De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 33
Zodra de krijgsbazuin haar klanken over het slagveld zond, sidderden de twee vrouwen, en verbleekten alsof een dodelijke slag haar terzelfder tijd getroffen had; beide beefden voor de man, wiens leven ook haar leven was.--In zulke bange ogenblikken konden zij de aandoeningen harer ziel moeilijk uitdrukken; want ieder woord baarde haar een akeliger vooruitzicht; ook waren zij tegelijk op de knielbank neergezonken, haar hoofden rustten zwaar op de lessenaar en haar tranen lekten in stilte over haar wangen.--Daar zaten zij, vurig biddende, zonder zich te bewegen, alsof zij in een diepe slaap geweest waren; van tijd tot tijd kwam een doffe snik uit haar borsten, wanneer het gedruis des strijds zich meer verhief, en dan zuchtte Maria: "O God almachtig, God der heirkrachten, ontferm u onzer. Staat ons bij in de nood, o Heer!"
En de fijne stem van Machteld antwoordde: "O Zoete Jezus Zaligmaker, behoed hem!--En roep hem niet tot u, o goedertieren God!"
"Heilige moeder Gods, bid voor ons."
"O Moeder van Christus, troosteres der bedrukten, bid voor hem!"
Dan kwam het donderend krijgsgerucht meer akelig in haar geschokte harten galmen, en haar handen trilden van schrik als de waggelende bladen der populieren; haar hoofden bogen zich dieper, haar tranen barstten overvloediger uit haar ogen, en haar gebed werd weder onvatbaar; want de benauwdheid ontnam haar de stem.
De strijd duurde lang, het ijselijk geschreeuw der tegen elkander oplopende scharen dreef lang boven de abdij van Groeninge, maar nog langer duurde het stille gebed der vrouwen, want de gulden ridder klopte reeds aan de poort van het klooster, en zij waren nog niet van de knielbank opgestaan. Galmende mannenstappen, welke in de gang der cel klonken, deden haar het hoofd omwenden; zij blikten stijf op de deur en trilden beiden van zoet voorgevoel.
"Adolf komt weer!" zuchtte Maria. "Ho, ons gebed is verhoord geweest."
Machteld luisterde met meer aandacht, en antwoordde mistroostig:
"Neen, neen hij is het niet, zijn tred is niet zo zwaar. O Maria, misschien een ongeluksbode!"
Op dit ogenblik hoorde men de deur der cel op haar hangsels krijsen; een non opende dezelve en liet de gulden ridder binnen.
Het tengere lichaam van Machteld werd stijf, haar ogen hechtten zich twijfelachtig op degene die voor haar stond en zijn armen opende om haar te ontvangen; het scheen haar dat een logendroom haar bedroog, maar die aandoening was vluchtiger dan de bliksem die schijnt en vergaat. Zij wierp zich met onstuimigheid vooruit, en viel juichend tegen de borst des gulden ridders.
"Mijn vader," riep zij, "o mijn dierbare vader! Ik zie u weer, vrij, zonder keten! Laat mij u in mijn armen sluiten.--O God, hoe goed zijt Gij!--Onttrek mij uw wang niet, lieve vader; laat mij de vreugde, die ik gevoel, uitstorten."
Robrecht van Bethune omhelsde zijn teder kind met opgetogen blijdschap, hij hield haar tegen zijn boezem totdat de geestdrift hunner beider harten wat gezonken was, en legde dan zijn helm en zijn ijzeren handschoenen op de knielbank. Door moeite afgemat, trok hij een zetel bij, en liet zich in dezelve neergaan. De liefderijke Machteld wierp zich op de schoot haars vaders, en omving zijn hals in beide haar armen; dan bezag zij met bewonderende eerbied degene wiens gelaat voor haar zo heilgevend als het aanschijn der Godheid was, de Man wiens edel bloed ook in haar aderen vloeide en die haar zo teder en zo innig beminde. Zij luisterde met hijgende boezem op de zoete woorden welke de geliefde stem in haar oor deed klinken.
