diepe bedenking heen en weer in de kamer, en liet niet de minste lust tot slapen blijken: haar vlammende ogen dwaalden halsstarrig rond. De staatjuffer die aan deze vreemde gebaren niets verstond, naderde de Vorstin met eerbiedige beleefdheid en vroeg: "Belieft het uwe Majesteit nog langer te waken--en zal ik een grotere kandelaar met meer waslicht halen?"
Onstuimig antwoordde de Koningin: "Neen!--Er is licht genoeg. Gij verveelt mij door uw lastige vragen.--Laat mij alleen. Vertrek, zeg ik u! Ga in de voorzaal en wacht mijn oom De Chatillon. Hij kome spoedig.--Ga...!"
Terwijl de staatjuffer op die barse bevelen heen ging, plaatste Johanna zich bij een tafel en liet het hoofd op de hand neergaan. In deze gesteltenis bleef zij gedurende weinig ogenblikken aan de hoon die haar geschied was, denken. Opstaande, wandelde zij met haastige schreden de kamer op en af, en bewoog haar handen met felle gebaren. Eindelijk sprak zij met doffe stem: "Hoe? Een klein en nietig volk zal mij, de Vorstin der Fransen, durven honen! Een trotse vrouw zal mij de ogen doen neerslaan--hoon!--laster!"
Een traan van woede glimde op haar brandende wang; zij richtte het hoofd eensklaps op, en lachte als een boze geest met venijnige vreugde. Dan hernam zij: "O verwaande Vlamingen! Gij kent Johanna van Navarra nog niet. Gij weet niet hoe schriklijk haar wraak u treffen kan ... Rust en slaapt zonder vrees in uw vermetelheid;--ik weet middelen om u te folteren.
Wat tranen zult gij door mij storten--wat bitterheid zal mijn hand u voorbereiden! Dan zult gij mijn macht kennen.--Gij zult kruipen en bidden, vermetele Laten! Maar ik zal u niet horen. Uw trotse hoofden zal ik met blijdschap onder mijn voeten vertrappen. Nutteloos zult gij wenen, en nutteloos zult gij klagen; want Johanna van Navarra is onverbiddelijk--dit weet gij niet..."
Nu ontwaarde zij de stappen der staatjuffer in de doorgang.
De ontroerde Vorstin liep voor een spiegel en herstelde haar ganse houding: zij gaf aan haar gelaat een rustigere uitdrukking, en scheen in het geheel niet meer ontsteld. In de kunst der veinzerij, de grootste ondeugd der vrouwen, was Johanna van Navarra volleerd.
Weldra trad De Chatillon in de kamer en boog zijn ene knie voor de Koningin.
"Mijnheer De Chatillon," sprak zij, hem met de hand oplichtende, "het schijnt dat gij mijn begeerten niet veel acht. Heb ik u niet voor tien uur ontboden?"
"Het is waar, Mevrouw, maar de Koning mijn meester heeft mij tegen mijn dank bij zich gehouden. Ik bid u, geloof, o doorluchtige nicht, dat ik op gloeiende kolen gestaan heb--zozeer verlangde ik uw koninklijke begeerte te voldoen."
"Uw genegenheid, Mijnheer, is mij zeer aangenaam; ook heb ik voorgenomen u heden om uw goede diensten te belonen."
"Genadige Vorstin, het is mij reeds een zo grote gunst uwe Majesteit te mogen volgen en dienen. Laat mij toe u overal te verzeilen. Een ander moge hogere ambten najagen--voor mij--uw lieflijke tegenwoordigheid is mijn grootste geluk, ik vraag niets meer."
De Koningin grimlachte en zag met misprijzen op de vleier; want zij begreep hoe zeer zijn hart die woorden loochende. Zij sprak met nadruk: "En indien ik u het land van Vlaanderen ten leen wilde geven?"
De Chatillon die op zulke gift voor dit ogenblik niet gerekend had, berouwde zich zijn woorden; hij wist in den eerste niet wat antwoorden. Zich echter welhaast herstellende, sprak hij: "Indien het uwe Majesteit geliefde mij met dit vertrouwen te vereren, zou ik het niet durven wagen uw koninklijke wil enigszins te weerstaan. Met dankbaarheid en onderwerping zou ik deze gunst ontvangen, en uw grootmoedige handen met eerbiedige liefde kussen."
