De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 34
Op de voorhof klom hij te paard, en deed zijn uitrusting aan, hij liet het voorstuk van zijn helm vallen, en reed ter poorte uit. Een ontellijke schaar volks had zich voor dezelve vergaderd, zodra zij de gulden ridder zagen, scheidden zij zich in twee, om hem door te laten, en begonnen met allerlei juichingskreten hem te begroeten. "Heil de gulden ridder, zege! zege! Onze verlosser!" werd honderd malen met nieuwe galmen herhaald. Zij zwaaiden hun handen, ten teken van blijdschap, in de lucht, en raapten de aarde, als een heiligdom uit de voetstappen van zijn paard. In hun bijgelovigheid dachten zij dat St.-Joris, die men gedurende het gevecht in al de kerken van Kortrijk had aanroepen, onder deze gedaante hun was ter hulp gekomen. De langzame stap des ridders en zijn stilzwijgendheid staafden die gissing, en velen vielen, terwijl hij voorbijging, biddend op hun knieën ter aarde. Zij volgden hem een mijl juichend in de velden na, en schenen hun gezicht niet genoeg te kunnen verzadigen, want de gulden ridder werd hoe langer hoe wonderbarer voor hen, hun inbeelding herschiep hem in zulke gedaante als zij de Heiligen droomden--een teken van Robrecht ware genoeg geweest om zich door die opgetogen mensen te doen aanroepen.
Eindelijk gaf hij zijn paard de spoor, en verdween als een schicht tussen de bomen des wouds. Het volk poogde zijn gulden harnas tussen het loof nog te ontdekken, maar tevergeefs de draver had zijn meester reeds ver uit het bereik hunner ogen gevoerd, dan bezagen zij elkander, en zuchtten met droefheid "Hij is in de Hemel teruggekeerd!"
HISTORISCH VERVOLG TOT AAN DE VERLOSSING
VAN ROBRECHT VAN BETHUNE DRIEËNTWINTIGSTE GRAAF VAN VLAANDEREN
Van de zestigduizend man die, om Vlaanderen te verwoesten, door Philippe le Bel gezonden waren, ontvluchtten er slechts omtrent de zevenduizend, die in aller ijl langs verschillende wegen op de Franse bodem zochten te geraken. Guy de St.-Pol had er bij Rijsel vijfduizend in een bende vergaderd en meende met dezelve in Frankrijk te trekken, maar, een gedeelte des Vlaamsen legers hem aanvallende, werd hij in een bloedig gevecht verslagen en meest al zijn mannen vonden daar de dood, die hen op het slagveld te Kortrijk had gespaard. _De excellente Cronike_ zegt ons hoeveel Fransen in hun Vaderland terugkeerden:--"_Ende van alle diere ontquamen en ontvloden mochten syn ontrent drie duijsent mannen van alle der groter menichte, die daer versaemt waren omme Vlaenderen al gheheel te niete te doene; ende die mochten die nieumare dragen van haerlieder aventuere, die sober was._"
De bijzonderste Edelen, de dapperste ridders bleven voor Kortrijk dood, derzelver getal was zo groot dat er, volgens de geschiedenis, geen slot, geen heerlijkheid in Frankrijk was, waar men de rouw niet aannam, overal werden er tranen over de dood eens echtgenoots, eens vaders of eens broeders gestort, en het ganse land werd met klachten vervuld. Door de zorg der Vlaamse Veldheren werden de gesneuvelde koningen en de doorluchtigste Landheren in de abdij van Groeninge begraven, als blijkt uit een oud schilderij, welke in de St. Michielskerk te Kortrijk nog bestaat; zij draagt het volgende opschrift, door de heer P. Van Duyse ter plaatse letterlijk afgeschreven:--"_Den slag van Groeninghe gehouden op den XIen julius 1302 en wiert gheslegen op den Groninck Coutere daer de Audenarsche straete deurgaet neffens de stede van Curterik, dit syn de namen van den edelen die in den stryt verslagen en in 't clooster te Groeninghe begraven waren.
