De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 25
De bode kwam op de 5 juli 1302 bij Gwyde, en gaf hem de beklagelijke toestand der goede stad Kortrijk te kennen, hem in de naam der Burgers alle hulp en onderdanigheid belovende. De jonge Graaf werd bij dit verhaal diep getroffen, en besloot zich zonder beiden naar de ongelukkige stad te begeven. Mits Willem van Gulik al de krijgsknechten naar Kassel gevoerd had, wist Gwyde geen ander middel dan de ambachten van Brugge op te roepen. Hij deed onmiddellijk al de Dekens in de opperzaal van het Prinsenhof ontbieden, en ging zelf met de ridders, die zich reeds bij hem vervoegd hadden, derwaarts; een uur hierna waren de geroepen Dekens ten getal van dertig in het aangewezen vertrek vergaderd, zij stonden met ontdekt hoofd aan het einde der zaal en wachtten stilzwijgend op hetgeen men hun ging zeggen. Deconinck en Breydel, als zijnde de hoofden der twee voornaamste ambachten, bevonden zich vooraan. Mijnheer Gwyde zat in een rijke leunstoel tegen de wand van het oppergedeelte der zaal; rondom hem stonden de heren Jan van Lichtervelde en de heer van Heyne, beiden Beers van Vlaanderen[106], de heer van Gavere, wiens vader door de Fransen voor Veurne was vermoord, de heer van Bornem, Tempelridder, de heer Robrecht van Leeuwergem, Boudewyn van Raveschoot, Ivo van Bellegem, Hendrik heer van Lonein, Luxemburger, Goswyn van Goetsenhoven en Jan van Cuyck, Brabanders, Pieter en Lodewyk van Lichtervelde, Pieter en Lodewyk Goethals van Gent, en Hendrik van Petershem. Adolf van Nieuwland bevond zich aan de rechterzijde van de jonge Graaf en sprak gemeenzaam met hem.
In het midden van de afstand, die tussen de Dekens en de ridders was, stond de bode van Kortrijk.--Zodra iedereen op zijn behoorlijke plaats was, beval Gwyde de bode dat hij zijn boodschap voor de Dekens zou herhalen. Hij gehoorzaamde aan dit gebod en zegde: "Mijne heren, de goede lieden van Kortrijk doen u door mij kennen dat zij de Fransen uit hun stad verjaagd hebben, en dat er vijfhonderd derzelve zijn doodgeslagen; maar nu bevindt de stad zich in de grootste nood. De verrader Van Lens heeft zich op het kasteel begeven, hij schiet dagelijks met vlammende pijlen op de huizen, en reeds is het rijkste gedeelte der stad in as gelegd. Mijnheer Arnold van Oudenaarde is de Kortrijkers bijstand komen geven, doch hun vijanden zijn te talrijk. In die akelige toestand bidden zij de heer Gwyde, in het bijzonder, en hun vrienden van Brugge in het algemeen, om hulp, hopende dat zij geen dag langer zullen wachten om hun benauwde broeders te gaan verlossen. Dit is hetgeen de goede lieden van Kortrijk u doen zeggen."
"Gij hebt het gehoord, Dekens," sprak Gwyde, "een onzer beste steden is in gevaar van gans vernield te worden: ik geloof niet dat de roep uwer broederen van Kortrijk vruchteloos zijn zal, het is ook die twijfel niet, die mij dus doet spreken, maar de zaak eist spoed; uw medewerking alleen kan hen uit die benauwdheid redden, derhalve verzoek ik u in allernaast uw ambachten te wapen te roepen. Hoeveel tijds hebt gij nodig om uw benden voor de tocht te bereiden?"
De Deken der wevers antwoordde: "Deze namiddag, doorluchtige heer, zullen vierduizend gewapende wolwerkers op de Vrijdagmarkt staan, waar gij het beveelt, zal ik ze voeren."
"En gij, meester Breydel, zult gij er u ook bevinden?"
Breydel kwam met trotse moed vooruit, en antwoordde: "Edele Graaf, uw dienaar Breydel zal u niet min dan achtduizend gezellen leveren."
De grootste verwondering deed zich onder de ridders op.
"Achtduizend!" riepen zij tegelijk.
