De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 35

Chapter 35 3,777 words Public domain Markdown

Onderwijl naderde het einde van het bestand met Frankrijk en alles voorspelde een nieuwe oorlog, mits men de vrede niet had kunnen treffen, de voorwaarden derzelve niet aannemelijk voor de Vlamingen zijnde. Vóór de laatste dag der maand april keerde de oude Gwyde met ziekte en ongemak beladen, als een andere _Regulus_ terug naar Frankrijk in zijn gevangenis.--Philippe le Bel had gedurende het bestand alle mogelijke middelen gebruikt om een ontzaglijk leger bijeen te krijgen; in alle landen had men voor zijn rekening hulpbenden aangeworven en verscheidene nieuwe schattingen waren op het volk gebracht om in de kosten van de oorlog te kunnen voorzien. De Koning zelf kwam op het einde van juni in persoon met zijn leger op de Vlaamse grenzen: alhoewel hij onder zich de grootste krijgsmacht die Frankrijk immer bezeten had, voerde, kwam er nog een ontzaglijke vloot, onder Reinier Grimaldi van Genua, op de Vlaamse zeekust, om de jonge Gwyde en Jan van Renesse, die in Zeeland waren, te bestrijden.

Philippus van Vlaanderen had intussen ook een roep in het land gedaan en veel krijgsbenden onder zijn bevel vergaderd; met dezelve toog hij vóór het Franse leger om Philippe le Bel de slag aan te bieden: de twee legers waren zo dicht bij elkander dat men uit dezelve de beide vaandels kon zien waaien. De eerste dag gebeurde er een gevecht, in hetwelke de Franse Aanleider Genuilla, met al zijn mannen, verslagen werd. De Vlamingen, ongedurig zijnde, en om de strijd roepende, stelden zich des anderendaags in slagorde en bereidden zich tot een geweldige aanval; maar de Fransen dit bemerkende trokken in allerhaast naar Atrecht af, en lieten hun legerplaats ten roof der Vlamingen, die een grote buit maakten en al de werken, welke de Fransen gebouwd hadden, afbraken en vernietigden. De stad Bassée werd voor de tweede maal door hen veroverd en de voorgeborchten der stad Lens afgebrand.

Philippe le Bel, willende Vlaanderen langs de Henegouwse grenzen aanvallen, toog met zijn leger naar Doornik; maar reeds de eerste dag zijner aankomst waren de Vlamingen bij hem; hij was niet gezind de slag aan te nemen, vooraleer hij weten zou wat zijn vloot in Zeeland zou hebben verricht; om niet handgemeen te worden brak hij bijna alle nachten het leger op en zweefde, steeds door de Vlamingen gevolgd, van de ene kant naar de andere.

De 10e augustus 1304 had de zeeslag tussen de twee vloten plaats; het gevecht duurde twee dagen, van de morgen tot de avond: de eerste dag was het voordeel aan de zijde der Vlamingen en wellicht zouden zij de zege ten volle behaald hebben, maar hun schepen des nachts op een zandplaat vastgeraakt zijnde, werden zij des anderendaags door de Fransen, onder de befaamde zeeoverste Reinier Grimaldi, geslagen; hun schepen werden verbrand en de jonge Gwyde verviel met vele anderen in de handen van de vijand. Jan van Renesse, de moedige Zeelander, die met weinig volk Utrecht bewaarde, willende die stad verlaten, begaf zich in een schuit om de Lek over te varen; maar het schip te zeer geladen zijnde, zonk te midden van de vloed, en de edele ridder Jan vond er een beklagelijk einde, hij verdronk. De Vlamingen dit door vluchtelingen verstaande, betreurden hem met droeve klachten en zwoeren dat zij hem niet ongewroken zouden laten.

