De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 8
"Gij zijt wonderlijk, meester. Uw edelmoedigheid verzekert mij dat gij deze jonge dochter van de Leeuw van Vlaanderen tegen het geweld der Fransen zoudt beschermen, indien het nodig ware."
Deconinck was een man uit het volk geboren; maar een dier zeldzame zielen, die met verstand en vernuft begaafd, als beheersers hunner tijdgenoten ter wereld komen. Zodra de jaren zijn bekwaamheden rijp gemaakt hadden, riep hij zijn broederen uit hun slaafse sluimering, deed hun de macht der samenspanningen begrijpen en stond met hen tegen de dwingelanden op. Dezen wilden die ontwaking hunner voormalige slaven met geweld tegengaan; maar het was hun onmogelijk: Deconinck had door zijn welsprekendheid de harten zijner broederen zo groot gemaakt dat zij geen juk meer konden dragen. Wanneer zij echter somtijds door de wapenen overrompeld werden, bogen zij allen gehoorzamelijk de nek, en Deconinck veinsde tijdelijk alsof hem de spraak of het verstand ontgaan ware; maar dan sliep de vos toch niet, want nadat hij de moed zijner broederen weder in stilte had verstaald, wierpen zij zich tegelijk tegen de beheersers op, en de Gemeente raakte telkenmaal haar banden kwijt. Al de staatkundige ontwerpen der Edellieden vergingen in rook tegen het vernuft van Deconinck, en zij zagen zich door hem al hun rechten op het volk ontroven, zonder dat zij zulks konden beletten. Met waarheid mag men zeggen, dat Deconinck een der grootste hervormers van de staatkundige betrekkingen tussen de Edelen en de Gemeenten was; ook bestonden de dromen van deze beroemde man alleenlijk in de grootmaking eens volks, dat zo lang in de duistere slavernij der Leenheren had gelegen.
Wanneer Adolf van Nieuwland de jonge Machteld onder zijn bescherming stelde, glimlachte hij van genoegen; want dit was een zegepraal voor het volk dat hij vertegenwoordigde. Hij berekende de voordelen welke de tegenwoordigheid der doorluchtige maagd hem tot het uitvoeren van het grote verlossingsontwerp kon toebrengen.
"Mijnheer Van Nieuwland," antwoordde hij, "uw vraag vereert mij grotelijks. Niets zal er tot het bewaren van zulk een edele spruit gespaard worden."
Willende de Gemeente nog meer gewicht verkrijgen voegde hij er met inzicht bij: "Het is echter mogelijk dat zij van hier vervoerd worde, eer ik haar moge ter hulp komen."
Dit gezegde verdroot Adolf zeer: hij verstond uit de woorden van de Deken, dat hij zich niet uiterharte aan deze zaak wilde toewijden, en hernam: "Indien gij ons niet metterdaad helpen kunt, verzoek ik u, Meester, dat gij mij raadt wat er best voor de bescherming der dochter van onze Landheer kan gedaan worden."
"Het weversambacht is sterk genoeg om de Edelvrouw voor al onheil te bewaren," antwoordde Deconinck met listigheid, "ik mag u verzekeren, dat zij hier in Brugge zo veilig als in Duitsland zou kunnen wonen, indien ik haar raadsheer zijn mocht."
"Maar wie belet u dit?" vroeg Adolf.
"Ho Mijnheer! Het is een geringe Laat niet gegeven over zijn Landvrouw te gebieden; nochtans zo zij zich volgens mijn begeerte geliefde te gedragen, zou ik voor haar verantwoordelijk blijven."
"Ik versta uw inzicht niet wel, Meester. Wat zoudt gij van de Jonkvrouw eisen? Gij wilt ze toch niet in een andere plaats brengen?"
"Ho neen! Maar dat zij zich zonder mijn kennis niet in de straat begeve, en dat zij ook niet weigere uit te gaan indien ik het nodig oordeel. Overigens, zal het u vrij staan mij deze macht te onttrekken zodra gij aan mijn rechtzinnige gevoelens twijfelt."
Dewijl Deconinck in Vlaanderen voor een der verstandigste mannen gehouden werd, dacht Adolf dat zijn eis op de voorzichtigheid gegrond was en stond hem derhalve alles toe wat hij vroeg, op voorwaarde dat hij persoonlijk voor de Jonkvrouw zou instaan. De Deken verklaarde vervolgens dat hij de edele Machteld niet kende. Hierop werd zij door Maria in de kamer gebracht.
