De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 32

Chapter 32 3,919 words Public domain Markdown

De Fransen werden met zoveel razernij aangetast dat er bij de eerste schok hele hopen neerstortten, de slagen der knotsen en de houwen der bijlen vielen zo menigvuldig op hen, als de hagel die de vruchten der aarde verdelgt.--Nooit zag men zo een hardnekkig gevecht, al de strijders waren met bloed overdekt, en vele hadden het wapen nog in de vuist terwijl een dodelijke wond hen overlang had getroffen. Het was een verwarring van paarden en mensen, die niet kan beschreven worden. De akeligste moordkreten, de pijnlijkste klachten vormden een enkele zucht, een bruisend geraas dat de harten nog meer in woede kwam ontsteken. De Franse ruiters konden zich niet meer bewegen; want men drong hen ten allen kanten tegen de achterste scharen, terwijl de lijken en zwaarden de voorste gelederen beurtelings ter neder hakten.

De gulden ridder had zich met zijn verdelgende wapenhamer een weg door de vijand gebaand, en was bij de Kroonvaan van Frankrijk genaderd. Gwyde en Arnold van Oudenaarde met nog enige der moedigste Vlamingen hadden hem van nabij gevolgd. Hij poogde in die verwarring de groene veder van Adolf van Nieuwland bij de Standaard te ontdekken, doch tevergeefs; het scheen hem echter na een ogenblik dat hij dezelve wat verder tussen de Vlamingen ontwaarde. De veertig uitgelezen ridders die nog bij de banier stonden, sprongen als ware helden tegen de gulden ridder op; maar hij zwaaide zijn marteel zo behendig rond, dat geen zwaard hem raakte. De eerste maal dat hij zijn hamer als een rotsgedeelte vallen liet, sloeg hij het hoofd van de heer Alin de Bretagne te pletten; met de tweede slag verbrijzelde hij het harnas van Richard de Falais en brak hem de ribben in het lijf. Intussentijd streden de andere Vlamingen met evenveel moed; Arnold van Oudenaarde kreeg een wonde aan het hoofd, en meer dan twintig zijner mannen werden door de Fransen neergehakt.

De gulden ridder verpletterde al wat hij raken kon; reeds lagen de heren Jean d'Emmery, Arnould de Wahain en Hugo de Viane voor zijn voeten. Het oog kon de wendingen van zijn hamer niet volgen, zo snellijk slingerde hij dezelve van de ene vijand op de andere. De vaandrager bemerkte welhaast dat de banier in die plaats niet kon behouden worden, en vluchtte met dezelve achteruit; maar de gulden ridder, dit ziende, wierp met een wonderbare kracht drie of vier vijanden uit de weg, en vervolgde de vaandrager te midden der Fransen op een grote afstand des gevechts; hem ingehaald hebbende vocht hij, zo lang en zo onversaagd dat hij eindelijk de Standaard kreeg. Een ganse bende ruiters was op hem gevallen om de banier te herwinnen; doch de gulden ridder, dezelve als een speer in de stijgbeugel geplaatst hebbende, begon opeens zo woest onder hen te slaan dat hij er veel om de hals bracht. Nu drong hij al strijdende door de vijanden, en kwam te midden onder het Vlaamse leger. Hij hief de gewonnen Standaard in de hoogte, en riep: "Vlaanderen de Leeuw! Aan ons de zege! Heil! Heil!"

De scharen antwoordden door een galmend gejuich, en zwaaiden hun wapens in de lucht ten teken van blijdschap; hun moed vergrootte bij het zien van het gewonnen teken.

Guy de St.-Pol stond nog bij de Pottelberg met omtrent tienduizend voetknechten en een goede bende ruiters. Hij had reeds de kostelijke goederen in de legerplaats doen te samen pakken, en wilde zijn lieden door de vlucht redden; maar Pierre Lebrum, een der ridders die bij de Kroonvaan gevochten hadden, en om een bedwelming zich van het slagveld had vertrokken, dit ziende, kwam bij hem en riep: "O St.-Pol, durft gij dit wel bestaan? Zult gij als een lafaard de dood van Mijnheer d'Artois en van al onze broeders ongewroken laten? O ik bid u, om de eer van Frankrijk doe het niet. Laat ons liever sterven om die schande te ontgaan. Leid uw scharen vooruit, misschien zult gij met uw verse benden de zege bevechten."

