De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 29
"Het zij mij geoorloofd u te zeggen dat gij u bedriegt, edele heer," antwoordde de bode. "De Vlamingen hebben een heir dat men niet mag misachten; het is alsof zij bijeengetoverd waren,--zij zijn meer dan dertigduizend sterk, en hebben paarden en oorlogstuig in overvloed; zij bouwen ontzaglijke werprustingen om het kasteel te bespringen. Onze levensmiddelen en onze pijlen zijn uitgeput, en wij hebben reeds enige onzer slechtste paarden beginnen te eten. Zo uw Hoogheid nog een dag langer wacht om Mijnheer Van Lens te gaan ontzetten zullen al de Fransen in Kortrijk reeds doodgeslagen zijn; want er is geen uitvlucht om het te ontkomen. De heren Van Lens, De Mortenay en De Rayecourt bidden u ootmoedelijk dat het u believe hen uit dit gevaar te redden[127]."
"Mijne heren," riep Robert d'Artois, "dit is een schone gelegenheid: wij konden niet beter wensen, al de Vlamingen zijn bij Kortrijk te saamgelopen. Wij gaan erop aanvallen, en zo straffe mij God, indien er veel ontvlieden: de voeten onzer paarden zullen over dit slechte volk recht doen. Gij, bode, blijft in het leger, morgen zult gij met ons te Kortrijk zijn. Nu nog een teug voor de laatsten. Mijne heren! Gaat en bereidt uw scharen tot de tocht: wij gaan zo spoedig mogelijk vertrekken."
Na enige ogenblikken verlieten zij allen de tent, om het bevel van hun overste te volbrengen. Uit al de hoeken der legerplaats klonken de bazuinen om de soldeniers uit het veld te roepen, de paarden briesten, de wapens stieten krijsend tegen elkander, en er rees een akelig krijgsgerucht boven de verschillende delen der legering. Enige uren later waren al de tenten opgevouwen en op de troswagens gepakt,--alles was veerdig. Er ontbraken nog wel een groot getal soldeniers, die zich met plunderen hier of daar ophielden, maar dit kon aan zulk machtig leger niet gemerkt worden. Ieder Aanleider, zich aan het hoofd zijner scharen gesteld hebbende, verenigde zich de ridders in twee benden, en het leger toog in de volgende orde uit de verschansing: de eerste bende, die met vliegende Standaarden uit de legerplaats kwam, bestond uit drieduizend beste wapenlieden op lichte dravers; zij hadden een lange helmbijl in de hand, en lange degens hingen aan de kop van hun zadels. Hun uitrusting was niet zo zwaar als die der andere ruiters; daarom gingen zij vooraan, als zijnde tot de eerste schermutselingen bestemd. Onmiddellijk hierop volgden vierduizend handboogschutters te voet, zij dreven statig in dikke gelederen voort, hun aanzichten voor de stralen der zon met hoge vierkante schilden beschermende.
Hun kokers waren met pijlen gevuld, en een korte degen zonder schede blonk aan hun gordel. Dit waren de krijgslieden, uit het zuiden van Frankrijk gekomen; meer dan de helft waren Spanjaarden en Lombarden. Jean de Barlas, een moedig krijger, reed heen en weer bij die twee scharen en gebood over dezelve als Opperaanleider.
De tweede bende stond onder het bevel van Renauld de Trie, en telde drieduizend tweehonderd zware ruiters. Zij waren op hoge en sterke slagpaarden gezeten, en droegen een breed en blinkend zwaard op de rechterschouder; harnassen van ruw ijzer omvingen hun lichamen, en platen, uit één stuk gevormd, waren overal aan hun leden geriemd. Het Orléansgebied had die mannen meest geleverd.
Mijnheer de Konstabel De Nesle voerde de derde bende aan. Eerst kwam er een schaar van zevenhonderd edele ridders, met schitterende uitrusting op het lijf, en liefelijke wimpels aan hun lange speren; wapperende vederbossen vielen van hun helmen achterover op hun rug; hun wapentekens waren in allerlei kleuren op hun harnassen geschilderd. De paarden door hen bereden, waren van het hoofd tot de voeten met ijzer bekleed, en zwierige kwispeltrossen waggelden overal nevens hun zijde. Uit die schaar staken meer dan tweehonderd geborduurde Standaarden. Het was waarlijk de prachtigste ridderbende, welke men in die tijd had kunnen zien: allen waren op het rijkste gewapend. Achter hen kwamen nog tweeduizend soldeniers te paard, met lange martelen of wapenhamers op de schouders, boven dit hing er nog een slagzwaard bij hun zadel. Zij waren samengesteld uit vaandels, tot het bestendige leger van de Koning Philippe le Bel behorende.
