De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 26

Chapter 26 3,864 words Public domain Markdown

Het Vlaamse volk had zijn Edelen enigszins ten onrechte van trouwloosheid en lafheid beschuldigd; weliswaar een groot getal derzelve had zich openlijk voor Frankrijk verklaard, maar het getal der trouwgeblevenen was groter dan dit der bastaarden. Tweeënvijftig der bijzonderste Vlaamse ridders zaten in Frankrijk gevangen, zeker was het de liefde tot het Vaderland en tot hun Vorst, welke hen daartoe gebracht had; de andere trouwe Edelen, die in Vlaanderen woonden, vonden het niet eerlijk met een oproerig volk samen te spannen, voor hen was de renbaan of het slagveld de enige plaats waar hun wapendaden mochten geschieden. De zeden van die tijd hadden hun die gevoelens gegeven, want er was alsdan zoveel afstand tussen een ridder en een burger als er nu tussen de meester en zijn dienstknecht is. Zolang de strijd binnen de muren der steden en onder het bevel der volksaanleiders geschiedde, bleven zij in hun kastelen over de verdrukking des Vaderlands zuchten, maar nu Gwyde als wettige Veldoverste over zijn onderdanen gebood, kwamen zij uit alle heerlijkheden met hun Laten toegelopen[111].

De eersten dag des morgens kwamen de heren Boudewyn van Papenrode, Hendrik van Raveschoot, Ivo van Bellegem, Salomon van Zevekote en Mijnheer Van Maldegem met zijn twee zonen, te Kortrijk. Op de middag vloog het stof der baan in de richting van Moorsele als een wolk boven het omstaande geboomte. Terwijl de Bruggelingen van hun verschansingen hevig juichten, gingen er vijftienhonderd mannen van Veurne in de stad, aan hun hoofd en als bevelhebber hebbende de befaamde krijger Eustachius Sporkyn[112]. Een menigte ridders, die zij onderweg ontmoet hadden, vergezelden hen; onder dezen waren Mijnheer Jan van Ayshoven, Willem van Daknam en zijn broeder Pieter, Mijnheer Van Landegem, Hugo van der Moere, Simon van Kaster de voornaamsten. Jan Willebaert van Torhout had zich ook met enige mannen onder het bevel van Sporkyn geplaatst. Alle ogenblikken kwamen eenzame ridders bij het leger, zelfs waren er uit andere landen of graafschappen, die zich alsdan in Vlaanderen bevonden, en niet aarzelden tot de vrijmaking der Vlamingen mee te werken.--Zo waren Hendrik van Loncin uit Luxemburg, Goswyn van Goetsenhoven en Jan van Cuyck, twee edele Brabanders, reeds bij Gwyde, wanneer de mannen van Veurne in de stad kwamen. Al deze krijgslieden werden onmiddellijk, nadat zij in Kortrijk wat ververst waren, onder het bevel van Mijnheer Van Renesse in het leger geplaatst.

De tweede dag kwamen de Ieperlingen toegelopen. Alhoewel zij hun eigen stad bewaken moesten, wilden zij echter niet lijden dat men Vlaanderen zonder hun toedoen zou verlossen. Hun benden waren de schoonste en de rijkste die men zien mocht; er waren vijfhonderd knotsdragers, gans in scharlaken gekleed, met fraaie vedertjes op hun blinkende huiven; ook hadden zij kleine borstplaten en knieschijven, welke tegen de schijn der zon hevig glinsterden. Zevenhonderd andere mannen droegen overgrote kruisbogen met stalen veren, hun kleding was groen met gele boordsels[113]. Met hen waren de volgende heren: Jacob van leper, Wapendrager van de Graaf Jan van Namen, Mijnheer Diederik van Vlamertinge, Josef van Hollebeke, Boudewyn van Passendale; de Aanleiders waren Philip Baelde en Pieter Belle, Dekens der twee voornaamste ambachten van leper.

In de namiddag kwam het overige volk van het Oost- en Westvrije uit de omliggende dorpen van Brugge, ten getale van tweehonderd wel uitgeruste krijgslieden.

De derde dag voor de noen kwam Mijnheer Willem van Gulik, de Priester, met Jan van Renesse terug van Kassel. Vijfhonderd ruiters, vierhonderd Zeelanders en nog een bende Bruggelingen traden met hen in het leger[114].