"Ja, ja, Mijne heren," hernam de Deken der beenhouwers, "achtduizend of meer. Al de ambachten van Brugge behalve de wevers hebben mij tot hun Aanleider verkozen, en God weet hoe ik die hulde zal erkennen! Deze middag reeds, indien UEdele het beveelt, zal de Vrijdagmarkt met uw trouwe Bruggelingen overdekt zijn:--en ik mag zeggen dat UEdele aan mijn beenhouwers duizend leeuwen in zijn leger heeft; want er zijn geen mannen meer gelijk de Macecliers.--Hoe eer, hoe liever, edele heer, onze bijlen beginnen te roesten."
"Meester Breydel," sprak Gwyde, "gij zijt een dappere en waarde onderdaan mijns vaders. Het land, waar zulke mannen geboren worden, kan niet lang in slavernij blijven; ik dank u om uw goedwilligheid."
Een vriendelijke glimlach der omstaande ridders betoonde hoe aangenaam hun de woorden van Breydel geweest waren. De Deken keerde terug tussen zijn makkers en suisde in het oor van Deconinck: "Ik bid u, Meester, belg u niet omdat ik dit aan Mijnheer Gwyde gezegd heb. Gij zijt en blijft mijn overste, want zonder uw raad zou ik niet veel goeds uitrichten. Mijn rede heeft u immers niet verstoord?"
De Deken der wevers drukte de hand van Breydel, ten teken van vriendschap en toestemming.
"Meester Deconinck," vroeg Gwyde, "hebt gij mijn verzoek aan de ambachten kenbaar gemaakt? Zullen mij de nodige gelden bezorgd worden?"
"De ambachten van Brugge," was het antwoord, "stellen al hun middelen ter uwer beschikking, edele heer. Het gelieve u enige dienaren met een geschreven bevel naar het Pand te zenden, er zullen hem zo veel marken zilvers als het UEdele zal believen, worden afgeleverd. Zij bidden u dat gij hen niet spaart, de vrijheid kan hun niet te duur staan."
Op het ogenblik dat Gwyde de dienstwilligheid der Bruggelingen door dankbare woorden wilde erkennen, ging de deur der zaal open, en al de ogen stuurden zich met verbaasdheid op een monnik, die stoutelijk, zonder geroepen te zijn, in de zaal kwam en tot bij de Dekens naderde. Een kolder van zwaar bruin laken was hem met een koord om het middel gebonden; een zwarte kap hing over zijn hoofd en verborg zijn gelaatstrekken in zulker voege, dat men hem niet herkennen kon. Hij scheen zeer oud, want zijn rug was gebogen en een lange baard hing op zijn borst. Met een vluchtig oog bezag hij beurtelings al de ridders en drong met stoute blik tot in de grond hunner harten, dit was tenminste hetgeen hij zichtbaar poogde te doen. Adolf van Nieuwland herkende in hem dezelfde monnik, welke hem de brief van Robrecht van Bethune had gebracht, en meende hem met luider stem te groeten, maar de bewegingen van de monnik werden zo zonderling dat de woorden op de lippen van de jonge ridder vergingen. Al de bijzijnde personen werden door toorn vervoerd: het stoute onderzoek, dat de onbekende op hen gericht had, was een hoon, die zij niet gewilliglijk verdroegen; echter gaven zij die gramschap niet te kennen, ziende dat het raadsel zich ging oplossen.
De monnik, zijn navorsing geëindigd hebbende, ontknoopte de koord van zijn lenden, wierp zijn kolder en zijn baard op de grond en bleef te midden der zaal staan. Hij hief het hoofd op, en vertoonde zich als een man van bij de dertig jaar met een zwierige en trotse gestalte, de ridders beziende alsof hij vragen wilde:--Welnu, herkent gij mij?
Maar de omstaanders antwoordden niet ras genoeg naar zijn begeerte; dan riep hij: "Mijne heren, het schijnt UEdele vreemd een vos onder die kolder te vinden, het is evenwel twee jaar lang dat ik er onder woon."
"Welkom! Welkom, onze duurbare vriend Diederik!" riepen de Edelen tegelijk. "Wij dachten dat gij lang dood waart."
"Dan moogt gij God danken dat ik verrezen ben," hernam Diederik de Vos. "Maar neen, ik was niet dood: onze gevangen broeders en Mijnheer Van Nieuwland kunnen dit getuigen. Ik heb ze allen getroost, want als een reizende Priester mocht ik bij de gevangenen gaan; de Heer vergeve mij het Latijn dat ik gesproken heb! Ja, ja, Mijne heren, lacht niet, ik heb Latijn gesproken. Ik breng tijdingen van al onze ongelukkige landgenoten voor hun bloedverwanten of vrienden."