Guy de St.-Pol wilde van geen strijden horen, de vrees had hem bevangen. Hij antwoordde: "Mijnheer Lebrum, ik weet wat ik te doen heb. De legertros zal ik niet laten roven; het is beter dat ik de overblijvende mannen in Frankrijk terugbrenge, dan dezelve nodeloos te laten verslaan."

"En zult gij al degenen, die nog met het zwaard in de vuist staan, verlaten en de vijand overleveren? Ho, dit is een verraderlijk werk! Indien ik na heden leven mag, zal ik u als een trouweloze voor onze Koning beschuldigen."

"De voorzichtigheid gebiedt mij de aftocht, Mijnheer Lebrum. Ik zal vertrekken, wat gij ook zeggen moogt, want uw raad is u door de vervoerdheid ingegeven; gij zijt te zeer in woede ontstoken."

"En gij te zeer door de vrees benauwd! Maar het zij zo, mits gij het wilt; om u te doen zien dat ik meer voorzichtigheid dan gij gebruik, zal ik met een bende vooruitgaan om de aftocht te bedekken en gemakkelijk te maken. Vertrek nu, ik zal de vijand terughouden."[161]

Hij nam een bende van tweeduizend voetknechten, en leidde dezelve naar het slagveld. Intussen was het getal der strijdende Fransen zozeer verminderd dat in hun slagorde menigvuldige gapingen waren, dit liet de Vlamingen toe hen langs achter en langs voren te bespringen. De gulden ridder, die door zijn eigen gestalte en door de hoogte van zijn paard boven het ganse slagveld zien kon, bemerkte de beweging van Lebrum en verstond zijn inzicht. Het was duidelijk voor hem dat De St.-Pol met de legertros wilde ontsnappen; bij Gwyde naderende gaf hij hem het voornemen van de vijand te kennen. Meteen werden achter de slagorde enige ridders gezonden om de bevelen aan de oversten te dragen. Weinig ogenblikken daarna bewogen zich verscheidene benden en spreidden zich langs alle kanten in het veld. Mijnheer Jan Borluut met zijn Gentenaars liep nevens de wallen der stad, en viel Lebrum ter zijde aan; de beenhouwers met hun Deken Breydel draaiden om het kasteel van Nedermosser en besprongen de Franse legerplaats langs achter. De benden van De St.-Pol verwachtten zich niet aan die bevechting, zij waren bezig met de kostelijkste goederen in te zamelen, wanneer zij de bijlen der beenhouwers en terzelfder tijd de dood boven hun hoofden zagen. Het ijslijk geschreeuw der aanvallende Vlamingen verschrikte hen zozeer, dat zij in wanorde door elkander liepen, en langs alle kanten door de velden ontvluchtten; de beenhouwers kapten en kerfden schriklijk onder hen. Guy de St.-Pol op een goede draver gezeten zijnde, ontkwam het doodsgevaar, en vlood met snelheid heen, zonder zich meer om zijn volk te bekommeren. De legerplaats was welhaast gezuiverd, er bleef na enige stonden geen enkele levende Fransman meer in dezelve.

Alzo wonnen de Vlamingen al de kostelijke gulden en zilveren vaten en oneindig meer schatten welke de vijand met zich gebracht had.

Op het slagveld was de strijd nog niet ten einde: omtrent duizend ruiters verdedigden zich nog in een hoop, en vochten als leeuwen, niettegenstaande dat zij met wonden overdekt waren; onder hen waren meer dan honderd edele ridders, welke deze nederlaag niet wilden overleven en met een dolle woede onder de Vlamingen hakten. Allengskens werden zij onder de wallen der stad in de Bittermeers[162] gedreven. Hier vielen hun paarden omverre in de Ronduitebeek of zonken op derzelver boorden in de aarde; de ridders konden zich niet meer met hun paarden behelpen, zij sprongen de ene na de andere op de grond en zich weer in een kring geschaard hebbende vochten zij te voet en sloegen menige Vlaming dood, terwijl er nog meer ridders in het slijk geraakten. De Bittermeers was slechts één plas bloed, waarin de voeten der strijdenden zich verborgen. Hoofden, armen, benen, het lag er al met helmen en gebroken zwaarden verward.

Enige Leliaards, waaronder Jan van Gistel met een getal Brabanders was, ziende dat er geen uitkomen meer aan was, kwamen te midden der Vlamingen gelopen, roepende: "Vlaanderen de Leeuw! Heil, Heil Vlaanderen[163]!"