De beroepen ridders en steden waren meest al aangekomen; alle soorten van wapenknechten bevonden zich onder het bevel van Gwyde. De blijdschap, die de Vlamingen gedurende deze dagen vervoerde, is onuitsprekelijk, nu zagen zij dat hun landgenoten zozeer niet verbasterd waren, en dat het Vaderland, op de ganse uitgestrektheid van de Vlaamse bodem, nog moedige mannen teelde: reeds waren er bij de eenentwintigduizend strijdbare krijgers onder de Standaard van de zwarte Leeuw gelegerd, en nog kwamen er onophoudelijk andere kleinere benden bij.

Alhoewel de Fransen een heir van tweeënzestigduizend man hadden, waarvan de helft te paard was, kon de minste vrees nu geen plaats meer in het hart der Vlamingen vinden. In hun opgetogenheid verlieten zij dikwijls hun werk om elkander te omhelzen, en dan spraken zij met zegepralende woorden alsof niets hun de overwinning kon ontroven.

Tegen de avond op het ogenblik dat zij met hun spaden naar de hutten gingen, rees de schreeuw "Vlaanderen de Leeuw!" opnieuw boven de muren van Kortrijk, iedereen liep terug naar de verschansing om te zien wat er te doen was. Zodra zij hun ogen buiten de legerplaats gewend hadden, antwoordden zij met luider en blijder kreten op de roep der Kortrijkers.--Zeshonderd ruiters gans met ijzer bekleed renden, tussen bruisend gejuich, binnen de legerplaats. Dit gevaarte kwam van Namen en was door Graaf Jan, broeder van Robrecht van Bethune, naar Vlaanderen gezonden[115]. Door de toekomst dezer hulp, werd de vreugde der Vlamingen nog heviger, want ruiterij ontbrak hun grotelijks. Niettegenstaande zij wel wisten dat de mannen van Namen hen niet verstonden, riepen zij hun allerlei welkomstgroeten toe, en brachten hun wijn in overvloed. De vreemde krijgers, die grote vriendschap ziende, voelden zich innerlijk tot wederliefde gedwongen, en zwoeren dat zij hun bloed voor zulke goede lieden wilden vergieten.

De enige stad Gent had op de roep niet geantwoord, nog geen enkel gezel was uit dezelve naar Kortrijk gekomen; men wist sedert lang dat Gent van Leliaards krioelde en dat het Magistraat gans voor de Fransen gezind was. Nochtans had men er zevenhonderd soldeniers verslagen, en Jan Borluut had zijn bijstand beloofd. In die twijfel dorsten de Vlamingen, die zich bij het leger bevonden, hun broederen van Gent niet met luider stem van verraderij beschuldigen, echter werden de Gentenaren door velen verdacht gehouden, en menig eenzame vloek, welkers doel men niet zou geraden hebben, was hun toegestuurd.

Des avonds, wanneer de zon sedert een uur achter het dorp Moorsele was verdwenen, waren al de arbeiders in hun tenten vertrokken. Men hoorde hier en daar een gezang, dat soms door het klinken der hanapsen werd opgevolgd en waarvan vele stemmen het slotvers juichend herhaalden; in andere tenten was het een verwarde redekaveling, uit dewelke men bij de roep "Vlaanderen de Leeuw!" verstaan kon, dat de sprekenden elkander tot onversaagdheid aanporden en de ontheffing hunner zielen elkander in ruwe en losse woorden mededeelden. In het midden der legerplaats, op een zekere afstand der tenten, brandde een groot vuur, hetwelk met zijn rode glans een gedeelte des legers verlichtte, een tiental mannen waren met deszelfs onderhoud belast; men zag ze beurtelings met grote boomtakken komen aangesleurd, en dan hoorde men de stem van een Overste, die riep: "Voorzichtig mannen! Let op, en roert het vuur zo niet:--jaagt de spranken niet boven het leger!"

Enige treden van die vuurgloed stond de hut der legerwacht, het was een dak met ossenhuiden overdekt, en waarvan het timmerwerk op acht zware opgaande balken rustte, de vier zijden waren open, opdat men in alle richtingen over de legerplaats mocht zien.

