De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 28

Chapter 28 3,901 words Public domain Markdown

Enige tijd daarna waren al de Vlamingen voor hun tenten bezig met zich over de veredeling der Dekens te onderhouden. Een groot getal beenhouwers zat in een wijde kring, met de hanaps in de hand, op de grond, grote kannen vol wijn stonden nevens hen; met eenstemmige galmen zongen zij het lied van de zwarte Leeuw. Te midden onder hen op een ijdele ton zat de veredelde Breydel, die als voorzanger ieder refrein aanving; hij dronk bij herhaalde teugen op de verlossing des Vaderlands, en poogde, door meer gemeenzaamheid, de verandering van zijn staat te doen vergeten; want hij vreesde dat zijn gezellen mochten denken dat hij niet meer gelijk tevoren hun een vriend en makker wilde zijn.

Deconinck had zich in zijn tent opgesloten om de gelukwensingen zijner wevers te ontgaan; hij werd te zeer door hun bewijzen van liefde aangedaan, en die ontsteltenis kon hij te moeilijk verbergen; daarom bleef hij de ganse dag alleen, terwijl het leger zich aan de innigste vrolijkheid overgaf.

* * * * *

22

_De schande moet uw voorhoofd smetten, Gy die wilt eeuwig slaven zyn; De wroeging zal uw ziele pletten, Uw' boezem scheuren met haerpyn._

PF VAN KERCKHOVEN

Op weinig afstand der stad Rijsel, in een veld van buitengewone grootte, had het Franse leger zich neergeslagen; de ontellijke tenten, welke voor zoveel mensen behoefden, bedekten wel een halve mijl gronds. Daar een hoog opgeworpen bolwerk de plaats omringde, zou men van ver gedacht hebben dat men een sterke stad voor zich had, indien het briesen der paarden, het geschreeuw der soldeniers, de rook der vuren en de duizend zwepende wimpels de tegenwoordigheid van een leger niet hadden verraden. Het gedeelte waar de edele ridders woonden, was kenlijk aan de kostelijke standaarden en geborduurde vaandels; terwijl hier fluwelen tenten en paviljoenen van allerlei kleuren stonden, trof men in het andere deel slechts mindere hutten van lijnwaad of stro aan. Men zou zich wel hebben mogen verwonderen hoe het mogelijk was dat zulk een talrijk leger niet van honger verging, mits men in die tijden zelden enige levensbehoeften met zich nam; echter was er overvloed van alles, men zag er de tarwe in het slijk liggen, en de beste levensmiddelen werden er met voeten vertrapt. De Fransen gebruikten een goed middel om zich alles te bezorgen en zich terzelfder tijd bij de Vlamingen hatelijk te maken: elk ogenblik vertrokken grote benden soldeniers uit de verschansing om het land af te lopen en alles te roven, te plunderen of te vernielen; de boze krijgsknechten hadden het inzicht van hun Veldheer Robert d'Artois ten volle begrepen: om hetzelve uit te voeren, begingen zij de gruwzaamste euveldaden welke men in de oorlog plegen kon. Ten teken der verwoesting, waarmede zij het land van Vlaanderen bedreigden, hadden zij altemaal kleine bezems aan hun speren gehangen, daardoor willende te kennen geven dat zij kwamen om Vlaanderen te keren en te zuiveren: en inderdaad zij verzuimden niets om die belofte te volbrengen; na weinig dagen stond er in het ganse zuidelijk gedeelte des Lands geen enkel huis, niet een kerk, noch slot, noch klooster, ja, zelfs geen boom meer recht;--alles was kaal gemaakt en vernield. Ouderdom noch kunne werd geëerbiedigd, vrouwen en kinderen verkracht of vermoord en hun lijken zonder begrafenis de roofvogels overgelaten.