Zij meenden zich daardoor te redden; maar er kwam dadelijk een wever uit de menigte tot bij Jan van Gistel gelopen, en gaf hem zulke zware slag op het hoofd dat hij hem de schedel aan stukken brak; de wever morde met doffe stem: "Mijn vader heeft het u gezegd dat gij op uw bed niet sterven zoudt, verrader!"

De anderen werden aan hun wapenen herkend en als bastaarden neergehakt en doorkorven.

De jonge Gwyde kreeg medelijden met de nog overblijvende ridders, welke zich zo moedig verweerden; hij riep tot hen dat zij zich gevangen geven zouden, opdat het leven hun bewaard wierde. Overtuigd dat moed en onversaagdheid hen niet meer helpen kon, gaven de ridders zich over en werden ontwapend; Jan Borluut kreeg dezelve onder zijn wacht.

De voornaamste dezer edele krijgsgevangenen, wier getal tot bij de zestig beliep, was Thibaud II, namaals Hertog van Lotharingen; de overigen waren allen van hoge stam, en als dappere krijgers befaamd.

Nu bleef er geen enkele vijand meer op het slagveld te bevechten; maar in al de richtingen zag men de vluchtelingen zich voortspoeden om het gevaar te ontkomen. De Vlamingen, heel verwonderd dat zij niet meer te strijden hadden, en nog gans door de drift vervoerd, liepen bij hopen door de velden om de gevluchten te vervolgen; bij Sint-Magdalena's pesthuizen achterhaalden zij een bende van De St.-Pols lieden en sloegen ze allen dood; een weinig verder vonden zij Mijnheer Willem van Mosser, de Leliaard, die met nog enige anderen uit de strijd ontlopen was. Zich omringd ziende, bad hij om genade, en beloofde dat hij Robrecht van Bethune als een getrouwe onderdaan zou dienen; maar er werd niet naar geluisterd, de bijlen der beenhouwers benamen hem de spraak en het leven.

Dit duurde de ganse dag, totdat er geen enkele Fransman of Fransgezinde meer te vinden was.

* * * * *

24

_Thans verwezentlykt zich alles Wat gy beiden had gedroomd: Al die onbeschryfbre weelde Komt u heden toegestroomd_

JF WILLEMS

Ofschoon een groot gedeelte der Vlaamse benden bij hopen de vijand in de velden achtervolgde, bleven er echter nog enige regelmatige scharen op het slagveld. Jan Borluut had zijn mannen doen blijven om volgens het gebruik des oorlogs het slagveld tot des anderendaags te bewaren, slechts weinig hadden door te hevige geestdrift dit bevel miskend; de bende welke hij met zich had, bestond nog uit drieduizend Gentenaars[164]: ook waren er menigvuldige mannen van alle wapenen die, door moeite of wonden afgemat, de vijand niet konden najagen en diensvolgens op het slagveld waren gebleven. Nu de strijd gewonnen was, nu de banden des Vaderlands gebroken waren, juichten de opgetogen Vlamingen met blijde kreten: "Vlaanderen de Leeuw! Wat wals is, vals is! Zege! Zege!"

En dan antwoordden de Ieperlingen en Kortrijkers van de stadwallen met nog krachtigere galmen. Zij ook mochten zege roepen, want terwijl de twee legers elkander op de Groeningekouter bevochten, was de Kastelein van Lens met honderd zijner mannen van het kasteel in de stad gevallen, en zou dezelve wellicht gans verbrand hebben, maar de Ieperlingen vielen zo onversaagd op zijn bende dat de Fransen na een lang gevecht in wanorde op het kasteel terugvloden. Mijnheer Van Lens, zijn mannen optellende, bevond dat slechts het tiende deel aan de woede der Burgers ontsnapt was[165].

De meeste Aanleiders en Edelen waren in de legerplaats gegaan, en hadden zich rondom de gulden ridder geschaard: zij drukten door hun woorden al hun dankbaarheid voor hem uit; maar hij, vrezende zich te doen kennen, antwoordde niet. Gwyde, die bij hem stond, zich naar de ridders kerende, sprak tot hen: "Mijne heren, de ridder die ons allen en het Land van Vlaanderen zo wonderlijk gered heeft, is een kruisvaarder, die begeert dat men hem niet kenne.--De edelste zoon van Vlaanderen draagt zijn naam."