Jan Breydel met vijftig zijner mannen moesten die nacht waken, zij zaten allen op kleine houten stoelen rondom een tafel, onder het dak dat hen voor de dauw en de regen moest behoeden; hun bijlen ontvingen de schijn van het vuur en vlamden in hun handen alsof zij gloeiende wapens hadden gedragen. Schildwachten, die zij uitgezet hadden, kon men in de duisternis zien wandelen. Een grote kruik wijn en enige tinnen hanapsen stonden voor hen op de tafel, en alhoewel hun de drank niet ontzegd was, kon men echter wel bemerken dat zij met matigheid dronken, want zij brachten de hanaps zelden aan de mond. Zij lachten en klapten vrolijk om de tijd door te brengen, en vertelden op voorhand welke schone slagen zij de Fransen in de strijd zouden toebrengen.

"Welnu," riep Breydel, "men zegge dat de Vlamingen hun vaderen niet gelijken, wanneer een leger als het onze uit vrije wil te samen loopt! Laat de Fransen nu maar afkomen met hun tweeënzestigduizend man! Hoe meer wild hoe betere jacht. Zij zeggen dat wij een hoop slechte honden zijn, maar zij mogen God bidden dat zij niet terdege gebeten worden; die honden hebben goede tanden."

De beenhouwers lachten hartelijk om de schertsende woorden van hun Deken, zij bezagen met inzicht een stokoude gezel, wiens grijze baard zijner jaren getuigde. Een van hen riep hem toe: "Gij, Jacob, zult ze niet goed meer bijten kunnen!"

"Indien mijn tanden niet zo goed als de uwe zijn," morde de oude Maceclier, "heb ik toch een bijl die het bijten lang gewoon is. Ik zou met u wel twintig maten wijns verwedden, wie van ons beiden het meest Fransen naar de hel zenden zal."

"Dat gaat erom," riep de andere. "Wij zullen ze seffens uitdrinken,--ik ga ze halen."

"Ho! Ho!" viel Breydel uit. "Wilt gij u wel stil houden! Drinkt morgen; want, op mijn ziel, de eerste van Ulieden, die zich dronken maakt, zal ik in Kortrijk doen kerkeren, hij zal de strijd niet bijwonen."

Die bedreiging trof de Macecliers verwonderlijk; de woorden vergingen in hun mond, en geen van hen roerde nog een lid van zijn lichaam: de oude Maceclier alleen dorst nog spreken.

"Bij de baard van onze Deken!" riep hij. "Indien mij zulks moest gebeuren, liet ik mij nog liever in het vuur braden, gelijk Mijnheer St.-Laureys weleer gebeurd is, want ik zal zulk feest in mijn leven niet meer kunnen zien."

Breydel bemerkte dat zijn bedreiging het ganse gezelschap met vrees en droefheid had bevangen: dit beviel hem niet, daar hij zelf tot vrolijkheid genegen was. Willende dan de moed en de losse vreugd onder hen weder opwekken, vatte hij de kruik, en de hanapsen beurtelings vullende, sprak hij: "Wat duivel, mannen, waarom zwijgt gij nu? Daar, neemt en drinkt dat de wijn u de spraak teruggeve. Het spijt mij dat ik u dus toegesproken heb. Ken ik u niet? Weet ik niet dat het Macecliersbloed u door de aderen stroomt? Welaan, en dit gaat op uw welvaart, makkers!"

De uitdrukking van genoegen kwam plotseling op het gelaat der beenhouwers terug, en hun stilte eindigde met een lange lach, nu zagen zij dat de bedreiging van hun Deken enkel scherts was geweest.

"Drinkt maar," hernam Breydel, zijn beker vullende, "die kruik zij u gegeven, gij moogt ze tot de bodem ledigen. Uw gezellen die op de schildwacht staan, zal een andere bezorgd worden. Nu wij zien dat er uit alle steden hulp toekomt, en dat wij zo sterk worden, mogen wij dit geluk wel vieren."

"Ik drink ter schande van de Gentenaars!" riep een gezel. "Reeds lang weten wij, dat wie in hen zijn betrouwen stelt, op een gebroken stok steunt; maar dit is niets, zij mogen thuis blijven--dan heeft onze stad Brugge alleen de eer van de strijd en van de verlossing."

"Zijn de Gentenaren Vlamingen als wij?" sprak een andere. "Klopt hun hart voor de vrijheid? En wonen er ook wel Macecliers in Gent? Heil Brugge! Daar is de echte stam."

"Ho!" riep Breydel. "Er woont een man in Gent die een leeuwenhart heeft. Kent men Jan Borluut niet door de ganse wereld? Ik ben zeker dat, indien hij de zaak wilde onderzoeken, hij bevinden zou dat zijn vaders Macecliers waren, of zo iets dergelijks;--want Mijnheer Jan gelijkt aan een Gentenaar als een stier aan een schaap."

