De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 6

Chapter 6 3,943 words Public domain Markdown

De vrees drukte zich op de aanzichten der toehoorders uit; zij bezagen Diederik met angstige nieuwsgierigheid. Deze nam een schaal, schonk ze vol wijn en sprak na gedronken te hebben: "Dit zal mij de nodige moed geven. Luistert dan, en vergeeft het uw trouwe dienaar De Vos, dat zijn mond u zulk nieuws brengen moet.--Gij hebt geloofd dat Philippe le Bel u in genade zou ontvangen, en gij hadt er reden toe; want hij is een edelmoedig Vorst. Hij achtte zich eergisteren gelukkig u de grootmoedigheid zijns harten te betonen; maar dan was hij niet, gelijk nu, door boze geesten bezeten."

"Wat is dit!" riepen de ridders verbaasd. "Is de Koning geplaagd?"

"Mijnheer Diederik," sprak Robrecht strengelijk, "laat die verbloemde woorden, gij hebt ons iets anders te zeggen. Het schijnt dat het niet gemakkelijk over uw lippen kan."

"Gij hebt het gezegd, Mijnheer Van Bethune," antwoordde Diederik, "ziehier de zaak die mij tot de dood toe bedroeft:--Johanna van Navarra en Enguerrand de Marigny zijn te Compiègne!"

Die namen hadden een schriklijke werking op al de ridders.

Zij werden als met stomheid geslagen en bogen hun hoofden zonder een woord te spreken. Eindelijk hief de jonge Willem zijn armen omhoog en riep met wanhoop: "Hemel de boze Johanna--Enguerrand de Marigny! Ho mijn arme zuster!--Mijn vader, wij zijn verloren!"

"Welnu," zuchtte Diederik, "dit zijn de duivelen die de goede Vorst bezitten. Ziet gij, doorluchtige Graaf, dat uw dienaar Diederik het niet slecht voor had, wanneer hij u die strik te Wijnendale aanwees."

"Wie heeft u gezegd dat de Koningin van Navarra te Compiègne gekomen is?" vroeg de Graaf, alsof hij nog aan de zaak twijfelde.

"Mijn eigen ogen, Mijnheer," antwoordde Diederik. "Vrezende dat men met ons verradelijk mocht te werk gaan; want ik betrouwde mij op hun dubbelzinnige woorden niet, heb ik gedurig gewaakt, bespied en geluisterd. Ik heb Johanna van Navarra gezien--haar stem heb ik gehoord. Ik verpand mijn eer voor de echtheid mijner woorden."

"Hoort, Mijne heren," sprak Wouter van Lovendegem, "Diederik zegt ons de waarheid, Johanna van Navarra is bij de Koning, mits hij zijn trouw ervoor verpandt. De ongenadige Vorstin zal alles inspannen om onze zaak te bederven; en God weet welke middelen zij daartoe heeft. Het beste dat wij doen kunnen is met haastigheid te overleggen hoe wij uit de strik geraken zullen. Indien men ons kwam aanhouden zou het te laat zijn."

De oude Graaf werd droef en wanhopig. Hij kon in zulke gevaarlijke toestand niets vinden dat hem mocht redden; want te midden op des Konings grondgebied zijnde, scheen de vlucht naar Vlaanderen hem onmogelijk. Robrecht van Bethune raasde morrend en vervloekte innerlijk de reis, die hem zo weerloos in de handen der vijanden geleid had.

Terwijl zij allen in een somber stilzwijgen de mistroostige Graaf bezagen, kwam een hofknaap bij de deur der zaal en riep: "Mijnheer De Nogaret, gezonden des Konings!"

Een plotselinge beweging gaf de benauwdheid die de Vlamingen bij deze aankondiging trof, genoeg te kennen. Mijnheer De Nogaret was de gewone uitvoerder der geheime bevelen des Konings, en nu dachten zij dat hij van lijfwachten vergezeld, hen kwam vangen. Robrecht van Bethune trok zijn degen uit de schede en legde hem voor zich op de tafel. De andere heren brachten insgelijks de hand aan het wapen, terwijl zij met de ogen stijf op de deur blikten.

