De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 7

Chapter 7 3,997 words Public domain Markdown

De overblijvende Edelen, die in Vlaanderen niet veel meer te zeggen hadden, en alleenlijk met iedereen de rechten van eigendom bezaten, betreurden hun verloren macht zeer: het enige middel tot het wederkrijgen derzelve was het omverwerpen der bloeiende gemeenten. Mits de vrijheid in Frankrijk nog niet gestraald had, en dat de beheersing der Leenheren er nog uitsluitend en dwingend was, hoopten zij dat Philippe le Bel de staat van zaken in Vlaanderen ook veranderen zou, en dat zij in hun vorige rechten zouden hersteld worden. Diensvolgens begunstigden zij Frankrijk tegen Vlaanderen en kregen de naam Leliaards als een schandmerk. Dezen waren te Brugge, alsdan met Venetië de rijkste handelsstad der wereld, zeer menigvuldig; zelfs de Burgemeesters en verdere bestuursheren, door Franse invloed benoemd, waren allen Leliaards.

De aanhouding van de Graaf en der trouwgebleven Edellieden werd door hen met blijdschap vernomen; want nu was Vlaanderen ten voordele van Philippe le Bel verbeurd en deze kon diensvolgens de wetten en voorrechten der gemeenten geheel tenietdoen.

Het volk vernam de meinedigheid van het Franse Hof met de grootste verslagenheid: de liefde die het altijd tot zijn Graven gedragen had, werd door medelijden nog heviger en het barstte in gemor tegen die eedverbreking uit. Maar de Franse Krijgsbenden, die overal in menigte lagen, en de onenigheid die onder de Burgers heerste, maakte de oprechte Klauwaards[44] voor die tijd moedeloos.--Philippe le Bel bleef rustig in het bezit van Gwydes erfdeel.

Zodra het droeve nieuws in Vlaanderen aankwam, begaf Maria, de zuster van Adolf van Nieuwland, zich met talrijke dienaren naar Wijnendale, en deed haar gewonde broeder in een draagkoets naar het vaderlijk huis te Brugge overvoeren. De jonge Machteld, die zich nu zo pijnlijk van al haar bloedverwanten gescheurd zag, volgde deze nieuwe vriendin en verliet het slot Wijnendale, hetwelk een Franse bezetting had ontvangen.

Het huis van Nieuwland was in de Spaansestraat te Brugge gelegen. Twee ronde torentjes staken aan beide hoeken van de gevel met hun weerhanen boven het dak, en beheersten al de omstaande gebouwen: twee arduinen pijlers van Griekse bouworde ondersteunden het welfsel dat de poort vormde; boven dezelve stond het schild van Nieuwland met dit afschrift boven de helm: _Pulchrum pro patria mori._ Aan weerszijden van het schild was een Engel met palmtakken in de hand.

In een kamer, welke diep genoeg gelegen was om voor het onophoudend gerucht der straat bevrijd te zijn, lag de zieke Adolf op een kostelijk bed. Bleek was hij uitermate, en de pijn, welke hem zijn wonde aandeed, had hem zodanig vermagerd, dat hij niet meer kennelijk was. Aan het hoofdeinde der bedstede, op een tafeltje, stond een kleine kruik en een zilveren drinkschaal; aan de wand hing het harnas dat onder de speer van De St.-Pol had gefeild en door hetwelk Adolf zijn wonde had ontvangen. Alles was om hem doods en stil; de vensters halfgesloten zijnde, was het vertrek slechts bij een twijfelachtige schijn verlicht, en niets kon men horen dan de lastige hijgingen des ridders en het gekraak van een zijden kleedsel.

In een hoek der kamer zat Machteld met de hand voor de ogen: tranen lekten in stilte door haar fijne vingers en doffe zuchten ontvlogen haar beklemde borst. De valk, die op de rug van haar stoel zat, scheen aan de droefheid zijner meesteres niet ongevoelig; want hij had zijn hoofd mismoedig tussen de pluimen gestoken en bewoog zich geenszins.