De beenhouwers vielen opnieuw in een schaterende lach uit; zij verstonden dat hun Deken wilde te kennen geven dat de Gentenaren schapen waren.

"En ik weet niet," ging Breydel voort, "waarom Mijnheer Gwyde om hun komst wenst; er is niet teveel nooddruft in het leger om nog meer eters tot de maaltijd te roepen. Denkt de Veldheer dat wij het spel zullen verliezen? Het is wel te zien dat hij te Namen gewoond heeft, hij kent de Bruggelingen niet, anders zou hij de Gentenaren niet begeren. Wij hebben hen niet nodig, of't kwaad vuur moet mij branden! Dat zij thuis blijven, wij zullen onze zaken zonder hen wel africhten--en daarenboven het zijn toch maar wankelaars!"

Als een echte Bruggeling beminde Breydel de Gentenaren niet. De twee voornaamste steden van Vlaanderen stonden van hun geboorte af altijd in geschil, niet dat de een moediger mannen dan de andere bezat, maar omdat zij, beide nijverig zijnde, elkanders koophandel poogden te roven en tot zich te trekken. Heden bestaat die haat tussen de inwoners van Gent en Brugge nog;--zo moeilijk is het het gemene volk zijn erfelijke inborst te ontroven, dat dit gevoel van naijver, ondanks al de omwentelingen, tot ons overgekomen is.

Op die wijze ging Breydel voort met zijn makkers te redeneren; er werd menig honend scheldwoord tegen de Gentenaren uitgesproken, totdat dit stuk ten einde zijnde, zij weer op een ander voorwerp het gesprek lieten vallen. Eensklaps werd hun aandacht door een vreemd gerucht gaande gemaakt; zij hoorden op enige treden achter de tent een gekijf, alsof twee mannen aan het vechten waren; allen stonden op om te gaan zien wat dit zijn mocht, maar eer zij de tent konden verlaten, kwam er een Maceclier, die op schildwacht gestaan had, met een andere persoon, welke hij met geweld voorttrok, bij hen: "Meester," sprak hij, terwijl hij de vreemdeling in de tent stiet, "deze Spreker heb ik achter het leger gevonden; hij ging aan al de hutten luisteren en sloop als een vos met zachte treden door de duisternis: lang heb ik hem gevolgd en bespied. Voorzeker schuilt enig verraad eronder, want zie hoe de schelm beeft."

De man, welke hij in de tent gebracht had, was met een blauwe kolder gekleed,--een mutsje met een veder op zijn hoofd. Een lange baard bedekte de helft van zijn aangezicht. In de linkerhand hield hij een klein speeltuig dat wel naar een harp geleek, en scheen op hetzelve een deuntje voor het gezelschap te willen spelen. Hij sidderde van vrees, en zijn gelaat was bleek, alsof het leven hem ging verlaten; het was zichtbaar dat hij de blik van Jan Breydel wilde ontwijken, want hij wendde het hoofd om naar de andere zijde, opdat de Deken zijn wezenstrekken niet zou gezien hebben.

"Wat komt gij in het leger doen?" riep Breydel. "Waarom luistert gij aan de tenten? Antwoord spoedig!"

De Zanger antwoordde in een spraak welke naar het Hoog-Duits zweemde, en deed gissen dat hij ergens in een ander deel des lands thuis behoorde: "Meester, ik kom van Luxemburg, en heb Mijnheer Van Loncin te Kortrijk een boodschap gedragen. Men heeft mij gezegd dat een mijner broederen in het leger is, en ik was gekomen om hem te zoeken. Ik ben bang en bevreesd, daar de schildwacht mij voor een bespieder heeft aanzien; maar ik hoop dat gij mij niet zult schaden." Breydel, die zich voor de Dichter met medelijden voelde ingenomen, zond de schildwacht terug, en de vreemdeling een stoel wijzende sprak hij:

"Gij moet van zulke lange reis vermoeid zijn. Daar, mijn schone Spreker, zet u neer. Drink, die hanaps is uwe. Gij zult ons enige liedjes zingen en wij zullen u voorschenken. Heb moed, gij bevindt u tussen goede lieden."

"Vergeef het mij, Meester," antwoordde de Zanger, "ik kan hier niet blijven, want Mijnheer Van Loncin wacht mij. Ik denk dat gij de begeerte van die edele ridder niet zult tegengaan met mij langer te wederhouden."