De ridders spraken niet, maar ieder poogde bij zich zelven te raden wie dit ook zijn kon, die zo edel, zo dapper, en zo sterk van lichaam was. Zij die bij de samenkomst, in het bos bij den Dale, tegenwoordig geweest waren, wisten reeds lang wie het was; maar zij dorsten hun mening niet ontdekken, aangezien zij het geheim plechtiglijk beloofd hadden. Onder de anderen waren er vele die niet twijfelden of het moest de Graaf van Vlaanderen zelf zijn; het was hun echter genoeg dat Gwyde de begeerte van de gulden ridder had doen kennen, om hun het stilzwijgen tot een plicht te maken.

Nadat Robrecht enige tijd met stille stem tot Gwyde gesproken had, liet hij zijn oog over al de bijzijnde scharen gaan. Wanneer hij insgelijks over het wijde slagveld gezien had, kwam hij nader bij Gwyde, en sprak: "Ik zie Adolf van Nieuwland niet, de benauwdheid doet mij sidderen. Gij weet het, zo de onversaagde jongeling onder het vijandlijk zwaard gevallen is ... dan zullen er zulke bittere tranen over hem gestort worden!"

"Gesneuveld zal hij niet zijn, Robrecht, mij dunkt dat ik zijn groene veder daar even tussen de bomen van het Neerlanderbos nog gezien heb. Gewis jaagt hij nu de overige vijanden na; gij hebt gezien met wat onweerhoudelijke drift hij steeds te midden der Fransen zich begaf. Vrees niet, God zal niet gedoogd hebben dat hij stierve."

"O Gwyde! Spraakt gij waarheid! Mijn hart breekt bij het vooruitzicht, dat mijn ongelukkig kind, op zulke blijde dag, met dodende pijnen zal gefolterd worden. Ik bid u, mijn broeder, doe de mannen van Mijnheer Borluut over het slagveld gaan, dat men zoeke of het lichaam van Adolf niet te vinden is.--Ik ga mijn kranke Machteld troosten; de tegenwoordigheid haars vaders geve haar tenminste een heuglijk ogenblik."

Hij groette de bijzijnde ridders met de hand, en rende snellijk in de richting der abdij van Groeninge. Gwyde beval Jan Borluut dat hij zijn mannen over het slagveld spreiden zou, om de gewonden onder de lijken uit te halen, en de dode ridders in de legerplaats te brengen.

De Gentenaars, op het slagveld tredende, bleven plotseling staan, alsof een ijslijk gezicht hen verstomd hadde. Nu de vervoerdheid des gevechts in hen vergaan was, dwaalden hun ogen met afgrijzen over dit wijduitgestrekte bloedbad, in hetwelke de geplette lijken, de paarden, de Standaarden met de afgehakte leden van zoveel duizenden mensen verward lagen te zwemmen[166]. In de verte zag men hier en daar een stervende de arm, als in een hulpgebed, omhoogheffen, en dezelve smekend uitreiken. Een vervaarlijk gerucht, honderdmaal akeliger dan de ontzaglijkste stilte, heerste boven de opgehoopte lichamen. Het was de stem der gewonden, roepende: "Drinken, drinken ...Om Godswil, drinken!"

De zon brandde met hevige gloed op hun ontblote spieren, en pijnigde hen met een onverdragelijke dorst, hun lippen kleefden aan elkander, en met moeite konden zij een ratelende doodsklacht vormen. De lucht was met zwarte raven als met een onweersbui behangen: het krassend geschreeuw dier vraatzuchtige roofvogels galmde, als de roep der dood, boven het slagveld, en vervulde de harten der levenden met een sombere verslagenheid. Weldra vielen de juichende vogels op de lijken neder, en scheurden met hun klauwen de nog bevende spieren eraf. De gewonden worstelden met angst tegen die afschuwelijke vijanden, en sidderden van schrik, wanneer zij dachten dat ieder dezer dieren een deel van hun vlees eten zou;--voor hen geen ander graf dan het lijf der raven--voor hen geen rustplaats na de dood, geen gewijde aarde om tot de jongste dag te slapen...!

Wat schriklijk vooruitzicht! Welke hartplettende gedachte!