Het jonge meisje, hetwelk voorheen zo gulhartig en zo blijmoedig was dat geen smart haar kon raken, was nu geheel veranderd. De gevangenis van al wat haar duurbaar was, had haar jeugdig hart zo fel geschokt dat alles in haar ogen zwart en duister was geworden. De hemel was voor haar niet meer blauw, de velden niet meer groen--haar dromen waren niet meer van goud-en-zilverdraad doorvlochten. Nu konden droefheid en stille wanhoop alleen de baan tot haar hart vinden: bij het pijnend aandenken der gevangenis haars vaders mocht niets haar troosten.

Na zij aldus enige tijd beweegloos had gezeten, stond zij langzaam op en nam haar valk op de hand. Zij bezag al wenende de vogel, en sprak met zeer zachte stem, terwijl zij van tijd tot tijd de tranen van haar bleke wangen droogde: "O mijn trouwe vogel, treur zo niet: onze heer vader zal haast wederkomen. De boze Koningin van Navarra zal hem geen kwaad doen;--want Mijnheer Sint-Michiel[45] heb ik zo vurig voor hem gebeden. En God is immers rechtvaardig! Treur dan niet meer, mijn lieve havik."

Het meisje weende met warme tranen. Alhoewel haar woorden troostend en vol hoop schenen, was het echter in haar hart zo niet: de diepste droefheid had het benepen. Zij hernam:

"Mijn arme valk, nu moogt gij niet meer in de dalen van het vaderlijke slot ter jacht gaan, want de Fransen wonen in ons schone Wijnendale. Zij hebben onze ongelukkige vader in een kerker gezet en aan zware ketens geboeid. Nu zit hij in het duistere kot zo ellendiglijk te zuchten--en wie weet of de wrede Johanna hem niet zal doen sterven! O mijn lieve vogel, dan sterven wij ook van angst.--De gedachte, de schrikkelijke gedachte alleen, doet mij de krachten ontgaan. O zit daar neer; want mijn bevende hand kan u niet meer dragen ..."

Het wanhopige kind zonk afgemat in de zetel; nochtans werd haar aangezicht niet bleker, want sedert lang waren de rozen op haar wangen verwelkt, en haar oogleden hadden zich bij het gedurig wenen met een rode kleur geverfd. De lieflijkheid harer gelaatstrekken was verdwenen en haar ogen waren zonder vuur of levendigheid.

Lang bleef zij in haar treurgeestigheid verzonken; zij dacht beurtelings aan alles wat haar nog meer in wanhoop mocht dompelen. Dan bracht het duistere aandenken de naarste dromen om haar: zij zag haar rampzalige vader in een vochtige kerker geboeid, hoorde het geratel zijner ketens en de galmen, die in het akelige verblijf zijn pijnlijke zuchten herhaalden. Het vergif, dat men zo dikwijls in Frankrijk gebruikte, speelde ook gedurig in haar verbeelding, en de schriklijkste tonelen dreven afwisselend voor haar ogen. Op deze wijze werd het meisje zonder ophouden gefolterd en tot de dood toe bedroefd.

Een doffe zucht kwam uit de bedstede.

Haastelijk droogde Machteld de tranen van haar wangen en liep met bange zorg tot de zieke. Na zij de drank in de zilveren schaal geschonken had, stak zij haar rechterhand onder het hoofd van Adolf en het wat oplichtende, bracht zij de schaal aan zijn mond.

De ogen des ridders gingen wijd open en hechtten zich met een vreemde uitdrukking op de jonge maagd. Dankbaarheid en liefde heersten in zijn flauwe blikken, en een onuitsprekelijke glimlach liep over zijn bleek gelaat.

Wie Machteld nu gezien had, zou bemerkt hebben dat haar wangen met de levendigste verven gekleurd waren. Zij kon het gezicht van Adolf niet verdragen zonder dat het rood der schaamte op haar voorhoofd klom. Ondanks haar koude droefheid klopte haar hart zo hevig, en het bloed stroomde haar zo krachtig door de aderen dat zij ogenblikkelijk weder de schone Machteld werd. Nu geleek zij een fraaie roos, op welkers zachte bladen de dauwdruppels bij de morgenzon als diamanten glinsteren;--want de tranen van het meisje rolden nog gedurig over haar rijkgekleurde wangen.