Deconinck boog zich diep en zeer ootmoedig voor haar; intussen bezag het meisje hem met verbaasdheid, want zij wist niet wie hij was. Terwijl hij in deze houding voor haar stond, hoorde men eensklaps een groot geraas in de gang, alsof twee mensen bezig waren met kijven.
"Wacht dan!" riep een van hen. "Dat ik ga vragen of gij moogt binnengaan."
"Wat?" riep een andere stem met meer kracht. "Wilt gij er de beenhouwers uitsluiten, terwijl er de wevers in zijn? Ras, maak u uit de weg, of het zal u berouwen!"
De deur ging open en een jonge man met sterke leden en fraaie gelaatstrekken trad in de kamer. Een kolder als die van Deconinck, maar met meer smaak versierd was zijn kleedsel, en een groot kruismes hing aan zijn gordel. Op het ogenblik dat hij in het vertrek stapte, wierp hij zijn blonde haren op de schouders, en bleef verbaasd bij de deur staan. Hij had gedacht dat hij de Deken der wevers met enige gezellen zou gevonden hebben; maar nu hij deze prachtige Jonkvrouw, en Deconinck voor haar gebogen zag, wist hij niet wat er over te gissen.
Echter liet hij zich hierdoor noch door de ondervragende blikken van Meester Rogaert ontstellen. Hij ontdekte zijn hoofd, boog zich haastiglijk voor al de bijzijnde personen en ging recht bij Deconinck. Hem gemeenzaam op de schouder kloppende riep hij: "Wat duivel, Meester Pieter, ik zoek alreeds twee uur naar u. De ganse stad heb ik afgelopen en nergens kon ik u aantreffen;--maar gij weet niet wat er gaande is en wat tijding ik u breng?"
"Wel, wat weet gij dan, Meester Breydel?" vroeg Deconinck met ongeduld.
"Bezie mij toch zo stijf niet met uw grijs oog, Deken van de wolwevers!" riep Jan Breydel. "Want gij weet wel dat ik van uw kattenblik niet bang ben,--maar dat is hetzelfde. Welnu, Koning Philippe le Bel en de vervloekte Johanna van Navarra komen morgen te Brugge.--En die schone heren van het Magistraat hebben honderd wevers, veertig beenhouwers, en ik weet niet hoeveel volk meer tot het maken van praalbogen van wagens en van schavotten gevraagd."
"En wat beduidt dit dan zo verwonderlijk, dat gij u te barsten loopt?"
"Hoe, Deken--wat beduidt dit? Meer dan gij denkt; want er is geen enkele beenhouwer die ergens handen wil aansteken, en er staan driehonderd wevers voor het Pand[49] naar u te wachten.--Wat mij aangaat, mijn armen moeten lam worden indien ik iets ertoe doe. De Goedendags[50] staan gereed, de messen zijn geslepen enzovoorts.--Gij weet wel, Deken van de wolwevers! wat dit onder mijn ambacht zeggen wil."
De tegenwoordige personen luisterden met nieuwsgierigheid op de losse rede van de Deken der beenhouwers. Zijn stem was aangenaam en zoetluidend, alhoewel zij de laffe vrouwentoon niet bezat. Deconinck in zichzelve oordelende dat het voornemen van Breydel schadelijk was, antwoordde: "Meester Jan, ik ga met u uit--wij zullen onder ons de nodige maatregelen beramen. Maar eerst moet gij deze edele Vrouw voor de dochter van Mijnheer Robrecht van Bethune erkennen."
Breydel wierp zich verbaasd voor Machteld op beide knieën ten gronde, hief zijn ogen opwaarts tot haar en riep: "O mijn doorluchtige Vrouw! Vergeef mij de onbezonnen woorden die ik onwetend voor u gesproken heb. De edele dochter van de Leeuw, onze Heer, neme het een Laat niet ten kwade."
"Sta op, meester," antwoordde Machteld vriendelijk, "uw woorden hebben mij niet gehoond. Liefde tot het Vaderland en haat tegen onze vijanden hebben u dezelve ingeboezemd.--Ik dank u om uw trouw."