Ontellijke verhongerde honden waren op de reuk van het bloed uit de stad gekomen, zij liepen van het ene lijk naar het andere, en huilden met lange tonen zo vervaarlijk tegen elkander op, dat men zou gedacht hebben dat de hel haar duivelen uitgezonden had om de komst van zovele zielen te bezingen. Nochtans scheurden deze dieren niet aan de lichamen; integendeel schenen zij dit misbaar uit droefheid over de gesneuvelden te vormen. Alhoewel zij soms hier of daar het bloed der mensen met het bloed der paarden opslurpten, vochten zij echter met nijdigheid tegen de raven, en behoedden alzo menig lichaam voor derzelver schendende klauwen.--Bij al die schrikbarende geruchten voegde zich het doffe briesen of liever het gehuil der stervende paarden en de juichende zegeroepen der in de stad zijnde mannen. Afschuwelijk,--afschuwelijk was het gezicht van zoveel gesneuvelde dapperen die nu, met de blauwe doodsverf op het aangezicht tussen hun verstrooide leden voor eeuwig sliepen[167].

De oorlogstichtende Vorst, die na de strijd over het slagveld wandelt, die zijn Konings voeten in het bloed, dat hij deed storten, plaatst, moet in zijn eigen ogen een boosaardig schepsel zijn, wanneer hij zichzelven toespreekt en zegt: "Gij zijt het, op wiens hoofd zoveel edel bloed drijft; gij zijt het, die in één dag meer moorden hebt gedaan dan al de moordenaars uws Rijks gedaan hebben."

Indien hij dan het vloekbaar zwaard niet voor altijd vallen laat, men verachte hem als een wanschepsel; want hij heeft geen hart, geen ziel, en is de naam van Mens niet waardig.--En de volken, die de grote euveldaden zowel als de grote deugden bewonderen, geven aan zulke de naam van held, en zeggen: hij is groot.--Omdat hij het mensenbloed bij stromen vergoten heeft!--Omdat hij niet als een struikrover onder de naam van rover, maar als een Koning en onder de naam van Koning gemoord heeft! Wat misdadig vermaak vinden de mensen dan in hun eigen vernieling, dat zij de werktuigen derzelve met alles wat men op aarde begeren kan, belonen?

Naarmate de Gentenaren zich over het slagveld uitspreidden, vlogen de raven voor hen op, en gingen verder op een prooi azen. Men zocht onder al de neerliggenden, diegenen wier boezem nog klopte, en men droeg dezelve in de legerplaats, om ze tot het leven terug te roepen. Een talrijke bende was in alle slag van vaten vers water uit de Gaverse beek gaan putten om de nog levenden te laven. Het was treffend en zielroerend te zien, hoe gulzig de gewonden het koele water als het leven inzogen, en hoe dankbaar zij, met een glinsterende traan van vreugde, die lafenis uit de handen hunner broederen of hunner vijanden ontvingen[168]. Wanneer men dus met één bezig was, hieven zich in de nabijheid menige armen smekend omhoog, en vele zwakke stemmen zuchtten: "O laaft mij ook,--een enkele druppel water!--Bij de passie onzes Zaligmakers, ik bezweer u, broederen, maakt mijne lippen nat en bevrijdt mij van de dood ..."

De Gentenaars hadden het bevel ontvangen om de Vlaamse ridders, die zij vinden konden, dood of levend, naar de legerplaats te dragen; reeds hadden zij bijna de helft der lijken verplaatst en een goed deel van het slagveld overzocht. De lichamen der edele heren Salomon van Zevekote, Philip van Hofstade, Eustachius Sporkyn, Jan van Severen, Pieter van Brugge waren reeds weggedragen, en men was bezig met het harnas van de gewonde Jan, heer van Machelen, los te maken.--Zij waren nu tot de plaats, waar men het hardnekkigst gevochten had, genaderd, want grote hopen lijken lagen verward en bebloed rondom hen. Terwijl zij bezig waren met Mijnheer Van Machelen te laven, hoorden zij eensklaps een ratelende zucht, als uit de grond opkomen; zij luisterden, maar ontwaarden niets meer: geen enkel der om hen liggende lichamen gaf het minste teken van leven. De lijken verplaatsende, om de klagende op te zoeken, hoorden zij nogmaals de zucht, en bemerkten dat hij een weinig verder tussen geslachte paarden opklom; meteen liepen er anderen bij, om hun makkers te helpen. Na lange pogingen sleurden zij de paarden terzijde en vonden de stervende ridder.