De ridder had sedert zijn wonde nog niet verstaanbaar gesproken; zelfs scheen het, dat hij de woorden die men hem toestuurde niet hoorde. Dit was echter niet waar. Wanneer Machteld hem in de eerste dagen zijner ziekte vriendelijk toesprak, met de woorden: "Genees, mijn arme Adolf, mijn lieve Adolf, ik zal voor u bidden; want uw dood zou mij nog ongelukkiger op aarde maken" en meer andere gezegden die zij zonder achterdocht bij zijn bedstede suisde, dan had Adolf dit allemaal wel gehoord en verstaan, alhoewel hem de macht om te spreken ontbrak.

Gedurende de voorbijzijnde nacht was er een merkelijke verbetering in de toestand van Adolf omgegaan. De natuur door de zoete woorden van Machteld geholpen had hem, na lang strijden, een heilzame slaap verleend en uit dezelve meer kracht en leven laten putten. De zucht, die bij zijn ontwaken uit zijn borst opging, was luider en langer dan de ademingen die zijn wonde hem immer had toegelaten.

Zodra Machteld de drinkschaal van zijn mond had weggenomen, verbaasde zij niet weinig; want hij sprak met zwakke doch klare stem: "O edele maagd! O mijn Engelbewaarder!--Ik dank de goede God dat hij mij zo dicht bij het graf gebracht heeft. Ben ik uw zorg waardig, O Edelvrouw, dat uw doorluchtige hand mijn hoofd zo vriendelijk ondersteunt? Wees gebenedijd om uw zorg voor een arme ridder...."

Het meisje beefde bij het horen dezer woorden. De moed begaf haar gans, en wellicht zou deze aandoening haar de spraak benomen hebben, indien andere droeve gedachten dezelve niet hadden verminderd.

"Mijnheer Van Nieuwland," sprak zij de ridder zachtjes toe, "gij hebt uw leven voor mijn vader gewaagd en bijkans verloren; gij bemint hem gelijk ik hem bemin. Betaamt het mij dan niet, u mijn dankbaarheid te betonen en u als een broeder te bezorgen?"

"Ho! Zalig woord!" riep Adolf met al de kracht die hij herkregen had. "Uw broeder? O Jonkvrouw, gij geneest mij met dit enkel woord. Ware mijn lichaam gans doorstoken zou ik echter niet sterven kunnen, nu gij mij uw broeder noemt. Wat hebt gij niet al voor mij gedaan, o doorluchtige dochter van mijn heer? Uw gebeden hebben zo gedurig in mijn oren gezongen, uw troostende stem heeft mij het hart zo menigmaal versterkt.--En het heeft mij in mijn pijnlijke sluimering toegeschenen, dat een Engel Gods de dood van mijn bedstede afkeerde:--een Engel die mij het hoofd ondersteunde, die mijn brandende dorst met medelijden laafde, en mij onophoudelijk verzekerde dat ik niet zou sterven.--Die Engel alleen heeft mij gered, want mijn ziel woonde zo graag dicht bij hem; zij zou het zwakke lichaam voorzeker verlaten hebben, indien de Engel het had verlaten."

Terwijl de ridder dit zegde, staarde hij met liefdesblikken op Machteld. De jonge maagd had de ogen reeds tweemaal opgeheven en weder neergeslagen. In haar hart galmden de tonen van Adolf met een onbegrijpelijke toverkracht; want zij hijgde snellijk en scheen bij een hevige zielsstrijd te lijden.

"Mijnheer Adolf, zwijg om Gods wil," riep zij. "Gij zult u schade doen. Meester Rogaert heeft gezegd dat men in uw kamer niet spreken mag. De engel die gij gezien hebt, was Mijnheer Sint-Michiel, die ik voor u gebeden heb, opdat hij u kwam bijstaan."

