De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 5
Twee heelmeesters hadden de wonde vermaakt, en stonden met Diederik de Vos bij het ledikant. De lijdende gaf geen teken van leven, zijn aangezicht was bleek, en zijn ogen waren gesloten.
"Wel, Meester Rogaert," vroeg Robrecht aan een der heelmeesters, "hoe gaat het met onze ongelukkige vriend?"
"Slecht," antwoordde Rogaert, "maar slecht, Mijnheer Van Bethune. Ik kan nog niet zeggen wat er te hopen staat; echter is mijn eigen gevoelen dat hij niet sterven zal."
"Is de wonde niet dodelijk?"
"Jawel, dodelijk en niet dodelijk: de natuur is de beste heelmeester; zij wrocht dikwijls hetgeen kruiden noch gesteenten doen kunnen[32]. Ik heb op zijn borst een doorn van de waarachtige Kroon gelegd,--dit heilig overblijfsel zal ons helpen."
Gedurende deze samenspraak was Machteld allengskens bij de zieke genaderd. Door nieuwsgierigheid aangedreven poogde zij het aanzicht van de lijdende ridder te zien.
Eensklaps herkende zij Adolf van Nieuwland, en zij week met een schreeuw van verbaasdheid achteruit. "Kom, mijn heer Vader!" riep zij. "Komaan, laat ons hier niet blijven, ik bid u! O komaan!"
Robrecht verwonderde zich over de vrees die zijn dochter zo schielijk bevangen had. Hij dacht dat het bleke aanzicht van de gewonde de oorzaak dezer aandoening was en antwoordde: "O kind, zijt gij bang van een ziek mens die uw hulp nodig heeft?--Wat zult gij dan doen als gij alleen met hem zult zijn?"
"O neen, Vader, ik vrees hem niet--maar ik weet niet--ik ben niet gaarne hier. Kom, of geef mij oorlof om te vertrekken; want ik gevoel mij niet wel."
"Ga, mijn kind," sprak Robrecht, "dit zal wel vergaan."
Hij bleef bij de gedachte dat de nare uitdrukking van des jonkers wezenstrekken zijn dochter verschrikt had, doch hij bedroog zich grotelijks.
Machteld was een eenvoudige maagd van zestien jaar. Nooit had zij de liefde gekend en wist nog niet recht wat dit woord betekende. Nochtans elke maal dat Adolf van Nieuwland haar bezien had, was zij tot op het voorhoofd rood geworden; elke maal dat zij de stem of de naam van Adolf hoorde, ontstak haar hart in een onbekende gloed en joeg hevig. Het beeld van de jongeling zweefde, tegen haar dank, zonder ophouden voor haar gezicht, en geen droom ontrustte haar slaap of hij was erin gemengd. Zij wist niet dat zij des Jonkers liefde voor haar, door een geheime en sterkere liefde beantwoordde. Dit innig gevoel woonde onbekend in haar boezem. De schaamte die haar in zijn tegenwoordigheid altijd trof, was de oorzaak harer vrees voor hem, en dit was ook de oorzaak van de schreeuw die zij bij het ziekbed had laten horen.
Nu moest zij met deze vijand harer rust, alleen in haar kamer blijven; zij moest met hem spreken--zijn hoofd en zijn handen raken. Het is te begrijpen hoe het arme kind door dit aandenken gefolterd werd. Ook zodra zij in haar kamer was, barstten de tranen uit haar ogen, en zij weende lang; niettegenstaande besloot zij haar menslievende taak te volbrengen en zich volgens de wil haars vaders te gedragen.
Robrecht van Bethune bleef tot in de nacht bij het bed van Adolf, hopende dat hij het gehoor en de spraak zou teruggekregen hebben; doch deze hoop werd teleurgesteld. De gewonde ademde flauw en langzaam: er was geen de minste beweging in zijn lichaam merkelijk. Meester Rogaert begon ernstig voor zijn leven te vrezen, want een lichte koorts openbaarde zich en gloeide reeds op de slapen van de lijdende.