"Eerst, de Coninck van Majorke: de Coninck van Meliden: dhertoge van Coranen: dhertoge van Brabant: de Bisschop van Beauvais: de Grave van Archois: de Prise van Aspermont: Jacob van Simpel: de Grave van Clermont: de Prince van Champaingen: de Grave van Melli: de Grave van Trappe: de Grave van Lingui: de Grave van Bonnen: de Grave van Henegauwe: de Grave van Frison: de Grave de la Marche: de Grave van Bar: item zyn dry broeders de Heere van Bentersam: de Heere van Wenmele: de Castelein van Rysele: de Heere van Flines: Clarion des Coninck van Melidens broeder: Mher Jan van Creky: de Heere van Van Merle: de Grave van Lingui in Barrois: de Heere van Marloos: de Heere van Albemarke: des Bisschop van Beauvais broeder: de Heere van Versen: de Heere van Rochefort: Mher Gillis van Olingy: de Heere van Montfort: Godefroid's Graven van Bonnen broeder, en meer dan seven hondert vergulden sporen._
_Godt sy alle gheloofvege sielen ghenaedich._"
Er bestaat in de boekzaal van de heer Goethals-Vercruyssen, te Kortrijk, nog een steen, welke op het graf van Koning Sigis gelegen heeft, en, met zijn wapentekenen, het volgende opschrift draagt--"_In 't jaer os Here MCCCII up sente Benedictus dach in Hoymaent was de stryt te Curtruke. Onder deze es gegraven de conync Sigis. Bidt Gode voor alle zielen. Amen MCCCII._"
Boven de gouden vaten, kostelijke stoffen en rijke wapenen, vond men op het slagveld zevenhonderd vergulde sporen, welke de Edelen alleen dragen mochten, men hing dezelve met de gewonnen Standaarden aan het gewelf der Vrouwekerk te Kortrijk, en daarvan werd het gevecht de slag der gulden sporen genaamd. Enige duizenden paarden vielen ook in de macht der Vlamingen, die dezelve in de volgende oorlogen met groot voordeel gebruikten. Buiten de Gentpoort, op weinig afstand van Kortrijk, heeft men in 1831, te midden van het gewezen slagveld, een kapel ter ere van Ons-Lieve-Vrouw van Groeninge gebouwd, op het altaar leest men de namen der gesneuvelde Franse Veldheren, en een der echte vergulde sporen is te midden van het gewelf opgehangen. In Kortrijk werd die heugelijke dag alle jaren door een openbare plechtigheid en door volksvermaken gevierd, de gedachtenis dier feest is er tot heden toe in een kermis, welke men vergaderdagen noemt, overgebleven. Ieder jaar, in de maand juli, gaan de arme lieden van huis tot huis de oude klederen vragen om dezelve te verkopen, gelijk men in 1302 met de rijke buit gedaan heeft, door een vioolspeler vergezeld, begeven zij zich naar de Pottelberg, de oude legerplaats der Fransen, en vermaken zich daar tot het einde van de dag.
De tijding van het verlies des legers in Frankrijk komende bedreef men grote rouw aan het Hof, Phihppe le Bel ontstak in woede tegen zijn gemalin Johanna, wier boosheid de schuld dier onheilen was. Hij verweet haar dit met bittere woorden, gelijk Lodewyk van Velthem, een dichter die in die tijd leefde en alsdan zijn rijmkroniek (_Spiegel historiael_) schreef, met de volgende woorden verhaalt:
Doe werp die coninc haer in den scoet Ene letter van bloede roet. Want be die die se screef Ontfoer daer Artois doet bleef Met groter smarten doorwont
En wat verder:
Hi seidte doe Coninginne Vrouwe! Maniert u selven in uwen rouwe Haddes u te voren bedacht; Dit heb di al selve toebracht; Gi ne dorvet niemand anders tien Dan u selven wildy's lien!
Men vindt, in de meeste Franse geschiedboeken, Johanna van Navarra geheel anders dan kwaadaardig afgeschetst. De Fransen met hun nationaal karakter, dat ik zeer loffelijk acht, verschonen licht de ondeugden hunner Vorsten (wanneer zij dood zijn) maar de waarheid is in onze kronieken te tastbaar om aan de hatelijke inborst van Johanna te twijfelen.
De Wethouders van Gent allen Leliaards zijnde, en denkende dat Philippe le Bel in allerhaast een nieuw leger naar Vlaanderen zou afzenden, wilden hun poorten gesloten houden om de stad zolang aan de Fransen te bewaren, zij werden welhaast door de Gentenaren over dit verraderlijk inzicht gestraft. Het volk liep te wapen, Wethouders en Leliaards werden vermoord en de voornaamste Burgers brachten de sleutels der stad aan de jonge Gwyde, wie zij een eeuwige trouw toezwoeren.