"Ja," antwoordde Adolf, "ik geloof dat het een geest des hemels was; maar nu heeft dit zalig verschijnsel mij nog niet begeven. Gij, o edele Machteld--gij zijt het die mijn ziel wederhouden hebt--uw stem heb ik gehoord: uw hand was het die mijn hoofd oplichtte; gij hebt mij gelaafd en getroost. Ho, gij weet niet wat dankbaarheid voor u in mijn hart gegroeid is! Zo geve God mij eenmaal de gezonde uren weder, opdat ik uw hoge goedheid erkennen moge."

"Och God!" riep Machteld. "Leg uw hoofd neer, Mijnheer, ik bid u, spreek niet meer, want ik mag u niet aanhoren. Ik ga haastelijk uw goede zuster Maria halen, dat zij zich met mij over uw betering verblijde."

Zij verliet de ridder en kwam enige ogenblikken daarna, door Maria vergezeld, in de kamer terug. Door het bijzijn harer vriendin versterkt, was zij zo beschaamd niet meer; echter bleef het rood op haar wangen. De blijdschap, welke zij over de gunstiger toestand van Adolf gevoelde, was tegen haar dank, op haar wezenstrekken en in haar ganse houding zichtbaar. Sneller en onrustiger waren haar bewegingen: haar tranen vloeiden niet meer, en de trouwe vogel kreeg weder vrolijker woorden.

Zodra zij met Maria in de kamer gekomen was, had zij de valk van de stoel op haar hand genomen en was met hem bij het bed van Adolf genaderd.

"Mijn waarde broeder," riep Maria, hem een zoen op zijn bleke wang gevende, "gij geneest! Nu zullen die nare dromen mij verlaten. Ho, ik ben zo blijde! Hoe dikwijls heb ik bij uw bedstede, met bitter hartzeer geweend--hoe dikwijls heb ik gedacht dat gij sterven gingt!--Maar nu verdwijnt mijn droefheid. Wilt gij drinken, mijn broeder?"

"Neen, mijn goede Maria," antwoordde Adolf, "ik heb nooit in mijn ziekte dorst geleden--die edelmoedige Machteld heeft mij zo zorgelijk gelaafd! Zo zal ook, de eerste maal dat ik naar Sint-Kruis[46] mag gaan, mijn gebed de zegen Gods over haar roepen, opdat nooit ramp haar moge raken."

Terwijl hij dit zegde, was Machteld bezig met haar valk de blijde verbetering in het oor te praten. De vogel die zijn meesteres zo vrolijk zag, schudde zijn vederen alsof hij zich tot de jacht bereiden moest.

"Zie, mijn trouwe vogel," riep het meisje, terwijl zij de valk met het hoofd naar Adolf keerde, "zie, nu geneest Mijnheer Van Nieuwland, die wij zo lang sprakeloos hebben zien liggen. Nu mogen wij weder tezamen spreken, en nu zullen wij niet altijd zo in het duister zitten. Thans verdwijnt onze vrees en zo zullen misschien onze andere droefheden ook verdwijnen: want nu ziet gij wel dat God goed en rechtvaardig is. Ja, mijn schone havik, zo eindigt ook eenmaal de bittere gevangenis van......"

Hier gevoelde Machteld dat zij iets zeggen ging dat de zieke ridder niet weten mocht. Hoe kort zij haar rede ook afbrak, klonk het woord gevangenis echter zeer vreemd in de oren van Adolf. De tranen, die hij bij zijn ontwaken op 's meisjes wangen bemerkt had, gaven hem een angstig voorgevoel.

"Wat zegt gij, Machteld?" riep hij. "De gevangenis van wie? Gij weent! Hemel! Wat zou er u gebeurd zijn?"

Machteld dorst niet antwoorden; maar Maria, die met meer voorzichtigheid begaafd was, bracht haar mond aan zijn oor en suisde: "De gevangenis van Philippa, haar moei--spreekt er haar niet meer van; want zij weent geduriglijk. Nu gij beter zijt, zal ik straks, indien Meester Rogaert het toelaat, met u over gewichtige zaken handelen; maar de jonge Vrouw mag ons niet horen; ook verwacht ik Meester Rogaert. Nu hou u stil, mijn broeder, ik zal Machteld in een andere kamer leiden."