"Machteld," sprak hij, "mijn edel kind, de Heer heeft ons lang beproefd; maar nu is al ons leed ten einde, Vlaanderen is vrij, het Vaderland is gewroken, de zwarte Leeuw heeft al de Leliebloemen gescheurd, en al de vreemden zijn verslagen; vrees nu niet meer, de boze soldeniers, welke Johanna van Navarra gezonden had, zijn dood."
Het meisje vatte de woorden met angstige gretigheid op de mond haars vaders, zij blikte dwalend in zijn ogen en glimlachte met zonderlinge uitdrukking. De vreugde vervoerde haar zo zeer, dat zij beweegloos lag, alsof zij van gevoel ware beroofd geweest. Na enige ogenblikken bemerkte zij dat haar vader niet meer sprak, zij riep: "O God! Het Vaderland is vrij?--De Fransen zijn verslagen? En u mijn vader, u bezit ik weder! Dan zullen wij nog in ons schone Wijnendale terugkeren; de droefheid zal uw oude dagen niet meer bitter maken, en ik zal mijn leven zo vrolijk en zo zalig in uw armen doorbrengen! Dit geluk mocht ik niet hopen, ik dorst zo veel van God in mijn gebeden niet vragen."
"Luister wel, mijn kind, en word niet mistroostig, ik bid u: heden moet ik u weder verlaten. De edelmoedige krijgsman, die mij ditmaal nog van de banden heeft ontslagen, ontving mijn erewoord dat ik zou terugkeren, zodra de slag zou geleverd zijn."
Het meisje liet het hoofd met diepe treurnis op de borst zinken, en zuchtte: "Zij zullen u vermoorden, mijn rampzalige vader!"
"Wees toch zo bevreesd niet, Machteld," hernam Robrecht. "Mijn broeder Gwyde heeft zestig Franse ridders, van edelen bloede, gevangen genomen; men zal Philippe le Bel doen aankondigen dat hun leven voor het mijne verpand is; en het is hem niet veroorloofd die overblijvende dapperen aan zijn wraakzucht op te offeren. Ik heb niets meer te duchten, Vlaanderen is machtiger dan Frankrijk; dus bid ik u dat gij niet weent. Wees blijde, de schoonste toekomst wacht ons; ik zal het slot Wijnendale doen herstellen, om ons allen weer te ontvangen. Dan zullen wij nog samen ter valkenjacht uitgaan; verstaat gij, hoe vrolijk onze eerste tocht zijn zal."
Een glimlach van onuitsprekelijk geluk en een zoen van tedere liefde waren Machtelds antwoord. En mijn echtgenoot zal met ons wonen! was het gedacht dat haar nog meer streelde. Zij zegde: "Maar dierbare vader, gij spreekt mij niet van Adolf. Waarom komt hij niet met u?"
"Nog enige zorgen houden hem bezig, mijn kind; er lopen nog verstrooide vijanden door de velden, gewis vervolgt hij dezelve. Machteld, ik mag u zeggen dat de liefde u de edelste ridder, die ik ken, heeft doen kiezen; nooit zag ik iemand zich zo dapper gedragen. De vijanden vielen voor zijn zwaard bij hopen neer, hij was altijd te midden der Fransen, en stelde zich honderdmaal in levensgevaar. Nu ook is het mijn wil dat hij uw hand, ten toon zijner trouw en vaderlandsliefde, ontvange; heden nog, indien God het toelaat, zal ik u de man uws harten schenken."
Machteld liet het hoofd neergaan, om het schaamrood, dat haar wangen kwam verven, te verbergen: zij vatte de hand haars vaders en streelde dezelve met dankbare tederheid.--Opgetogen stond Maria op de loftuitingen haar broeder gegeven, te luisteren, zij verblijdde zich over hetgeen zij hoorde, en zag de vreugde, die Adolf treffen moest, in een gulden droom vooruit.