Onderwijlen kwam Jan Graaf van Namen, broeder van Robrecht van Bethune, naar Vlaanderen en nam het bewind des lands in handen, hij vormde met haast een nieuw en machtiger leger om aan de Fransen te kunnen wederstaan, en bracht de Besturen der steden in orde. Zonder zijn benden langer te laten rusten trok hij voor Rijsel, hetwelk zich na enige stormlopingen overgaf, van daar naar Douai trekkende won hij insgelijks die stad en nam de bezetting krijgsgevangen, de stad Kassel gaf zich ook op zekere voorwaarden over. Nog enige andere sterke plaatsen de Fransen ontnomen hebbende, en ziende dat er geen nieuwe vijanden uit Frankrijk kwamen, zond Jan van Namen het grootste gedeelte zijns legers naar huis en behield slechts enige keurbenden van ervaren krijgsknechten.
Het land was gerust en de koophandel begon opnieuw te bloeien, met betere hoop op een goede oogst werden de verwoeste landen weder bezaaid, en het scheen dat Vlaanderen een nieuw leven, een nieuwe kracht verkregen had men dacht met enige reden dat Frankrijk nu genoeg geleerd was, gelijk Van Velthem zingt
Wacht u vort van selken spele, Ghi Fransoyse syt heir onteert, Ghi syt anderwerven geleert
Philippe le Bel had inderdaad niet veel lust om de oorlog weer aan te vangen, maar de roep om wraak, welke uit al de delen van Frankrijk zich deed horen, de klachten der ridders wier broeders voor Kortrijk gesneuveld waren, en bovenal de aanhitsing der wraakzuchtige Koningin Johanna, deden hem eindelijk tot de krijg overhellen. Hij vergaderde dan een leger van 80.000 man, in hetwelk zich bij de 20.000 ruiters bevonden, echter was hetzelve op verre na zo aanzienlijk niet als het eerste dat hij verloren had, vermits het nu meest gehuurde of gedwongen soldaten waren. Het Opperbevel werd aan Louis Koning van Navarra gegeven, deze moest, eer hij slag leveren zou, Douai en de andere Franse grenssteden uit de handen der Vlamingen zoeken te verlossen. Dit leger naar Vlaanderen komende sloeg zijn tenten op twee uur van Douai, bij Vitry, in het veld neer.
Zodra men in Vlaanderen vernomen had dat er een Frans leger gevormd werd, liep de schreeuw "Te wapen! te wapen!" door het ganse land, nooit zag men zulke geestdrift, uit alle steden, uit de minste dorpen kwamen grote hopen volks met allerlei wapens toegelopen, men ging al zingend en vol vreugde naar de vijand, in dier voege dat Jan van Namen, vrezende dat de levensmiddelen zouden ontbreken, er een groot getal terugzenden moest. Die welke als Leliaards bekend waren, willende hun vorig gedrag doen vergeten, smeekten dringend om hun bloed voor het Vaderland ten bewijze hunner bekering te vergieten, hetgeen hun dan ook met blijdschap werd toegestaan. Onder Jan van Namen, de Veldheer, bevonden zich meest al de ridderen die zich in de slag te Kortrijk hadden doen kennen: de jonge Gwyde, Willem van Gulik, Jan van Renesse, Jan Borluut, Pieter Deconinck, Jan Breydel en meer anderen. Adolf van Nieuwland, nog niet van zijn ziekte hersteld zijnde, kon die tocht niet bijwonen.
Die macht in verscheidene benden verdeeld zijnde, trokken de Vlamingen tot op twee mijlen van de vijand en namen daar hun standplaats, weinig tijds daar gelegen hebbende togen zij voort tot tegen de rivier de Scarpe, bij Flines, zij gingen dagelijks de Fransen tot de strijd beroepen, doch mits de Veldheren, zowel de Vlaamse als de Franse, de strijd schenen te ontwijken werd er niets uitgericht. De oorzaak van de stilstand was dat Jan van Namen, de verlossing zijns vaders en zijns broeders willende bemerken, boden naar Frankrijk gestuurd had om te zien of men de vrede met Philippe le Bel niet zou kunnen treffen. Het schijnt dat men bij het Franse Hof over de voorwaarden het niet eens worden kon, want de boden bleven weg, en men kreeg slechts ongunstige antwoorden.