De ridder plaatste zijn hoofd op het kussen en veinsde te rusten. Hierop keerde Maria zich tot Machteld en sprak: "Mevrouw, het gelieve u met mij te gaan; want Mijnheer Adolf wil wat slapen: zijn dankbaarheid voor u doet hem te veel spreken."

Daar het meisje niet beter wenste dan de kamer te verlaten, mits zij niet meer alleen met Adolf dorst blijven, volgde zij gewillig haar vriendin.

Een weinig hierna kwam de wondheler Rogaert aan de deur en werd door Maria bij haar broeder geleid.

"Wel, Mijnheer Adolf," riep Rogaert, terwijl hij hem de hand vatte, "het gaat goed, zie ik. Nu alle vrees ter zijde--wij zijn gered. Het is niet nodig dat ik uw wonde op dit ogenblik verbinde. Drink maar overvloedig van dit water, en hou u zo beweegloos als gij kunt. In min dan een maand zullen wij te samen een wandeling doen. Dit is mijn gissing, nochtans kunnen onvoorziene toevallen ons verachteren. Dewijl uw geest niet zo krank is als uw lichaam, laat ik toe dat Jonkvrouw Maria u van de droeve gebeurtenis kennis geve; maar ik bid u, Mijnheer Adolf, ontstel u niet te zeer en wees steeds bedaard."

Maria had reeds twee stoelen bijgetrokken: zij plaatste zich met meester Rogaert bij het hoofdeinde neer. De zieke ridder bezag hen met de grootste nieuwsgierigheid, en merkbaar was het op zijn gelaat dat hij zich reeds bij vooruitzicht bedroefde.

"Laat mij tot het einde spreken," ving Maria aan, "breekt mijn rede niet af, en hou u kloek, mijn broeder. In de avond die u zo noodlottig was, riep onze Graaf zijn getrouwe Leenheren bijeen en verklaarde hun dat hij naar Frankrijk reizen wilde, om de Koning Philippe le Bel te voet te vallen. Het werd alzo besloten, en Gwyde van Vlaanderen vertrok met de Edelen naar Compiègne: maar daar gekomen zijnde werden zij allen in hechtenis genomen, en nu is ons Land onder Frans bestuur: Raoul de Nesle beheerst Vlaanderen.....[47]"

De aandoening welke de ridder bij dit kort verhaal beving, was zo hevig niet als men zou verwacht hebben. Zonder te antwoorden scheen hij in een diepe bedenking verzonken.

"Is dit niet ongelukkig?" vroeg Maria.

"O grote God!" galmde Adolf uit. "Welke zoete zaligheid bewaart gij dan voor Gwyde, dat hij zoveel verzoekingen op deze wereld moet doorstaan!--Maar zeg mij, Maria, is de Leeuw van Vlaanderen ook gevangen?"

"Ja, mijn broeder, Mijnheer Robrecht van Bethune zit te Bourges in Berry gevangen, en Mijnheer Willem te Rouen. Van al de Edelen die met u bij de Graaf waren, is er slechts één dit droevig lot ontkomen--en dit is geen andere dan de listige Diederik."

"Nu begrijp ik het afgebroken woord en de tranen der ongelukkige Machteld.--Zonder vader, zonder huisgezin, moet de dochter der Graven van Vlaanderen bij vreemden om onderstand zoeken!--Hoe pijnlijk o God! wordt mijn wonde nu--hoe onverdraaglijk dit ledikant! Mijn waarde vriend Rogaert, och genees mij toch ras om Gods wil--dat ik ook iets doe voor diegene welke mij zo liefderijk in mijn ziekte heeft bewaakt. Spaar geen geld, gebruik de kostelijkste kruiden, de edelste gesteenten opdat ik uit het bed komen moge;--want nu is er geen rust meer voor mij!"