Wanneer het nieuws van de uitval des zeeslags in het Frans leger kwam, bevond hetzelve zich bij Rijsel op de Peuvelberg. Philippe le Bel trok een weinig terzijde af en verliet die gunstige plaats, dewelke dan ook onmiddellijk door de Vlamingen werd ingenomen. Dezen wilden de slag niet langer uitstellen, het was de Veldheren onmogelijk hen langer nog te weerhouden; zij stelden zich dan in slagorde om de vijand aan te tasten. Philippe le Bel dit ziende zond een bode om de vrede voor te stellen, maar de Vlamingen wilden geenszins ernaar luisteren en sloegen de bode dood. Korte tijd daarna vielen zij met ijslijk geschreeuw, met donderend gehuil op het Franse leger, dat verbaasd en verschrikt dooreenliep. Bij de eerste schok werden de voorste benden overhoop geworpen en verpletterd; er was onder het Vlaamse leger nog meer razernij dan in de slag te Kortrijk; ook konden de Fransen hun slechts een zwakke tegenstand bieden, alhoewel zij met evenveel moed vochten.--Philippus van Vlaanderen en Willem van Gulik drongen door al de vijandlijke benden tot bij de Koning Philippe le Bel, die daardoor in groot gevaar geraakte. Men hakte zijn lijfwachten rondom hem ter neder, en hij ware voorzeker gevangen of dood geweest, indien men hem zijn mantel en andere kentekenen niet had ontnomen; alzo onkenlijk gemaakt zijnde vluchtte hij van die plaats weg en ontving een lichte wonde van een ijzeren schicht.--Dit lang gevecht had voor gevolgen dat het Franse leger in volle vlucht geslagen werd en de Vlamingen de zege behaalden.

De Franse Kroonvaan (Oriflamme) werd aan stukken gescheurd, gelijk het _de Cronyke van Vlaenderen,_ aan dewelke wij dit verhaal ontlenen, met de volgende woorden getuigt: _Hier wierdt de fransche Oriflamme, op dewelke sy soo seer gewoon waeren te roemen, gescheurt en den standaert-draeger Cherosius gedood._ In die slag verloor Willem van Gulik, de Priester, het leven. De Vlamingen hielden zich tot de avond bezig met 's Konings tent en al de andere kostelijke goederen tot buit te maken. Zij keerden dan om wat te spijzen naar de Peuvelberg terug, doch niets daar vindende trokken zij op naar Rijsel. Des anderdaags ging elk naar zijn huis.--Die slag geschiedde de 15 augustus 1304.

Vijftien dagen daarna kwam Philippe le Bel weder met een leger naar Vlaanderen om Rijsel te belegeren. De Vlaamse Burgerij sloot haar winkels en nam in menigte de wapens op; Philippus van Vlaanderen, hen te Kortrijk vergaderd hebbende, toog enige dagen daarna naar Rijsel in het gezicht der Fransen. Hun groot getal ziende riep Philippe le Bel met verwondering uit: "Mij dunkt dat Vlaanderen soldaten spuwt of regent!"

Geen nederlaag meer durvende wagen stelde hij, na enige schermutselingen, de vrede voor en men trad in onderhandeling, terwijl er een wapenschorsing gesloten was. Het duurde vrij lang eer men de voorwaarden van wederzijde aannam.

Gedurende die tijd stierf de oude Graaf Gwyde te Compiègne, in zijn gevangenis; Johanna van Navarra overleed insgelijks.

Eindelijk werd de vrede tussen Philippus van Vlaanderen en Philippe le Bel gesloten en getekend.

Robrecht van Bethune, met zijn twee broeders Willem en Gwyde en met al de andere gevangen ridders, werd losgelaten en naar het Vaderland teruggezonden.--Het volk was over de voorwaarden van het verdrag niet tevreden, en noemde hetzelve het verbond van ongerechtigheid; dit ongenoegen had echter voor alsdan geen gevolgen.

Robrecht van Bethune, in Vlaanderen gekomen, werd met buitengewone plecht als Graaf ingehuld.--Hij leefde nog zeventien jaar, hield de eer en de roem van Vlaanderen staande en ontsliep in de Heer de 18 september 1322.