Het Vlaams leger begon te morren en wilde, ondanks het verbod van de Veldheer, tegen de Fransen strijd leveren, dit duurde zo lang en de wil der benden deed zich zo ernstig gevoelen, dat Jan van Namen gedwongen werd over de Scarpe te trekken om de vijand aan te vallen. Er werd een brug op vijf schuiten over de rivier gelegd en het Vlaams leger, verheugd omdat men ging strijden, toog zingend en vol blijdschap erover, maar er kwam een twijfelachtig nieuws van Franknjk, hetwelk hen nog enige dagen wederhield. Eindelijk wilden de benden zich in gener wijze stilhouden en gaven ernstige blijken van oproer. Alles werd dan tot de aanval bereid gemaakt en de Vlamingen trokken op tegen de Fransen, dezen de slag niet durvende wagen, braken hun leger haastig op en togen in wanorde af. De Vlamingen vielen de vluchtende Fransen op het lijf en versloegen er een aanzienlijk getal, voortgaande namen zij het kasteel van Harne, waar de koning van Navarra de legerstapel gesteld had. De voorraad, de tenten, en alles wat het Franse leger met zich gebracht had, verviel in de handen der Vlamingen. Daarna hadden nog enige geringe gevechten plaats, welkers gevolg was dat de Fransen, met schande overladen, tot diep in Frankrijk verjaagd werden, zo zingt onze vaderlandse Dichter Van Duyse met recht ter dier gelegenheid.
Triumf, myn Vaderland! roem roem der vaedren daden, Onsterflyk groenen uwe aloude lauwerbladen, De Faem vermeldt uw' roem aen 't gansch vieroordig rond Blyft zoo verheerlykt tot der wereld avondstond!
De Vlaamse Veldheren, ziende dat men de vijand in het open veld niet meer te bestrijden had, dankten het leger ten dele af en bewaarden slechts genoeg mannen, om aan de bezettingen der Franse grenssteden het roven en branden te beletten.
Uit het stedeken Lessines, op de palen van Henegouwen, vielen dagelijks hopen soldeniers op de Vlaamse bodem en deden veel kwaad aan de inwoners ten platten lande. Jan van Namen dit vernemende trekt met enige benden derwaarts, bestormt, verovert en verbrandt Lessines, hetwelk de Graaf van Henegouwen behoorde.
Ondertussen trekt Willem van Gulik met de ambachten van Brugge en van Kortrijk naar St.-Omer om die stad de Fransman te ontnemen. Daar gekomen zijnde wordt hij door de Franse ruiterij, die veel sterker in getal was, met onstuimigheid aangetast; geen uitkomst ziende schikt hij zijn mannen in een kring en verweert zich totdat de duisternis hem toelaat achteruit te wijken, en dus een gewisse nederlaag te ontgaan. Enige dagen later kwam Jan van Namen van Lessines terug bij Willem, hetgeen hun te saam gevoegde macht tot 30.000 man sterk maakte. Het Franse leger aanvallende sloegen zij hetzelve op de vlucht en hakten de vijandige benden aan stukken.
Men begon St.-Omer te bestormen, alle dagen werd de stad met een ongewone moed langs verschillende zijden aangevallen, doch, de bezetting zeer sterk zijnde, werden de belegeraars dikwijls met verlies van veel volks afgedreven; dit belette hun echter niet een menigte zware stenen over de wallen te werpen en de huizen grotelijks te beschadigen: er werden ook veel inwoners van St.-Omer in de straten onder de stenen verplet. De Fransen voor de behoudenis der stad vrezende, en willende een krachtige poging doen, brachten al de Burgers te wapen en bekwamen bij dit middel een aanzienlijke krijgsmacht, welke zij in twee lichamen verdeelden. Des nachts, wanneer een ondoordringbare duisternis de velden overdekte, gingen zij bedektelijk uit de stad en legden de helft van hun macht in een dicht bos, dat ter zijde der Vlaamse legerplaats stond; het andere gedeelte toog tot bij het kasteel van Arcques, hetwelk insgelijks door de Vlamingen belegerd was. Bij het rijzen der zon begon de aanval bij Arcques, met zoveel geweld dat de Vlamingen zich dus verrast ziende, meenden te vluchten, doch de stem hunner Veldheren gaf hun de moed weder; zij dreven de Fransen achteruit en de zege scheen naar hun zijde te hellen, totdat een grote bende ruiterij, hun langs achter op het lijf vallende, bij de eerste schok verscheidene gelederen overhoop wierp, en de Vlamingen na een hardnekkige strijd uiteen en op de vlucht gedreven werden.