Aan het hoofd der vierde bende reed Mijnheer Louis de Clermont, een ervaren krijgsman, als Aanleider. Zij bestond uit drieduizend zeshonderd ruiters met speren, uit het Koninkrijk Navarra. Men kon aan hun regelmatige uitrusting genoeg bemerken, dat zij welgeoefende en uitgelezen mannen waren. Voor het eerste gelid reed de vaandrager met de grote Standaard van Navarra.
Robert, Graaf van Artois, Opperveldheer des legers, had de middenbende onder zijn bevel genomen. Al de ridders, die geen mannen hadden aangebracht, of dezelve in andere scharen gesteld hadden, bevonden zich met hem, de Koningen van Majorca en Melinde renden aan zijn zijde. Tussen al de anderen kon men Thibaut II, Hertog van Lotharingen, aan zijn prachtige uitrusting herkennen; insgelijks bemerkte men de fraaie Standaarden van de heren Jean, Graaf van Tarcanville, Angelin de Vimeu, Renold de Longueval, Farald de Reims, Arnold van Wesemaal, Maarschalk van Brabant, Robert de Montfort en een oneindig getal anderen, die zich in één schaar hadden gevormd.
Die bende ging de derde nog in pracht te boven: de helmen der ridders waren verzilverd of verguld, en hun harnassen met gouden knopen op de gewrichten versierd. De zon, die op al het blinkend staal hunner uitrusting haar brandende stralen schoot, veranderde dit heerlijk gevaarte in een vlammende gloed. De grote slagzwaarden, die aan hun zadels hingen, slingerden heen en weer, en vielen met klinkend geluid op de ijzeren deksels der paarden; hieruit sproot een akelig gerucht dat hen als een gedurige krijgsmuziek op de baan vergezelde. Na de edele ridders volgden vijfduizend andere ruiters met helmbijlen en wapenhamers. Bij die afdeling behoorden nog zestienduizend voetgangers, welke in drie scharen verdeeld waren. De eerste was uit duizend kruisboogschutters gevormd; zij hadden slechts een stalen borstplaat en een platte vierkante helm tot behoedwapen, kleine kokers vol ijzeren schichten hingen aan hun gordels, en lange degens aan hun zijden. Het tweede gedeelte telde zesduizend mannen en knotsen, welke aan het dikke einde met schriklijke stalen punten waren beslagen. Het derde gedeelte bestond uit helmhouwers met lange bijlen. Al die mannen waren uit Gascogne, Languedoc en Auvergne gekomen.
Mijnheer Jacques de Chatillon, de Landvoogd, voerde het bevel over de zesde bende. De talrijke gelederen bestonden uit drieduizend tweehonderd soldeniers te paard. Op de wimpels hunner speren hadden zij vlammende bezems geschilderd, ten teken dat zij Vlaanderen zuiver maken wilden; hun paarden waren van de zwaarste uit het leger, en echter konden dezelve met moeite onder de last van al het ijzer dat hen dekte, vooruitstappen, zo zwaar waren zij beladen.
Dan volgden de zevenste en achtste benden; de eerste onder het bevel van Jean, Graaf van Aumale, de andere onder Mijnheer Ferry van Lotharingen. Ieder derzelve bestond uit tweeduizend zevenhonderd ruiters, altemaal mannen uit Lotharingen, Normandië en Picardië.
Mijnheer Godfried van Brabant met zijn eigen Vazallen, ten getale van zevenhonderd wel uitgeruste ruiters, vormde de negenste bende.
Het tiende en laatste gedeelte van het leger was Mijnheer Guy de St.-Pol toevertrouwd, hij was met de achterwacht belast en moest de legertros bewaken.
Drieduizend vierhonderd ruiters van alle wapenen reden vooraan; dan volgde nog een wolk voetgangers met handbogen en slagzwaarden: derzelver getal beliep tot bij de zevenduizend. Een gedeelte ervan verwijderde zich in alle richtingen van het leger, en liep met brandende toortsen, om al wat maar vlammen kon te verdelgen. Eindelijk volgden de ontelbare troswagens met de tenten en het oorlogstuig beladen[128].