"Er moet een lied zijn!" riepen de beenhouwers. "Hij gaat niet heen, of er moet een lied gezongen zijn!"

"Bij de duivel," riep Breydel, "zo gij ons het vermaak van enige liedjes te horen niet wilt geven, dan hou ik u hier tot morgen. Indien gij met goede wil begonnen waart, zoudt gij nu reeds gedaan hebben. Zing, ik beveel het u!"

De benauwdheid van de Dichter vermeerderde bij het dwingend bevel, met moeite kon hij de harp in de hand blijven houden, want hij beefde zodanig dat de snaren van het speeltuig, zijn klederen rakende, een geluid gaven en enige twijfelachtige tonen in het oor der beenhouwers zonden; dit vergrootte hun lust nog meer.

"Wilt gij spelen of zingen?" riep Breydel. "Want zo gij u niet spoedt, zal u iets kwaads gebeuren."

De Zanger, tot de dood toe verschrikt, bracht zijn bevende vingeren op de harp en haalde slechts valse en verwarde tonen uit het speeltuig. De beenhouwers bemerkten stellig dat hij er niet op spelen kon.

"Het is een bespieder!" riep Breydel. "Ontkleedt hem en onderzoekt of hij geen verraad op zich draagt."

In een ogenblik waren de bovenklederen hem van het lijf gerukt, en niettegenstaande hij smekend om genade bad, werd hij in dit onstuimig onderzoek van de ene kant naar de andere gestoten.

"Hier, hier heb ik het!" riep een beenhouwer, die zijn hand tussen het wambuis, op de borst van de onbekende gestoken had. "Hier is het verraad!"

Zijn hand uit het wambuis getogen hebbende, hield hij in dezelve een vel perkament dat in drie- of vierdubbel was gevouwen, en waaraan een zegel hing, welke voor het breken met vlas omwonden was. De Dichter stond stom alsof hij de dood voor zich had gezien; hij morde enige onverstaanbare woorden, die niet door de beenhouwers gehoord werden, terwijl hij de Deken met angst aanzag.

Jan Breydel vatte het perkament, en hetzelve ontvouwen hebbende, bleef hij het lange tijd bestaren zonder dat het hem iets kon verklaren; in die tijd waren er buiten de Geestelijken weinig personen die lezen konden, zelfs waren de Edelen meestal nog in de grootste onwetendheid gedompeld.

"Wat is dit, schelm dat gij zijt?" schreeuwde Breydel. "Het is een brief van Mijnheer Van Loncin ..." stamelde de geveinsde Dichter met gebroken woorden.

"Wacht!" hernam de Deken. "Ik zal het welhaast zien." Hij nam zijn kruismes, en sneed het er omgewonden vlas van de zegel. De leliebloemen, het wapen van Frankrijk gezien hebbend, sprong hij vloekend vooruit, en vatte de onbekende bij de baard. Hem bij dezelve heen en weer slingerende, viel hij uit: "Het is een brief van Mijnheer Van Loncin, gij verrader? Neen het is een brief van de Kastelein van Lens, en gij zijt een bespieder. Zo de duivel u op staande voet niet weghaalt, zult gij een bittere dood sterven, booswicht!"

Dit zeggende trok hij met zoveel geweld aan de baard van de bespieder dat de linten, waarmede hij dezelve aan zijn hoofd gebonden had, losbraken, en dan herkende Breydel zijn gelaat. Hij stiet hem met zoveel gramschap achteruit dat hij tegen een der stijlen van de tent bonsde.

"O Brakels! Brakels! Uw laatste uur is gekomen!" riep Breydel als verschrikt van dit verschijnsel.

De oude Maceclier, die men om zijn slechte tanden bespot had, sprong op Brakels en hem met de handen bij de keel gevat hebbende, drukte hij hem zo vast tegen de stijl, waarop Breydel hem geworpen had, dat de ogen van de lijdende in zijn hoofd draaiden, want onder de nijpingen van de Maceclier kon de verrader niet meer ademen; hij ware weldra verworgd geweest indien de beweging, die hij om los te raken deed, van tijd tot tijd hem niet toegelaten had zijn benauwde borst te ontlasten.

Het geschreeuw der beenhouwers had een menigte volks gewekt, dat uit alle tenten uit nieuwsgierigheid kwam toegelopen, de een zonder kolder, de andere zonder wambuis; zodra zij de oorzaak des geruchts vernamen, begonnen zij met razernij om het lichaam van Brakels te roepen.