"Hoor, Mijnheer De Chatillon," riep de Koningin met ongeduld, "het lust mij nu niet uw hoflijkheid op proef te stellen; derhalve zal het mij meer behagen dat gij al die gemaakte spreuken achterlaat, en met mij zonder bewimpeling spreekt;--want gij kunt niets zeggen dat ik niet beter wete. Wat dunkt u van mijn intrede? Heeft Brugge de Koningin van Navarra niet overheerlijk onthaald?"
"Ik bid u, o doorluchtige nicht, laat dit bitter schertsen. Mij is de hoon die u geschied is, diep ter harte gegaan: een slecht en verachtelijk volk heeft u in het aanzicht getrotst, en uwe waardigheid is miskend geweest; maar bedroef u toch niet, want geen middelen ontbreken ons om die vermetele onderdanen te temmen en te bedwingen."
"Kent gij uw nicht, Mijnheer De Chatillon? Is u de ijverzucht der Koningin van Navarra bekend?"
"Waarlijk, o Vorstin, de edelste en loffelijkste ijverzucht;--want wie een kroon draagt en dezelve niet doet achten, verdient ze niet langer. Iedereen bewondert met recht uw koninklijke inborst."
"Weet gij ook dat een geringe wraak mij niet vergenoegt? De straf dergenen die mij gehoond hebben, moet met mijn waardigheid in evenredigheid staan.--Ik ben Koningin en vrouw--dit is u genoeg gezegd welke mijner wensen gij zult te volbrengen hebben, indien ik u als Landvoogd over Vlaanderen aanstel."
"Het is onnodig, Mevrouw, dat uwe Majesteit zich langer hiermede bezig houde; wees verzekerd dat Gij ten volle zult gewroken zijn. Wellicht zal ik uw begeerte te boven gaan, want ik heb niet alleen uw hoon te wreken, maar ook de laster, welke der kroon van Frankrijk dagelijks onder dit koppig volk wordt aangedaan."
"Mijnheer De Chatillon, laat de listigste staatkunde u leiden, trek de strop niet ineens aan hun hals vast; maar beneem hun de moed door trage vernedering. Beroof hen allengskens van het geld dat hen tot weerstand aandrijft,--en wanneer gij hen aan de ploeg zult gewend hebben, druk dan het juk zo vast, dat ik hun verslaafdheid als een zegepraal moge aanschouwen. Wees niet haastig, ik heb geduld genoeg, wanneer het doel er beter kan door bereikt worden. Om spoediger te gelukken, zal het raadzaam zijn dat gij ten eerste een zekere Deconinck van het dekenschap der wevers verwijdert, en nimmer anderen dan Fransen of derzelver vrienden tot de machtgevende ambten toelaat."
De Chatillon luisterde aandachtiglijk op de raad der Koningin, en verwonderde zich innerlijk over haar slimme staatkunde. Dewijl zijn eigen wraakzucht hem tot boosaardige dwingelandij aanporde, verblijdde hij zich grotelijks, dat hij aldus zijn driften en de begeerte zijner nichte mocht voldoen.
Hij antwoordde met een zichtbare vreugd.
"Ik ontvang met erkentenis de eer die uwe Majesteit mij aandoet, en zal niets verzuimen om als een getrouwe dienaar, de raad mijner Vorstin te volgen. Gelieft het u mij nog enige bevelen te geven?"
Deze vraag had de jonge Machteld ten doel. De Chatillon wist wel dat de Jonkvrouw de gramschap der Koningin op zich gehaald had, en kon derhalve wel gissen dat zij niet ongestraft mocht blijven. Johanna antwoordde: "Ik geloof dat het niet onredelijk ware, de dochter van Mijnheer Van Bethune in Frankrijk te doen voeren, want zij heeft mede de Vlaamse koppigheid ingezogen. Het zal mij aangenaam zijn haar bij het Hof te hebben. Hierover nu genoeg--gij begrijpt mijn inzichten. Morgen vertrek ik uit dit vervloekte Land, want te lang heb ik die laster verdragen. Raoul de Nesle volgt ons: gij blijft als Oppervoogd in Vlaanderen met de volmacht om het Land naar uw wil, en in getrouwigheid te bestieren[59]."
"Of volgens de wil mijner koninklijke nichte," viel De Chatillon vleiend in haar rede.
"Het zij zo," hernam Johanna. "Ik verheug mij in uw goedwilligheid. Twaalfhonderd ruiters zullen u bijblijven om uw bevelen te staven.--Het gelieve UEdele mij nu de nodige rust te laten genieten.--Ik wens u goede nacht, mijn schone oom!"