In die houding waren zij wanneer Mijnheer De Nogaret binnenkwam. Hij boog zich hoffelijk voor de ridders en zich tot Gwyde kerende sprak hij: "Graaf van Vlaanderen! Mijn genadige Koning en Meester begeert dat gij morgen ten elf ure vóór noen, met uw Leenmannen ten Hove kome om in het openbaar hem de vergiffenis uws verbrekens af te smeken. De komst der doorluchtige Koningin van Navarra heeft dit bevel verhaast--zij heeft zelf om uw genade bij de Vorst haar gemaal gebeden, en heeft mij belast u te zeggen dat uw onderwerping haar zeer aangenaam is. Tot morgen dan, Mijne heren. Vergeeft mij dat ik u zo spoedig verlaat.--Hare Majesteit wacht mij--ik mag niet beiden. De Heer hebbe u in zijn hoede!"

Hij verliet de zaal bij deze groet.

"De Hemel zij gedankt, Mijne heren," sprak Gwyde. "De Koning is ons genadig; nu mogen wij getroost en verheugd ter ruste gaan. Gij hebt de begeerte des Konings verstaan, gelieft u bereid te maken om aan dezelve betamelijk te voldoen."

De blijdschap kwam onder de ridders terug. Zij spraken nog enige tijd over de vrees van Diederik en de gelukkige uitval die hun beloofd was: de laatste schaal wijns werd op het heil van hun Graaf geledigd.

Als zij meenden te scheiden vatte Diederik de hand van Robrecht en sprak met doffe stem: "Vaarwel, mijn vriend en meester! Ja vaarwel; want wellicht zal mijn hand de uwe voor lang niet kunnen drukken. Denk dat uw dienaar Diederik u altijd bijstaan en troosten zal, in wat plaats,--in wat kerker gij u bevinden moogt."

Robrecht zag een traan onder het ooglid van Diederik glinsteren en verstond door dezelve hoe diep zijn trouwe vriend geroerd was.

"Ik versta u, Diederik," morde hij hem in het oor. "Wat gij vreest, voorzie ik ook; maar er is geen uitkomst aan. Vaarwel dan tot betere dagen!"

"Mijne heren," riep Diederik heengaande, "indien gij enige tijding voor uw bloedverwanten naar Vlaanderen te zenden hebt, raad ik u dezelve spoedig klaar te maken, ik zal uw bode zijn!"

"Wat zegt hij!" riep Wouter van Lovendegem. "Zult gij met ons niet ten Hove gaan, Diederik?"

"Jawel, ik zal bij u en nevens u zijn; maar gij lieden noch de Fransen zult mij kennen. Ik heb het gezegd: Philippe zal De Vos niet krijgen, bij mijn ziel. God bescherme u, Mijne heren."

Hij was reeds ter deure uit als hij die laatste groet hun toestuurde.

De Graaf vertrok zich met zijn hofknaap, en de anderen verlieten insgelijks de zaal om zich te bed te begeven.

Op het gestelde uur kon men, in een wijde zaal van het paleis des Konings, de Vlaamse ridders met hun oude Graaf zien staan. Hun wapenen hadden zij in de voorkamer moeten afleggen. Blijdschap en genoegen blonk op hun gelaat, alsof zij zich op voorhand over de beloofde genade verheugden. Het aanzicht van Robrecht van Bethune verschilde in uitdrukking van al de andere: een bittere spijt en inwendige razernij was erop te lezen. De moedige Vlaming kon de trotse blikken der Franse heren niet over het hart krijgen; en ware het niet uit liefde tot zijn vader geweest, hij had weldra menige rekening erover gevraagd. De dwang, die hem door de noodwendigheid was opgelegd, werkte pijnlijk in zijn boezem, en menigmaal kon een nauwkeurig oog bemerken, dat zijn vuisten zich toewrongen, alsof zij enige banden breken wilden.