Het Frans leger, in tien benden verdeeld en boven de zestigduizend man sterk, toog langzaam door de velden en volgde de baan welke naar Kortrijk leidde. Het oog kon de uitgestrektheid van dit ontzaglijk gevaarte niet meten, reeds waren de voorsten op de kim onvatbaar geworden eer de laatsten uit de verschansing gingen, het duurde meer dan een uur tijds.
Duizenden zwepende wimpels dreven in de wind boven het reizend leger, en de zon spiegelde zich met luisterlijke gloed in de uitrusting der trotse benden. De paarden briesten hevig en zuchtten onder hun last; de wapens krijsten en klonken tegen elkander; een dof geruis als het bruisen der stormende zee ontstond uit al die verschillende geruchten: hetzelve was zo eentonig dat het de stilte der verlaten velden niet stoorde. Overal waar die vernielende krijgers doorgetrokken waren, verhieven zich de vlammen met dikke rookwolken hemelwaarts. Geen enkele woonplaats ontging de verwoesting, geen mens, geen dier werd gespaard; de kronieken getuigen ervan. Des anderendaags, wanneer de vlammen het al verbrand en ter neder geworpen hadden, kon men noch mens, noch mensenwerk meer aantreffen; Vlaanderen was van Rijsel af tot Douai en Kortrijk zo schriklijk verwoest dat de Franse Vandalen zich wel mochten beroemen dat zij het als met een bezem gevaagd hadden[129].
Diep in de nacht kwam het leger van Mijnheer d'Artois omtrent Kortrijk. De Chatillon kende het land zeer wel, uit reden hij lang genoeg in de stad had gewoond: hierom werd hij door de Veldheer geroepen om de legerplaats, welke zij verkiezen zouden, aan te wijzen.
Na een korte raadpleging zakten zij met de onderscheiden benden een weinig ter rechterhand af, en sloegen hun tenten op de Pottelberg en in de omliggende velden[130]. Mijnheer d'Artois, met de twee Koningen en nog enige voorname heren, herbergden zich in het slot Hoog-Mosser, dat nabij de Pottelberg gelegen was. Talrijke wachten werden uitgezet, en de overigen begaven zich zonder achterdenken ter rust; zij steunden te zeer op de meerderheid van hun getal om te denken dat men hen zou durven aantasten.
Alzo bevonden zich de Fransen op een vierendeel uurs van de legerplaats der ambachten: de voorwachten konden elkander in de duisternis zien wandelen.
De Vlamingen, wetende dat de vijand gekomen was, hadden hun wachten verdubbeld en bevolen dat men niet dan gewapend mocht ter ruste gaan.
* * * * *
23
_Daer ligt die trotsche heldentrein, Verstikt in 't bloed, besmeurd met brein; By Kortryks wal op 't bloedig plein Was hem dit lot beschoren, Hy kwam in losgevierden draf Te vroeg naer Vlaendrens bodem af Daer ligt hy neder zonder graf Daer roesten zyne sporen._
TH VAN RYSWYCK
De Vlaamse ridders, die in Kortrijk geherbergd waren, lagen allen te bedde, wanneer de tijding van de komst der Fransen, als een schrikkelijk nieuws door de stad lopende, hen kwam wekken. Seffens deed Gwyde de bazuinen aanheffen, de trommen rondgaan; en een uur later waren al de in de stad zijnde mannen tegen de wallen vergaderd. De ridders waren ook in volle uitrusting toegelopen, in gedachte dat de Fransen hen onmiddellijk zouden aanvallen.
Dewijl het te vrezen was dat de Kastelein van Lens gedurende het gevecht uit het kasteel kwame en op de stad viele, deed men de Ieperlingen uit de legerplaats komen, om de Franse bezetting te bewaken en derzelver uitvallen te beletten[131]. Aan de Steenpoort werd een tallijke wacht gesteld, om de vrouwen en kinderen binnen de muren te houden; de vervaardheid trouwens was zozeer onder hen dat zij nog dezelfde nacht door de velden wilden ontvluchten. Een onvermijdelijke dood bedreigde hen; van de ene kant kon de Kastelein van Lens met zijn wrede soldeniers alle ogenblikken uit het slot vallen; van de andere kant was het vooruitzicht nog aakliger, want zij hadden geen betrouwen genoeg in het geringe getal hunner gewapende broeders om te hopen dat de zege door hen behaald werde. En waarlijk, indien heldenmoed en onversaagdheid de Vlamingen niet belet hadden het gevaar te merken, zouden zij ook wel aan hun laatste bede gedacht hebben, want terwijl er reeds meer voetvolk in het Franse leger dan in het hunne was, bleven er bovendien nog tweeëndertigduizend ruiters te bevechten.