De edele heren die niet in Wijnendale gehuisvest waren, verlieten het slot met genoegen: als getrouwe ridders verblijdden zij zich dat zij hun oude Vorst nog eens mochten believen en dienen. Die in het graaflijke slot verbleven, begaven zich in hun slaapvertrekken. Twee uren later hoorde men niets meer in Wijnendale dan de roep der wachten, het geblaf der honden en het geblaas der nachtuilen.
* * * * *
4
_Men seght dickwils dat opt velt 't Serpent sigh onder bloemen stelt En soo verrast die wandelen gaen En comen by de bloemen aen 'k Weet iets tot meer verraed bekwaem Serpent en bloem ist altesaem Vraegt ghij my wat in rechter trouw Ick segh dat dinck dat is een vrouw.
COES, _LIEDEKENS_
De reis welke graaf Gwyde op het aanraden van Mijnheer De Valois ging ondernemen, was voor hem en voor het Land van Vlaanderen zeer gevaarlijk: er bestonden voor Frankrijk te belangvolle redenen om het rijke Vlaanderen zo lang mogelijk in bezit te houden.
Philippe le Bel en zijn gemalin Johanna van Navarra hadden, om in hun losse verkwistingen te voorzien, al het geld des Rijks in hun schatkisten getrokken, en nochtans waren de overgrote sommen, die hun door het volk werden toegestaan, nooit toereikend geweest om hun onverzadelijke begeerten te voldoen. Geen ander middel om zich geld te verschaffen kunnende vinden, vervalste Philippe de munten van het Rijk, bracht ondraaglijke lasten op de drie staten des Lands--en echter had hij nog niet genoeg. Zijn hebzuchtige Ministers en bovenal Enguerrand de Marigny, dreven hem dagelijks aan tot het opleggen van schattingen en gabellen[33], ondanks het gemor des volks en de voortekenen ener omwenteling. Onbegrijpelijk is het dat Philippe le Bel, die ook de joden zo menigmaal uit Frankrijk dreef om hun het verlof van weder te komen tegen grote sommen te kunnen verkopen, niettegenstaande zijn stroperijen altijd zo groot gebrek aan geld had.
De vervalsing der munten was een verderfelijke daad; want de kooplieden hun waren voor ongangbaar geld niet willende verkopen, verlieten Frankrijk: het volk werd arm, de lasten werden niet betaald en de Koning bevond zich in de hachelijkste toestand. Vlaanderen integendeel bloeide door de nijverheid zijner inwoners. Al de natiën der bekende wereld aanzagen het als hun tweede Vaderland, en vormden op onze bodem de algemene stapel hunner goederen. Te Brugge alleen werd meer geld en goed verhandeld dan in gans Frankrijk, en deze stad was waarlijk een goudmijn. Dit wist Philippe le Bel. Ook had hij sedert enige jaren alles in het werk gesteld om het land van Vlaanderen onder zijn macht te krijgen. Eerst had hij van de Graaf Gwyde onmogelijke dingen geëist, om hem tot ongehoorzaamheid te dwingen; dan had hij zijn dochter Philippa in hechtenis gehouden en eindelijk het land van Vlaanderen door het geweld der wapenen ingenomen en verbeurd.
De oude Graaf had dit alles overwogen en verborg zich de waarschijnlijke gevolgen zijner reis niet; maar de droefheid die hij over de gevangenis zijner jongere dochter gevoelde, liet hem niet toe dit middel, dat haar kon verlossen, te verzuimen. De vrijgeleide, welke hem door Charles de Valois gegeven was, mocht hem ook wel enigszins verzekeren.
Hij begaf zich dan op weg met zijn twee zonen, Robrecht en Willem, en vijftig Vlaamse Edellieden. Charles de Valois, met een groot getal Franse ridders, vergezelde hem op de reis.