"Geeft hem ons!" schreeuwden zij. "Zijn bloed! Zijn lijf!" Breydel vatte de oude Maceclier bij de schouders, en rukte hem Brakels weg, roepende: "Besmeur u niet met het bloed van de verrader. Hij is te verachtelijk, anders zou hij reeds door mijn handen gestorven zijn."

"Neen, bij God!" riep de Maceclier, zijn bijl opheffende. "Ik wil mij aan dit spel vermaken. Men wint een plaats in de hemel, wanneer men een landverrader doodslaat. Laat mij doen, Meester, ik bid u, om Gods wil, maar een kap!"

Brakels zat geknield te gronde en smeekte met gevouwen handen om lijfsgenade, hij kroop tot bij de Deken en zuchtte: "O Meester, heb toch medelijden met mij ... Ik zal het Vaderland met trouw dienen ... Dood mij toch niet!"

Breydel bezag hem met woede en verachting, en hem de voet in de zijde plaatsende, schopte hij hem ineens tot aan de andere kant der tent.--Intussentijd hadden de beenhouwers de grootste moeite om de duizenden mannen, die vol wraakzucht rondom de tent bezig waren met vloeken en schreeuwen, eruit te houden: "Geeft ons zijn lijf!" riep de woedende schaar. "In het vuur, in het vuur!"

"Ik wil niet," sprak Breydel met een dwingende blik tot zijn mannen, "dat het bloed van die slang uw bijlen rake.--Men geve hem aan het volk over."

Dit bevel was zijn mond nog niet ontgaan, of er kwam een man uit de schaar, die een strop om de hals van Brakels wierp: dan het eind daarvan bij honderden in de hand nemende, trokken zij de verrader achterover en sleepten hem uit de tent. Zijn bange gillen versmolten in het bruisend gejuich der menigte. Na hem rond het leger gesleurd te hebben, kwamen zij altijd huilende, bij het vuur, en trokken hem vier of vijf malen dwars erdoor totdat de kolen, die op zijn aanzicht kleefden, hem onkennelijk hadden gemaakt. Hun loop dan weer hernemende, verdwenen zij met het dode lichaam in de duisternis. Lang nog hoorde men hun kreten in de verte, en lang nog martelden zij het lijk van de verrader totdat het gans verminkt en een uur later aan een galg bij het vuur ten toon hing. Ieder keerde naar zijn tent terug, en de grootste stilte volgde op dit schaterend gerucht.

21

_Vlaendren en de Leu! es onse gecri._

LODEWYK VAN VELTHEM

Gwyde had bevel gegeven dat het ganse leger, ieder onder zijn Aanleider, des anderendaags 's morgens op de Groeningekouter voor de legerplaats moest geschaard staan; hij wilde een algemene monstering doen.

Volgens dit bevel hadden de Vlamingen zich op de aangewezen plaats kundiglijk in een vierkant geschikt, het was als de vier grondmuren van een gebouw. Elke schaar bestond uit acht opeengesloten gelederen: de vierduizend wevers van Deconinck vormden het oppereinde van de rechtervleugel. Het eerste gelid zijner bende waren allen schutters, wier zware kruisbogen achterover op hun schouders lagen, terwijl ijzeren schichten aan hun zijden in een koker hingen; zij hadden geen ander behoedwapen dan een grove ijzeren plaat, welke hun met vier riempjes over de borst gebonden was. Boven de zes diepere gelederen staken duizenden speren tien voet in de hoogte; dit wapen, de beruchte Goedendag, was door de Fransen het meest gevreesd want met hetzelve kon men een paard gemakkelijk doorboren, geen harnas kon tegen deszelfs geweldige steek behoeden, elke ruiter, die erdoor geraakt werd, viel onfeilbaar uit de zadel.

Op dezelfde zijde stonden ook de zwierige Ieperlingen, hun voorste gelid bestond uit vijfhonderd zwaarlijvige mannen wiens kleding zo rood als het fijnste koraal was. Van hun fraaie helmen vielen donzige vederbosjes op hun schouders, grote knotsen, met stalen punten bezet, stonden met het dikke einde bij hun voet, terwijl het handvest met hun vuist tegen hun lenden rustte. Kleine ijzeren platen waren ook aan hun armen en billen geriemd. De andere gelederen dezer schone schaar waren allen in het groen gekleed; de stalen bogen staken afgespannen boven hun hoofden.