De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 31

Chapter 31 3,917 words Public domain Markdown

Op hetzelfde ogenblik, en eer De Chatillon de tijd gehad had om zijn zwaard te hernemen, sprong Adolf door de lijken, en voor de Franse ridder komende, houwde hij hem zo verschrikkelijk op het hoofd dat hem een groot gedeelte der wang tegelijk met het stuk van zijn helm ontviel. Het bloed vloeide op zijn schouders, en hij wilde zich nog verweren, maar twee krachtiger slagen wierpen hem uit de zadel tussen de voeten der paarden De Vlamingen trokken hem daaruit, en hem achter de slagorde gesleurd hebbende hakten zij hem aan veel stukken, terwijl zij hem zijn wrede vervolging vloekend verweten.

Intussen was Arnold van Oudenaarde, langs achter, de linkervleugel ter hulp gekomen, hetgeen de stand van zaken geheel veranderde--het Veurnes-ambacht had zich weder met die nieuwe bende vooruitgeworpen, en de Fransen werden overhoop teruggedreven. De paarden en de ruiters vielen in zo groot getal ten gronde, de verwarring werd onder dezelve zo groot, dat de Vlamingen, de strijd gewonnen achtende, op de ganse rij met afhielden van juichend te schreeuwen "Zege! Zege! Vlaanderen de Leeuw! Wat wals is vals is! Slaat al dood!"

De aanschouwer die op dit ogenblik de beenhouwers had mogen zien, zonder aan hun slagen blootgesteld te zijn, zou wellicht van schrik en afgrijzen de dood gevoeld hebben.--De hel met haar duivelen, haar verdoemden, haar vlammen kon niets schriklijkers aanbieden.--Men zag de Macechers over de lijken van paarden en mensen, met blote borst, blote armen en roodgeverfde bijlen lopen en springen, alles omver kappende, gans met bloed en brein overdekt, hun haren verward, hun aangezicht met slijk en zweet en bloed onkenlijk gemaakt en tussen al deze ijslijkheden nog een venijnige grimlach, die bestendig op hun gelaat bleef,--een grimlach, waarin de bittere haat tegen de Fransen en de vreugde des gevechts zich schetste.

De Wallen, die in hun verwaandheid van de Vlamingen gesproken hadden, alsof zij dezelve zomaar met een aanval zouden hebben verpletterd, bevonden ter hunner schade dat men met ijdel gezwets op het slagveld met veel uitricht, zij betreurden de gevolgen hunner onbezonnenheid en merkten, aan de Macechers, wat slag van volk zij voor handen hadden, echter gaven zij de moed niet op, zij waren toch nog veel talrijker dan de Vlamingen, en bezaten nog benden genoeg die niet gevochten hadden.

Terwijl de voorste scharen van het Frans leger dus de nederlaag hadden, stond de Seneschalk d'Artois met het tweede lichaam verder van het Vlaamse leger. Vermits de slagorde des vijands niet breed genoeg was om met zoveel scharen ineens bevochten te worden, was hij nog niet vooruitgekomen. Niet wetende hoe het met de strijd gelegen was, stelde hij zich voor dat zijn mannen ongetwijfeld de overhand hebben moesten, want hij zag er geen terugkomen. Onderwijl zond hij Mijnheer Louis de Clermont met vierduizend Normandische ruiters door de Neerlander om de Vlaamse slagorde op de linkervleugel aan te vallen. Het gelukte De Clermont aan die zijde een vastere grond te vinden, hij geraakte met al zijn ruiters over de beek, en viel plotseling op de benden van Gwyde. Deze, door nieuwe vijanden van achter besprongen, terwijl De Chatillons lieden hen langs voren werk genoeg gaven, konden niet langer weerstand bieden, de eerste gelederen werden omvergeworpen en aan stukken gehakt, de verwarring kwam onder de anderen, en dit ganse gedeelte des Vlaamsen legers week in wanorde achteruit. De stem van de jonge Gwyde, die hen bij het Vaderland bezwoer om te blijven staan, gaf hun moed genoeg, maar dit hielp niet, het geweld was te groot, en al wat zij op de bede huns Veldheers doen konden, was hun ontwijking zo langzaam mogelijk uit te voeren.