Terwijl de jonge Machteld haar vader in verrukking bezag, hoorde men een groot gerucht van verwarde stemmen aan de voorpoort van het klooster. Dit duurde slechts enige ogenblikken, en alles werd weder stil. Weldra werd de deur der cel geopend, en Gwyde, de broeder van Robrecht, trad langzaam en met verslagen gelaat binnen; hij naderde bij hem, en sprak: "Een groot ongeluk, mijn broeder, treft ons heden in een man die ons allen dierbaar is, de Gentenaars hebben hem op het slagveld uit de doden opgehaald, en hier in het klooster gebracht; zijn ziel zweeft op zijn lippen en wellicht is zijn stervensuur nabij. Hij vraagt om u nog te zien eer hij de wereld verlaat. Ik bid u dan, mijn broeder, bewijs hem die laatste gunst."
Zich naar de zuster van Adolf kerende, voegde hij er bij: "Hij roept u insgelijks, Edelvrouw."
Eenzelfde klacht, een pijnlijke schreeuw ontvloog uit de borst van beider vrouwen. Machteld viel zonder gevoel in de armen haars vaders, en scheen te sterven; Maria, zonder ergens naar te willen luisteren sprong met hartscheurend misbaar naar de deur, en verliet de kamer. Op die noodkreten kwamen twee nonnen binnen, en ontvingen de zwakke Machteld uit de armen van de gulden ridder; deze zoende zijn dochter met pijnend medelijden, en wilde de stervende Adolf gaan bezoeken, maar de Jonkvrouw, die de ogen opende en zijn inzicht verstond, rukte zich uit de handen der nonnen, en zich aan Robrechts lichaam vasthechtende, riep zij: "Laat mij met u gaan, o vader! Dat hij mij nog eenmaal zie. Wee mij, wat grievend zwaard gaat door mijn boezem! Mijn vader, ik sterf met hem;--reeds voel ik de dood in mij--ik wil hem zien; haast u, kom, o kom ras!--Hij sterft--hij, Adolf!"
Robrecht bezag zijn dochter met medelijden; geen woorden vindende om haar te troosten, bracht hij zijn twee armen om haar en drukte ze vast tegen zijn borst, maar Machteld ontwrong zich welhaast uit die tedere banden; zij trok Robrecht met de hand voort, roepende: "O Vader, ontferm u mijner! Kom, dat ik nog eenmaal zijn stem hore, dat zijn ogen nog eenmaal levend mij aanschouwen!"
Zij knielde neer voor hem en hernam, terwijl de tranen als uit twee bronnen over haar wangen liepen: "Ik smeek u, vader, verwerp mijn bede niet. Het is de droefheid niet die mij vervoert; maar de min drijft mij tot hem.--Aanhoor mij, o heer en vader!"
Robrecht had liefst zijn kind der nonnen overgelaten, want hij vreesde met reden dat het gezicht van de stervende ridder haar al te zeer treffen zou; echter kon hij het dringend gebed van Machteld niet langer verwerpen; hij nam haar onder de arm, en sprak: "Welaan, mijn dochter, ga met mij, en bezoek uw ongelukkige Adolf. Maar ik bid u, bedroef mij niet zozeer door uw wanhoop; denk dat God ons heden vele grote gunsten heeft bewezen, en dat Hij zich kan vergrammen om uw vertwijfeling."
Zij waren reeds in de gang en uit de cel, wanneer hij die woorden eindigde.
Men had Adolf in de grote eetzaal van het klooster gebracht; een vederen bed was op de grond gelegd, en Adolf voorzichtiglijk op hetzelve geplaatst. Een Priester, in de geneeskunde zeer ervaren, had zijn lichaam met veel nauwkeurigheid onderzocht en geen open wonden erop bevonden; lange blauwe strepen tekenden de ontvangen slagen op zijn huid af, en zware kneuzingen hadden het bloed onder dezelve vergaderd en gestold: zijn leden werden onmiddellijk, na de aderlating gewassen en met krachtgevende balsem bestreken. Door de kundige zorg des Priesters was hij een weinig versterkt geworden; echter scheen hij nog altijd stervensgereed, alhoewel zijn ogen zo asvervig of zo verglaasd niet meer waren. Rondom het doodsbed stond een groot getal ridders stilzwijgend over hun vriend te treuren. Mijnheer Jan van Renesse, Arnold van Oudenaarde en Pieter Deconinck hielpen de Priester in zijn bezigheden. Willem van Gulik, Jan Borluut en Boudewyn van Papenrode bevonden zich aan de linkerzijde, terwijl de jonge Gwyde met Jan Breydel en de andere voornaamste ridders aan het voeteinde met gebukt hoofd op de gewonde staarden.