In dier voege begonnen de Fransen hun tocht. De geringste vrees, het minste berouw kwam de vreemde booswichten in dit misdadig werk niet treffen: op hun overgrote macht steunende, dachten zij zich de overwinning zeker; maar des te laffer en te schandelijker waren hun daden. Zij doopten hun zwaarden in het onnozel bloed van zuigelingen, en onteerden met vloekbare onkuisheid de weerloze maagd wier vader zij in haar tegenwoordigheid gedood hadden. En gans Vlaanderen moest hetzelfde lot ondergaan, dit hadden zij bij hun eerloze wapens gezworen!

In dezelfde morgen dat Gwyde bezig was met de trouwe diensten van Deconinck en Breydel te belonen, had de Franse Veldheer zijn voornaamste ridders tot een prachtig gastmaal genodigd.

De tent van de Graaf d'Artois was ongemeen lang en wijd, en in onderscheiden plaatsen verdeeld; er waren kamers voor ridders tot zijn gevolg behorende, kamers voor schildknapen en wapendragers, voor de mondbedienden en koks, en voor meer andere bijzondere personen die hem volgden. In het midden was een wijde zaal, beurtelings tot dergelijke gastmalen of tot de vergadering van de krijgsraad bestemd, en welke een groot getal ridders kon bevatten. Op de gestreepte zijde, waarmee dit paviljoen overdekt was, lagen ontellijke kleine zilveren leliebloemen; tegen de voorgevel, boven de ingang, hing het wapenschild van het huis van Artois; een weinig verder, boven een opgeworpen heuvel, waaide de grote lelievaan van Frankrijk. Binnen dit prachtig vertrek, dat met rijke tapijten was behangen, had men lange gesneden tafels en fluwelen zetels geplaatst. Waarlijk, een paleis kon niet meer rijkdom of pracht voorstellen.

Aan het oppereinde der tafel zat Mijnheer Robert, Graaf van Artois, hij was reeds in hoge ouderdom, echter nog in de volle kracht des levens; een litteken, dat een deel zijner rechterwang misvormde, getuigde zijner dapperheid in de krijg en gaf aan zijn wezenstrekken nog meer hardheid. Alhoewel zijn wangen door diepe rimpels en bruine vlekken verslensd waren, blonken zijn ogen nog met al het vuur der manlijke drift onder zijn zware wenkbrauwen. Zijn voorkomen was wreed, en zijn woeste blikken gaven in hem de onverbiddelijke krijgsman te kennen.

Nevens hem, aan de rechterzijde, zat de grijsaard Sigis, Koning van Melinde; de ouderdom had zijn haar verzilverd en zijn hoofd voorover gebogen, nochtans wilde hij bij de slag tegenwoordig zijn. In het gezelschap van zoveel oude krijgsgezellen voelde hij de moed in zijn hart terugkomen, en beloofde zich innerlijk nog enige schone wapenfeiten uit te voeren. Het gelaat van de oude Vorst boezemde de grootste eerbied in; zachtheid en zielsrust stond er op geprent. Gewis had de goede Sigis niet de Vlamingen willen bestrijden, ware hem de stand der zaken bekend geweest; maar men had hem met veel anderen bedrogen, voorgevende dat de Vlamingen slechte christenen waren, en dat men alzo een goed werk voor God doen zou, indien men hen tot de laatsten uitroeide[120]. Het was op dit tijdstip van het vurigst geloof genoeg iemand van ketterij te beschuldigen, om hem iedereen tot bloedvijand te maken.