Gij Vlaming, die dit boek gelezen hebt, overweeg, bij de roemrijke daden welke hetzelve bevat, wat Vlaanderen eertijds was--wat het nu is--en nog meer wat het worden zal indien gij de heilige voorbeelden uwer Vaderen vergeet!

NOTEN

[Noot 1: Een kleine stad in West-Vlaanderen.]

[Noot 2: De ridders droegen dit kleed over hun harnas. Het daalde slechts tot bij de knieën en was zonder mouwen, van zijde of van gouden laken gemaakt. De wapentekens en zinspreuken der ridder waren op hetzelve, voor de borst, gewrocht.]

[Noot 3: Een ridder van die tijd had de volgende wapenrusting:--Een ijzeren helm of stormhoed, met of zonder vederbos, een ijzeren harnas, handschoenen van dassenleer, op het bovenste gedeelte met ijzeren schelpen bedekt. IJzeren platen op benen en billen, een schild of beukelaar waarop het wapen geschilderd was, een lange speer of lans en een groot slagzwaard of een degen. Onder het harnas droeg hij een pantser, of wapenrok, zijnde een hemd uit ijzeren ringen of maliën gevormd. Het paard was insgelijks met brede platen op het lichaam gewapend.]

[Noot 4: Een korte dolk aan twee zijden scherp zijnde, en hebbende bij het gevest een dwarse stang welke dezelve aan een kruis deed gelijken. De lieden der goede steden of vrije burgers vermochten alleen dit wapen te dragen.]

[Noot 5: Men bemerke dat ik de spelling der namen van Franse Heren onveranderd heb gelaten. Dit is om de verwarring met de namen der Vlaamse Edelen te vermijden.]

[Noot 6: De ridders droegen in die tijd slechts één spoor.]

[Noot 7: Zo heette men de landlieden die van een Heer afhanklijk waren. De vrijlaten betaalden zekere tollen en hadden vrijheden en eigen wethouders. Leenlaten, die een pachthoeve van de heer kregen, hem hiervoor als onderdanen moesten gehoorzamen, en zich tot leenarbeid en tot het opbrengen van zekere gelden moesten verplichten. Lijflaten, die met lijf en have de heer toehoorden, en met de landerijen verkocht en verhandeld werden. Men ziet dat deze de laagste stand des volks uitmaakten.]

[Noot 8: Charles, de tweede zoon van Philippe le Hardi, was Graaf van Valois, van Alençon en van Perche. Hij ontving van zijn broeder, Philippe le Bel, Koning van Frankrijk, het opperbevel over het Franse leger en veroverde het land van Vlaanderen.]

[Noot 9: Breydel was Hoofddeken der beenhouwers in Brugge.]

[Noot 10: De stormegge was een tweede poort, welke in een groef of schuif voor de eerste neerzakte. Zij was met lange ijzeren punten voorzien.]

[Noot 11: Het slot Wijnendale is nu vervallen en ligt bij het dorp van die naam, in de nabijheid van Torhout, West-Vlaanderen.]

2

[Noot 12: "Guy van Dampyere, die sone van den houden Willem van Dampyere, die was die XXIIII Grave van Vlaenderen."

_Dits die excellente Cronike van Vlaenderen, f. °41._]

[Noot 13: "Eerst Robrecht van Nyvers (ook van Bethune) die welcke die heleghe kercke vele profyts dede, in eenen wych in Apoelgen, daer hij doot slouch den feilen viant van der helegher kercke Meinfroot."

_Die excellente Cronike._

Om de inborst dezer edele ridder te doen kennen is het nodig enige aanhalingen te doen.