Charles de Valois stond bij de oude Gwyde en sprak vriendelijk met hem, het ogenblik afwachtende dat hij op bevel des Konings, zijn broeder, de Vlamingen voor de troon zou leiden.

Enige Abten en Prelaten waren ook in de zaal tegenwoordig.

Bij dezelve bevond zich menig treffelijk Burger van Compiègne, die men met inzicht tot deze plechtigheid had toegelaten.

Terwijl iedereen zich, met over de zaak van Gwyde te spreken, bezig hield, kwam er een oude pelgrim in de zaal. Zijn hoofd helde ootmoediglijk met de brede hoed voorover, in zulker voege dat men van zijn gelaatstrekken weinig kon zien. Een bruine palsrok met schelpen versierd, verborg de vormen van zijn lichaam en een lange stok met een drinkvat, ondersteunde zijn stramme leden. Zodra de Prelaten hem bemerkten, kwamen zij tot hem en belaadden hem met allerlei vragen. De ene begeerde te weten hoe het met de christenen in Syrië gelegen was, de andere hoe het met de oorlog in Italië stond, een derde vroeg of hij geen kostelijke overblijfsels van Heiligen had medegebracht, en meer zaken die men de pelgrims vraagt. Hij antwoordde op dit alles gelijk iemand die deze landen maar onlangs verlaten had, en vertelde zoveel wonderlijke dingen, dat de omstaanders hem met eerbied en nieuwsgierigheid aanhoorden. Alhoewel zijn gezegden doorgaans ernstig en treffend waren, kwamen er echter somtijds zulke boertige woorden uit zijn mond, dat de Prelaten zelf in lachen moesten uitbarsten. Weldra waren er meer dan vijftig personen om hem geschaard, enige brachten de eerbied en de bewondering zo ver, dat zij in stilte hun handen over zijn palsrok lieten gaan, denkende dat hun dit een zegen zou toebrengen. Nochtans was die wonderlijke pelgrim geen wandelaar; de landen die hij zo goed scheen te kennen had hij slechts in zijn jongheid bezocht, en wist niet veel meer van hetgeen hij er gezien had; maar wanneer het geheugen hem ongehoorzaam was, kwam zijn inbeelding hem helpen; dan vertelde hij bovennatuurlijke zaken en lachte in zichzelf over degenen die hem geloofden. Het was Diederik de Vos. Niemand bezat als hij de kunst om zich te hervormen en in alle gedaanten te herscheppen. Hij kon zijn aanzicht door waters en kleuren verouderen of jonger maken, en dit met zoveel kunde dat zelfs zijn vrienden hem niet konden herkennen. Terwijl hij in het woord der Franse Vorsten niet het minste vertrouwen had en dat zoals hij het de Graaf gezegd had, hij niet wilde gedogen dat men De Vos vangen zou, had hij zich aldus verkleed om niet in de handen der vijanden te vallen.

Weinige tijd hierna kwamen de Koning en Koningin met een talrijke stoet van ridders en staatjuffers in de zaal, en plaatsten zich op de troon. De meeste Franse heren schikten zich op twee rijen langs de wand; de anderen bleven in de nabijheid der burgers staan. Twee wapenboden met de banieren van Frankrijk en van Navarra plaatsten zich aan beide zijden van de troon.

Op een teken des Konings kwam Charles de Valois met de Vlaamse Edelen vooruit. Deze bogen de ene knie op fluwelen kussens voor de troon, en bleven stilzwijgend in die ootmoedige houding zitten. Aan de rechterzijde des Graafs zat zijn zoon Willem en aan de linkerzijde, in de plaats van Robrecht van Bethune, zat Wouter van Maldegem, een edel heer.