Aan de linkerzijde des Veldheers zat Balthazar, Koning van Majorca, een onstuimige en dappere krijger: ook kon men dit op zijn wezenstrekken genoeg zien, ja het was niet mogelijk de stijve blik zijner zwarte ogen te verdragen. Een wilde vreugd verhelderde zijn gelaat omdat hij nu hoopte zijn Rijk, hetwelk hem door de Moren ontnomen was, weder te krijgen. Nevens hem zat De Chatillon, gewezen Landvoogd van Vlaanderen, die mens welke, als werktuig der Koningin Johanna, de oorzaak van al de gebeurde onheilen was; zijn schuld was het dat zovele Fransen in Brugge en in Gent vermoord waren; hij was de oorzaak der schriklijke mensenslachting, die er moest volgen.--Welke hoeveelheid wraakroepend bloed hing er niet boven het hoofd van die dwingeland! Hij herinnerde zich hoe de Bruggelingen hem, met schand beladen, uit hun stad verjaagd hadden, en beloofde zich geen geringe wederwraak; het scheen hem onmogelijk dat de Vlamingen aan de verenigde macht van zoveel Koningen, Prinsen en Graven weerstonden; ook juichte hij reeds in zijn hart en betoonde een blij gelaat.

Op hem volgde zijn broeder Guy de St.-Pol, die niet min wraakzuchtig dan hij was; dan kon men Thibaud, Hertog van Lotharingen, tussen de heren Jean de Barlas en Renauld de Trie, bemerken; hij was de Fransen met zeshonderd paarden en tweeduizend boogschutters komen bijstaan. Rodolf de Nesle, een braaf en edelmoedig ridder, zat nevens Mijnheer Henri de Ligny aan de linkerzijde der tafel; ongenoegen en droefheid schetste zich op zijn gelaat, en het was zichtbaar dat de wrede bedreigingen, welke de ridders tegen Vlaanderen uitspraken, hem niet behaagden. Te midden der rechterzijde, tussen Louis de Clermont en de Graaf Jean d'Aumale, zat Godfried van Brabant, die de Fransen vijfhonderd paarden had gebracht[121].

Nevens deze bewonderde men de grote gestalte van de Zeelander Hugo van Arkel, zijn hoofd stak boven de andere ridders uit, en zijn machtig lichaam gaf genoeg te kennen hoe schriklijk zulk een strijder op het slagveld zijn moest. Die ridder had sedert lange jaren nog geen andere woning dan de een of andere legerplaats gehad; om zijn strijdbaarheid en schone wapenfeiten overal vermaard, had hij een bende van achthonderd onversaagde mannen bijeengeraapt, en ging met dezelve in alle landen waar slechts te vechten was. Meermalen had hij de zege door zijn tegenwoordigheid naar de zijde van de Vorst, welke hij diende, doen hellen, en was, zowel als zijn mannen, met wonden overdekt. Dit gedurig strijden was zijn leven en zijn vermaak, de rust kon hij niet verdragen. Hij had zich bij het Franse leger vervoegd, omdat hij onder hetzelve veel zijner wapenbroeders had gevonden: de enige neiging tot de oorlog hem aandrijvende, bekreunde hij zich weinig voor wie of waarom hij strijden zou.

Dan nog waren er, onder anderen, tegenwoordig de heren Simon de Piémont, Louis de Beaujeu, Froald Kastelein van Douai en Alin de Bretagne.

Een ander slag van ridders trof men bij het lager einde der tafel aan. Alsof de Fransen zich niet onder hen hadden willen mengen, zaten zij allen nevens elkander op de minst vererende plaats. Waarlijk de Fransen hadden hierin geen ongelijk, deze ridders waren verachtelijk; want terwijl hun vazallen als echte Vlamingen de vijand afwachtten, waren deze hun Leenheren in het Franse leger.--Wat verblindheid dreef die bastaarden aan om de schoot hunner moeder, evenals de slangen doen, te verscheuren? Zij gingen onder een vijandlijke standaard het bloed hunner landgenoten op vaderlandse grond vergieten; misschien het bloed eens broeders of dit eens boezemvriends;--en waarom? Om het land, dat hun het leven gegeven had, tot een slavenbodem te maken, en de vreemden te onderwerpen.