"O genadige Gravin," hernam Breydel opstaande, "UEdele kan niet geloven hoe nijdig ik tegen Snakkers[51] en Leliaards ben. Mocht ik het leed dat het Huis van Vlaanderen aangedaan is, wreken--ho mocht ik! Maar die Deken van de wolwevers houdt mij altijd tegen; misschien heeft hij gelijk, want wat uitgesteld wordt, is niet verloren; nochtans kan ik mij moeilijk wederhouden. Morgen komt die valse Koningin van Navarra in Brugge, maar God geve mij andere gedachten, of zij zal nooit haar hatelijk Frankrijk wederzien."
"Meester," sprak Machteld, "wilt gij mij iets beloven?"
"Ik u iets beloven, Edelvrouw? Hoe vriendelijk spreekt gij toch tot uw onwaardige dienaar! Een gedachte van u zij mij een heilig gebod, o doorluchtige Jonkvrouw!"
"Wel ik begeer dat gij de rust niet store, terwijl uw nieuwe Vorsten hier zijn zullen."
"Het zij zo," antwoordde Breydel met droefheid, "ik had liever gehoord dat UEdele mijn arm en mijn mes geëist had. Maar wat niet is, mag komen."
Dan boog hij nogmaals zijn ene knie voor de jonge Machteld en hernam: "Ik bid, ik smeek u, o edele dochter van de Leeuw, dat gij uw dienaar Breydel niet vergete indien gij ooit moedige mannen nodig hebt. Het beenhouwersambacht zal zijn Goedendags en messen ten uwen dienste geslepen houden."
Het meisje verschrikte enigszins op die bloedige aanbieding; maar de gelaatstrekken van degene die ze haar deed, behaagden haar zeer.
"Meester," antwoordde zij, "ik zal mijn heer en Vader, indien God hem mij wedergeeft, uw trouw kenbaar maken:--Ik kan u slechts mijn dankbaarheid uitdrukken."
Na deze woorden stond de Deken der beenhouwers op en trok Deconinck met de arm voort. Wanneer zij beiden de kamer en het huis van Nieuwland verlaten hadden, spraken de overblijvende personen nog lang over dit onverwacht bezoek.
De twee Dekens in de straat zijnde, begon Deconinck: "Meester Jan, gij weet dat de Leeuw van Vlaanderen altijd de vriend des volks geweest is, diensvolgens is het onze plicht zijn dochter als een heiligdom te bewaken."
"Zwijg maar," antwoordde Breydel, "de eerste Fransman die haar wat links beziet, zal met mijn kruismes kennis maken. Maar meester Pieter, dat wij de poorten sloten en Johanna niet in de stad lieten, ware dat niet beter? Al de beenhouwers zijn gereed: de Goedendags staan achter de deuren en op de eerste roep zijn de Leliaards naar...."
"Wacht u wel iets geweldigs te ondernemen," hervatte Deconinck. "Zijn Landheer met pracht in te halen is overal de gewoonte:--dit kan de Gemeente niet onteren. Het is beter de macht tot gewichtiger pogingen te bewaren. Het Vaderland is overdekt met Franse krijgsknechten en wellicht zouden wij tegen hen tekortschieten."
"Maar Meester, dit duurt reeds zo lang. Laat ons liever de knoop met een goed mes doorsnijden, dan zo lange tijd te werken om hem los te maken. Gij verstaat mij wel!"
"O ja, maar dit is niet goed gedacht. De voorzichtigheid, Breydel, is het krachtigste mes,--het snijdt wel langzaam, maar het wordt nooit bot en breekt ook niet.--Wat wilt gij nu de poorten sluiten? Hiermede is er niets gewonnen. Luister, en hou het u voor gezegd: laat het onweder stillekens wat afdrijven; laat de krijgsknechten gedeeltelijk naar Frankrijk vertrekken; geef de Fransen en Leliaards wat toe, opdat zij in hun waakzaamheid verslappen...."
"Neen," viel Breydel in, "dit mag niet zijn.--Zij beginnen reeds zo verwaand en zo dwingend te worden: zij roven de boeren van het Vrije, verkrachten maagden en vrouwen, alsof wij hun slaven waren."
"Zoveel te beter, Meester Jan, zoveel te beter!"
"Zoveel te beter! Wat wil dat zeggen? Sa Meester! Hebt gij uw kolder omgekeerd, en zoudt gij uw vossenverstand willen gebruiken om ons te verraden?--Ik weet niet, maar het schijnt mij dat gij terdege naar de Lelie begint te rieken. Dan moet de pest u besmetten, indien dit waar is!"