Het ongeluk wilde dat Gwyde op dit ogenblik een zo zware slag op de helm kreeg dat hij voorover op de nek van zijn paard stortte en zijn zwaard vallen liet, in die gesteltenis, verdwelmd en suizelend, kon hij zich niet verweren. Het ware met hem gedaan geweest, indien de minnaar van Machteld niet met hem geweest ware. Die jonge ridder sprong voor het paard van Gwyde, en zwaaide zo kundig en zo onversaagd met zijn wapen in het rond, dat de Fransen, in hem een hinderpaal vindende, bij de jonge Graaf niet geraken konden, na enige ogenblikken van dit felle strijden werd zijn arm zwak en moede, dit was zichtbaar aan de wendingen van zijn zwaard, welke steeds langzamer en trager werden. Het regende slagen en houwen op zijn uitrusting, hij voelde zijn vlees onder het harnas gepletterd, en hij stuurde reeds een laatste zucht zijner beminde Machteld toe,--want de dood zag hij daar voor zich, die hem wenkte.

Gedurende die tijd was Gwyde achter de slagorde geraakt, en van zijn bedwelming teruggekomen, met angst bemerkte hij de toestand zijns redders, en een ander zwaard vattende, kwam hij hem terzijde en begon opnieuw te vechten. Met hem waren nog enige der stoutsten toegesneld, en de Fransen werden nog tegengehouden, totdat er nieuwe vijanden door de Neerlander gedrongen zijnde, de anderen kwamen helpen. De onversaagdheid der Vlaamse ridders kon de Fransen in hun loop niet tegenhouden. De schreeuw "Vlaanderen de Leeuw!" werd door een andere vervangen, nu waren het de Fransen die riepen "Noël! Noël! Vooruit! Aan ons de zege! Slaat dood die voetgangers!"

De Vlamingen werden overhoopgeworpen en uiteengedreven, ondanks de verwonderlijke pogingen van Gwyde, kon hij de aftocht van zijn volk niet stuiten, want er waren wel drie ruiters tegen een Vlaming, de paarden stieten hen ten gronde of dreven hen met onweerstaanbaar geweld af. Dan kwam de wanorde onder hun gelederen, en de helft des Vlaamsen legers moest voor de vijand vluchten, een groot getal werd verslagen, de anderen werden allen zodanig verstrooid dat zij de ruiters geen tegenweer meer bieden konden en tot tegen de Leie door de Fransen werden vervolgd, alwaar er een groot deel in het water verdronk[155]. Tegen de boord dier rivier had Gwyde zijn mannen weder enigszins in gelederen kunnen vormen, maar het getal der vijanden was te groot. De lieden van Veurne, alhoewel verstrooid, vochten met een dolle wanhoop, het schuim stond op hun mond, en bloed liep overal langs hun lichamen af, en nochtans kon die heldenmoed hun met te baat zijn. Zij hadden elk reeds drie of vier ruiters verslagen, maar hun getal verminderde te zeer, terwijl dit der vijanden steeds aangroeide,--met eer en wraak te sterven was hun gedacht. Gwyde de nederlaag van zijn leger ziende, en de slag verloren achtende zou van pijn wel geweend hebben, maar er was geen plaats voor de droefheid in zijn hart over, een sombere razernij had zich van hem meester gemaakt. Volgens zijn eed wilde hij niet langer leven, en hij dreef als een zinneloze zijn paard te midden der zegepralende vijanden. Adolf van Nieuwland en Arnold van Oudenaarde volgden hem van nabij, zij streden zo verwoed, dat de vijanden op hun wonderdaden verschrikten, de ruiters vielen voor hun zwaarden als door toverij neer.--De meeste Vlamingen lagen nu overhoop en de Fransen schreeuwden met recht "Noël! Noël!" want niets scheen de benden van Gwyde te kunnen redden.

Op dit ogenblik zag men in de richting van Oudenaarde, achter de Gaverbeek, iets dat hevig tegen de zon blonk, zich tussen de bomen bewegen, dit wonderbaar verschijnsel naderde met snelheid en kwam eindelijk in open veld, twee ruiters vertoonden zich en kwamen in volle draf naar het slagveld gelopen. De ene was een ridder, dit kon men aan zijn prachtige uitrusting zien, zijn harnas en al het ijzer dat hem en zijn paard bedekte, was verguld en schitterde verwonderlijk. Een grote blauwe vederbos rolde op de wind achter zijn rug, het leder van zijn tuig was geheel met zilveren schelpjes bekleed, en op zijn borst was een rood kruis geschilderd, boven dit teken op een zwarte grond stond het woord Vlaanderen in grote zilveren letters te lezen.