Die aterlingen hadden dan geen ziel om te ontwaren dat schande en verachting hun boven het hoofd hing, om in hun eigen hart de knaging eens worms te voelen!--De namen dier bastaardvlamingen zijn voor het nageslacht bewaard, onder vele anderen waren Hendrik van Boutersem, Geldof van Wingene, Arnold van Eikhove en zijn oudste zoon, Hendrik van Wilre, Willem van Redinge, Arnold van Hofstad, Willem van Cranendonk en Jan van Raneel de voornaamsten[122].

Al de ridders aten uit gedreven zilveren schotels, en dronken de lekkerste wijnen uit gulden koppen. De vaten, die voor Robert d'Artois en voor de twee Koningen stonden, waren kostelijker en groter dan die der andere heren; hun wapentekenen waren er kunstig ingesneden, en meer dan een onschatbaar gesteente blonk aan derzelver boorden. Gedurende de maaltijd werd er over de stand der zaken veel geredeneerd; uit de woorden der gasten kon men begrijpen wat schriklijk lot het veroordeelde Vlaanderen was beschoren.

"Ja, ja," antwoordde de Veldheer op een vraag van De Chatillon, "alles moet vernield worden. Die vervloekte Vlamingen zijn niet te temmen dan door het vuur en het zwaard;--en zouden wij die hoop boeren laten leven? Dan zouden wij nooit ermee gedaan hebben, dit moet een einde nemen; Mijne heren, laat ons een kort spel maken, opdat wij onze degens niet langer met dit slecht bloed zouden te besmetten hebben."

"Voorwaar," sprak Jan van Raneel, de Leliaard[123], "voorwaar, Mijnheer d'Artois, gij hebt gelijk; want het is niet mogelijk iets met die muitelingen uit te richten; zij zijn te rijk, en zouden zich weldra boven ons achten: reeds willen zij niet meer bekennen dat wij, die uit edel bloed gesproten zijn, hen als onze onderdanen mogen behandelen, alsof het geld, dat zij met handwerk gewonnen hebben, hun bloed edeler maken kon. Zij hebben zich in Brugge en in Gent huizen gebouwd, welke onze kastelen in pracht te boven gaan; is dit niet een hoon voor ons? Gewis, dit mogen wij niet langer verdragen."

"Indien wij niet alle dagen een nieuwe oorlog voeren willen," bemerkte Jan van Cranendonk, "moeten al de ambachtslieden verslagen worden, want de overblijvende zullen zich niet stil houden: derhalve vind ik dat Mijnheer d'Artois de grootste reden der wereld heeft om er geen te sparen."

"En wat zult gij doen, wanneer gij al uw vazallen zult vermoord hebben?" vroeg de zwaarlijvige Hugo van Arkel, lachende. "Op mijn trouw! Dan kunt gij zelf uw landen beploegen.--Een schoon vooruitzicht, waarlijk!"

"Ho," antwoordde Jan van Raneel, "ik weet een goed middel om hierin te voorzien; wanneer Vlaanderen van dit koppig rot zal gezuiverd zijn, zal ik Franse Vrijlaten uit Normandië roepen, en hun mijn landen geven."

"In zulker voege zou Vlaanderen wel een echt deel van Frankrijk kunnen worden; dit is een goed ontwerp, ik zal aan de Koning dit voorstellen, opdat hij de andere Leenheren ook tot het gebruiken van dit middel aanporre. Ik geloof dat dit niet moeilijk zijn zou."

"Zeker niet, Mijnheer, vindt gij mijn voorstel niet goed?"

"Ja, ja, dit zullen wij bewerken, laat ons maar beginnen met de plaats zuiver te maken."

De wezenstrekken van Rodolf de Nesle betrokken zich met een innige spijt; de woorden welke hij hoorde, mishaagden hem zeer, daar zijn edelmoedigheid zich tegen zoveel wreedheid verzette. Hij sprak met drift: "Maar, Mijnheer d'Artois, ik vraag u, zijn wij ridders of niet, en is de eer ons niets meer, dat wij aldus erger dan Saracenen zouden tewerk gaan? Bij God, gij brengt de wreedheid te ver, ik verzeker u dat het ons een schande voor de ganse wereld zijn zal. Laat ons het leger der Vlamingen bevechten en overwinnen, dit zij ons genoeg! En noemt dit volk niet een hoop boeren, wij zullen er spel genoeg mede hebben,--en staan zij niet onder de zoon van hun Vorst?"