De Vlaamse Oversten berekenden de kansen van de aanstaande slag met kouden bloede; hoe groot de dapperheid en de strijdenslust ook in hen was, konden zij zich echter het gevaar niet verbergen:--de heldenmoed belet de mensen niet al het aaklige ener gesteltenis te zien, dezelve doet de ingeboren schrik des doods niet vergaan, maar geeft de man macht genoeg om die krachtrovende aandoeningen te overwinnen en te tarten,--tot daar slechts kan de ziel het lichaam tot zijn vernietiging drijven. Voor zichzelf vreesden de Vlaamse heren niet, maar het Vaderland, de vrijheid, welke men tegen een zo ongelijke macht ging verspelen, boezemde hun een angstig voorgevoel in. Ondanks de weinige hoop die zij mochten koesteren, besloten zij de strijd aan te nemen en liever als helden op het slagveld te sterven dan een schandelijke onderwerping te doen.
De jonge Machteld met de zuster van Adolf en meer andere Edelvrouwen werden naar de abdij van Groeninge gezonden om aldaar een veilige schuilplaats te hebben, indien de Fransen Kortrijk vermeesterden. Dit alles alzo beschikt zijnde, namen de ridders nog enige andere maatregelen, en vertrokken tegelijk naar het leger.
Het Franse volk heeft altijd de andere natiën misacht en miskend; de opgeblazenheid is het kenmerk hunner inborst. Die ijdele waan is hun zo dikwijls verderfelijk geweest! Zoveel Fransen liggen er op vreemde bodem begraven, die als slachtoffer hunner lichtzinnigheid in de bloei des levens gesneuveld zijn! De Veldheer Robert d'Artois was wel een ervaren en dapper krijgsman, maar hij was al te vermetel; hij dacht het hier niet nodig met voorzichtigheid te werk te gaan, en stelde zich voor dat hij met de eerste aanval het Vlaamse leger overhoop zou lopen. Die trotse mening was ook in de harten zijner mannen, ja zo ver dat, terwijl het leger van Gwyde zich in de duisternis tot de slag bereid maakte, het Franse leger zo gerust sliep alsof het ergens in een vriendenstad geherbergd ware geweest. Op hun talloze ruiterij steunende, waren zij overtuigd dat niets aan zulk een heir weerstand bieden kon: indien zij echter niet zo onbezonnen en niet met zoveel vermetelheid waren te werk gegaan, zouden zij de plaats, waarop zij strijden moesten, eerst wel bezien en derzelver voor- en nadelige ligging berekend hebben. Dan zouden zij hebben bevonden dat de grond tussen de beide legers hun ruiterij ten onnutte maakte;--doch waartoe kon die overtollige zorg hun dienen? Was het Vlaamse leger hun de moeite waard om voorzichtigheid te gebruiken? Robert d'Artois dacht het niet.
Het heir der Vlamingen had op de Groeningekouter stand genomen. Achter hen, ten noorden, liep de Leie, een brede rivier, die alle aanval langs die kant onmogelijk maakte: vóór de slagorde vloeide de Groeningebeek[132] welke door haar eigen breedte en haar lage modderige boorden der Franse ruiterij een onverwinbare hinderpaal aanbood; de rechtervleugel steunde tegen dit deel der wallen van Kortrijk in wier nabijheid Sint-Maartens kerk staat; de linkervleugel was door een bocht der Groeningebeek omvangen; in zulker voege, dat de Vlamingen als op een eiland stonden, en moeilijk konden aangetast worden. De uitgestrektheid, welke hen van het Frans leger scheidde, bestond uit enige lage weiden wier gronden door de Mosserbeek, die er kronkelend doorliep, bewaterd en doorweekt waren. Dus moest de Franse ruiterij tenminste over twee kleine rivieren springen, eer zij iets kon uitrichten, en het was niet gemakkelijk die hinderpalen te verwinnen, aangezien de voeten der paarden op de modderige boorden geen steun vinden konden, en er tot de knieën moesten inzakken.