"Neen, neen, mijn vriend Jan; overweeg met mij dat hoe meer zij de gemoederen verbitteren hoe sneller de verlossing naakt. Want indien zij hun daden bewimpelden, en onder schijn van rechtvaardigheid heersten, zou het volk onder het juk in slaap vallen, en dan zou het gebouw onzer vrijheid voor altijd in de grond zinken. Weet dat de dwingelandij der Heren, de vrijheid van het Volk als een moeder uitbroeit. Nochtans indien zij aan de voorrechten onzer stad dorsten raken zou ik de eerste zijn die u tot weerstand zou vermanen;--maar echter nog niet door openbaar geweld; er zijn andere wapenen die men met meer veiligheid kan gebruiken."
"Meester," viel Jan Breydel uit, "ik begrijp u.--Gij hebt altijd gelijk alsof uw woorden op perkament geschreven stonden. Dit valt mij echter zeer lastig, die trotse Fransen zo lang te dulden;--want zo straffe mij God, liever Saraceens dan Wals[52]!--Maar gij zegt het zeer wel; hoe meer een vors zich opblaast hoe gauwer hij barst. Ik moet het tegen dank bekennen, het verstand is bij de wevers."
"Wel, Meester Breydel, zo ook is de onversaagdheid en de heldenmoed onder de beenhouwers. Indien wij deze twee deugden, voorzichtigheid en moed, steeds bij elkander voegen, zullen de Fransen geen tijd hebben om de boeien aan onze voeten vast te maken."
De Deken der beenhouwers gaf door een heldere glimlach zijn blijdschap over deze loftuiting te kennen.
"Ja," antwoordde hij, "onder mijn ambacht zijn dappere mannen, Meester Pieter.--En de Wallen zullen het wel eens weten wanneer de bittere appel zal rijp zijn. Maar ter goeder ure! Hoe zult gij de dochter van de Leeuw onze Heer, aan de kennis der Koningen onttrekken?"
"Ik zal ze haar bij het zonnelicht zien laten".
"Hoe dat, meester? De Jonkvrouw Machteld aan Johanna van Navarra zien laten? Gij feilt in uw oordeel--ik geloof dat gij ergens een slag op het hoofd gekregen hebt."
"Neen, toch niet. Morgen bij de intrede des vreemden Meesters, zullen al de wolwevers onder de wapens zijn, de beenhouwers zult gij aanvoeren. Wat vermogen de Wallen dan? Niets, dit weet gij.--Welnu, dan stel ik Jonkvrouw Machteld vooraan, dat Johanna van Navarra haar wel bemerke. Meteen weet ik wat de Koningin in haar boezem heeft, en wat wij voor Machteld te vrezen hebben."
"Juist, zo is het, Meester Pieter. Gij hebt te veel verstand of de tover hale mij! Ik zal de dochter van de Leeuw bewaken, en ik wenste wel dat de Fransen haar beledigden; want de vuisten jeuken mij geweldig. Maar heden moet ik nog enig hoornvee te Sijsele gaan kopen, dus hebt gij de wacht over de jonge Gravin."
"Nu wees maar bedaard, mijn vriend Jan, en laat het bloed u niet te veel koken.--Daar zijn wij bij het Pand van het weversambacht."
Gelijk Breydel het gezegd had, stonden er ontellijke wevers voor de deur. Allen hadden zij kolders en mutsen van dezelfde vorm als hun Deken. Hier en daar stond een jonge gezel, met langere haren en meer versiersels aan zijn klederen, doch dit ging niet ver; want men gedoogde in het ambacht niet veel ijdelheid.
Jan Breydel sprak nog enige stille woorden met Deconinck en verliet hem vergenoegd.
Bij het naderen van hun Deken openden de wevers hun scharen en ontdekten zich eerbiediglijk het hoofd. Zij gingen allen in het Pand na hun meester.
* * * * *
7
_Ja alles lachte en juichte op hare schreên Bij elken stap kon zy op bloemen treên, Zy las de vreugd op ryke zegebogen, Zy zag voor haer de ridderen gebogen,-- En echter blonk de gramschap in hare oogen-- Want by dien prael; waer niets te ontbreken scheen, Ontbrak het hart--de stem des volks alleen,_
J.A. BREDERFORT.
De Leliaren hadden ongemene pogingen tot de versiering der stad aangewend; zij konden hierdoor hun nieuwe Vorst behagen en zijn gunst verkrijgen. Al de ambachtsgezellen waren tot het oprichten van praalbogen gebruikt geweest: geld was er niet gespaard, de rijkste stoffen waren uit de winkels gehaald en voor de gevels der huizen gehangen; men had in de velden een groot getal jonge bomen afgehakt om de straten als groene dreven te beplanten.--Des anderendaags om tien uur was alles vaardig.