"Konstabel De Nesle," riep d'Artois hem driftig tegen, "ik weet dat gij de Vlamingen uitermate bemint. Die liefde vereert u, inderdaad! Het is gewis uw dochter, die u zulke loflijke gevoelens inboezemt[124]?"

"Mijnheer d'Artois," antwoordde Rodolf, "omdat mijn dochter in Vlaanderen woont, belet mij dit niet zo goede Fransman als iemand te zijn; mijn degen heeft dit genoeg bewezen, en ik heb daarom reden te geloven dat deze ridders uw schertsende woorden geen gehoor geven zullen. Maar iets dat mij meer aan het hart ligt, is de eer des ridderschaps, en ik verzeker u dat gij dezelve in groot gevaar stelt."

"Wat duivel!" riep de Veldheer. "Zou men niet zeggen dat gij die muitelingen wilt verschonen! Hebben zij de dood niet verdiend, mits zij zevenduizend Fransen zonder genade hebben vermoord?"

"Zonder twijfel, zij hebben zich der dood schuldig gemaakt, ook zal ik de Kroon van mijn Vorst zoveel mogelijk wreken; maar dit slechts op die welke met het wapen in de hand zullen bevonden worden. Ik beroep al deze ridders, of het wel betaamt dat wij onze degens tot een beulenwerk gebruiken, en weerloze Laten vermoorden, terwijl zij op het veld aan het ploegen zijn?"

"Hij heeft gelijk!" riep Hugo van Arkel met gramschap. "Wij strijden tegen geen Moren, Mijne heren, en het is een schandelijk werk dat ons wordt voorgedragen. Denkt dat wij met christenen te doen hebben. Er stroomt ook nog Diets[125] bloed in mijn aderen, en ik zal niet lijden dat men mijn broederen als honden behandele; zij voeren de krijg in het open veld, en moeten dus volgens de wetten des oorlogs bestreden worden."

"Bij St.-Jacob mijn Patroon!" hernam d'Artois. "Is het mogelijk dat gijlieden die slechte boeren kunt voorstaan? Reeds heeft onze te goede Vorst alle andere middelen om hen te temmen beproefd, maar het is al om niet. Wij zouden dus onze mannen moeten laten vermoorden, onze Koning laten honen en lasteren, en dan nog het leven van die oproerige Laten moeten bewaren! Op mijn ziel, dit zal niet geschieden: ik weet welke bevelen mij gegeven zijn, en zal dezelve volbrengen en doen volbrengen."

"Mijnheer d'Artois," viel Rodolf de Nesle met heviger drift in, "ik weet niet welke bevelen gij ontvangen hebt, maar ik zeg u dat ik aan dezelve niet zal gehoorzamen, indien zij met de eer des ridderschaps strijdig zijn; de Koning zelf heeft geen recht om mij mijn wapens te doen besmetten.--En luistert, Mijne heren, of ik gelijk heb of niet: heden morgen ben ik heel vroeg uit het leger gegaan, ik heb overal de tekens der schrikkelijkste verwoesting gevonden. De kerken zijn verbrand en de altaren ontroofd, hopen lijken van jonge kinderen en vrouwen liggen in de velden, en worden door de raven verscheurd. Is dit de handelwijs van eerlijke krijgers?--Dit vraag ik u."

Deze woorden gesproken hebbende, stond hij van de tafel op, en hief een gedeelte van het deksel der tent omhoog.

"Ziet, Mijne heren," hernam hij in het veld wijzende, "laat uw ogen in alle richtingen gaan, gij treft overal de vlammen der verwoesting aan;--de hemel is met rook bezwart, ginds staat een ganse gemeente in brand. Wat betekent zulk een oorlog? Het is erger dan of de wrede Noormannen weder gekomen waren, om de wereld tot een moordkuil te maken!"