Geen ridder was er op het slagveld zo prachtig uitgerust als deze onbekende, maar hetgeen hem meest onderscheidde was zijn gestalte, hij was een hoofd langer dan de zwaarste mannen en zo machtig van lichaam en leden dat men hem voor een reuzenzoon zou genomen hebben. Het paard dat hij berende, bracht veel tot die wonderbare gestalte toe, want het was ook bovenmate hoog en sterk,--de schoonste Duitse hengst die men zien mocht. Lange vlokken schuim vlogen om zijn mond en twee dikke ademwolken gingen blazend uit zijn longen.--De ridder had geen ander wapen dan een schrikkelijke marteel of wapenhamer, waarvan het staal zich hevig op de gele glans der vergulde wapenrusting uitloste.

De andere ruiter was een monnik met slechte uitrusting, zijn harnas en zijn helm waren zodanig verroest dat zij met rood geverfd schenen. Zijn naam was broeder Willem van Saeftinge. In zijn klooster ter Doest zijnde, vernam hij dat men bij Kortrijk tegen de Fransen ging vechten, hierop nam hij twee paarden uit de stal, en verruilde het ene tegen de verroeste wapenen, welke men op hem bemerkte, met het andere kwam hij nu aangerend om m de stijd tegenwoordig te zijn[156]. Hij ook was buitengewoon sterk van leden en onversaagd van hart, een lang slagzwaaid blonk in zijn vuist, en zijn ogen gaven genoeg te kennen dat hij een vreeslijke kamper zijn moest; hij had de wonderbare ridder zo-even ontmoet, en daar zij beiden dezelfde plaats bereiken wilden, waren zij te samen voortgereden.

De Vlamingen wendden hun ogen met blijde hoop naar de gulden ridder, die in de verte kwam aanrennen. Zij konden het woord Vlaanderen nog niet lezen, en konden dus niet weten of hij een vriend of een vijand was; maar in hun uiterste toestand droomden zij dat God onder die gedaante hun een zijner Heiligen toezond om hen te verlossen. Alles kon hun dit doen geloven, zijn glanzende uitrusting, zijn buitengewone gestalte en het rood kruis dat hij op de borst droeg.

Gwyde en Adolf, die zich te midden der vijanden verweerden, bezagen elkander met de grootste opgetogenheid, zij hadden de gulden ridder herkend. Nu scheen het hun dat de Fransen veroordeeld waren, want zij hadden een vol betrouwen in de macht en de kunde van die nieuwe krijger. De blikken, die zij zich onderling toestuurden, zegden: "O geluk, daar is de Leeuw van Vlaanderen!"

De gulden ridder naderde eindelijk bij de Franse benden; eer men hem vragen kon wie hij bestrijden of bijstaan wilde, viel hij op het dikste der ruiters en sloeg met zijn marteel zo woest en zo verschriklijk onder hen, dat zij, met vrees bevangen, elkander omverdrongen om zijn slagen te ontwijken. Alles viel voor zijn pletterende hamer,--en achter zijn paard bleef in de vijandlijke scharen een ijdel spoor gelijk het zog dat een zeilend schip na zich laat; in dier voege, al wat hij treffen kon overhoop smijtende, kwam hij met wonderlijke snelheid tot bij de benden, welke tegen de Leie gedreven waren en riep: "Vlaanderen de Leeuw! Volgt mij! Volgt mij!"

Deze woorden roepende, wierp hij een groot getal Fransen in het slijk, en ging zo verbazend in de slachting voort dat de Vlamingen hem als een bovennatuurlijk wezen aanzagen.

Nu daalde de moed in hun harten terug, zij smeten zich tegelijk met een blij gehuil vooruit, en volgden de gulden ridder in wonderdaden na. De Fransen konden aan deze onverschrokken leeuwen niet verder wederstaan, de voorsten keerden zich om en wilden vluchten, maar zij vielen tegen de paarden hunner makkers, en wierpen elkander op de grond.--Een algemene moorderij ving aan op de ganse lengte des legers; de Vlamingen deden niets dan doden, en sprongen over grote hopen lijken om de verdere vijanden aan te vallen. Nu werd er niet meer "Noël!" geschreeuwd; de kreet "Vlaanderen de Leeuw! Wat wals is vals is! Slaat al dood!" beheerste alle ander gerucht, en de strijders werden zo doof dat zij de slagen hunner eigen wapens niet meer horen konden.