Charles d'Anjou, koning van Sicilië, willende ten oorloge trekken tegen Manfried, die dit koninkrijk tegen de wil van de Paus bezat, vormde een leger van bij de twintigduizend uitgelezen mannen, _en gaf het opperbevel over dit heir aan Robrecht van Bethune,_ welke alsdan slechts achttien jaar oud was. Enige tijd hierna verwon Charles d'Anjou de jonge Conradyn, kleinzoon van de Duitse keizer Frederik. Charles willende zich van zulk een doorluchtige vijand verlossen, besloot hem tot de dood te doen verwijzen.

Simonde de Sismondi, _Histoire des républiques italiennes,_ zegt: "Een enkel rechter dorst het doodvonnis uitspreken, en de jonge Conradyn werd op een schavot gebracht om het hoofd afgehouwen te worden.

De rechter die Conradyn tot de dood veroordeeld had, las het vonnis tegen hem, als verrader der Kroon en vijand der Kerk. Hij eindigde juist en sprak het doodvonnis uit, wanneer Robrecht van Vlaanderen, de eigen zwager van Charles d'Anjou, zich op die valse rechter wierp en hem met zijn degen door de borst stotende, riep: Het behoort u niet, ellendeling, zulke edele en schone heer ter dood te verwijzen! De rechter viel dood in de tegenwoordigheid des konings, en deze dorst zijn begunstigde niet wreken."

Meer andere feiten van Robrecht bewijzen dat hij met een verwonderlijke moed bezield was, en dat men van hem zeggen mocht: hij had een leeuwenhart in een ijzeren lichaam.]

[Noot 14: De geschiedkundige en heraldische bijzonderheden over die jonge ridder zijn mij door mijn geleerde kunstvriend, de Heer Octave Delepierre van Brugge, medegedeeld.]

[Noot 15: Het is schoon voor het Vaderland te sterven.]

[Noot 16: Een hakkenij is een klein paard dat zachtjes rent en uitsluitelijk voor vrouwen bestemd was. Zo waren de dravers ook lichte paarden, maar snel in de vlucht (Palefroi). De slagpaarden die men in de oorlog gebruikte (destrier), waren groot en zwaar, gelijk de brouwerspaarden in België nog zijn.]

[Noot 17: "Daeromme, die Grave Guy meenende den coninc te gelievene, ten bevele van den coninc van Vranckerycke, sandt Phelippa zyne dochter eerlicke te Parys waert met XXX camerieren, en Robrecht huer houdste broeder voer mede met XXX oude rudders en joncheers, en Robrecht huer broeder bi avontuere bleef buten Parys. Doen syn sustre Phelippa quam te Parys, omme te gane tot den coninc voorseyt, ende si ten pallaeyse comende, die coninghinne deedtse vanghen met alle huere cameryeren. en sciltcnapen; ende Phelippa bleef in des conincs ghevanghenesse."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 18: Enguerrand de Marigny, een Edelman uit Normandië, werd onder Philippe le Bel kapitein van het paleis het Louvre, Minister der financiën en gebouwen. Hij gebruikte zijn macht tot slechte daden, verkwistte 's Rijks gelden, vervalste de munten en verarmde het volk door willekeurige lasten.]

[Noot 19: Johanna, enige dochter van Henri I, koning van Navarra, beërfde dit koninkrijk van haar vader en werd een der rijkste vorstinnen hares tijds. Zij trouwde Philippe le Bel en verenigde door dit huwelijk twee kronen op haar hoofd.]

[Noot 20: Om een ridder tot de strijd te dagen wierp men hem een handschoen toe: indien hij dezelve opnam aanvaardde hij het gevecht, anders hechtte men de handschoen op de deur zijner woning of aan een paal; opdat ieder mochte zien dat hij uit lafheid het gevecht geweigerd had.]

[Noot 21: "Die slag werd des vrydags 26 february, 1266 geleverd; Manfried verloor er de kroon en het leven."

_Simonde de Sismondi_]

[Noot 22: Een koninklijk paleis te Parijs dat zeer sterk was en ook tot bewaarplaats der staatsgevangenen diende.]