Enigen der ridders wilden hem over het lot der gevangenen ondervragen, maar hij weerde dit af en ging voort: "Om Gods wil, vraagt mij nu niets over dit punt, ik heb u gewichtiger zaken te verhalen. Luistert en beeft niet, want al schertsend breng ik u een droevig nieuws. Gij hebt het juk afgeschud en nu zijt gij vrijgevochten, ik betreur dat ik dit feest niet heb mogen bijwonen. Eer zij u, edele ridders en goede Burgers, dat gij het Vaderland verlost hebt: ook verzeker ik u dat, indien de Vlamingen binnen vijftien dagen geen nieuwe boeien hebben, al de duivelen der hel niet bekwaam zullen zijn om hun de vrijheid nog te ontroven;--maar daaraan twijfel ik sterk."
"Verklaar u dan, Mijnheer Diederik," riep Gwyde, "verklaar uw voorgevoel en maak ons niet bevreesd door onverstaanbare woorden."
"Welaan, ik zeg u dat er voor de stad Rijsel tweeënzestigduizend Fransen gelegerd zijn.[107]"
"Tweeënzestigduizend!" herhaalden de ridders, elkander met benauwheid beziende.
"Tweeënzestigduizend!" herhaalde Breydel, terwijl hij zijn handen met blijdschap in elkander wreef. "O God, wat schone kudde!"
Deconinck liet het hoofd voorover hellen, en zonk in diepe bedenking; dit was altijd het eerste dat de vernuftige Deken der wevers in de uiterste omstandigheden deed. Dan berekende hij spoediglijk het gevaar en de middelen om het af te weren.
"Ik verzeker u, Mijne heren," hernam Diederik de Vos, "dat er meer dan tweeëndertigduizend ruiters en wel zo veel voetknechten zijn. Zij roven en verkrachten alsof zij daardoor de hemel verdienen moesten."
"Zijt gij wel zeker van die kwade tijding?" vroeg Gwyde met angst. "Heeft degene, die u dit gezegd heeft, u niet bedrogen, Mijnheer Diederik?"
"Neen, neen, edele Gwyde, ik heb het met mijn ogen gezien en heb gisteravond in de tent van de Seneschalk Robert d'Artois gegeten. Hij heeft op zijn eer voor mij gezworen dat de laatste Vlaming door zijn hand zal sterven. Ziet nu wat gij doen kunt, wat mij betreft: ik ga ten spoedigste een harnas aandoen; en al ware het dat ik alleen tegen die tweeënzestigduizend vervloekte Fransen moest vechten, zou ik geen voet achteruit gaan; ik wil de slavernij van Vlaanderen niet meer zien."
Jan Breydel kon zich geen ogenblik stilhouden; hij verplaatste gedurig zijn voeten en bewoog de armen met onrust. Indien hij had mogen spreken! Maar de eerbied voor de bijzijnde heren weerhield hem. Gwyde en de andere Edelen bezagen elkander met radeloze droefheid: tweeëndertigduizend welgeoefende ruiters! Dit scheen hun te veel om weerstand te kunnen bieden. In het Vlaamse leger waren slechts de vijfhonderd Naamse ruiters die Gwyde met zich gebracht had: wat vermocht dit klein getal tegen de schrikkelijke hoop der vijanden?
"Wat zullen wij doen?" vroeg Gwyde. "Hoe zullen wij het Vaderland toch redden?"
Enigen waren van gevoel zich in de stad Brugge op te sluiten, totdat het Franse leger uit gebrek aan levensmiddelen zou vertrekken; anderen weder wilden recht tegen de vijand optrekken en hem des nachts overvallen. Nog meer middelen werden er voorgesteld doch de meeste werden als schadelijk verworpen, en de andere waren onuitvoerbaar.
Deconinck stond nog met gebogen hoofd te denken; hij luisterde wel op hetgeen er gezegd werd, maar dit belette hem niet in zijn overwegingen voort te gaan.
Eindelijk vroeg Gwyde hem welke middelen hij in zulke droeve toestand kon aanwijzen.