Hij lag uitgestrekt op de rug, het bloed stroomde murmelend onder hem, en wendde zich kronkelend als een bron naar de Groeningebeek. Afgehakte leden lagen om hem gezaaid; zijn harnas was onder een paard geplet geweest, zijn rechterhand had het slagzwaard nog niet verlaten, terwijl hij met zijn linkerhand een groene sluier vasthield; zijn wangen waren bleek, en droegen het kenteken der aankomende dood. Dwalend en flauw blikte hij op degenen die hem kwamen verlossen; zijn zwakke wimpers hadden geen kracht meer om de verduisterde oogappels voor het gloeiend zonnelicht te behoeden. Jan Borluut herkende de ongelukkige Adolf van Nieuwland.

In allerhaast deed men de riemen van zijn harnas los; men hief zijn hoofd uit het slijk, en bevochtigde zijn lippen met verkwikkend water. Zijn stervende stem suisde enige onverstaanbare woorden, en zijn ogen sloten zich ditmaal gans toe, alsof zijn ziel uit het geplette lichaam ontvlogen was. De nieuwe lucht en de lafenis hadden hem fel geschokt, hij bleef enige ogenblikken in bezwijming; dan weder ontwakende, maar even zwak, nam hij de hand van Mijnheer Borluut, en sprak zo langzaam, dat tussen elk woord een lange poos was: "Ik sterf Gij ziet het, Mijnheer Jan, mijn ziel zal niet lang meer op aarde blijven.--Maar--beween mij niet.--Ik sterf vergenoegd--nu het Vaderland gewroken is ..."

Zijn adem was te kort om langer te kunnen spreken; hij liet zijn hoofd in de arm van Jan Borluut neervallen, en scheen meer kracht te willen verzamelen voor hetgeen hij hem nog wilde zeggen. Dan sprak hij: "O, Ik bid u--hoor mij in dit stervensuur. Beloof mij dat gij mijn laatste begeerte zult volbrengen."

"Ik zweer het bij God en mijn eer," antwoordde Borluut met een doffe toon, die zijn droefheid te kennen gaf.

Adolf bezag hem met dankbaarheid, en hernam: "Ik zou de aarde zonder droefheid verlaten, want er is nog een wereld na deze;--maar mijn ziel heeft zich der liefde van een aanbiddelijk beeld gewoon gemaakt. Zij zal de afwezendheid van hetzelve na de dood betreuren,--en wellicht zal ik in het koude graf geen rust vinden. Zij zal mij roepen, en ik zal niet komen."

Twee tranen, welke over zijn wangen rolden, trokken het smartwater uit de ogen van allen die hem omringden. Jan Borluut verstond hem niet; hij begreep wel dat de liefde voor een vrouw de stervende aldus deed spreken, maar hij kon niet raden wie die betreurde minnares zijn mocht: hij luisterde met meer aandacht op de woorden van Adolf. Deze hernam: "Ik aanbad Machteld zo vurig,--zij beminde mij zo teder,--en nu,--nu scheurt het noodlot onze harten bloedend van elkaar. Ik smeek u, Mijnheer Jan, ga en troost haar, geef haar die sluier, welke in het bloed der vreemden gedoopt is; dat zij dezelve als een teken mijner liefde beware, dat zij nog na mijn dood aan mij denke--en dat zij om de lafenis mijner ziel bidde.--Ik voel de jagingen mijns harten vergaan, de dood heeft mij geraakt. Vaarwel ... mijn vriend, mijn broeder, wij zullen elkander daar ..."

Bij dit vaarwel poogde hij zijn hand op te heffen, om naar de hemel te wijzen, doch hij kon niet meer: zijn ogen sloten zich, en het leven scheen in hem op te houden.--Nochtans bleef zijn boezem kloppen, en de warmte verliet zijn lichaam niet. Jan Borluut bewaarde nog enige twijfelachtige hoop, en deed de gewonde ridder met alle mogelijke voorzichtigheid naar de legerplaats voeren.

Machteld had zich met de zuster van Adolf, vóór het gevecht, in een cel der abdij van Groeninge vertrokken. Er was voorzeker op dit ogenblik niemand in Vlaanderen die met meer benauwdheid dan die ongelukkige Jonkvrouw gepijnigd was: dwars door alle slag van rampen was zij nu zo ver gekomen dat Adolf haar ten bruidegom beloofd was, dat Vlaanderens vrijmaking en de verlossing haars vaders haar toelachten. Alles, wat haar gelukkig op aarde maken kon, was in de strijd, welke ging aanvangen, tegen een ongelijke macht gewaagd.

Indien de Fransen de zege behaalden, voorzag zij de dood haars vaders, de dood haars minnaars, en de vernietiging van alles, waarop zij haar hoop gevestigd had.