Het andere gedeelte des Vlaamsen legers onvoorziens door de in het bos verborgen soldaten aangevallen zijnde, schikte zich met haast in slagorde en toog zonder wanorde achteruit; wellicht zouden zij zonder groot verlies ontkomen zijn, maar een beklagelijk ongeluk moest de oorzaak van hun nederlaag worden. Bij de rivier de Aa gekomen zijnde begaven zij zich, in zo groot getal en zo dicht ineengesloten, op de brug, dat dezelve, het gewicht van zoveel mensen niet kunnende dragen met ijslijk gekraak in de rivier stortte. Het geschreeuw, het gehuil dergenen die gepletterd in het water vielen, bracht de verslagenheid onder de Vlaamse benden, die nog vóór de rivier stonden; zonder op de stem der Oversten te luisteren begaven zij zich op de vlucht en liepen verward van het slagveld. Die nederlaag kostte de Vlamingen bij de vierduizend man.
Jan van Namen en Willem van Gulik ziende dat de vijand, om hun verlaten legerplaats te gaan plunderen, opgehouden had hen te vervolgen, vergaderden de vluchtelingen zo zij best konden, en hun de schande dier nederlaag onder het oog gelegd hebbende, spraken zij hun de begeerte tot een spoedige weerwraak in het hart. Dan tot de vijand wederkerende verrasten zij hem, bezig zijnde met de legerplaats te roven, en vielen hem met een groot geschreeuw onvoorziens op het lijf; de meeste plunderaars werden verslagen en de anderen in de stad gedreven, alzo behielden de Vlamingen hun goederen, met de zege van die dag.
Terwijl men tegen Frankrijk een langdurige en weinig beduidende oorlog voerde was Zeeland, door afsterven, zonder heer geworden. Willem van Henegouwen wilde dit land in bezit nemen, voorgevende dat het hem door erfrecht toebehoorde; de zonen van de Graaf van Vlaanderen maakten insgelijks aanspraak op die eigendom. Jan van Namen rustte met haast een vloot uit en landde met een Vlaams leger op het eiland Cadzand; na een gering gevecht vervolgde hij zijn tocht naar Walcheren, bij ter Vere, dat zich overgaf. Willem van Henegouwen had insgelijks een leger te been gebracht en kwam met hetzelve in Zeeland, alwaar hij de slag aan Jan van Namen kwam bieden. De Vlamingen verwonnen hem in een vreselijk gevecht en sloegen hem op de vlucht tot bij Arnemuiden. Willem van Henegouwen, daar enige verse hulpbenden vindende, vergaderde zijn verstrooid leger en trok opnieuw tegen de Vlamingen; maar ditmaal was zijn nederlaag nog schriklijker, want hij werd genoodzaakt op het eiland Schouwen te vluchten. Korts hierop veroverden de Vlamingen de stad Middelburg met nog vele andere steden. Dit bracht Willem van Henegouwen tot een tijdelijk bestand, bij hetwelk het grootste gedeelte van Zeeland aan de Vlamingen werd afgestaan.
Philippe le Bel vergaderde onderwijl een machtig leger om zich over de slag van Kortrijk te wreken; hij gaf het opperbevel deszelfs aan Jacques de Chatillon, hem bevelende, bij zijn aankomst in Vlaanderen, al de bezettingen uit de grenssteden te lichten, waardoor zijn leger boven de 100.000 man sterk moest worden.
Philippus, een der zonen van de oude Graaf van Vlaanderen, die in Italië de graafschappen van Tyetta en van Lorette beërfd had, de vorming van het Frans leger vernemende, kwam met enige hulpbenden naar Vlaanderen, waar hij door zijn broeders tot Opperveldheer werd verkozen. Bij het leger dat in Zeeland geoorlogd had nog meer mannen voegende, bracht hij zijn macht tot 50.000 man, toog tot bij St.-Omer om de Fransen af te wachten en overrompelde het kasteel van Arcques.