Breydel was afschuwelijk om aan te zien: zijn wangen waren opengekrabd, een bebloede doek bedekte de helft van zijn hoofd, zijn armen en klederen waren gescheurd, en zijn botgehakte bijl hing aan zijn zijde. De andere ridders hadden insgelijks het een of ander lid met doeken omwonden, en de uitrusting van allen was schriklijk geblutst en doorhakt.--Maria, wenende, zat geknield nevens haar broeder, zij had een zijner handen gevat, en besproeide dezelve met tranen, terwijl Adolf haar met flauwe blikken bezag.
Zodra Robrecht met zijn dochter in de zaal trad, werden al de ridders met ontroering en verwondering getroffen. Hij die hen, als een geheime verlosser, in de nood was toegekomen, was de Leeuw van Vlaanderen, hun Graaf!--Zij plaatsten allen, met de diepste eerbied de ene knie ten gronde, en spraken: "Ere zij de Leeuw, onze heer!"
Robrecht liet zijn dochter los, hief de heren Jan Borluut en Van Renesse van de grond, en zoende hen beiden op de wang; hij deed aan de overigen een teken dat zij zouden opstaan, en sprak: "Mijn trouwe onderdanen, mijn vrienden, gij hebt mij heden bewezen hoe machtig een heldenvolk is. Mijn geringe kroon draag ik nu met meer hoogmoed dan Philippe le Bel die van het Franse Rijk draagt, want over u mag ik mij met recht verhovaardigen."
Machteld had zich als zinneloos nevens het hoofd van Adolf neergeworpen; de schaamte en de zedigheid harer kunne vergat zij op dit ogenblik: zij had haar lippen meermalen zonder het te weten op de bleke wangen haars beminden geplaatst, haar tranen vloeiden bitter en droeve snikken gingen brandend uit haar beklemde borst.
Adolf voelde zich onder de liefdezoenen zijner aangebeden Machteld herleven; hij bleef lang sprakeloos in die blauwe ogen, voor hem zo heilig, staren, en gaf zijn vreugde door een zachte en bijna onvatbare glimlach te kennen.--Eindelijk zuchtte hij met zwakke stem: "Machteld, mijn aangebeden vriendin, ik wilde u door dapperheid en heldenmoed verdienen, uw sluier heb ik dwars door het vijandlijk leger gedragen, vele Fransen zijn onder mijn zwaard gevallen; maar God heeft mij tot zich geroepen. Ik moet u verlaten: die overtuiging martelt mij. Gij, die mij zozeer bemindet, gij die eens het bloed van uw doorluchtige stam mijn zonen moest meedelen, gij waart mij niet bestemd. De Heer had anders over ons beiden beschikt."
De gepijnigde Jonkvrouw joeg haar handen bevend en met drift over de verlamde leden van de ridder. Zij meende enige troostende woorden uit te spreken, maar haar stem versmoorde in doffe snikken.
Dan hernam Adolf: "Ween niet, welbeminde Machteld, er is nog een ander leven. Daar zullen onze zielen elkander wederzien, en dan zal de nijdige dood ons niet meer kunnen scheiden. Blijf op aarde, o mijn zuivere bruid, wees de steun der oude dagen van uw doorluchtige vader,--en denk soms in uw gebeden aan de man, die gij bemindet."