Robrecht was tussen de Franse ridders blijven staan: het gelukte hem in den eerste, niet door Philippe le Bel bemerkt te worden.

De klederen der Vorstin Johanna waren schitterend van goud en gesteenten, en de koninklijke kroon die haar hoofd omving, glansde tegen het daglicht met haar duizend diamanten op. Hoogmoedig en verwaand, smeet de trotse Vrouw verachtende blikken op de Vlamingen die voor haar geknield zaten, en grimlachte met een hatelijke uitdrukking, terwijl zij de oude Graaf met inzicht zo lang liet wachten. Eindelijk suisde zij enige woorden in het oor van Philippe le Bel, en deze sprak met luider stem tot Gwyde: "Ontrouwe Vazal! In onze koninklijke genade hebben wij het billijk geacht uw verbreken te doen onderzoeken om te zien of het ons veroorloofd was u te vergeven; maar wij hebben bevonden dat de vaderliefde slechts tot dekmantel uwer weerspannigheid gediend heeft, en dat een misdadige hoogmoed u tot ongehoorzaamheid heeft aangespoord."

Terwijl de Koning deze woorden sprak, kwam de verbaasdheid en de schrik in de harten der ridders. Nu merkten zij de strop die hun door Diederik de Vos was aangetoond. Mits Gwyde zich niet bewoog, bleven zij ook nog geknield zitten. De Koning ging voort: "Een Vazal die valselijk tegen zijn Landheer en Koning opstaat, verbeurt zijn leen, en die, welke met de vijanden van Frankrijk aanspant, verbeurt zijn leven. Gij hebt de bevelen van uw Koning wederstaan, gij hebt met Edward van Engeland, onze vijand, de wapenen tegen ons opgenomen en de oorlog tegen ons gevoerd[39]. Daarom hebt gij als een valse Leenman het leven verbeurd; nochtans willen wij dit vonnis niet haastig ten uitvoer brengen en zullen de zaak met rijp oordeel doen onderzoeken. Derhalve zult gij en de Edelen, die in uw weerspannigheid gedeeld hebben, in hechtenis gehouden worden, totdat het ons believe andere schikkingen ten uwen opzichte te nemen."

Charles de Valois die deze rede met diepe hartpijn had aanhoord, kwam voor de troon en sprak: "Mijn heer en Koning! Het is u bekend met welke trouw ik uwe Majesteit, als de geringste uwer onderdanen, gediend heb. Nooit heeft iemand kunnen zeggen dat ik mijn wapenen door een schijn van lafheid of valsheid heb besmet.--En zult gij het zelf zijn, o Koning! die mijn eer--de eer uws broeders zult schenden? Zult gij mij tot een verrader maken--en zal het hoofd uws broeders onder de naam van valsridder bukken moeten? O Sire, overdenk dat ik Gwyde van Vlaanderen een vrij geleide gegeven heb, en dat gij mij nu tot meinedige maakt!"

Bij deze woorden was Charles de Valois allengskens in woede ontstoken. Zijn blik had zulke ongemene kracht dat Philippe le Bel op het punt was zijn vonnis te herroepen. Daar hij zelf de eer als het hoogste goed eens ridders waardeerde, gevoelde hij in zijn hart wat pijn hij zijn trouwe broeder aandeed. Terwijl waren de Vlamingen van de grond opgestaan: zij luisterden angstiglijk op de uitval van Mijnheer De Valois. De overige aanschouwers bewogen zich niet en wachtten met schrik op hetgeen er nog moest gebeuren.

De Koningin Johanna gaf aan haar gemaal geen tijd om te antwoorden. Vrezende dat haar prooi mocht ontsnappen, riep zij met nijdige drift: "Mijnheer De Valois, het is u niet veroorloofd de vijanden van Frankrijk te verdedigen, Gij maakt u aan ontrouw schuldig. Dit is de eerste maal niet dat gij u tegen de wil uws Konings verzet."