Op het midden der grote Markt had het timmermansambacht een statige troon van lazuur fluweel verheven. Er waren zetels met gouden boordsels en gewrochte kussens; nevens dezelve stonden twee kunstige zuilbeelden, de Vrede en de Macht, die met hun verenigde handen een kroon van lauwer- en olijftakken boven het hoofd van Philippe le Bel en van Johanna van Navarra moesten reiken. Zwierige behangsels waren om de troon geschikt, en rijke tapijten dekten de markt tot op een zekere afstand.
Bij de ingang der Steenstraat stonden vier in marmer geschilderde voetzuilen en op ieder derzelve een bazuinblazer als een Faamengel gekleed, met lange vleugelen en in purperen gewaad.
Tegen de grote Vleeshal, bij het begin der Vrouwestraat, was een prachtige praalboog met gotische pijlers opgericht. Boven, tegen de kroon van het gewelf, hing het wapenschild van Frankrijk op een purperen grond; lager, tegen de twee pijlers, hingen de schilden van Vlaanderen en van Brugge; overal in de lijsten waren zinnebeelden geschilderd, om de vreemde meester te vleien. Hier kroop Vlaanderens zwarte Leeuw voor een leliebloem, ginds waren de sterren des hemels door leliën vervangen, en dergelijke laffe beeldingen meer, die door de bastaardvlamingen uitgevonden waren.
Indien Jan Breydel door de Deken der wevers niet ware wederhouden geweest, zouden die schandelijke schilderijen het volk niet lang verbitterd hebben; maar nu verkropte hij zijn spijt en aanzag het alles met een somber geduld. Deconinck had hem doen begrijpen dat het ogenblik niet gekomen was.
De Katelijnestraat was op haar gehele lengte met sneeuwwit lijnwaad en lange loofkransen behangen. De huizen der Leliaren droegen verwelkomende jaarschriften: op kleine vierkante standaards brandde allerlei reukwerk in prachtig gedreven vaten; en jonge maagdekens strooiden de bladen der veldbloemen op de straat.--De Katelijnepoort langs dewelke de Vorsten in de stad treden moesten, was van buiten met prachtige behangsels van kostelijk scharlaken bekleed. Allegorische taferelen spraken er de lof der vreemden, en lasterden de Leeuw, dit zegerijke teken van het voorgeslacht. Acht engelen waren bedektelijk bij de poort op de wal geklommen, om de welkom te blazen en de Vorst aan te kondigen.
Op de grote Markt stonden de Ambachten met hun Goedendags in diepe gelederen langs de huizen geschaard. Deconinck aan het hoofd der wevers had zijn rechtervleugel tegen de Eiermarkt gevestigd, Breydel met het ambacht der Macecliers[53] stond tegen de zijde der Steenstraat; de andere ambachten waren in mindere scharen tegen de andere kant verdeeld. De Leliaren en bijzonderste Edelen der stad hadden zich onder de hal op een prachtig schavot verenigd.
Te elf uur gaven de engelen die op de wallen stonden, het teken van de aankomst der Vorsten, en de koninklijke stoet kwam eindelijk langs de Katelijnepoort in de stad[54].
Vooruit renden vier wapenboden op schone witte paarden; aan hun bazuinen hing de banier van Philippe le Bel, hun Meester, met gulden leliën op een blauw veld. Zij bliezen een zoetluidende tocht, en bekoorden de aanhoorders door hun kundige samenstemmingen.
Twintig treden achter deze Wapenboden kwam de Koning Philippe le Bel, op een hoge draver, statig aangestapt. Onder al de ridders die hem vergezelden, was er geen enkele die hem in schoonheid van gelaatstrekken te boven ging: fijne zwarte haren rolden in twijfelachtige krullen op zijn schouders; en streelden de zuiverste wangen welke ooit op een vrouwengelaat geblonken hadden. Een lichtbruine tint, die op zijn gans wezen verspreid was, gaf er manlijkheid en nadruk genoeg aan: zijn glimlach was zoet en zijn voorkomen zeer beminlijk.