De Franse Veldheer ging te werk alsof hij op een vaste en harde grond zou strijden, en ontwierp de aanval op een wijze, die met de krijgskunde niet overeenstemde,--zo waar is het dat een al te groot betrouwen de mens onvoorzichtig maakt.
Bij het aanbreken van de dag, eer de zon haar gloeiende schijf op de kim vertoonde, stonden de Vlamingen reeds in slagorde op een enkele rij tegen de Groeningebeek. Mijnheer Gwyde voerde het bevel over de linkervleugel en had al de mindere ambachten van Brugge met zich; Eustachius Sporkyn met de lieden van Veurne stond in het midden dier bende:--de tweede schaar had Mijnheer Jan Borluut tot Aanleider, en telde vijfduizend Gentenaars:--de derde schaar stond onder Mijnheer Willem van Gulik, en was uit de wevers en vrijlaten van Brugge gevormd:--de rechtervleugel, die tegen de wallen van Kortrijk raakte, bestond uit de beenhouwers met hun Deken Breydel en de Zeeuwse laten; Mijnheer Jan van Renesse was over dezen bevelhebber.
De andere Vlaamse ridders hadden geen vaste plaats, zij gingen waar het hun goed dacht of waar hun hulp kon nodig zijn; de elfhonderd Naamse ruiters werden achter de slagorde geplaatst, want men wilde ze niet gebruiken, opdat er door hen geen wanorde onder het voetvolk kwame.
Eindelijk begon het Franse leger zich ook te bereiden, duizend bazuinen hieven tegelijk hun scherpe tonen aan, de paarden briesten, en de wapens klonken met zulk een ijslijk geruis dooreen, dat de Vlamingen bij het naken van dit doodsgevaar met een huiverige koude werden bevangen. Welk een ontzaglijke wolk vijanden ging op hen storten! Voor die moedige mannen was dit niets,--zij gingen sterven, dit wisten zij; maar hun verlaten vrouwen en kinderen, wat zouden die geworden? Ho, op dit plechtig ogenblik dachten zij allen aan hetgeen zij meest op aarde beminden.--De jonge gezel weende in zijn hart over het meisje dat hem verloofd was; de vader werd met innige pijn gefolterd, nu hij zijn zonen de vreemden tot slaven laten moest; en de zoon zuchtte weemoedig bij de heugenis zijns grijzen kranken vaders, welke nu alleen ten prooi der dwingelandij blijven moest.--In hen waren twee driften, de onversaagdheid en de angst. Wanneer deze twee hartstochten zich in de tegenwoordigheid van een dreigend gevaar te samen smelten, veranderen zij in razernij. Dit gebeurde ook onder de Vlamingen; hun ogen werden stijf en halsstarrig, hun tanden nepen zich bitsig opeen, een brandende dorst kwam hun mond dor en droog maken, en de adem, die uit hun hijgende longen opkwam, was kort en lastig. Een schrikverwekkende stilte heerste boven het leger, niemand gaf zijn aandoeningen aan anderen te kennen want zij waren allen in sombere gepeinzen verzonken. Zij stonden reeds enige tijd aldus in een lange rij geschaard, wanneer de zon, boven de kim gerezen zijnde, hun het leger der Fransen zien liet[133].
De ruiters waren zo menigvuldig dat een korenveld minder haren draagt dan er speren boven de vijandlijke benden uitstaken. De paarden der voorste gelederen stampten ongeduldig met de voeten, en besproeiden hun ijzeren deksels met witte vlokken schuim. De bazuinen zonden hun galmende tonen als in een feestgejuich door de zuchtende bomen van het Neerlanderbos,--en zwepend speelde de wind in de wentelende vouwen der wimpels en banieren. De stem der Veldheren kwam dit krijgsgerucht bij pozen beheersen, terwijl soms de wapenkreet: "Noël! Noël! Frankrijk! Frankrijk!" uit een bende opging, en al ander geschal verdoofde. Ongedurig en vol moed waren de Franse ridders, zij prikkelden hun slagpaarden met de punt der spoor, om hen meer drift in te boezemen en dan weder streelden zij dezelve, en spraken tot hen opdat zij de stem huns meesters in de strijd beter zouden herkennen.--Wie zal de eer hebben van de eerste steek te doen? was het algemeen gepeins dat hen met ongeduld vervoerde. Die eer was onder de ridders zeer groot; wanneer dezelve hun in een voorname slag te beurt viel, roemden zij hun gans leven erop, als een bewijs van onbetwistbare dapperheid; allen hielden daarom hun paarden gereed en de speer geveld, om op het eerste bevel, op het minste teken des Veldheers vooruit te springen.