"Edele heer," antwoordde Deconinck, het hoofd oprichtende, "indien ik bevelhebber was, zou ik mij op de volgende wijze gedragen: in aller haast zou ik met de ambachten van Brugge naar Kortrijk vertrekken om de Kastelein van Lens te verjagen, dan zouden de Fransen die stad niet als de steunplaats hunner werkingen in ons land kunnen gebruiken; daardoor zouden wij een veilige bergplaats voor de vrouwen en kinderen en voor onszelf hebben, want Kortrijk met het kasteel is sterk, terwijl Brugge, gelijk het nu is, geen enkele stormloping kan uitstaan. Ik zou reeds op het tegenwoordig uur dertig boden te paard in al de steden van Vlaanderen zenden met de tijding der komst van de vijand, en al de Klauwaards naar Kortrijk roepen; insgelijks zou ik Mijnheer Van Gulik en Mijnheer Van Renesse derwaarts doen komen. In dier voege, edele Graaf, ben ik zeker dat er binnen vier dagen dertigduizend strijdbare Vlamingen in het leger zijn zullen, en dan moeten wij de Fransen zozeer niet vrezen."
De ridders luisterden met een plechtig stilzwijgen, zij bewonderden de buitengewone man, die in zo korte ogenblikken een algemeen krijgsontwerp gevormd had en zulke heilzame maatregelen voor hen ontvouwde. Alhoewel zij de bekwaamheid van de Deken kenden, konden zij met moeite zich overtuigen dat een wever, een man uit het gemene volk, met zoveel vernuft kon begaafd zijn.
"Gij hebt meer verstand dan wij allen," riep Diederik de Vos, "ja ja, dit zij zo gedaan, wij zijn sterker dan wij dachten. Nu verdraait het blad; ik geloof dat de Fransen zich hun komst zullen berouwen."
"Ik dank God dat hij u deze gedachte heeft ingeboezemd, meester Deconinck," hernam de jonge Graaf. "Uw goede diensten zullen niet onbeloond blijven. Ik wil mij volgens uw raad gedragen, want hij spruit uit de diepste wijsheid. Meester Breydel, ik hoop dat gij de mannen, die gij ons beloofd hebt, zult aanbrengen."
"Achtduizend heb ik gezegd, edele Graaf," viel Breydel uit. "Welaan! Nu zeg ik tienduizend. Ik wil niet dat er een enkel gezel in Brugge blijve, jong en oud het moet er al tegenwoordig zijn. Ik zal wel zorgen dat de Fransen ons niet ineens over het lichaam zullen lopen,--en deze Dekens, mijn vrienden, zullen dit ook doen, ik weet het."
"Voorwaar, edele heer," riepen de Dekens tegelijk, "er zal niemand ontbreken, want iedereen verlangt de strijd."
"De tijd is te kostelijk om ons nog langer op te houden," sprak Gwyde. "Gaat nu spoedig uw ambachten vergaderen; binnen twee uur zal ik tot de tocht veerdig zijn, en aan het hoofd van uw scharen op de Vrijdagmarkt mij bevinden. Gaat, ik ben voldaan over uw toegenegenheid en moed."
Allen verlieten de zaal. Gwyde zond op staande voet een groot getal boden in alle richtingen, met bevelen voor de Edelheren die nog getrouw aan het Vaderland gebleven waren; insgelijks deed hij aan Willem van Gulik boodschappen dat hij met Mijnheer Jan van Renesse te Kortrijk komen moest[108].
De schriklijke tijding verspreidde zich op weinig tijds door de stad. Naarmate het nieuws van de ene tot de andere overging, vergrootte het getal der vijanden verwonderlijker wijze, weldra waren de Fransen, volgens het rondlopend gezegde, tot boven de honderdduizend man sterk. Het is te denken hoe bang en hoe bedroefd de vrouwen en kinderen op die aankomende dood werden; in alle straten zag men wenende moeders, die haar benauwde dochters met liefde en medelijden omarmden. Het was zichtbaar in haar stijve ogen, dat zij voor haar nog een schrikkelijker kwaad dan de dood vreesden: de kinderen huilden, omdat zij hun moeder zagen wenen, en beefden, zonder het gevaar, dat hen bedreigde, gans te verstaan. De smartvolle klachten, en de uitdrukking van de stervensnood, welke op het gelaat dier zwakke schepsels te lezen stond, streden verwonderlijk met de trotse en onrustige houding der mannen.