De rampzalige jongeling wist niet dat ieder zijner woorden, als een vergiftige dolk, door het hart zijner bedrukte minnares boorde. Afgemat door zo lange woorden, drukte hij stilzwijgend de hand zijner geliefde. Robrecht van Bethune stond met gebogen hoofd op dit toneel te staren; hij dreef de bittere tranen terug in zijn ogen, en besloot de angst in zijn boezem. Adolf bemerkte hem en sprak: "O mijn heer en Graaf, uw milde hand schonk mij de rijkste gift, welke op aarde de mens kan gegeven worden; de Hemel heeft u beloond. Het land uwer vaderen is vrijgemaakt, gij zult de leeuwentroon in vredevolle dagen bezitten. Ik sterf met vreugde, nu de toekomst u en uw edele dochter blijdere dagen voorspelt.--O geloof mij in mijn stervensuur, uw ongeluk was voor mij, uw onwaardige dienaar, pijnlijker dan voor uzelf, ik heb in het geheim der nachten mijn bedstede zo menigmaal met tranen besproeid, wanneer ik aan uw gevangenis en aan de verdrukking des Vaderlands dacht... Maar God!--Wat is dit? Het schijnt mij dat een nieuwe kracht mij door de aderen vliet,--zou ik langer leven kunnen!--O Machteld, gij hebt uw hand op mijn borst gelegd;--dit is het, wat mij zo wonderlijk verkwikt."
De ogen van Adolf blonken met meer levendigheid; een zachte glimlach zweefde op zijn lippen, en men zou gezegd hebben dat hij eensklaps van de dood ging opstaan.
"O, gij zult niet sterven!" riep Machteld. "Hier, in mijn hart is een stem, die mij zegt dat de Heer u nog niet geroepen heeft."
Zij wendde zich met een haastige beweging om, knielde neer, vouwde de handen te saam, en zag met smekende ogen ten hemel. Alsof de Almachtige dit stil en plechtig gebed verhoord had, zag men de krachten in Adolf terugkomen.--De Priester had, gedurende dit toneel, de zieke met scherpe blikken bezien en al de aandoeningen, welke hem getroffen hadden, nagespeurd. Hij nam en tastte de hand van Adolf met een geheim inzicht, terwijl al de aanschouwers hem met angst in zijn bewegingen volgden; zij zagen op het gelaat des Priesters dat alle hoop voor de behoudenis van de gewonde nog niet verloren was. De Geestelijke ging stilzwijgend voort; hij hief de oogleden van de zieke op en bezag dezelve, opende hem de mond en liet zijn hand over zijn blote borst glijden. Dit gedaan zijnde, keerde hij zich naar de omstaande ridders, en sprak op de toon der innigste overtuiging: "Ik zeg u, Mijne heren, de koorts, welke deze jonge ridder moest doden, is voorbij.--Hij zal niet sterven!"
Al de ridders werden door een zonderlinge aandoening getroffen, en men zou geloofd hebben dat een doodvonnis uit de mond des Priesters geklonken had; maar die hevige ontroering van verwondering liet hun welhaast toe hun blijdschap door woorden en gebaren uit te drukken.
Maria had de aankondiging des Priesters met een luide kreet beantwoord, en had haar broeder in opgetogenheid omhelsd. Machteld bezweek, haar krachten vergingen; eensklaps opspringende, viel zij hijgend in de armen haars vaders en, daar haar hart te zeer door zalige verrukking geschokt was, kon zij in den eerste niet spreken; nochtans sloten haar ogen zich niet, en de kleuren vergingen ook niet op haar wangen. Eindelijk riep zij: "O mijn vader, o mijn Adolf, nu ben ik gelukkig! Ik dank de goedertieren God dat hij het gebed zijner ootmoedige dienares zo spoedig verhoord heeft.--Ja, gij zult leven, mijn Adolf, mijn bruidegom!--Ik zie het, uw ogen blinken met het vuur des levens."