Broeder Willem, de monnik, was van zijn paard gestegen en vocht te voet; al wat in zijn bereik kwam, werd door een dodelijke slag getroffen, hij zwaaide zijn zwaard alsof het een veder geweest ware, en lachte spottend tegen de vijanden, die hem wilden aanvallen. Men zou gedacht hebben dat hij zich aan enig spel verlustigde, want hij was zo blijde en sprak zo losse schertsende woorden alsof hij met kinderen te kampen had. Niettegenstaande zijn behendigheid vielen er evenwel menige zwaarden op zijn verroest harnas: maar terwijl een ander onder elke dier slagen zou zijn gevallen, bleef Broeder Willem onwrikbaar boven zijn geslachte vijanden staan; al wie het ongeluk had hem te raken viel op hetzelfde ogenblik voor zijn reuzenzwaard en bekocht het met de dood. Eensklaps zag hij Mijnheer Louis de Clermont met zijn banier een weinig verder staan.

"Vlaanderen de Leeuw!" riep Broeder Willem. "Die Standaard is mijn!"

Alsof hij dood gevallen ware liet hij zich te gronde gaan, kroop op handen en voeten onder de paarden heen, en stond nevens Louis de Clermont recht; van alle kanten vielen de zwaarden op hem, doch hij wist zich zo wel te verdedigen dat hem slechts enige zware kneuzingen bezeerden. Hij deed niet merken dat hij het op de Standaard gemunt had, ja keerde er zelfs de rag naar toe; maar zich plotseling omkerende, hakte hij de arm van de vaandrager ineens af, en scheurde de gevallen banier aan stukken.

Gewis zou de monnik daar de dood gevonden hebben, doch nu was de ganse slagorde reeds tot bij hem gekomen en de Fransen, welke om hem stonden, werden overhoop teruggedreven. De gulden ridder had de vijanden, die de jonge Gwyde omringden, in enige ogenblikken verstrooid, en hij ging zonder rusten voort, altijd vooruitdringende; met zijn hamer verpletterde hij helmen en bekkenelen, en vond niemand die hem weerstand bieden kon, al wie door zijn slagen bedwelmd ten gronde viel, werd onder de voeten der paarden vertrapt.--Gwyde naderde hem, en sprak met haastige woorden: "O Robrecht, mijn broeder, hoe dank ik God dat hij u hier gezonden heeft! Gij hebt het Vaderland gered ..."

De gulden ridder antwoordde niet, maar plaatste zijn vinger op de mond, alsof hij zeggen wilde: "Geheim! Geheim!"

Adolf had dit teken ook gezien, en hij besloot zich te houden alsof hij de Graaf van Vlaanderen niet kende.

Intussen liepen de Fransen elkander over het lijf, de Vlaamse scharen drongen met geweld tegen de wijkende vijand op, en verpletterden de gevallen ridders met knotsen en helmbijlen. Duizenden paarden lagen in de geknede aarde half verzonken, en de lijken der vijanden overdekten de grond--in zo groot getal dat de strijdenden niet meer op het gras, maar wel op een bed van dode lichamen en gebroken wapens vochten. De Groeningebeek kon men niet meer zien, de lijken met dewelke zij opgevuld was, vormden slechts een hoop met degene die op de boorden lagen; men zou de loop dier beek wel aan de bloedstroom herkend hebben, doch bloed lag er overal in grote plassen. Het gehuil der stervenden, de klachten dergenen die verstikten, met het gejuich der zegepralende Vlamingen, mengden zich in een afgrijselijk gedruis; daarbij de schaterende tonen der bazuinen, het gekrijs der zwaarden op de harnassen, het pijnlijk briesen der gepletterde paarden: een vulkaan die barst en tussen het rollen der losgebroken donders het ingewand der aarde scheurt, kan alleen een denkbeeld van dergelijk schrikgeluid geven.--Het was alsof het jongste uur gekomen ware.