In de weiden, welke nevens het leger lagen, bewogen de Franse voetknechten zich in wentelende scharen en dreven langzaam als een schrikbare slang met kronkelende wendingen door het veld, terwijl de grootste stilte onder hen heerste.
Wanneer Gwyde bemerkte dat de aanval ging geschieden, zond hij duizend slingerwerpers, onder het bevel van Salomon, heer van Zevekote, tot tegen de tweede beek, om de Franse voorwacht te ontrusten; dan deed hij aan zijn onderscheiden benden een richting nemen, welke hen in een vierkant schikte en hen toeliet in het midden der legerplaats te zien. Een altaar van zode was aldaar opgericht, de grote Standaard van Sint-Joris, beschermer der krijgers, ontvouwde de ridder met de draak boven het hoofd van de Priester, die in volle plechtgewaad op de trappen van het altaar bezig was met gebeden voor de goede uitslag des gevechts te storten. Zijn aanroeping geëindigd hebbende, klom hij op de bovenste trap des altaars, keerde zich om naar het volk, en hief zijn handen boven het leger.
Plotselings, en met dezelfde beweging, zonken al de scharen te gronde, en ontvingen, in een doodse stilte, de laatste zegening[134]. Zij werden bij die plechtigheid hevig ontroerd; een onbekend gevoel kwam hun harten in edele zelfverloochening ontsteken, en het scheen hun dat de stem Gods hen tot de marteldood riep. Met een heilig vuur vervuld, vergaten zij al wat hun op aarde dierbaar was, en zij werden door geestontheffing tot de helden hun vaderen gevoerd. Dan werd hun boezem wijder, het bloed stormde onstuimiger door hun aderen, en zij hijgden naar de strijd als naar de verlossing.
De Priester zijn handen tot zich trekkende, richtten zij zich even stilzwijgend op; de jonge Gwyde sprong van zijn paard, kwam te midden onder hen en riep: "Mannen van Vlaanderen, geheugt u de roemrijke daden uwer vaderen,--zij telden hun vijanden niet. Hun onverschrokken moed bevocht die vrijheid, welke de vreemde dwingelanden ons willen ontroven. Gij ook zult heden uw bloed voor dit heilige pand doen stromen,--en zo wij sterven moeten, hetzij dan als een vrij en manhaftig volk, als nimmergetemde leeuwenzonen!--Denkt aan God, wiens tempels zij verbrand hebben, aan uw kinderen die zij moorden zullen, aan uw benauwde vrouwen, aan al wat gij bemint,--en dan zullen onze vijanden, indien wij bezwijken moeten, niet op de zege roemen; want er zullen meer Wallen dan Vlamingen op onze bodem gevallen zijn. Geeft acht op de ruiters, steekt uw Goedendags tussen de benen der paarden, en verlaat uw scharen niet.--Wie een verslagen vijand plundert, al wie uit de strijd wil lopen, zult gij zelf doodslaan, ik beveel het u.--Indien er een enkele lafaard onder u bevonden wordt, hij sterve door uw handen; zijn bloed kome over mij alleen[135]."
Hij bukte zich met hevige geestdrift, en nam een weinig aarde van de grond. Hetzelve in de mond stekende, verhief hij zijn stem hoger, en hernam: "Ik zweer bij deze duurbare aarde, welke ik in mij dragen wil, dat ik heden zal sterven of overwinnen. God hore mij!"
Al de scharen bukten zich tegelijk, en aten insgelijks een weinig aarde van de vaderlandse grond. Die aarde in hun boezem zinkende, vervulde hen met een gevoel van stille razernij en van sombere wraaklust; vergiftig was de blik hunner weifelende ogen; men zag hun aangezichten afwisselend bleek of rood worden, terwijl een doodse uitdrukking erop bleef staan.--Een dof gebrom, als het bulderen des orkaans in de schoot der holle rotsspelonken, ontstond onder het vervoerde leger; al de kreten, al de eden, al de vloeken verenigden zich in een naar gerucht, waaruit men slechts dit verstaan kon: "Wij willen en zullen sterven!"
De slagorde werd in allerhaast hernomen, en gelijk tevoren tegen de Groeningebeek geschikt.