[Noot 23: Een leen was het heerlijk goed dat een Edelman in bezit hield, vandaar Leenheer, Leenman, leengoed, enz.]

[Noot 24: "ende die coninc sandt sinen broedere Kaerle van Valloys omme Vlaenderen met vulder macht te regierene, ende comende te Brugge hy seyde hy soude wel eenen soeten paeys maken, tusschen den coninc sine broeder ende den lande van Vlaenderen. Kaerle de Valloys hy beloefde bi sinen rudderschepe, den Grave Guy paeys te vererygene, up condicien dat hi wilde gaen tot den coninc met vyftich van sinen edelen en Guy beloefdet te doen en hi deit."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 25: De bijzonderheden over de valkerij welke hier voorkomen, zijn uit desaangaande werken getrokken.]

3

[Noot 26: Zo noemde men de oude zwervende dichters. De Abt Mussieu, _Histoire de la poésie française_ zegt: "De eerste dichters hadden een zwervend leven; wanneer zij een huisgezin hadden, namen zij hun vrouwen en kinderen met zich; dewelke zich ook somtijds met het dichten bemoeiden; want dikwijls rijmde het ganse huis, goed of slecht. Zij hadden in hun gevolg lieden met goede stemmen en met speeltuigen om hun opstellen te zingen. Dier wijze aanhoord, waren zij welkom in kastelen en paleizen, vervrolijkten de maaltijden en vereerden de gezelschappen; maar bovenal konden zij loftuitingen uitgalmen."]

[Noot 27: Eer het buskruit uitgevonden was, bestormde men de steden met reuzenstaltige werktuigen. Men beukte tegen de muren met een bok of ram. Dit was een allergrootste eiken balk welkers einde met een ijzeren ramshoofd beslagen was; men hing die balk in evenwicht aan ketens of touwen, en dezelve achteruit gehaald hebbende, liet men hem tegen de muur aanstoten; en zo verdelgde men allengskens de vestingswerken der steden. Ook had men hoge torens op wielen en met valbruggen voorzien; deze voerde men tot tegen de muren en liet de brug van boven op de wal vallen om over dezelve in de stad te lopen. Springalen waren werptuigen met dewelke men somtijds vijftig lange pijlen ineens, op een verwonderlijke verte werpen kon (_balistes_). Ook wierp men met een bijkans dergelijk werktuig zware stenen in de steden (_catapulta_).]

[Noot 28: "Die Grave Guy was met S^{te} Lodewyc, coninc van Vranckerycke, in Barbarye yegen die sarasynen, als Thunes, Cartagen, Bourghe, te Massoire, daer hi hem vromelic hadde in fayten van wapenen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 29: Een stad in Frankrijk, op 18 mijl ten noorden Parijs en waar de koningen hun Hof hielden. Zij bezat een sterk en prachtig kasteel, en was bij een overgroot woud gelegen. De maagd van Orléans werd aldaar door de Engelsen in 1430 gevangen.]

[Noot 30: "Dyt zyn die namen van den edelen mannen, tot vyftich toe, dye met den Grave Guy naer Vrankerycke toghen: eerst

Guy Grave van Vlaenderen. Robrecht Grave van Nyvers. Willem Here van Nevel. Joffroit Here van Croysieres. Wouter Here van Maldeghem. Boudin Here van Knesselare. Dye Here van Steenhuyse. Dye Here van Mortaengnen. Here Willem Everbaert. Heer Zegher van Cortrycke. Dye Here van Nyeneve. Heer Wouter van Houdenaerde. Heer Jan van Heyne. Here Wouter van Nevele. Heer Jan van Heyle. Here Roegaert van Ghistele. Heer Phelips van Acxpoele. Here Ryckaert Standaert. Heer Boudin die jonge Here van Huytkercke. Heer Diederick dye Vos. Dye Here van Ryveel. Heer Boudin van Passchendale. Here van Roubais. Here Rase Mulaert. Here van Bernaerdge. Die Heere van Baudonnes. Heer Guy van den Poele. Here Jan van Thourout. Heer Willem van Huusen. Here Jan van Valenchyenes. Heer Jan van Vlamerbeke. Heer Wouter van Lovendeghem en sine twee broeders. Heere Gheraert die Moor. Heere van Lanbois. Here van Morteloy. Heeere Jan Thoudebois. Heere van Belle. Heere van Beukemare. Jan van Ghendt. Twee poorters van Brugghe.