"Mevrouw," viel Charles bitsig uit, "u betaamt het niet de broeder van Philippe le Bel van ontrouw te beschuldigen.--Zal er om uwentwil gezegd worden, dat Charles de Valois een ongelukkige Landheer verraden heeft?--Zal die schande over mijn wapenen komen! Neen o Hemel! Dit zal niet geschieden. Ik beroep u, Philippe, mijn Vorst en mijn broeder, zult gij lijden dat het bloed van de heilige Lodewijk in mij besmet worde? Zal dit de beloning mijner trouwe diensten zijn?"

Men kon bemerken dat de Koning bij Johanna aanhield om het strenge vonnis te verzachten, doch zij, onverbiddelijk in haar haat tegen de Vlamingen zijnde, dreef het gebed van de Vorst met trotsheid af, en werd op de woorden van Charles de Valois zo rood dat zij gloeiend scheen. Eensklaps riep zij met kracht: "Hola lijfwachten! De wil des Konings geschiede--dat men die valse Leenmannen vange[41]!"

Ontellijke soldeniers der lijfwacht drongen op die roep langs al de deuren in de zaal. De Vlaamse ridders lieten zich zonder tegenweer in hechtenis nemen: zij wisten dat geweld hen niet redden kon; want zij waren ongewapend en door te veel vijanden omringd.

Een der oversten kwam bij de oude Gwyde en legde de hand op zijn schouder, zeggende: "Heer Graaf, ik vang u bij de Koning, mijn Meester."

De Graaf van Vlaanderen aanzag hem droevig en zich naar Robrecht kerende zuchtte hij: "O mijn ongelukkige zoon!"

Robrecht van Bethune stond stijf en beweegloos met dwalende ogen bij de Franse ridders, die hem met ondervragende blikken bezagen. Alsof een onzichtbare hand hem met een toverroede geraakt had, liep er een stuiptrekkende beweging over zijn lichaam; al zijn spieren spanden zich tegelijk en de bliksem scheen uit zijn ogen te stralen. Hij sprong als een Leeuw vooruit en deed de ganse zaal onder de galmen zijner reuzenstem dreunen. Hij schreeuwde: "Bij mijn zaligheid! Ik heb een onedele hand op de schouder mijns ouden vaders zien vallen. Zij zal erop blijven of ik sterve de dood!"

In zijn loop rukte hij de helmbijl met geweld uit de handen van een soldenier[40]. Een akelige gil ontvloog de bijzijnde ridders en allen trokken hun degens; want zij dachten dat het leven der Vorsten in gevaar was. Weldra verging die vrees; want de slag van Robrecht was gegeven. Gelijk hij gezworen had, deed hij. De arm van degene die zijn vader geraakt had, lag met de vermetele hand op de grond en bloed stroomde in overvloed uit de schriklijke wonde.

De soldeniers liepen in groot getal naar Robrecht om zich van hem meester te maken; doch hij, blind en uitzinnig door woede, zwaaide de helmbijl in vluchtige cirkels rond. Niet één dorst zich onder zijn bereik wagen. Misschien zouden er meer ongelukken voorgevallen zijn; maar de oude Gwyde, angstig voor het leven zijns zoons bekommerd, riep hem smekend toe: "Robrecht, mijn brave zoon, o geef u over om mijnentwille--doet het, ik verzoek het u--Ik beveel het!"

Bij deze woorden, die hij met een vermurwende uitdrukking had gesproken, sloeg hij zijn armen om de hals van Robrecht en zijn aanzicht tegen de borst van zijn zoon drukkende, voelde deze de tranen zijns vaders op zijn hand neervallen. Dan verstond hij de wijdte zijner onbezonnenheid. Zich uit de armen van de Graaf rukkende wierp hij de helmbijl met kracht over de hoofden der wachten tot tegen de wand en riep: "Komt, vervloekte huurlingen! Men vange nu de Leeuw van Vlaanderen. Vreest niet meer, hij levert zich."