"Maar Mijnheer Van Nieuwland," antwoordde Rogaert, "het is niet mogelijk de heling uwer wonde te verhaasten: de natuur moet immers tijd hebben om de gekwetste delen weder te verenigen. Geduld en rust zullen u beter helpen dan kruiden en gesteenten.--Maar dit is niet alles wat wij u zeggen wilden. Weet dan dat de Fransen overal meester zijn, en dat zij hoe langer hoe stouter worden. Tot hier toe hebben wij de jonge Machteld aan hun kennis onttrokken; maar wij vrezen dat zij wel eens zal ontdekt worden; en het is denkelijk dat die arme Jonkvrouw dan ook aan Johanna van Navarra zal worden overgeleverd."

"O God!" riep Adolf uit. "Gij hebt gelijk, Meester Rogaert, zij zullen haar niet sparen. Maar wat zullen wij doen?--Hoe rampzalig lig ik hier nu uitgestrekt, terwijl zij mijn hulp nodig heeft....."

"Ik weet een plaats," hernam Rogaert, "waar Machteld in veiligheid zijn zou."

"Ho, gij redt mij uit de wanhoop! Noem toch ras deze plaats?"

"Dunkt het u niet, Adolf, dat zij in het land van Gulik[48] bij haar neef Willem in alle gerustheid zou kunnen verblijven?"

De ridder verschrikte zichtbaar bij deze vraag. Zou Machteld in een ander land een schuilplaats zoeken en hem verlaten! Dit gedacht beneep zijn hart met knellend wee; terwijl spande hij al zijn zielsvermogen in om een ander middel te vinden, dat haar zozeer van hem niet zou verwijderen. Wanneer hij hetzelve meende gevonden te hebben, liep er een zoete uitdrukking over zijn aanzicht en hij antwoordde: "Waarlijk, Meester Rogaert, dit verblijf zou ten hoogste gunstig zijn; maar volgens uw gezegde zijn de Franse benden over gans Vlaanderen verspreid; derhalve schijnt het mij zeer gevaarlijk voor een vrouw, deze reis aan te nemen. Een geleide mag haar niet vergezellen; want dit ware nog erger.--En zou ik Jonkvrouw Machteld alleen met enige dienaren laten gaan? Ho neen! Ik moet ze zozeer als mijn zaligheid bewaken; want Robrecht van Bethune zal mij eens zijn dochter wedereisen."

"Maar, Mijnheer Adolf, laat mij toe u te zeggen, dat gij de Jonkvrouw nog meer blootstelt, indien gij ze in Vlaanderen houdt. Want wie toch zal haar beschermen? Gij niet--gij kunt niet. De heren der stad zullen het ook niet doen, zij zijn aan Frankrijk te zeer onderworpen. Wat zou de arme Edelvrouw dan geworden indien zij door de Fransen ontdekt werd?"

"Ik heb haar beschermer reeds gevonden," antwoordde Adolf.--"Maria, wilt gij een knecht naar de Deken der wolwevers zenden dat hij mij kome bezoeken? Meester Rogaert, ik ben voornemens onze jonge Edelvrouw onder de bescherming der Gemeente te stellen.--Denkt gij niet dat dit een goede ingeving zij?"

"O ja, dit is geen slecht gedacht; maar het zal u niet gelukken, want het volk is op al wat zich edel noemt zeer verstoord: zij willen er geenszins van horen.--En waarlijk, Mijnheer Adolf, zij hebben geen ongelijk; want de meeste Edellieden spannen met onze vijanden aan en willen de rechten der gemeente tenietdoen."

"Dit kan mij in mijn voornemen niet storen, wees daarvan zeker, meester Rogaert, Mijn vader heeft der stad Brugge veel voorrechten door zijn tussenspraak verkregen; en dit heeft de Deken der wevers niet vergeten of zijn gezellen ook niet. Zo echter mijn pogingen niet gelukten, zouden wij een veilig middel zoeken, om de Jonkvrouw naar het Land van Gulik te doen vervoeren."