"De goede engel bewake uwe Majesteit!" sprak De Chatillon zich buigende, en hiermede verliet hij de slaapkamer der boosaardige vrouw.
* * * * *
8
_Die slaverny veracht kan ook den dood verachten._
P VAN DUYSE
Heren der wet hadden met de goedkeuring der Leliaards overgrote kosten tot de inhaling der Franse Vorsten gedaan. Het oprichten van zegebogen en praalschavotten met derzelver nodige stoffen, hadden de uitgaaf van veel geld veroorzaakt: daarenboven was aan ieder der lijfwachten des Konings een goede maat beste wijn uitgedeeld. Mits deze bekostigingen door het Bestuur bevolen waren, en derhalve ook uit de gemeenteschat moesten betaald worden, hadden de Burgers dezelve met de grootste onverschilligheid aangezien.
Al de praalstukken waren reeds uit de weg geruimd, De Chatillon was te Kortrijk, en de intrede des vreemden meesters bijkans vergeten, wanneer er des morgens om tien uren een verkondiger voor het stadhuis ter Pui[60] verscheen, en met enige bazuinklanken het volk deed bijeenlopen. Zodra hij zich door genoeg aanhoorders omringd zag, trok hij een vel perkament uit de schrijftas die aan zijn zijde hing, en las met luider stemme: "Het wordt aan ieder Poorter kond gedaan, opdat hij het wete, dat de heren Wethouders besloten hebben, hetgene volgt:
Dat er een buitengewone belasting is vastgesteld om de kosten, bij de intrede van onze genadige Vorst Philippe, Koning van Frankrijk, gedaan, te vergoeden. Dat ieder ingezetene der stede Brugge hiertoe acht Groten Vlaams[61] zal betalen, zonder onderscheid van ouderdom en voor ieder hoofd. Dat de dienaren van de tol op zaterdag aanstaande, de penningen aan de deuren zullen ontvangen--en dat degenen, welke door list of geweld de betaling dezer zetting zouden willen weigeren, hiertoe wettelijk door de heer Baljuw zullen gedwongen worden[62]."
De Burgers die deze afkondiging aanhoorden, bezagen elkander met verwondering, en morden in stilte tegen dit willekeurig gebod. Onder hen bevonden zich ook enige gezellen van het weversambacht. Dezen, zonder zich langer op te houden, gingen dit spoedig aan hun Deken kenbaar maken.
Deconinck verstond dit nieuws met innig misnoegen; zulk een gewichtige slag aan de voorrechten der Gemeente toegebracht, baarde hem het grootste mistrouwen: hij zag in het gebod een voorteken der dwingelandij, welke de Edelen opnieuw onder het Frans Bestuur, over het volk wilden gebruiken, en besloot die eerste poging door list of geweld te verijdelen. Alhoewel hij het slachtoffer zijner vaderlandsliefde worden kon, mits het vreemde leger nog in Vlaanderen was, mocht dit vooruitzicht hem niet wederhouden; want hij had zich met ziel en lichaam aan het belang zijner moederstad toegewijd.
Op hetzelfde ogenblik deed hij de Knaap van het ambacht bij zich roepen en gaf hem het volgende bevel: "Ga spoedig bij al de Meesters en verzoek hen in mijn naam zich naar het Pand te begeven. Dat zij hun getouwen onmiddellijk verlaten; want de zaak eist spoed."
Het weverspand was een ruim gebouw, met een ronde gevel.
Een enkel groot venster waarboven de wapentekenen van het ambacht stonden, bracht het licht langs de voorzijde op het eerste verdiep; boven de wijde poort was Sint-Joris met de draak kunstig in steen gebeiteld. Voor het overige was de gevel van dit gesticht gering en zonder zwier; het ware moeilijk geweest bij dezelve te raden dat het rijkste ambacht van Vlaanderen het tot zijne vergaderingen gebruikte, want veel der omstaande huizen gingen het in pracht ver te boven.
Niettegenstaande dit gebouw in menige grote en kleine plaatsen verdeeld was, bleef er echter niets ledig of ongebruikt.
Op het tweede verdiep in een ruime kamer, kon men de proefstukken der vrijgezellen en meesters, met de stalen van het kostelijkste laken dat ooit in Brugge gemaakt was, zien hangen.
Hiernevens, in een ander vertrek, lagen al de werktuigen die de wevers, volders en ververs nodig hebben, ter namaking tentoongesteld. Een derde vertrek was de algemene bewaarplaats der plechtkledij en feestwapens van het ambacht.