In groot getal vielen de soldeniers op hem aan, en namen hem gevangen. Terwijl hij met zijn vader uit de zaal geleid werd, riep hij tot Charles de Valois: "Uw wapens zijn niet besmet. Gij waart en zijt nog de edelste ridder van Frankrijk--uw trouw blijft ongeschonden. Dit zegt de Leeuw van Vlaanderen, dat men het hore!"

De Franse ridders hadden hun degens weder in de schede gestoken, zodra zij bemerkt hadden dat het leven der Vorsten niet bedreigd was. Met de aanhouding der Vlamingen mochten zij zich niet verder bemoeien: dit was een werk dat hun adel zou te kort gedaan hebben.

Er waren in de harten des Konings en der Koningin zeer verschillende gevoelens. Philippe le Bel was droef en betreurde het gevelde vonnis, Johanna integendeel was blijde om de tegenstand van Robrecht. Hij had in de tegenwoordigheid des Konings een zijner dienaars durven wonden: dit was een feit dat haar krachtdadig in haar wraakzuchtige ontwerpen mocht dienen.

De Koning kon zijn ontroering en droefheid niet bedekken en wilde tegen de begeerte zijner trotse gemalin de troon en de zaal verlaten. Hij stond recht en sprak: "Mijne heren, wij betreuren de onstuimigheid dezes verhoors uitermate, en zouden bij deze gelegenheid UEdele liever blijken onzer genade gegeven hebben; maar tot onze grote droefheid heeft dit, in het belang onzer kroon, niet mogen geschieden. Onze koninklijke wil is, dat gij waakt, opdat de rust in ons paleis niet verder gestoord worde."

De Koningin stond ook op en meende met haar gemaal de trappen van de troon af te gaan; maar een nieuwe zwarigheid weerhield hen tegen hun dank.

Charles de Valois had lang in diepe bedenking bij het einde der zaal gestaan. De eerbied en de liefde die hij zijn broeder toegewijd had, vocht lang in hem tegen de spijt dat dit verraad hem baarde. Opeens brak zijn woede los: hij werd wit, rood en blauw in zijn aanzicht, en liep nu als razend voor de Koningin.

"Mevrouw," schreeuwde hij, "gij zult mij niet ongestraft onteren! Luister, Mijne heren; ik spreek voor God, onzer allen rechter: Gij, Johanna van Navarra, zijt het die het Vaderland uitput door uw verkwistingen:--Gij zijt het die het Rijk van mijn edele broeder te schande maakt, Gij zijt de vlek en de hoon van Frankrijk. De onderdanen des Konings hebt Gij door het vervalsen der munten en onbillijke afpersingen ongelukkig gemaakt--En zou ik U nog dienen! Neen, Gij zijt een valse en verraderlijke Vrouw[42]!"

Razend trok hij zijn degen uit de schede, brak hem op zijn knie aan twee, en sloeg de stukken met zoveel geweld tegen de grond dat zij tot op de trappen van de troon terugsprongen.

Johanna was paars van spijt en toorn; haar wezenstrekken hadden niets vrouwelijks meer in zich, zodanig waren dezelve in een helse uitdrukking te samen getrokken: men zou gezegd hebben dat zij door een beroerdheid geslagen was.

"Vangt hem! Vangt hem!" barstte zij uit.

De lijfwachten die nog in de zaal waren, wilden dit gebod volbrengen, en reeds was de Hopman tot bij Mijnheer De Valois genaderd; maar de Koning, die zijn broeder ten hoogste beminde, kon dit niet dulden.

"Wie Mijnheer De Valois aanraakt, zal heden nog sterven!" riep hij.

Op die bedreiging bleven de wachten beweegloos staan. De Valois verliet de zaal zonder hinder, niettegenstaande het geroep der uitzinnige Koningin.