Nadat zij ruim een half uur over dit onderwerp gesproken hadden, kwam meester Deconinck, Hoofddeken der wolwevers, in de kamer van Adolf.

Een kolder van bruin wollen laken hing hem van de hals tot aan de voeten; dit kleedsel zonder sieraad of boordsels verschilde oneindig van de fraaie kleding der Edelen. Merkbaar was het dat de Deken der wevers, met inzicht, alle zwier verworpen had, om zijn lage staat aan te tonen, en alzo hoogmoed tegen hoogmoed te stellen;--want die wollen kolder dekte de machtigste man van Vlaanderen. Op zijn hoofd droeg hij een platte muts waaronder zijn haren een halve voet lang over zijn oren hingen. Een gordel bracht de wijde vouwen van de kolder om zijn lenden en het gevest van een kruismes blonk aan zijn zijde. Daar hij een oog verloren had, waren zijn wezenstrekken niet zeer aangenaam. Een bovenmatige bleekheid, benige wangen en diepe rimpels op zijn voorhoofd, gaven aan zijn gelaat een diepzinnig voorkomen. Gewoonlijk kon men in hem niets bespeuren dat hem van anderen mocht onderscheiden; maar zodra iets hem meer bekommerde of belangde, werd zijn blik doordringend en levendig: dan schoten stralen van vernuft en manlijkheid uit het oog dat hem overig was, en zijn houding werd trots en groots. Bij zijn inkomen bezag hij als een wantrouwende vos, de personen die in de kamer waren, en wel bijzonderlijk Meester Rogaert; want hij bemerkte in hem meer listigheid dan in de anderen.

"Meester Deconinck," sprak Adolf, "gelief mij te naderen, ik heb u iets te verzoeken, dat gij mij niet weigeren zult, indien mijn hoop op u gegrond is.--Maar gij moet mij eerst beloven dat gij het geheim, hetwelk ik u ga vertrouwen, aan niemand zult ontdekken."

"De rechtvaardigheid en de gunsten des Heren Van Nieuwland zijn onder de wolwevers nog niet vergeten," antwoordde Deconinck, "diensvolgens mag UEdele op mij als op een dankbare dienaar rekenen. Nochtans, Mijnheer, indien uw verzoek met de rechten des volks en der Gemeente strijdig is, zou ik u raden het geheim te bewaren en mij niets te vragen."

"Sedert wanneer," riep Adolf enigszins verstoord, "sedert wanneer, Meester, hebben de Heren Van Nieuwland uw rechten verkort? Die taal hoont mij!"

"Verschoon mij, Mijnheer, indien mijn woorden u gehoond hebben," antwoordde de Deken, "het is zo moeilijk de goeden uit de kwaden te kennen, dat men zich met recht van allen mistrouwt. Veroorloof mij u een woord te vragen, opdat alle twijfel in mij verdwijne: is UEdele een Leliaard?"

"Zo straffe mij de Heer met ongeneeslijkheid," riep Adolf, "neen, meester Deconinck, in mij klopt een hart dat de Fransen in het geheel niet gunstig is; want het verzoek dat ik u wilde doen, was juist tegen hen."

"O spreek dan vrijelijk, Mijnheer, ik ben dienstvaardig."

"Welnu, gij weet dat onze Graaf Gwyde met al zijn Edelen gevangen is; maar er is iemand in Vlaanderen gebleven die nu van alle hulp en bijstand beroofd, het medelijden der Vlamingen om haar rampspoed en doorluchtigheid verdient."

"Gij spreekt van Jonkvrouw Machteld, de dochter van Mijnheer Van Bethune," viel Deconinck in.

"Hoe weet gij dit?" vroeg Adolf verbaasd.

"Nog meer weet ik, Mijnheer, gij hebt Machteld zo geheimlijk niet in uw woning kunnen brengen dat Deconinck het niet geweten heeft, en zij zou dezelve zonder mijn kennis niet verlaten hebben. Stel u echter gerust; want ik mag UEdele verzekeren dat weinig personen in Brugge dit geheim met mij bewust zijn."