De twee legers kwamen weldra voor elkander. De twee eerste dagen hadden er enige afzonderlijke gevechten plaats, in dewelke Pierre de Courtrenel, een der Franse Veldheren, met zijn zonen het leven liet en de Fransen veel volk verloren. Walter de Chatillon met vrees bevangen dorst de algemene slag niet wagen; hij trok dan des nachts met zijn leger naar Atrecht, en dit zo bedektelijk dat de Vlamingen, niets van die aftocht gemerkt hebbende, des morgens verwonderd en verbaasd waren daar zij geen enkele Fransman meer ontwaarden. Philippus, de ontwijking des vijands ten nutte makende, bestormde en nam de steden Terwanen, Lens, Lillers en Bassée. Uit weerwraak van hetgeen de Fransen vóór de slag van Kortrijk in Vlaanderen gepleegd hadden, werd het gans land daar omtrent door de Vlamingen verwoest en verdorven, totdat zij, met rijke buit beladen, weder terug in Vlaanderen kwamen.
De Koning van Frankrijk door zo talrijke nederlagen overtuigd zijnde, dat het hem onmogelijk was Vlaanderen door de wapenen nog te winnen, zond Amedeus van Savoye, als vredegezant naar de Vlaamse Veldheer Philippus. De kinderen van de gevangen Graaf niets meer verlangende dan de verlossing huns vaders Gwyde en huns broeders Robrecht van Bethune te kunnen verkrijgen, wensten innig om de vrede met Frankrijk, en stapten gaarne over enige moeilijkheden; er werd dan een stilstand van wapenen getroffen, totdat de voorwaarden van wederzijde zouden aangenomen zijn.
Ondertussen werd er aan het Franse Hof een vredesverdrag opgesteld, hetwelk verschillende voor Vlaanderen schadelijke punten inhield; echter hoopte Philippe le Bel dezelve door list te doen aannemen. Hij liet de tachtigjarige Graaf van Vlaanderen uit zijn gevangenis van Compiègne naar Vlaanderen gaan, hem zijn erewoord afeisende dat, indien hij de aanneming van het verdrag, zoals het bij het Franse Hof was opgesteld, niet kon verkrijgen, hij in de maand mei van het volgende jaar in zijn kerker zou terugkomen. De oude Graaf werd door zijn onderdanen met pracht ingehaald en ging op het slot Wijnendale wonen. De voorwaarden der vrede met Frankrijk voorgesteld hebbende, werden dezelve in het algemeen door de steden afgekeurd, doch de oude Graaf, nog tijd voor zich hebbende, hoopte dat hij derzelver goedkeuring met meer moeite zou kunnen verkrijgen.
De wapenstilstand met Willem van Henegouwen geëindigd zijnde, vernam de Graaf dat er een Hollands leger te been gebracht werd, om Zeeland in te nemen; met allerhaast werden Jan van Renesse en Florens van Borsele derwaarts gezonden om die nieuwe vijanden het hoofd te bieden.--De Vlamingen verwonnen de Hollandse vloot in een Zeeslag, waarin de Hollanders en Henegouwers meer dan 3.000 man en meest al hun schepen verloren; men nam de Bisschop van Utrecht, Veldheer der Utrechtse benden, gevangen en men bracht hem naar Wijnendale, waar hij bewaard werd. In dezelfde slag sneuvelden Willem van Horn, Diederik van Haarlem, Diederik van Zulen en Suederus van Beverenweerdt. De Vlamingen, zegepralend door geheel het Noord-Holland trekkende, veroverden meest al de steden, behalve Haarlem, dat zich hardnekkig bleef verweren; de voornaamste inwoners van Noord-Holland werden als gijzelaars gevangen en naar Gent overgebracht.
Terwijl de Graaf van Henegouwen, het veld verlatende, Holland aan de Vlamingen overleverde, stond in Dordrecht een dapper man op, met name Nicolaus van den Putte; deze zijn Vaderland willende verlossen vergaderde enige krijgsbenden en, met dezelve op een afdeling Vlamingen vallende, versloeg hij er bij de 2.000 in een langdurig gevecht: langs een andere kant bracht Witte van Haamstede, ook een dapper man, insgelijks veel krijgers bijeen en kort daarna een legergedeelte der Vlamingen te Hillegom ontmoetende, versloeg hij hetzelve tot de laatste man. Die afzonderlijke gevechten veranderden weinig aan de stand van zaken in Zeeland, en beletten niet dat men steeds in het beleg van Zierikzee voortging.