Zo eindigde dit onstuimig toneel:--Gwyde werd te Compiègne gevangen gezet, men voerde Robrecht te Bourges in het land van Berry en zijn broeder Willem te Rouen in Normandië.

De overige Vlaamse heren werden elk in een bijzondere stad gekerkerd; invoege dat zij allen, alleen en zonder elkander te kunnen troosten, in de gevangenis bleven zitten.

Diederik de Vos was de enige die in Vlaanderen terugkeerde; want onder zijn palsrok had men hem niet herkend.

Charles de Valois vertrok met hulp zijner vrienden op staande voet naar Italië en kwam niet weder in Frankrijk dan na de dood van Philippe le Bel, wanneer Louis Hutin de troon beklommen had. Alsdan betichtte hij Enguerrand de Marigny van veel misdaden tegen de staat, en deed hem aan de galg te Montfaucon ophangen. Het is echter een waarheid, dat de dood van die minister meer aan de aanhouding van de Graaf Gwyde, dan aan zijn eigen misdaden te wijten is, en dat Charles de Valois hem deed hangen om zich over dit verraad te wreken.

* * * * *

6

_Arme roosje! pas ontloken, Eerst sinds dezen morgenstond, Ligt gy van den stam gebroken, Reeds vertrappeld op den grond? Pas geboren, reeds aen 't treuren Pas in 't bloeyen, reeds vergaen Arme roosje, met uw kleuren, Wie heeft u zoo vreed verdaen?_

F. DE VISSER

In die tijd bestonden er in Vlaanderen twee gezindheden die tegen elkander opwilden, en niets spaarden om zich onderling al het mogelijke nadeel toe te brengen. De meeste edelen en bewindhebbers hadden zich in alle gelegenheden voor het Frans Bestuur verklaard, en kregen daarom de naam Leliaards, als zijnde het leliewapen van Frankrijk toegedaan.[43] Waarom zij aldus de vijanden des vaderlands begunstigden, zal bij de volgende rede licht verstaan worden.

Voor enige jaren, hadden de kostbare ridderspelen, de inlandse oorlogen en de verre kruisvaarten de meeste edelheren verarmd. Hierdoor werden zij genoodzaakt hun recht op de steden of heerlijkheden aan de inwoners voor grote sommen te verkopen en hun vrijheden of privilegiën te geven. De steden verarmden zich ogenblikkelijk, maar weldra droeg hun gekochte verlossing de schoonste vruchten. Het lagere volk dat voortijds met lijf en goed de Edelen toehoorde, begreep nu dat het zweet zijns aanschijns niet meer voor onrechtvaardige meesters stroomde: het koos zich Burgemeesters en Raadsheren en vormde een regering waar de Heren des Lands zich niet ten minste mede te bemoeien hadden. De ambachten werkten gezamenlijk voor de algemene welvaart en stelden Dekens aan die het bewind over hun zaken hadden.

Door de gunstigste gastvrijheid aangelokt, kwamen de vreemdelingen uit alle gewesten naar Vlaanderen en de koophandel kreeg een leven, een werkzaamheid die onder het dwingende bestuur der Leenheren onmogelijk was geweest. De nijverheid bloeide, het volk werd rijk, en, trots over zijn zo lang miskende waarde, stond het meer dan eens gewapenderhand tegen zijn voormalige meesters op. De Edelen die hun rechten en goederen hierdoor grotelijks verkort zagen, poogden door list en geweld de groeiende macht der volksgemeenten te verminderen. Dit was hun echter nooit gelukt; want de rijkdommen der steden lieten hun ook toe een leger op de been te brengen, en alzo de bestaande vrijheden te verdedigen en ongeschonden te bewaren. In Frankrijk was het zo niet gesteld. Philippe le Bel had, uit nood van geld, de derde staat, of de lieden der goede steden, wel eens tot de algemene vergadering geroepen; maar dit gaf aan het volk slechts een tijdelijke waarde, die onmiddellijk door de Leenheren werd tenietgedaan.