Alle dit waren die voorscrevene vyftich personen."

_Dits die excellente Cronike._]

[Noot 31: "En in der waarheid, de morringen werden algemeen; dezelve waren veroorzaakt door de menigvuldige lasten en bovenal door de vervalsing der munten; hetgeen de Koning de naam van valsemunter onder het volk deed geven."

Anquetil, _Historie de France._]

[Noot 32: Eertijds gebruikte men veel gesteenten in de artsenijkunde; men kende aan dezelve een bovennatuurlijke kracht toe. De steen in het nest des adelaars gevonden, werd onder andere als een onfeilbaar geneesmiddel voor vele kwalen aanzien.]

4

[Noot 33: Schattingen (_tailles_) werden op het gemene volk alleen geheven: gabellen waren belastingen op het zout.]

[Noot 34: De bijnaam _hutin_ betekent twister, oproerige; zoveel als _mutin_. Lodewyk was volgens de geschiedenis een edelmoedig en goed Vorst, die zich de liefde zijner onderdanen waardig maakte.]

[Noot 35: Sciarra Colonne, die met Mijnheer De Nogaret te Anagni was, sloeg de Paus met de handschoen in het aanzicht.]

[Noot 36: Een goudgele vrucht uit het Oosten.]

[Noot 37: "Ende ooc omme der coninginnen wille, die de Vlamingen seere leedt hadde, omme dat haer grootheere ende twee van haren ooms, in Vlaenderen ghevanghen waren: ende Phelips van Elsaten hadde twee van haren bastaerden ooms, in Vlaenderen ghedaen onthoofden, up den seccant, ende up raden stelen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 38: Frankrijk en Navarra waren alsdan nog twee van elkander onafhankelijke Rijken. De Koning van Frankrijk had op Navarra geen recht, en mocht over deszelfs bestuurszaken niet beschikken. De inkomsten en andere voordelen kwamen Johanna alleen toe, en deze stond als Vorstin van Navarra geenzins onder haar gemaal.]

5

[Noot 39: "Den Grave Gwide hadde reets ten jaere 1295, met den Koning van Engeland een verbond aengegaen, alwaer onder andere besloten was een houwelyk tusschen den prince van Galles en de dochter van den Grave van Vlaenderen."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 40: "Dese Kaerle van Valloys, sach dat men aldus alle dese Vlaminghen vinc ende leedede in diveersche vanghenessen, hy vertoochde daer sinen broeder den coninc, ende alle die bi hem waren, hoe dat hi in Vlaenderen so eerlicken en vriendelicken ontfanghen hadde gheweest, en dat se begeerden paeys ... so wat die Kaerle van Valloys sprak totten coninc, het en halp er al niet ten confoorte van den Grave Guy; want die coninghinne verwarredet en verargherdet al." _Dits die excellente Cronike._]

[Noot 41: Soldeniers waren gehuurde en betaalde krijgsknechten; de enige bestendige benden welke de Koningen alsdan te hunnen dienste hadden.]

[Noot 42: "Het was der coninghinnen leet dat si buyten Parys ghevangen geleyt waren; want sy hadde liever gehad, dat dye coninc den Grave Guy en alle dye met hem ghekomen waren, te Parys hadde ghedaen hanghen aen die galge. Kaerle de Valloys dir siende, dat die Grave Guy en al die syne blyven moesten in vanghenessen, het wyperde en deerde hem dat hy se te Parys gebracht hadde. Ende mits dat hy se niet helpen en mochte, omme tot haren paeyse te komen, hi schaemdes hem sere; ende liet die stede van Parys en trac huyt Vranckerycke, wonende int landt van Italye, en diende daer den Paeus Bonefacius." _Dits die excellente Cronike._]

6

[Noot 43: "Het meestendeel van den anderen edeldom, de welke 't huys bleven waren Frans gesinden."