"Machteld," zuchtte Adolf, "aangebeden vrouw, wat kracht heeft uw engelenstem bij God, dat zij mij aldus van de dood terugroept?--O ja, mijn tedergeliefde, ik zal leven,--het hart jaagt mij zo krachtig!"
Hetgeen zij allen als een wonderwerk aanzagen, was een natuurlijk gevolg van Adolfs toestand. Hij had geen open noch diepe wonden, maar wel menigvuldige kneuzingen; de martelpijnen, welke dezelve veroorzaakten, hadden hem een gevaarlijke koorts, die hem moest wegrukken, gebaard: maar de tegenwoordigheid van Machteld, de krachten zijner ziel verdubbeld hebbende, joeg de doodkoorts van hem, en zo ontsnapte hij aan het graf, dat reeds op hem gaapte.
Robrecht van Bethune liet zijn van geluk verdwaalde dochter nevens Adolf geknield zitten, en voor de ridders komende, sprak hij tot hen in dezer voege: "Gij, edelste mannen van Vlaanderen, hebt heden een zege behaald, welke als een bewijs uwer hoge manhaftigheid tot onze zonen zal overgaan; gij hebt de ganse wereld getoond wat het de vreemde kost op onze Leeuwenbodem de voet te durven zetten. De liefde tot het Vaderland heeft uw heldenzielen in ongekende onversaagdheid doen ontsteken, en uw armen, door een rechtvaardige wraakzucht verstaald, hebben de dwingelanden verslagen. De vrijheid is dierbaar aan een volk dat dezelve met zijn bloed heeft bezegeld. Nu kunnen al de Vorsten van het Westen de Vlamingen geen ogenblik meer tot slaven maken; want gij zoudt allen sterven eer men over u zegepralen zou. Maar dit mogen wij niet meer vrezen, Vlaanderen heeft zich heden boven alle andere volken verheven, en het is aan u, edele mannen, dat het Vaderland die luister verschuldigd is. Nu willen wij dat de vrede en de rust onze onderdanen om hun trouw belone; het zal mij een geluk zijn door hen allen met de naam van vader begroet te worden, indien onze zorgende liefde en onophoudende pogingen om hen gelukkig te maken ons die naam kunnen verdienen. Nochtans, ware het zaak dat de Fransen dorsten wederkomen, zouden wij nog de Leeuw van Vlaanderen worden, en onze marteel zou u nogmaals ten strijde voeren. Wij bidden u, Mijne heren, zodra gij in uw lenen zult teruggekeerd zijn, bedaart de gemoederen, brengt alles tot rust, opdat de zege door geen oproerigheid bevlekt worde, en lijdt bovenal niet dat het volk meer vervolgingen tegen de Leliaards aanvange: het behoort ons over dezelve recht te doen. Wij moeten u verlaten. In onze afwezendheid zult gij onze broeder Gwyde als uw heer en Graaf gehoorzamen.
"Ons verlaten!" riep Jan Borluut met ongeloof. "Gij keert naar Frankrijk weder? Doe het niet, edele Graaf, zij zullen hun nederlaag op u wreken."
"Mijne heren," viel Robrecht in, "ik vraag het u; wie onder u is er, die uit vreze des doods zijn erewoord en zijn riddertrouw zou willen breken?"
Zij bukten tegelijk het hoofd, en spraken geen woord; met droefheid verstonden zij dat niets hun Graaf kon wederhouden. Deze ging voort: "Mijnheer Deconinck, uw diepe wijsheid is ons van groot nut geweest en zal het nog zijn; wij roepen u in onze Raad, en begeren dat gij met ons aan het graaflijk Hof verblijft. Mijnheer Breydel, uw dapperheid en trouw verdienen een grote beloning; wees van nu af en voor altijd, opperbevelhebber van al uw stadsgenoten, die ons met wapens dienen kunnen; wij weten hoe eerlijk gij dit ambt kunt bekleden.
Daarenboven zult gij ook tot ons Hof behoren en bij hetzelve kunnen wonen, indien u dit belieft--En gij Adolf, gij die uw leven zo menigmaal voor ons en het Vaderland gewaagd hebt, u zij het kind, dat ik bovenal bemin, geschonken en gegeven."