Van alle kanten kwamen de ambachtslieden met hun wapens aangelopen; het geratel der ijzeren platen, die sommigen aan het lichaam hingen, klonk krijsend in het oor, en mengde zich, als in een spotgezang, met het akelig wee! wee! der benauwde vrouwen en kinderen. Wanneer enige mannen elkander in de straat ontmoetten, bleven zij een ogenblik staan, om zich enige woorden toe te sturen en dan vloekten zij dat zij wilden sterven of zegepralen. Hier en daar voor de deur ener woning zag men een huisvader zijn vrouw en zijn kinderen beurtelings omhelzen; maar dan vaagde hij welhaast de droeve traan uit zijn ogen, en verdween, als een schicht, met zijn wapens in de richting der Vrijdagmarkt. De moeder bleef lang nog op de dorpel harer woning staan, en bezag nog lange tijd de hoek, achter dewelke de vader harer kinderen was verdwenen. Dit vaarwel scheen haar een eeuwig afscheid, tranen barstten overvloedig onder haar wimpers uit; dan hief zij haar snikkende kinderen van de grond, en liep vol wanhoop naar binnen.
De ambachten stonden sedert korte tijd in lange rijen op de Vrijdagmarkt geschaard; Breydel had zijn belofte volbracht, hij telde twaalfduizend gezellen van allerlei ambachten onder zich. De bijlen der beenhouwers blonken als spiegels in het zonnelicht, en maakten de aanschouwer blind, want men blikte niet ongestraft in die brede vuurgloed. Boven de schaar der wevers staken tweeduizend Goedendags met hun ijzeren punten in de hoogte; onder hen was ook een bende met kruisbogen. Gwyde stond op het midden der plaats, met een twintigtal edele ridders rondom zich; hij wachtte totdat de overige gezellen, die men om de in de stad zijnde karren en paarden gezonden had, terugkwamen. Een wever door Deconinck naar de klokkentoren gezonden, kwam op dit ogenblik met het grote vaandel van Brugge op de Markt: zohaast de ambachtslieden de blauwe Leeuw ontwaarden, klom een schriklijk geschreeuw, een vervoerend gejuich boven hun scharen: zij herhaalden zonder ophouden dezelfde roep, die in de bloedige nacht het teken der wraak geweest was.
"Vlaanderen de Leeuw! Wat wals is, vals is!"
En dan bewogen en wrongen zij hun wapens alsof de vijand reeds voor hen geweest ware.
De legertros op de wagens geladen zijnde, hieven de bazuinen hun schaterende klanken aan, en de Bruggelingen verlieten, met vliegend vaandel hun stad langs de Gentpoort. Wanneer de vrouwen zich aldus zonder één beschermer zagen, werden zij met nog meer benauwdheid bevangen; nu scheen het haar dat zij niets meer dan de dood te verwachten hadden. In de namiddag verliet Machteld de stad met al haar dienaren en vrouwen: dit vertrek gaf aan vele anderen de gedachte dat zij in Kortrijk veiliger zouden kunnen wonen. Meteen werd alles door haar ingepakt, en de deuren gesloten hebbende, gingen zij met haar kinderen ter Gentpoort uit.--Ontellijke huisgezinnen liepen in dier voege met verscheurde voeten op de weg naar Kortrijk, en zaaiden hun bittere tranen tussen het gras dat bij de boord der baan groeide.
In Brugge werd het zo stil als in een graf.
* * * * *
20
_Groot is de held die aen het hoofd van dappren, Ten steun en schuts der vryheid snelt; De vaderlandsche vlag ontrolt en weêr doet wappren Zoo lang door dwinglandy gehoond en neêrgeveld._
PH BLOMMAERT
Het was duister nacht wanneer Gwyde met omtrent zestienduizend Bruggelingen te Kortrijk aankwam. De inwoners, door vooruitgezonden ruiters bericht zijnde, stonden in menigte boven de wallen der stad, en ontvingen hun Landheer, bij het toortslicht, met blijde juichingskreten. Zodra het leger zich binnen de muren geschaard had, brachten de Kortrijkers alle slag van eetwaren, ganse vaten wijn schonken zij hun vermoeide broeders voor, en bleven de gehele nacht bij hen op de vest; het zou onmogelijk geweest zijn de omhelzingen, die zij in hun vervoerdheid elkander gaven, te tellen. Gedurende die uitstorting van broederlijke liefde, waren er veel anderen, die de afgematte kinderen en vrouwen op de weg tegemoet gingen, om hen van het huisraad te ontlasten. Genoeg dier zwakke schepsels, welkers voeten door het gaan bezeerd waren, werden op de brede schouders der behulpzame Burgers van Kortrijk stedewaarts gedragen: allen werden geherbergd, en zorgvuldig gevoed en getroost. De dankbaarheid der Kortrijkers en hun vurige vriendschap vergrootte de moed der Bruggelingen zeer, want altijd wordt der mensen ziel bij edele gevoelens verheven.