Negen uur sloeg het op de Halletoren van Kortrijk, toen de wijkende ruiterij van De Nesle en De Chatillon naar de benden van de Seneschalk Robert d'Artois gevlucht kwam.--De nederlaag der zijnen vernemende ontstak Robert in een blinde woede, en wilde met het talrijk lichaam, dat hij onder zich had, op het Vlaams leger inlopen. Andere ridders poogden hem van zijn onvoorzichtig voornemen te doen afzien, voorgevende dat geen paard zich op de strijdplaats bewegen kon, maar hij wilde naar niemand luisteren, en sprong, door al zijn mannen gevolgd, dwars door de vluchtelingen heen. De ruiters, aan de eerste nederlaag ontkomen, werden door de Seneschalk en zijn nieuwe benden ondersteboven gesmeten, en zij liepen in wanorde langs alle kanten van het slagveld, om uit die ijslijke verwarring te komen; maar dit was hen niet mogelijk: de eerste scharen werden door de achtersten vooruit gestuwd, en alzo viel die wolk verse troepen met de grootste vermetelheid op de Vlaamse slagorde. Bij de eerste schok werd het leger van Gwyde genoodzaakt achter de Groeningebeek te wijken, doch daar dienden de gevallen paarden hun tot borstweer, alsof zij binnen een verschansing getrokken waren.

De Franse ruiters konden zich in de modderige grond niet staande houden; zij vielen de ene over de andere, en doodden elkander in de val. Mijnheer d'Artois dit ziende werd uitzinnig, hij sprong met enige onversaagde ridders over de beek en viel op de benden van Gwyde. Na een kort gevecht, in hetwelk vele Vlamingen sneuvelden, greep Robert d'Artois de grote Standaard van Vlaanderen bij het doek en scheurde een stuk met de voorste klauw van de Leeuw eraf[157]. Een razend gehuil klom uit de omstaande Vlaamse scharen.

"Slaat dood! Slaat dood!" was de algemene schreeuw.

De Seneschalk poogde de Standaard uit de handen van Segher Lonke te rukken, maar Broeder Willem, zijn zwaard wegwerpende, sprong tegen het paard van Mijnheer d'Artois op, en sloeg zijn twee armen om de hals van de Veldheer; dan zijn voeten tegen de zadel drukkende, trok hij met zoveel kracht aan het hoofd van Robert dat deze uit de zadel geraakte,--zij rolden beiden op de grond. De beenhouwers waren ondertussen toegelopen, en Jan Breydel die de hoon aan de Standaard van Vlaanderen geschied, wreken wilde, hakte met een houw de arm van Robert af. De ongelukkige Seneschalk, zich bij de dood ziende, vroeg of er geen edelman was aan wie hij zijn wapenen mocht overgeven; maar de beenhouwers huilden dat zij die taal niet verstonden, en hakten en kerfden zo lang op hem dat hij de geest gaf[158].

Terwijlen had Broeder Willem Pierre Flotte, de Kanselier, ook op de grond geworpen, en hief zijn zwaard op om hem het hoofd te klieven; de Fransman smeekte om genade. Broeder Willem lachte spottend en hakte hem achter in de nek dat hij, van leven beroofd, met het aangezicht in het gestorte bloed viel[159]. De Franse heren De Tarcanville en d'Aspremont werden door de hamer van de gulden ridder verpletterd, Gwyde kloof het hoofd van Renold de Longueval met een houw, en Adolf van Nieuwland wierp Raoul de Nortfort uit de zadel. In weinig ogenblikken sneuvelden er meer dan honderd edellieden.

Mijnheer Rodolf I, heer van Gaucourt, met de twee Koningen Balthazar en Sigis, en met nog zeventien uitgelezen ridders had zich sedert lange tijd tegen de Gentenaars van Jan Borluut verdedigd. Wanneer de twee Koningen met al de andere ridders reeds gesneuveld waren, en dat zijn paard ook reeds gevallen was, stond Rodolf nog met een wonderbare onversaagdheid te midden zijner vijanden. Hij verweerde zich behendiglijk tegen de Gentenaars, en dreef dezelve met schriklijke slagen van zich. Een hoop van bij de veertig Franse ridders ziende, liep hij te midden onder hen; doch Jan Borluut vervolgde hem met een groot getal Gentenaars. De veertig ridders waren weldra verslagen, en nog verdedigde Rodolf de Gaucourt zich altijd even moedig. Door wonden en vermoeidheid afgemat zonk hij ten laatste op de lijken zijner wapenbroeders neer en de Gentenaren liepen toe om hem te doden; maar Jan Borluut wilde de dappere Fransman niet laten sterven, hij deed hem achter de slagorde dragen, en nam hem onder zijn bescherming[160].

Alhoewel de Fransen bij de voorste gelederen gedurende dit gevecht de nederlaag hadden, vorderde de Vlaamse slagorde slechts weinig, overmits er altijd nieuwe vijanden kwamen toegelopen om de gesneuvelden te vervangen.