_Jaerboeken der stad Brugge._]

[Noot 44: "In die tijd werden de Fransgezinde Vlamingen _Leliaards_ genoemd; daarentegen waren de vrienden van de Graaf en van 's Lands onafhankelijkheid, onder de naam _Klauwaards_ bekend, herkomende van de Klauwen, waarmede de Leeuw van Vlaanderen de Leliën scheen te bedreigen."

Voisin, _Notice sur la Bataille de Courtrai._]

[Noot 45: Men gebruikte die eernaam uit eerbied tot de Heiligen en zegde:--Mijnheer Sint-Jan, Mevrouw Sint-Theresia. De volgende verzen uit het gedicht de _Maghet van Ghend_, door de heer _Ph. Blommaert_ uitgegeven, dienen tot bewijs.

_"Ende mire vrouwen Sente Kateline. Ende myn here Sente Mertyn?"_]

[Noot 46: Een dorp op weinig afstand der stad Brugge. Er stond als dan een beruchte Kapel van het heilig Kruis.]

[Noot 47: "Na Vlaanderen van zijn dapperste verdedigers beroofd te hebben, deed Philippe deszelfs verbeurdmaking, door een raad welke uit zijn begunstigden was samengesteld, uitspreken. Hij benoemde om dit land te beheersen Raoul de Nesle, die de Vlamingen met goedheid behandelde en zich door hen deed beminnen."

Voisin, _Notice sur la Bataille de Courtrai._]

[Noot 48: Een Hertogdom in Westfalen, bevattende de steden Gulik, Duren en Aken. Willem, neef van Robrecht van Bethune, was Aartsdiaken van Luik en proost van Aken, alwaar hij zijn verblijf had.]

[Noot 49: De ambachten hadden bijzondere gebouwen, waar zij zich verenigden en hun plechtgewaad, als standaarden enz. bewaarden. Dit noemde men het pand.]

[Noot 50: De Bruggelingen hadden een ontzaglijk wapen dat zij met de grootste behendigheid wisten te gebruiken. Het waren lange speren met een puntig ijzer voorzien. Zij hadden dezelve uit scherts _Goedendags_ genoemd, willende beduiden dat zij de vijand terdege er mede konden begroeten. De heer _Voisin_ haalt de volgende verzen uit Guillaume Guiart aan:

A grans bastons pesanz ferrez, A un lonc fer agu devant, Vont (les Flamands) ceux de France recevant. Tiex bastons qu'ils portent en guerre Ont nom _Godendac_ en la terre Godendac, c'est _Bonjour_ à dire, Qui en francais le veust descrire. Cil baston sont lonc et traitiz, pour férir a deux mains faitiz.]

[Noot 51: Wanneer de Bruggelingen hun tolgelden kwamen betalen, werden zij met hitsigheid door de Franse bedienden toegesproken. Zij noemden deze toesnauwers de Snakkers. De brug waarbij het tolhuis stond, heet heden nog de Snaggaardsbrug.]

[Noot 52: In die tijden kende men de Franse volkeren onder de naam van _Wallen_, zijnde het Franse woord _Gaulois_. Het is waarschijnlijk dat de Walen hiervan hun naam behouden hebben. Jacob van Maerlant, een Dichter van het einde der dertiende eeuw, van de Franse Dichters sprekende zegt:

Die scone walsche valsche poëten, Die meer rimen dan si weten, Belieghen groten Carel vele In sconen worden ende bispele.]

7

[Noot 53: Zo heette men de beenhouwers in Brugge.]