Robert d'Artois werd rood van toorn; hij bewoog zich ongeduldig in zijn zetel en riep: "Bij al de Heiligen des Hemels! Ik zal niet lijden dat men aldus in mijn tegenwoordigheid spreke. Ik weet wat ik te doen heb, Vlaanderen moet gevaagd worden; ik kan het niet helpen.--Deze redekaveling mishaagt mij zeer, en ik verzoek Mijnheer de Konstabel zich niet meer in dier voege uit te laten. Hij beware zijn degen zuiver, dit zullen wij ook doen: immers kunnen de daden onzer soldeniers ons niet ten schande worden. Laat ons derhalve dit spijtig gesprek eindigen, en dat een ieder zijn plicht doe."

Hij hief zijn gulden drinkschaal omhoog, en riep: "Op de eer van Frankrijk en de vernieling der muitelingen!"

Rodolf de Nesle herhaalde: op de eer van Frankrijk, en drukte met inzicht op die woorden. Elkeen verstond dat hij niet op de vernieling der Vlamingen wilde drinken. Hugo van Arkel plaatste zijn hand aan de beker die voor hem stond, doch hief hem niet van de tafel en sprak niet. Al de anderen herhaalden met nauwkeurigheid de roep van de Veldheer en dronken op de vernieling der Vlamingen.

Sedert enige ogenblikken had het gelaat van Hugo van Arkel een zonderlinge uitdrukking bekomen, misprijzen en spijt was erop te lezen; hij blikte stijf op de Veldheer, gelijk iemand die zich had bereid gemaakt om hem te trotsen.

"Indien ik nog op de eer van Frankrijk drinke, dan straffe mij God!" riep hij.

Robert d'Artois ontvlamde in woede, hij sloeg zo sterk met zijn schaal op de tafel dat de drinkvaten der andere ridders opsprongen.--Hij riep:

"Bij God, Mijnheer Van Arkel, gij zult op de eer van Frankrijk drinken ... Ik wil het!"

"Mijnheer," antwoordde Hugo met een geveinsde koelheid, "ik drink niet op de verwoesting van een christenland. Lang heb ik in alle gewesten gestreden, maar nooit heb ik ridders aangetroffen die hun geweten met zulke schriklijke euveldaden wilden bezwaren."

"Gij zult mij bescheid doen, ik wil het, zeg ik u!"

"En ik wil het niet," antwoordde Hugo. "Hoor, Mijnheer d'Artois, gij hebt mij reeds gezegd dat mijn mannen te hoge betaling eisten en dat zij u te duur stonden: welaan gij zult ze niet meer te betalen hebben, ik wil onder uw leger niet meer dienen; dus is ons geschil ten einde."

Al de ridders, ja de Veldheer zelf verbaasden bij dit gezegde, want zij aanzagen het vertrek van Hugo als een waar verlies. De Zeelander stiet zijn zetel achteruit, en riep, terwijl hij een zijner handschoenen op de tafel wierp: "Mijne heren, ik zeg dat gij allen liegt! Ik hoon u in het aangezicht. Daar is mijn handschoen, wie begeert, kan dezelve opnemen; ik beroep hem in het strijdperk."

Meest al de ridders grepen onstuimig naar de handschoen, ook Rodolf de Nesle; maar Robert d'Artois had zich zo haastig vooruitgeworpen, dat hij dezelve voor de anderen gevat had.

"Ik neem uw uitdaging aan," sprak hij. "Kom, wij gaan!"