De gulden ridder vocht als een echte leeuw aan de linkervleugel, tegen een ganse bende ruiters. Aan zijn zijde streden met evenveel moed, de jonge Gwyde en Adolf van Nieuwland, deze laatste wierp zich gedurig tussen de vijanden, en stelde zich menigmaal in levensgevaar: het was alsof hij besloten had onder de ogen van de gulden ridder te sterven. De vader van Machteld ziet mij! dacht hij,--en dan voelde hij in zijn longen meer lucht, in zijn spieren meer kracht en in zijn ziel meer misprijzen des doods. De gulden ridder riep menigmaal tot hem dat hij zich zozeer niet zou blootstellen; maar die woorden, als een loftuiting in het oor van Adolf klinkende, hadden een verkeerd uitwerksel, dewijl bij elke roep des gulden ridders, het paard van de dappere minnaar vooruit sprong en dieper in de Fransen sprong. Gelukkiglijk voor de jongeling dat een sterkere arm dan de zijne over zijn leven waakte, en dat er iemand nevens hem was, die uit vaderlijke liefde gezworen had hem te behoeden.

In het ganse leger der Fransen stond maar een Standaard meer recht. De grote Kroonvaan ontrolde nog haar schitterende wapentekens, haar zilveren leliebloemen, en al de vonkelende paarlen waaruit het zinnebeeld van Frankrijk gevormd was.--Gwyde wees met de hand naar de plaats waar de vaandrager stond, en riep tot de gulden ridder: "Dat is hetgeen wij hebben moeten!"

Zij poogden vervolgens, elk langs zijn kant, door de Franse benden te dringen; doch dit gelukte hun in den eerste niet, hoe onvermoeid zij ook de vijanden overhoop- en uiteendreven. Adolf van Nieuwland, een gunstiger plaats gevonden hebbende, boorde alleen door de ruiters en kwam, na een lange strijd, bij de grote Standaard.

Welke vijandige hand, wat nijdige geest dreef de minnaar alzo tot zijn dood?--Indien hij geweten had, hoeveel bittere tranen er op dit ogenblik voor hem gestort werden, hoe dikwijls zijn naam, uit de mond ener vrouw, de Hemel als een gebed werd toegestuurd;--ho, dan zou hij zich zo roekloos de dood niet overgegeven hebben,--hij ware wellicht als een lafaard teruggekeerd.

De Kroonvaan was door een groot getal ridders omringd. Zij hadden op hun eer en trouw gezworen onder dit laatste teken eerder te sterven dan het te laten ontroven. Wat kon Adolf tegen zovele moedige kampers? Ook zodra hij zich vertoonde, werd hij door schertsende woorden begroet; al de zwaarden zwaaiden tegelijk boven zijn hoofd, hij was aan alle kanten in een kring vijanden gesloten, de slagen vielen zonder ophouden op zijn uitrusting, en ondanks zijn wonderlijke behendigheid, kon hij zich niet meer verdedigen. Reeds liep het bloed onder zijn helm uit, zijn gezicht verduisterde;--zijn spieren waren onder zovele kneuzingen verlamd. Met een razende wanhoop gans vervuld en voelende dat zijn laatste uur gekomen was, riep hij met luider stemme, dat de Fransen het hoorden: "Machteld! Machteld! Vaarwel!"

Bij die roep, sprong hij dwars door de zwaarden der vijanden heen, tot bij de Standaard, en rukte hem uit de vuist van de vaandrager;--maar tien handen ontnamen hem dezelve,--het regende meer slagen op zijn lichaam en hij viel krachteloos op de rug van zijn paard.

De vlotting, welke op dat ogenblik onder de strijdenden gebeurde, liet de gulden ridder toe het gevaar van Adolf te merken. Dan dacht hij aan de pijn welke zijn ongelukkige Machteld treffen zou indien de man die hij haar geschonken had door de handen der vijanden stierf. Hij wendde zich om tot de scharen, en riep met een stem die, als een donder, het krijgsgerucht beheerste: "Vooruit, mannen van Vlaanderen. Komt aan!"

Gelijk de razende zee, die haar palen met onberekenbaar geweld bestrijdt--gelijk zij, na een lang gevecht, de dijk onder een hemelhoge golf verplet en haar schuimende baren over de velden rollende, de wouden ontwortelt en de steden ten gronde werpt,--zo sprong de Vlaamse leeuwenschaar bij de roep des onbekenden ridders vooruit.