De grote vergaderzaal der meesters lag vooraan de straat. Al de bewerkingen welke de wol moet ondergaan, van de schaapherder tot de wever, van de verver tot de vreemde koopman, die uit verre landen het Vlaams laken tegen goud kwam verruilen, waren op de wanden in de gedaanten van zwierige engeltjes afgebeeld. Enige eiken tafels en vele zware zetels stonden op de arduinen vloer der zaal. Zes met fluweel beklede leunstoelen gaven te kennen dat de plaats der Dekens en Ouderlingen, in het diepe van het vertrek beschikt was.
Enige tijd na de uitzending van de Knaap waren er reeds een groot getal wevers in de zaal verenigd. Met de hevigste drift spraken zij over de zaak die hen moest bezig houden, en het grootste misnoegen was op hun wezenstrekken te lezen.
Alhoewel de meesten in grammoedige woorden tegen de Wethouders uitvielen, waren er echter enigen die zich niet zeer tot oproer genegen toonden. Terwijl het getal der meesters steeds aangroeide, kwam Deconinck in de zaal, en stapte langzaam door zijn gezellen, tot bij de grote zetel die hem bestemd was. De Ouderlingen plaatsten zich nevens hem: de overigen bleven meest bij hun zetels rechtstaan, om op het rimpelig voorhoofd van hun Deken des te beter de zin zijner hoogdravende woorden te kunnen vatten; zij waren te samen zestig in getal.
Zodra Deconinck de aandacht zijner gezellen tot zich gewend zag, bracht hij zijn hand met een krachtig gebaar vooruit, en sprak: "O broeders! Geeft acht op mijn woorden; want de vijanden onzer vrijheid--de vijanden onzer welvaart smeden banden voor onze voeten! De Wethouders en Leliaards hebben de vreemde meester door ongewone pracht gevleid: zij hebben ons tot het oprichten van praalschavotten gedwongen, en nu eisen zij, dat wij hun laffe verkwistingen met het loon onzes arbeids zouden betalen! Dit strijdt met de voorrechten der stad en des ambachts. Maar, o broederen, verstaat mij wel, en dringt met mij in de toekomst: zo wij ditmaal het willekeurig gebod gehoorzamen, zal onze vrijheid welhaast onder de voet getrapt worden. Dit is de eerste poging--het eerste stuk van het slavenjuk dat men ons op de nek wil drukken. De ontrouwe Leliaards, de Edelen, die hun Graaf, onze wettige Meester, bij de vreemde gekerkerd laten, om ons des te gemakkelijker te kunnen verdrukken, hebben het zweet onzes aanschijns lang gedronken. Het volk heeft lang als verachtelijke lastdieren voor hen gezwoegd en gewerkt--maar, o Bruggelingen, mijne stadgenoten, aan u is het gegeven geweest de straal des Hemels eerst te ontvangen: gij hebt eerst de keten losgebroken: groot en manhaftig hebt gij u uit de slavernij verheven, en uw hoofden buigen zich niet meer voor dwingende meesters.
Nu benijden de volken onze bloei; zij bewonderen onze grootheid. Is het dan niet onze plicht die vrijheid, welke ons het edelste volk der wereld maakt, ongeschonden te bewaren?--Ja dit is een heilige plicht... En wie dezelve vergeet, is een lafaard die zijn waardigheid als Mens miskent, hij is slechts een slaaf tot verachting geboren...!"
Een wever met name Brakels, die reeds tweemaal Deken was geweest, stond van zijn zetel op en onderbrak de redevoering van Deconinck met de volgende woorden: "Gij spreekt altijd van slavernij en rechten! Maar wie zegt ons dat de heren Wethouders ons willen te kort doen? Is het niet beter dat men de acht Groten betale en de rust behoude? Want gij kunt het wel voorzien, er zal bloed vergoten worden. Menigen van ons zullen de lijken hunner kinderen of broeders te begraven hebben--en dit al om acht Groten! Indien men u geloven wilde, zouden de wevers meer met de Goedendag dan met het schietspoel te werken hebben; maar ik hoop dat er onder onze meesters meer wijze mannen zijn, die uw raad niet volgen zullen."
Deze rede had onder de wevers de grootste ontsteltenis gebaard. Enigen, doch in klein getal, hadden door hun gebaren doen kennen dat zij in dit gevoelen deelden. De meesten waren over de uitval van Brakels misnoegd.