De Graaf met zijn Edelen te Compiègne gekomen zijnde, werd door toedoen van Mijnheer De Valois, in afwachting dat een koninklijk bevel hem ten Hove zou roepen, heerlijk geherbergd. De edelmoedige Fransman deed zoveel bij de Koning, zijn broeder, dat deze tot de genade overhelde, en Gwyde alleen ten Hove ontbood.
De oude Graaf, vol strelende hoop, begaf zich met betrouwen naar het koninklijk paleis.
Hier werd hij in een grote en prachtige zaal geleid. In de diepte van dit vertrek stond de koninklijke troon: behangsels van lazuur fluweel met gulden leliën doorwrocht, daalden van dezelve aan beide zijden tot op de grond, en een tapijt met goud- en zilverdraad doorweven lag voor de trappen van die rijke zetel. Philippe le Bel wandelde heen en weer door de zaal met zijn zoon Louis Hutin[34]. Achter hen volgden veel Franse heren, onder dewelke er een was, die dikwijls in de samenspraak des konings deelde. Deze gunsteling was Mijnheer De Nogaret, die de Paus Bonifacius, op bevel van Philippe, dorst vangen en mishandelen[35].
Zodra Gwyde aangekondigd werd, week de Koning tot bij de troon, maar klom er niet op. Zijn zoon Louis bleef aan zijn zijde: de andere heren schaarden zich in twee rijen langs de wand. Dan naderde de oude Graaf van Vlaanderen met langzame tred en boog zijn ene knie voor de Koning.
"Vazal!" sprak deze, "U betaamt die ootmoedige houding, na al het verdriet dat gij ons veroorzaakt hebt. Gij hebt de dood verdiend en zijt veroordeeld; echter belieft het ons in onze koninklijke genade u te horen. Sta op en spreek!"
De oude Graaf richtte zich op en antwoordde: "Mijn heer en Vorst! Met vertrouwen in uw koninklijke rechtvaardigheid heb ik mij voor de voeten uwer Majesteit begeven, opdat zij met mij na haar welgevallen handele."
"Die onderwerping," hernam de Koning, "komt laat; gij hebt u met Edward van Engeland, mijn vijand, tegen mij verbonden: gij zijt als een ontrouwe Vazal tegen uw Heer opgestaan--en gij zijt hoogmoedig genoeg geweest om hem de oorlog te verklaren: uw land is om uw ongehoorzaamheid verbeurd."
"O Vorst," sprak Gwyde, "laat mij genade voor u vinden. Dat uw Majesteit bedenke wat pijn en wat lijden een vader gevoeld heeft, wanneer men hem zijn kind ontrukte.--Heb ik niet met diepe weedom gebeden? Heb ik niet gesmeekt om haar weder te krijgen? O Koning! Indien men uw zoon, mijn toekomende Heer Louis, die nu zo manlijk aan uw zijde staat; indien men deze u ontrukte en in een vreemd land kerkerde, zou de smart uw Majesteit dan niet tot alles doen overgaan, om dit bloed, dat uit U gesproten is, te wreken en te verlossen? Ho ja, uw vaderhart verstaat mij--ik zal genade voor uw voeten vinden."
Philippe le Bel bezag zijn zoon met tederheid; op dit ogenblik overwoog hij de rampen van Gwyde en gevoelde een innig medelijden voor de ongelukkige Graaf.
"Sire," riep Louis met ontroering, "o wees hem genadig om mijnentwille! Heb toch deernis met hem en zijn kind--ik smeek u."
De Koning herstelde zich en hernam een strenge uitdrukking: "Laat u door de woorden eens ongehoorzamen Vazals zo licht niet verleiden, mijn zoon," sprak hij, "ik wil echter niet onverbiddelijk zijn; indien men mij bewijzen kan dat hij slechts door vaderliefde en niet door trotsheid gedreven werd."
"Heer," hernam Gwyde, "het is Uwe Majesteit bekend dat ik, om mijn kind weder te krijgen, alles wat mogelijk was in het werk gesteld heb. Geen mijner pogingen kon gelukken; mijn smeken, mijn bidden werd verworpen en alles, ook de tussenkomst van de Paus, was vruchteloos. Wat kon ik dan doen? Ik heb mij met de hoop gestreeld dat de wapenen de verlossing mijner dochter mochten bewerken, maar het lot was mij niet gunstig, Uwe Majesteit behaalde de zege."
"Maar," viel de Koning in, "wat kunnen wij voor u? Gij hebt een verderfelijk voorbeeld aan onze Vazallen gegeven: indien wij u genadig zijn, zullen zij allen tegen ons opstaan, en gij zult u misschien opnieuw met onze vijanden verenigen?"
"O mijn Vorst," antwoordde Gwyde, "het believe Uwe Majesteit de ongelukkige Philippa aan haar vader weder te geven--en ik zweer u, bij de eer mijns Huizes, dat een onverbrekelijke trouw mij aan uw Kroon hechten zal."
"En zal Vlaanderen de geëiste sommen opbrengen, en zult gij ons het nodige geld bezorgen, om de kosten die uw ongehoorzaamheid ons veroorzaakt heeft te vergoeden?"
"De genade die Uwe Majesteit mij kan bewijzen zal mij nooit te duur staan. Uw bevelen zal ik eerbiediglijk volbrengen. Maar mijn kind, o Koning,--mijn kind!"
"Uw kind?" herhaalde Philippe le Bel twijfelachtig. Nu dacht hij aan Johanna van Navarra, die de dochter des Graafs van Vlaanderen niet gewillig zou loslaten. Hij dorst de goede ingeving zijns harten niet volgen; want hij vreesde de toorn der trotse Koningin Johanna te zeer. Willende derhalve aangaande deze zaak aan Gwyde niets stelligs beloven, sprak hij: "Welnu, de goede woorden van onze beminde broeder hebben veel voor u gedaan. Heb goede hoop; want uw lot treft mij. Gij waart schuldig; maar uw straf is bitter; ik zal dezelve trachten te verzoeten. Nochtans belieft het ons heden niet, u in genade te ontvangen: verdere navorsing moet deze gewichtige zaak voorgaan. Wij begeren ook dat gij, in de tegenwoordigheid van al de heren, onze Vazallen, uw onderwerping doe; opdat zij aan u een voorbeeld nemen zouden. Ga en verlaat ons nu, dat wij overwegen mogen wat wij voor een ontrouwe Leenheer doen kunnen."
Op dit bevel ging de Graaf van Vlaanderen uit de zaal. Hij had het Paleis nog niet verlaten of het gerucht liep reeds onder al de Franse heren, dat de Koning hem zijn land en zijn dochter zou wedergeven. Velen wensten hem hartelijk geluk; anderen, die op de inneming van Vlaanderen hun vooruitzichten van eerzucht gebouwd hadden, gevoelden hierover een innige spijt. Echter, mits zij tegen de wil des Konings niet op konden, lieten zij niets daarvan blijken.
Blijdschap en vertrouwen kwam onder de Vlaamse heren: zij streelden zich met een zoete hoop en verheugden zich, op voorhand, in de verlossing des Vaderlands. Het scheen hun dat niets de goede uitval hunner poging kon verhinderen, mits de Koning, boven de goede onthaling die hij de Graaf gedaan had, aan Mijnheer De Valois de verzekering had gegeven, dat hij Gwyde met grootmoedigheid wilde behandelen.
Gij, die tegen het lot geworsteld en bij die strijd geleden en geweend hebt, hoe gemakkelijk komt de vreugde in uw langbenepen hart! Hoe licht vergeet gij uw pijnen, om een onzeker geluk te omhelzen; alsof de kelk des rampspoeds voor u geledigd ware--terwijl het bitterste, de grond, U overblijft. Gij vindt een glimlach op alle wezens, en drukt de hand van allen die zich in uw voorspoed schijnen te verblijden.--Maar betrouw u niet op het wentelrad der bedriegelijke Lukvrouw, noch op de uitdrukking dergenen, die in het ongeluk uw vijanden waren. Want de nijd en het verraad schuilen onder die dubbele aanzichten,--gelijk de adder onder de bloemen, en de schorpioen onder de gulden Ananas[36] zich verbergen. Tevergeefs zoekt men het spoor der slang op het veld; men gevoelt haar giftige beet, en weet niet langs waar zij tot ons gekomen is.--Zo ook werken afgunstige en nijdige mensen in het duister; want zij kennen hun eigen boosheid en schamen zich over hun daden. Hun schichten raken ons in het hart, en wij geloven hen onze vrienden; omdat wij hun zwarte zielen op hun strelend gelaat niet zien kunnen. Het geheim en de dubbelzinnigheid is hun een ondoordringbare mantel; ja, het venijnig ongedierte wandelt wel eens onder de stralen der zon, maar zij nooit.
De graaf Gwyde maakte reeds de nodige schikkingen, om bij zijn terugkomst in Vlaanderen, de bevelen des Konings uit te voeren en zijn onderdanen, door een lange vrede, de oorlog te doen vergeten. Robrecht van Bethune zelf twijfelde geenszins aan de beloofde genade; want sedert zijn vader aan het Hof geweest was, waren al de Franse heren ten uiterste minzaam en eerbiedig met de Vlamingen. Dit was, als zij geloofden, een bewijs van des Konings goedwilligheid: zij wisten dat de inzichten en gedachten der Vorsten altijd op het ongestadig gelaat der hovelingen te vinden zijn.
De Chatillon had de Graaf ook menigmaal bezocht en met gelukwensingen begroet, maar er schuilde een duivels geheim in zijn hart, en hij grimlachte om het te verbergen. Johanna van Navarra, zijn nicht, had hem het Land van Vlaanderen ten leen beloofd: al zijn eerzuchtige ontwerpen hadden het verkrijgen van dit rijke graafschap voor doel gehad, en nu verging dit vooruitzicht als een droom.
Er is geen drift die de mens meer tot boosheid bekwaam maakt dan de staatzucht: zij verplet onbarmhartiglijk al wat haar loopbaan belemmert, en ziet niet om naar de reeds begane gruwels; want haar ogen blijven steeds met hardnekkigheid op het nagejaagde doel gevestigd. De Chatillon van die drift bezeten zijnde, besloot een verraderlijke daad, door eigenbelang hem ingegeven; en verbloemde dezelve voor zijn geweten met de naam van plicht.
Dezelfde dag dat hij uit Vlaanderen met de andere heren bij het Hof aankwam, riep hij een zijner trouwste dienaren, gaf hem zijn beste paard en zond hem in allerhaast naar Parijs.
Een brief die hij deze bode mede gaf, moest de Koningin en Enguerrand de Marigny van alles berichten en hen naar Compiègne roepen.
Hij gelukte ten volle in zijn verraderlijk inzicht. Johanna van Navarra ontstak in een hevige woede bij het lezen des briefs. De Vlamingen in genade ontvangen! Zij die hun een eeuwige haat had toegezworen, zou haar prooi dus laten ontsnappen! En Enguerrand de Marigny, die het geld dat men uit Vlaanderen met geweld lichten moest, reeds op voorhand verspild of besteed had! Deze twee personen hadden een al te groot belang in het verderf van Vlaanderen om deszelfs verlossing te gedogen. Zodra zij de tijding ontvangen hadden, vertrokken zij met snelle vaart naar Compiègne, en vielen als de bliksem in de kamer des Konings.
"Sire!" riep Johanna. "Ben ik u dan niets meer, dat gij mijn vijanden dus in genade, zonder mijn oorlof ontvangt? Of heeft het verstand u begeven dat gij deze Vlaamse slangen ten uwen verderve wilt koesteren?"
"Mevrouw," antwoordde Philippe le Bel met bedaardheid, "het zou u betamen uw gemaal en Koning wat meer te eerbiedigen. Indien het mij belieft de oude Graaf van Vlaanderen genade te verlenen, zal mijn wil geschieden."
"Neen," riep Johanna, rood van toorn, "dit zal niet geschieden. Ik wil het niet--hoort gij. Sire! Ik wil het niet. Wat! Zullen die muitelingen welke mijn ooms onthalsd hebben[38] ongestraft blijven?--Zullen zij zich beroemen ongestraft de Koningin van Navarra in haar bloed gehoond te hebben?"
"De gramschap vervoert u, Mevrouw!" antwoordde de Koning. "Bedenk met bedaardheid, en zeg mij, is het niet billijk dat Philippa aan haar vader wedergegeven worde?"
Nu werd de woede van Johanna nog heviger.
"Philippa wedergeven?" viel zij uit. "Maar, Sire, gij denkt er niet aan. Dan trouwt zij Edward van Engelands zoon, dan is uw eigen kind van die hoop verstoken. Neen, neen, het zal nooit geschieden--dit zweer ik u. En wat meer is, Philippa is mijn gevangene; het zal u aan macht ontbreken om ze uit mijn handen te krijgen."
"Maar Mevrouw," riep Philippe, "gij gaat u te buiten, denk dat die hoogmoedige taal mij zeer mishaagt, en dat het mij vrij staat, u blijken mijner gramschap te geven. Mijn wil is de wil van uw Vorst."
"En gij wilt Vlaanderen aan de trotse Gwyde wedergeven--gij wilt hem in staat stellen om u nogmaals de oorlog aan te doen? Deze onbezonnen daad zal u een droevig naberouw verwekken, ik verzeker het u, Sire. Wat mij aangaat, mits ik zie dat men mij zo klein acht, dat een zaak, die mij zo zeer belangt, zonder mijn toedoen is besloten, zal ik mij in mijn Koninkrijk van Navarra vertrekken en Philippa zal mij volgen[37]!"
Dit laatste gezegde werkte krachtdadiglijk op het gemoed des Konings. Navarra was het beste deel van Frankrijk en Philippe le Bel zou er zich niet gaarne van beroofd gezien hebben.
Daar Johanna hem meermalen met dit vertrek bedreigd had, vreesde hij dat zij het wel eens mocht uitvoeren. Na enig bedenken sprak hij: "Gij belgt u zonder rede, Mevrouw. Wie zegt u dat ik Vlaanderen wil wedergeven; ik heb nog niets aangaande deze zaak besloten."
"Uw woorden geven uw inzicht genoeg te kennen," antwoordde Johanna. "Maar het zij zo het wil, ik zeg u dat, indien gij mij genoeg miskent om mijn raad te verwerpen, ik u verlaten zal;--want ik wil aan de gevolgen uwer onvoorzichtigheid niet blootgesteld zijn. De oorlog tegen Vlaanderen heeft 's Rijks schatkisten uitgeput, en nu gij het middel hebt om in alles weder te voorzien, nu wilt gij die muitelingen in genade ontvangen! Nooit zijn onze geldmiddelen in een slechtere staat geweest, Mijnheer De Marigny kan u dit bewijzen."
Enguerrand de Marigny kwam op deze woorden voor de Koning: "Sire, het is mij onmogelijk," sprak hij, "de soldeniers langer te betalen. Het volk wil de lasten niet meer opbrengen. De Provoost der kooplieden van Parijs heeft de toelage geweigerd, en welhaast zal ik in de uitgaven van het Huis des Konings niet meer kunnen voorzien. De verandering der munten mag ook niet meer geschieden: Vlaanderen alleen kan ons behulpzaam zijn. De Tolheren die ik derwaarts gezonden heb zijn bezig met het heffen der gelden, die ons uit die toestand redden zullen.--Overweeg toch, o Sire, dat het verlaten van dit land u aan grote onheilen blootstelt."
"Is al het geld dat men op de derde staat gelicht heeft reeds verdwenen?" vroeg Philippe mistroostiglijk.
"Sire," antwoordde Enguerrand, "ik heb aan Etienne Barbette de gelden die de Tolpachters van Parijs uwer Majesteit geleend hadden, wedergegeven. Er blijft niets of zeer weinig in 's Rijksschat."
De Koningin Johanna zag met blijdschap dat deze tijding de Koning zeer bedroefde. Nu dacht zij dat het vonnis van Gwyde niet moeilijk zou te verkrijgen zijn. Zij naderde haar gemaal met listigheid en sprak: "Gij ziet wel, Sire, dat mijn raad belangrijk voor u is. Hoe kunt gij toch, om opstandelingen te begunstigen, het heil van Frankrijk uit het oog verliezen? Zij hebben u en mij gehoond, onze vijanden geholpen, onze bevelen durven misachten. Het geld dat zij bezitten, maakt hen trots en opgeblazen. Niets is gemaklijker dan er dit overtollig geld uit te lichten; zij mogen uw Koninklijke handen dan nog kussen, dat gij hun het leven laat; want zij zijn allen de dood schuldig."
"Maar Mijnheer De Marigny," vroeg de Koning, "weet gij geen middel om nog enige tijd in de uitgaven des Rijks te voorzien? Want ik denk niet dat de gelden uit Vlaanderen zo haast komen zullen:--die toestand baart mij de grootste wanhoop."
"Ik weet geen middel, Sire. Wij hebben er reeds zoveel gebruikt!"
"Luister," viel Johanna in, "indien gij mijn raad wilt volgen, en met Gwyde na mijn begeerte wilt handelen, zal ik een buitengewone lening op mijn koninkrijk van Navarra heffen, en alzo zullen wij voorlang aan die lastige zaken niet te denken hebben."
Hetzij dat zwakheid van gemoed of lust tot geld de Koning aandreef, hij willigde in de begeerte van Johanna en de oude Gwyde werd haar overgeleverd. De verraderlijke Vrouw besloot de Graaf van Vlaanderen de voetval te laten doen, en hem niet naar zijn vaderland te laten wederkeren.
* * * * *
5
_Ik val, dus sprak hy, als een offer van 't vertrouwen Rampzalig die op 't woord eens vuigen dwinglands bouwen!_
H H KLYN, _PHILIPS VAN EGMOND_
Het was diep in de avond als Johanna van Navarra te Compiègne aankwam. Terwijl zij met list en bedreigingen het vonnis der Vlamingen aan de wankelbare Koning onttrok, zat de Graaf Gwyde met zijn edele Leenmannen in een zaal zijner woning. De wijn werd er menigmaal in zilveren schalen rondgeschonken en men deelde zich onderling de blijde hoop en de troostende vooruitzichten mede.
Reeds hadden zij het voorwerp hunner rustige redekaveling dikwijls veranderd, wanneer Diederik de Vos, die als boezemvriend van Robrecht in het huis van de Graaf geherbergd was, in de zaal kwam en bij het gezelschap naderde.
Hij bleef zonder spreken staan, en bezag beurtelings de oude Graaf en zijn twee zonen. Er was op zijn gelaat een diepe smart en innig medelijden geprent. Mits hij steeds vrolijk en gulhartig was, verschrikten de ridders niet weinig bij het gezicht dier mistroostigheid; want zij dachten wel dat een kwade tijding zijn wezenstrekken dus had verduisterd.
Robrecht van Bethune was de eerste die zijn aandoening door woorden te kennen gaf.--Hij riep: "Is u de tong uitgevallen, Diederik? Spreek!--En zo gij ons moet bedroeven, laat dan uw boertige taal achter, ik bid u."
"Het heeft geen nood, Mijnheer Robrecht," antwoordde Diederik, "maar ik weet niet hoe u die tijding aan te kondigen; want het pijnt mij dat ik een ongeluksbode zijn moet."