De oude Koning Sigis van Melinde richtte zich op, en bracht zijn hand, als een teken dat hij spreken wilde, over de tafel. De grote eerbied, welke de twee kampers voor hem gevoelden, weerhield hen: zij bleven stilzwijgend staan om hem te horen.--De grijsaard sprak: "Mijne heren, gelieft uw drift een weinig te laten zinken, en geeft gehoor aan mijn raad. Gij, Graaf Robert, zijt in dit ogenblik niet meester over uw leven; indien gij sneuveldet, zou het leger van uw Vorst zonder Veldheer blijven, en diensvolgens aan de wanorde en de verdeeldheid blootgesteld worden: dit moogt gij niet wagen. U, Mijnheer Van Arkel, vraag ik, of gij aan de dapperheid van Mijnheer d'Artois twijfelt?"

"Geenszins," antwoordde Van Arkel, "ik erken Mijnheer Robert voor een onversaagd en moedig ridder."

"Welaan," hernam de Koning van Melinde, "gij hoort het, Veldheer, men doet uw eer niet te kort; er blijft u niets over dan de hoon, die Frankrijk geschied is, te wreken. Ik raad u beide de kampstrijd uit te stellen tot de dag welke op de slag volgen zal. Ik vraag u, Mijne heren, zegt het allen, is mijn raad niet op een wijze voorzichtigheid gevestigd?"

"Ja, ja," antwoordden de ridders, "tenzij de Veldheer aan een onzer de gunst wil bewijzen, voor hem de handschoen op te rapen."

"Men zwijge!" riep d'Artois. "Ik wil er niet van horen."

"Mijnheer Van Arkel, staat gij het uitstel toe?"

"Dit gaat mij niet aan, ik heb mijn handschoen geworpen, de Veldheer heeft hem opgenomen; hij bepale de tijd die hij bestemt, om dezelve mij weder te geven."

"Het zij zo," sprak Robert d'Artois. "Indien de slag niet tot zonsondergang duurt, zal ik u reeds dezelfde avond gaan zoeken."

"Geef u die moeite niet," antwoordde Hugo, "ik zal eer bij u zijn dan gij denken zult."

Nog enige bedreigingen stuurden zij elkander toe, doch dit ging niet verder.

"Mijne heren," viel de Koning Sigis in, "het betaamt niet dat gij langer daarover spreekt. Laat ons de koppen nog eens vol schenken, en vergeet uw euvele moed. Zet u neder, Mijnheer Van Arkel."

"Neen, neen," riep Hugo, "ik zit niet neer; op staande voet verlaat ik het leger. Vaartwel, Mijne heren, wij zullen elkander op het slagveld weerzien; God hebbe u onder zijn hoede!"

Hiermee ging hij uit de tent, en riep zijn achthonderd man bijeen; weinig tijds daarna hoorde men het geschater der bazuinen en het gerucht der wapenen van een wegtrekkende bende. Hugo van Arkel verliet de legerplaats der Fransen, en kwam nog dezelfde avond bij de Vlamingen, die hij zijn dienst aanbood. Het is te denken met wat blijdschap zij hem ontvingen, want hij en zijn mannen waren als onverwinnelijk befaamd, en die naam verdienden zij[126].

De Franse ridders hadden zich weer bij de tafel gezet, en dronken rustig. Terwijl zij over de vermetelheid van Hugo spraken, kwam er een wapenbode in de tent, dewelke zich eerbiediglijk voor de ridders boog: zijn kleding en wapens waren met stof bedekt, en het zweet liep van zijn voorhoofd.--Alles gaf te kennen dat hij zich op de reis zeer gespoed had en zich schier buiten adem had gelopen. De ridders bezagen hem met nieuwsgierigheid, terwijl hij een vel perkament onder uit zijn harnas toog. Hetzelve aan de Veldheer gereikt hebbende, sprak hij:

"Mijnheer, dit schrift betuigt u dat ik door Mijnheer Van Lens uit Kortrijk tot U gezonden ben, om u over onze nood te klagen."

"Welaan, spreek!" riep d'Artois met ongeduld. "Kan Mijnheer van Lens het kasteel van Kortrijk niet tegen een hoop voetgangers verdedigen?"