Sedert enige tijd hoorde men een groot gedruis aan de voorpoort der abdij. Het was even alsof er een oploop des volks plaats had. Dit gerucht groeide gedurig meer en meer aan, en bij pozen verhief het zich in een hevig gejuich. Er kwam een non aankondigen dat er een grote menigte volks voor de poort stond, dat zij onophoudend schreeuwden dat zij de gulden ridder zien wilden. De deur der zaal open zijnde, klonk het gejuich verstaanbaar in de oren der ridders "Vlaanderen de Leeuw! Heil onze verlosser! Heil, heil!"
Robrecht keerde zich tot de non, en sprak "Gelief hun te doen zeggen dat de gulden ridder, die zij roepen, binnen weinig ogenblikken onder hen komen zal."
Machteld had haar arm onder het hoofd van Adolf gelegd en hetzelve met tedere zorg opgelicht, zachte onverstaanbare liefdeswoorden werden nu rustiglijk tussen hen verwisseld. Van tijd tot tijd nochtans kon men de woorden Bruid en Bruidegom op hun lippen vatten. Geen enkele traan vloeide nog uit de ogen der vrouwen. Maria zat bij de andere zijde der legerstede geknield en mengde haar zoete vriendinnenstem tussen dit troostend en brandend gesprek. De vreugde, welke de harten der meisjes vervulde, was een zalige aandoening, alleen op haar gelaat merkbaar, vol betrouwen in de plechtige woorden des Priesters vreesden zij niets meer, hun hart liep over van geluk.
Robrecht van Bethune kwam bij de kranke ridder, vatte hem de nog slappe hand, en sprak "Adolf van Nieuwland, mijn dierbare Machteld is uw echtgenote, de zegen des Almachtigen dale over uw hoofden en geve aan uw kinderen de dapperheid huns vaders en de tederheid hunner moeder. Het doorluchtig bloed der Graven van Vlaanderen menge zich met uw edele stam. Gij hebt meer verdiend, maar het is niet in mijn macht u een kostelijker geschenk te geven dan het kind dat de troost en de steun mijner oude dagen zijn moest."
Hij voegde de hand van Machteld in die van Adolf en hernam "Weest gelukkig, bemint elkander zozeer als ik u beiden bemin--Gij, Priester, dienaar Gods, gelief uw zegen bij de mijne te voegen, totdat een wettig huwelijk hen voor het altaar verenige."
De Priester trad nader, en bad in stilte over de twee bevende gelieven. Hun ogen waren ten gronde gevestigd, hun harten joegen met kracht, en niettegenstaande de zwakheid van Adolf, brandde zijn hand in de hand zijner aangebeden bruid.
Robrecht kwam vooruit bij Gwyde.
"Mijn lieve broeder," sprak hij, "ik begeer dat dit huwelijk zo spoedig mogelijk met pracht gevierd worde en door de gewone vormen der wetten worde bekrachtigd, dit is mijn innige wens.
Mijne heren, ik ga u verlaten, met de hoop dat ik welhaast vrij en zonder hinder het geluk mijner trouwe onderdanen zal mogen bewerken. Ik verzoek u allen dat gij het grootste geheim over de echte naam van de gulden ridder bewaart, mijn broeder Gwyde zal de lieden der abdij dit insgelijks bevelen."
Na die woorden, ging hij tot Adolf, en kuste hem op de wang.
"Vaarwel, mijn zoon," zegde hij.
En zijn Machteld tegen de borst drukkende: "Vaarwel, mijn beminde Machteld. Ween nu met meer over mij, ik ben gelukkig, nu het Vaderland gewroken is."
Dan omhelsde hij nog zijn broeder Gwyde, Willem van Gulik en enige andere ridders, zijn vrienden, hij drukte met ontroering de hand van allen en riep heengaande: "Vaartwel, vaartwel, gij allen mijn trouwe wapenbroeders!"