Daarbij een hoge gestalte, welgemaakte leden en kundige houding, maakten hem de volmaaktste ridder zijns tijds. Hierom ook werd hij door gans Europa le Bel, of de Schone genaamd.--Zijn kleding was wel met goud en zilver doorwrocht; maar echter niet met versiersels overladen. Het was kenlijk dat de fijnste smaak en niet de verwaandheid zijn keus bestuurd had.
De verzilverde helm, die op zijn hoofd blonk, droeg een grote vederbos welke tot op de rug van zijn paard neerviel.
Nevens hem reed de trotse Johanna van Navarra, zijn gemalin.
Deze was op een vale hakkenij gezeten en gans met goud en gesteenten overdekt. Een lang rijkleed van gulden laken, dat op de borst met een zilveren snoer toegeregen was, viel in zware vouwen tot bij de aarde, en glansde hevig met zijn duizend schitterende versiersels. Paarlen en allerlei knopen en eikels van de kostelijkste stoffen gewrocht, hingen in overvloed op haar en op de hakkenij, die deze schatten voerde. Hoogmoedig en verwaand was de Vorstin; men kon op haar gelaat bemerken dat die zegepralende intrede haar hart met een nijdig genoegen streelde: zij smeet haar stijve blikken met hoogmoed en opgeblazenheid over het verwonnen volk, dat in de vensters, op de pompen, ja op de daken geklommen was om de stoet te kunnen aanschouwen.
Aan de andere zijde des Konings reed Louis Hutin, zijn zoon. Ootmoedig in zijn grootheid en goed van inborst was de jonge Vorst; medelijden voor deze nieuwe onderdanen blonk op zijn gelaat, en de ogen der Burgers vonden steeds een minzame glimlach op zijn aanzicht. De goede hoedanigheden en de deugden zijns vaders had hij, zonder de hatelijke inborst zijner moeder te hebben.
Onmiddellijk na de Koning kwamen enige schildknapen, hofjonkers en staatjuffers; dan een gehele stoet ridders op het prachtigste uitgedost. Onder deze waren de heren Enguerrand de Marigny, De Chatillon, De St.-Pol, De Nesle, De Nogaret en meer anderen. De koninklijke Standaard en menigvuldige wimpels zwaaiden lieflijk boven de stoet der edele ridders.
Nu volgde nog een hoop lijfwachten, allen te paard, en wel bij de driehonderd sterk. Hun gans lichaam was van het hoofd tot de voeten met ijzer overdekt, lange speren staken twintig voet boven hun scharen uit; zij hadden helmen, harnassen, wapenrokken, rondellen, bilplaten en ijzeren handschoenen. Hun zware paarden waren ook met ijzeren schutplaten bedekt.
De Burgers, die overal in menigte vergaderd waren, aanschouwden dit gevaarte met een plechtig stilzwijgen; geen enkele welkomstgroet steeg uit de scharen, en geen enkel teken van blijdschap was onder hen te vinden. Door deze koude ontvangst voelde Johanna van Navarra zich grotelijks gehoond; nog meer verbitterde zij, wanneer zij bemerkte dat veel ogen haar zonder eerbied bezagen, en door een misprijzende grimlach hun haat voor haar te kennen gaven.
Zodra de stoet bij de Markt kwam, brachten de twee Faamengelen die op de voetzuilen stonden, hun bazuinen aan de mond en zonden de welkomstgroet weergalmend over de plaats. Hierop hieven de heren van het Magistraat met weinig andere Leliaards ook aan met de roep: Frankrijk! Frankrijk! Leve de Koning! Leve de Koningin!
De trotse Johanna ontvlamde in innige razernij, wanneer zij geen enkele stem uit het volk of de ambachten hoorde opgaan.
Al de Burgers bleven beweegloos staan, zonder een bewijs van eerbied of vreugde te geven[55]. De toornige Koningin verkropte haar spijt voor dit ogenblik, en liet slechts op haar gelaat het diep misnoegen, dat zij gevoelde, blijken.
Een weinig terzijde van de troon bevond zich een hoop Edelvrouwen, allen gezeten op de fraaiste hakkenij en die men beschouwen mocht. Om de Koningin Johanna heerlijk te ontvangen, hadden zij zich zo kostbaar met juwelen en schatten behangen en bedekt, dat het schemerend oog de glans harer kleding niet verdragen kon.
Machteld, de schone jonge dochter van de Leeuw van Vlaanderen, stond vooraan en viel de eerste onder het gezicht der Koningin. Haar kledij bestond uit de volgende stukken: