De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 37
[Noot 133:
"Dus begonden die viande naken Men sal hier mogen doden maken Vrouwen Weduwen, Kinder Wezen. Die Vlamingen stonden in vresen Jegens die vreselike ontmoet; Si ne mogen achterwerd niet ontgaen Ende vore eest vlien gedaen. D'een ging in den andren dringen."
_Spiegel Historiael._]
[Noot 134: "Een Priester toonde alsdan het Heilig Sacrament aan het ganse leger en gaf de algemene zegening. Al de soldaten, zich in dit plechtig ogenblik neerbuigende, namen van de vaderlandse grond een weinig aarde, hetwelk zij op hun lippen brachten."
Voisin.]
[Noot 135: "Guy seyde lieve broeders ende vrienden! peynst om huwe wyfs en om huwe kinderen en syt vrome lieden en maect goeden moet en vecht, so dat ghi hu lant met eere houden meucht; die cracht van victorien comt van Gode alleenlic denghenen die recht hebben; elc sal spêere yeghen speere voughen ende pynt altyd omme die peerden te quetsene daer ghi meucht, want die peerden faelgierende dye lieden syn te wille en moeten vallen ter eerden; ende als si van den peerden ghevallen syn dat men se allen dootslae, en niement en vanghe noch en ransoenere, ende dat niement en roove noch pilgiere, noch en vliede. Want soo wie rooft oft vliet men sallen selve dootslaen, dus hebt alle gader goeden moet."
_Die excellente Cronike._]
[Noot 136: "Alle de vlaemsche soldaten wierden in eene slagorder gestelt, maer seer digte; hetwelke de Franschen verstaen hebbende, hebben hun volk, hetwelke in negen benden verdeeld was, alleenelyk in dry slagreken gestelt."
_Chronyke van Vlaenderen._]
[Noot 137: "De eerste ridders welke, in de vlakte komende, over de beek wilden rijden, zonken tot aan de zadel in het slijk en werden door de pijlen der Vlaamse schutters doorboord."
Voisin.]
[Noot 138: "Meer andere oversten, die insgelijks de moeilijkheid van de aanval gezien hadden, deden ook hun aanmerkingen aan de Graaf; die Vorst wilde naar niets luisteren."
Voisin.]
[Noot 139: "In tussen tijd gingen de schutters vooruit en vonden het middel om de eerste beek in een andere plaats over te gaan, waar de heer Jean de Barlas, welke het bevel over hen voerde, hen in een dichte slagorde schikte."
Voisin.]
[Noot 140:
"Men ginc gene pesen trecken in, Het was dat vreselycste begin Dat noyt man met oogen sach. Die pilen vlogen op genen dach, Dat men den hemel cume van dien Van dickeden niet conde gesien."
Van Velthem. _Spiegel Historiael._]
[Noot 141: "Ende dit geschiede op den XI dach van hoymaent (july 1302) ende was Sinte Benedictus dach, ontrent de VII heuren voor die noene."
_Die excellente Cronike._]
[Noot 142: "Zij stuwden altijd vooruit, de paarden drongen en stapelden zich verward opeen; de ruiters vielen neer en werden door die, welke hen opvolgden, wredelijk verpletterd. Zo stierven er een groot getal, zelfs vooraleer zij de vijand konden aanvallen."
Voisin.]
[Noot 143:
"D'een liep daer over den andren waden Te voet, met haren vergouden sporen, Die onderliegen moesten versmoren In diepe grachten her ende gens. Dus goudense swerlike den cheus Dien si wilden sonder waen Binnen Vlaenderen doen gaen."
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 144: "Daar ontvingen de Vlamingen hen op hun lange speren, en bij die aanval, alhoewel hun slagorde gebroken was, viel er een menigte paarden en ridders doorstoken neer."
Voisin.]
[Noot 145:
"Van Brabant Myn Her Godevard Reet in die Vlaminge selken scart Dat hi Guelke, eer hy 't weet, Met tien orsse ter neder reet, Ende velde ooc sine baniere. D'ors keerde over die cupiere."
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 146:
"Doe werd die wych stare ende groet Daer was die menich in groeter noet. Die van den Vrien, hen scoffierden Die Fransoysen, die niet en vierden Maer dapperlike der werd traken. Daer horde men menige glavie craken, Die van den Vrien lagen neder."
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 147:
"Doe dit vernam Myn Her Jan van Rinesse; Doe trac hi over tot er perssen Van achter welvende met sire scaren. Die Fransoyse worden in varen Doen si dus belopen waren."
Van Velthem, Spiegel Historiael.]
[Noot 148:
"Sinen Standard droech een Seriant Grachtelike, een Jan Ferrant. Dor genen anxt wil di vlien; Hi was gevelt op ainen cnien Vier werven al achter een Ende emmer op sine been."
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 149:
"Guelke was vermoet van slagen, Dat men ne ut moeste dragen; D'bloet hem uter nese spranc, So vreselike was geen bedranc."
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 150:
"Daer was een Jan die Vlaminc hiet, Gulers cnape; ende alse hi siet Dat syn Here dus was vermoyt, Werd hi gram ende hi vernoyt Dat tie vianden souden verbliden: Hi trac wech ten selven tiden, Ende dede syns Heren wapenen an Daer maecti menigen bliden man, Ende riep: noch es Guelken hier!"
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 151: "De twee heren De Nesle sneuvelden; de Vlamingen zouden de Konstabel gaarne gered hebben, en de ridder Jan Borluut riep hem dat hij zich zou overgeven, maar de moedige krijger, wiens trouw de Graaf d'Artois ten onrechte had verdacht, wilde die bloedige dag niet overleven."
Voisin.]
[Noot 152:
"Si sloegen doe achter ende voren; Ic wane hi noyt en was geboren Die so vele volx sterven sach. Als men dede op desen dach."
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 153: "De ridder Hugo Butterman van Arkel onderscheidde zich boven alle anderen en nam de Franse Standaard, zoals hij het de Vlaamse veldheren voor de slag toegezworen had; maar hij werd zodanig gewond dat hij ervan stierf."
Voisin.]
[Noot 154:
"Segher Lonke werd oec gevelt. Dic den Ghenschen standert helt, Vier werven op sinen cnien; Dor genen anxt wildi vlien, Ende ember op, met grote cracht, Daer men boven syn hovet vacht."
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 155:
"Die Vlaminge vele hadden ducht, Ende traken achter op tie vlucht, Van den velde heymelike, Elk liet staen daer sine pike; Som trocken si in die Port, Ende some opter Leyen bort, Desen gingen overswimmen. Ghi riep met ere luder stemme: Staet Vlaminch!"
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 156: "Het gheviel dat een Conveers broeder van der Doest, Willem van Renesse (item omme dat hy lange diende te Castynghe, eer hy conveers wort te Doest so hiet mene broeder Willem van Castynghe) hoorde dat dye principaelste ende vroomste van den Noortvrye waren met die van Brugge naer Cortrycke omme wych te hebbene jeghen die Fransoysen, ende hy hoorde dat Mer Jan van Renesse, die heere was van den dorpe daer hi geboren was, ende dat hi was een van den Capiteynen van die van Brugge, hy hadde des voornoens ghehoyt ende als hy dat verhoort hadde, so ghinc hi ter Doest int stal ende nam met hem twee meryen, d'eene vercochte hi en gaf se goeden coop, want hi gaf se om een sweert en een sterke staf, en op d'andere merye reed hy haestelicke te Cortrycke waert ende hy gerocht er al noch te tyde... Nochtans soo velde hi er metter hand bet dan sestich ridders die hy alle dootslouch."
_Die excellente Cronike._]
[Noot 157: "De Graaf d'Artois dreef zijn onstuimig paard tot bij de Standaard van Vlaanderen; hij vatte dezelve bij de schacht, en ondanks de slagen van knotsen en bijlen, welke als een regen op hem vielen, scheurde hij een stuk eraf."
Voisin.]
[Noot 158:
"Ic hebbe dicke horen tellen, Dat tie monec Artoyse velde, Van den Orsse... Doe wilde hi hem Guelke opgeven, Ende seide, ic lever u myn swerd, Ic geve mi op!... Die Vlamingen riepen: wi ne kennen u niet! Die Grave riep al in 't fransoys: Ic ben die Grave van Artoys! Si riepen hier 's geen edelman, Noch die u tale verstaen can!"
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 159: "De Franse ridders De Tarcanville, d'Aspremont en de Graaf Jacques de Chatillon werden te midden van een grote hoop lijken omvergesmeten. De Kanselier Pierre Flotte vroeg menigmaal om genade doch kon dezelve niet verkrijgen."
Voisin.]
[Noot 160: "De heer Rodolphe I, heer van Gaucourt, maakte deel van een uitgelezen bende van achttien ridders, die allen, behalve hij alleen, in de slag omkwamen."
Voisin.]
[Noot 161: "De dood van de Graaf d'Artois vernemende wilden de Franse ridders hem wreken of hem niet overleven; zij begonnen dan het gevecht opnieuw. Een van hen, met name Pieter Lebrum, poogde Guy de St. Pol, die over de achtertocht gebood, tot de slag te doen gaan, maar het was tevergeefs dat hij hem zijn lafheid verweet."
Voisin.]
[Noot 162: De plaats welke wij hier de _Bittermeers_ noemen, staat op de kaart van de slag onder de naam _Bloedmeers_ aangetekend. Zij werd later zo geheten, ter nagedachtenis van het bloed dat er vergoten werd.]
[Noot 163:
"Si leiden te gader daer haer handen, En de bilden daer in een naect swerd, Metten appelen ten vianden werd, Wi willen, seiden si ons opgeven; Edele Vlamingen laet ons leven!"
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
24
[Noot 164:
"Het was 't recht van den stride. Die men niet mach verdriven Mogen bi den doden bliven Wachten ende hare baniere opsteken Oft se yemen wil comen wreken Tot sander dages terneuwer sonne Dan mach men secgen: si hebben verwonnen!"
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 165: "Die Casteleyn van Lens diewelcke hilt 't Casteel te Cortrycke, meenende dat die battaelge ghewonnen was, ende datter dye Vlaminghen al ghebleven waren, quam uyten Casteele wel met hondert mannen diewelcke waren alle versleghen van die van Ypre, dye daer ghelegt waren omme dat te wachtene."
_Die excellente Cronike._]
[Noot 166:
"Daer bleef die bloeme van Kerstenhede, Vore volc te voet ende sonder stede. Het wilde God het moeste wesen! In horde noyt singen no lesen, Van selken jammer, alse dit was. Daer lach van doden menig tas."
Van Velthem, _Spiegel Historiael._]
[Noot 167: Zie hier de namen der voornaamste ridders, welke onder de Franse vaandels gesneuveld zijn, die lijst is uit het meergemelde werk van de heer Voisin getrokken. Jean, Kamerheer en Graaf van Tarcanville; Jean de Ponthieu, Graaf van Aumale; Jacques de Chatillon, heer van Leuse, Gouverneur Generaal van Vlaanderen, voor de Koning; Hugues de Bruynen, Graaf de la Marche en van Angoulême; Angelin, Graaf van Vimeu of Vimy; Louis de Forest, heer van Beaujeu en Dombes; de Graaf van Soissons; de Graaf van Abbeville; de Graaf van Foix; Alain van Bretagne; Jean I, Vidaem van Chartres; Froald, Kastelein van Douai; Jean IV, Kastelein van Rijsel; Henri, heer van Ligny; Renauld I, heer van Longueval: de heer van Aspremont; de heer van Freane; Raoul, heer van Trier; de heer van Frennes, Boudewyn d'Henin, heer van Boussu; Jean, heer van Gréqui; Raoul IV, gezegd de Vlaming, heer van Gany; de heer van Breauté; Farald de Reims; Jean Brualé; Jan, bijgenaamd zonder genade, zoon van Jan, Graaf van Holland en van Henegouwen; Godfried van Brabant, oom van de Hertog van Brabant, en zijn zoon Jan, heer van Vierson, kastelein van Doornik; Arnold IV, heer van Wezemaal, Maarschalk van Brabant; Hendrik, heer van Boutersem; Arnold, heer van Wahain, en zijn zoon Laurent; Hugo van Vlanen; Geldof van Wingene; Arnold van Eyckhoven met zijn zoon Jan; Hendrik van Wilre; Willem van Redingen, Arnold van Hofstade, met zijn drie neven; Willem, heer van Craenendonk; Baldard de Parvisien; Jean de Kerly; Baldard de Peruwez; Fernand d'Araing; Boudard de Pernes; Hercule, heer van Bailleul; achttien ridders die met een groot getal Brabanders rondom de tent van Godfried van Brabant sneuvelden; Egide, heer van Antoing; Richard, heer van Falais; Michel, heer van Harnes; Aelbrecht, heer van Langendale; de heren van Quesnoy, van Salines, van Rutsefort, van Marlois, van Flines, van Malgy, van Alengeac, van Bethisy en van Groy; Gilles, heer van Alengy; Robert, heer van Montfort; Raoul, heer van Nortfort; Jean Cruke; Jean, heer van Emmery, Kamerheer des Konings; de Graven van Angers, van Champagne, van Dreux, van Trappe, van Auge, van Los, van Vendôme, van Bourbon, van Tweessen en van Estampes; de Graaf van Bar, met zijn drie broeders; de Graaf van Albe, met zijn broeder; de Hertog van Berry; de prins van Chimpy.]
[Noot 168:
"Daer hadde die menige zoo groeten dorst Dat hem die mond en tonge borst. Ende 't bloet hem ut er nese spranc Dat hi weder van node dranc."
Van Velthem.]
End of Project Gutenberg's De Leeuw Van Vlaanderen, by Hendrik Conscience