Machteld en Maria, de zuster van Adolf van Nieuwland, met nog een groot getal Edelvrouwen uit Brugge waren reeds enige uren te Kortrijk eer het leger aankwam; zij hadden zich bij hun kennissen gehuisvest, en hadden insgelijks de herbergen voor de ridders, hun bloedverwanten of vrienden voorbereid; in zulker voege dat de edellieden, die met Gwyde waren, het avondmaal bij hun aankomst mochten nutten.
Des anderdaags, in de vroege morgen, ging Gwyde met enige voorname inwoners de vestingwerken van het kasteel bezichtigen; tot zijn grote droefheid bevond hij dat men hetzelve niet zonder de zwaarste stormtuigen kon verwinnen. De muren waren al te hoog, en uit de torens, welke boven dezelve uitstaken, kon men te veel pijlen op de belegeraars werpen. Hij begreep dat de minste roekeloze poging hem duizend mannen kosten zou; zich dan met wijsheid beraamd hebbende, besloot hij de stormloping niet vermetel te beginnen. Hij gebood dadelijk dat men stormrammen en valtorens moest bouwen, en dat men de in de stad zijnde oorlogstuigen zou aanbrengen; deze laatste bestonden in enige springalen en een klein getal blijden[109]. Het was denkelijk dat men het kasteel niet voor de vijf dagen later zou kunnen bespringen: dit uitstel was de Kortrijkers nu zo schadelijk niet meer, want sedert de aankomst des Vlaamsen legers had de Franse bezetting opgehouden met vuurpijlen op de stad te werpen; men zag de wachten voor de stormgaten der torens met hun kruisbogen wel gereed staan, maar zij schoten echter niet. De Vlamingen wisten de oorzaak hiervan niet, zij dachten dat enige list eronder verborgen lag, en hielden van hun kant een nauwkeurige wacht. Alle aanval was door Gwyde verboden; hij wilde niets wagen vooraleer, zijn stormtuigen klaar zijnde, hij de zege zeker mocht zijn.
De Kastelein van Lens was in de uiterste nood, zijn schutters hadden slechts een klein getal pijlen meer over; dus gebood hem de voorzichtigheid dezelve tot een aanval te bewaren. Ook was de lijftocht zodanig verminderd dat hij de bezetting niet meer dan de helft van de gewone nooddruft kon geven. Hij hoopte dat de waakzaamheid der Vlamingen enigszins zou verminderen, en dat hij de gelegenheid zou kunnen vinden om een bode naar Rijsel in het Franse leger te zenden.
Arnold van Oudenaarde, die enige dagen vroeger met driehonderd man tot bijstand der Kortrijkers was gekomen, had zich onder de stadswallen op de Groeningekouter, omtrent de Abdij, met zijn volk neergeslagen. De ligging was hoogst voordelig voor een algemene legerplaats en werd in de krijgsraad, welke door Gwyde was bijeengeroepen, tot die bestemming verkozen. Reeds des anderdaags, terwijl het ambacht der timmerlieden aan de stormtuigen werkte, werden de andere Vlamingen buiten de stad geleid om de begrachting der legerplaats te graven[110]. De wevers en beenhouwers kregen elk een houweel of een spade, en begaven zich met drift aan het werk; de verschansing werd als door toverij verheven,--het ganse leger wedijverde aan de arbeid, het was als een strijd. De spaden en houwelen klommen en daalden zo snel dat men ze met het gezicht niet volgen kon, en de aarde vloog in dikke vlokken boven de verschansing, als de ontellijke stenen welke een belegerde stad op de vijand werpt.
Naarmate er een deel der aardewerken voltooid was, kwamen andere mannen er de tenten tegenplaatsen. Van tijd tot tijd lieten de arbeiders hun werktuigen in de grond steken en klommen met haastigheid boven de verschansing; dan liep er een algemene welkomstgroet boven het leger en de schreeuw, Vlaanderen de Leeuw! Vlaanderen de Leeuw! deed zich nog in de verte als een antwoord horen.--Dit geschiedde iedermaal dat er bijstand uit andere steden aankwam.