De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 24
Zij liep de ridder haastig tegemoet en opende de armen om hem met een liefderijke omhelzing te ontvangen. Van zijn kant had Adolf dezelfde beweging gedaan, maar een zonderlinge aandoening weerhield hen beiden in de onstuimige drift der zo lang beklemde tederheid. Een maagdelijke schaamte kleurde het voorhoofd van Machteld met een vurig rood, en haar opgeheven armen daalden langzaam nevens haar lichaam. De pijn, die Adolf beving, is niet uit te drukken. Zodra zijn blik op de uitgeteerde wangen van Machteld viel, en dat hij, in plaats zijner aanminnelijke verloofde, niets meer dan een levend geraamte voor zich zag staan, liep een ijskoude siddering over zijn leden; het bloed zijner wangen keerde plotseling in de geschokte boezem terug, en zijn aangezicht werd bleker dan het witte kleedsel zijner vriendin. Zijn armen vielen ook neer, en, met de ogen hardnekkig op de magere wangen zijner vriendin gevestigd, stond hij zo beweegloos, alsof de donder hem had getroffen. Hij bleef slechts een ogenblik in deze zonderlinge houding; eensklaps liet hij zijn ogen ter aarde gaan, en een vloed der bitterste tranen rolde met glinsterende paarlen over zijn wangen. Hij sprak echter geen enkel woord; zelfs kwam geen klacht, geen zucht over zijn lippen. Misschien had hij lange tijd in de stilte der wanhoop geweend, want zijn hart was al te fel door de smart benepen, om het door woorden te kunnen ontlasten; maar zijn zuster Maria, die uit eerbied voor Machteld zich tot daar weerhouden had, wierp zich eensklaps om zijn hals, en wekte hem door de zoenen, welke zij, tussen tedere woorden, op de wangen haars beminden broeders zo menigmaal herhaalde.
De jonge Edelvrouw staarde met diepe ontroering op de uitdrukking dezer zusterlijke tederheid; zij beefde, en de grootste verslagenheid dreef het rood van haar voorhoofd. De bleekheid, die op Adolfs gelaat gekomen was, en de ontsteltenis, die hem zo zichtbaar had bevangen, hadden haar gezegd: gij zijt lelijk, uw uitgeteerde wangen verschrikken, uw verdoofde ogen boezemen vrees en afgrijzen in, de man zelf, die gij bemint, heeft voor uw dodenblik gesidderd!
Ditmaal weende de ongelukkige Jonkvrouw niet. Een hartstocht, veel pijnlijker dan de wanhoop, trof haar op dit ogenblik, en de maat van haar lijden was tot stortens toe opgevuld. Een sombere minnenijd drong als een degen door haar hart. Adolf zal mij niet meer beminnen, dacht zij: wie de geurige roos lief heeft, raapt derzelver gele bladen niet op, wanneer zij door de wind in het dal verstrooid zijn. En ik--ik heb slechts in al mijn rampen een hoop bewaard--en nu--nu vergaat die zachte droom, ik zal sterven. O Heer, hij beminne mij niet meer..."
Zo folterde zich de bange maagd alhoewel niets haar tot deze droeve gissingen aanleiding had gegeven;--maar zo zijn de rampzaligen, zij bederven het geluk dat hun toelacht. Terwijl een duistere wanhoop de weinige levenskrachten in haar nog verminderde, gevoelde zij dat haar bevende benen haar niet meer dragen konden. Met moeite ging zij tot bij een leunstoel en zakte slap en afgemat in dezelve; zij verborg het hoofd in haar twee handen alsof zij zich aan een pijnigend verschijnsel wilde onttrekken, en bleef in die houding zitten. Na enige ogenblikken hoorde zij niets meer in de kamer, de grootste stilte omringde haar, en zij beeldde zich in dat men haar wredelijk had verlaten. Dit gedacht schokte haar hevig;--dan liet zij de handen van haar aangezicht gaan. Maar welke zalige ontroering veranderde alsdan haar smart in vreugde? Wat strelend gezicht bracht alsdan een onuitsprekelijke glimlach op haar lippen?
Adolf zat voor haar geknield. In de blikken, welke hij haar stilzwijgend toestuurde, glimde de vurigste liefde, de diepste tederheid die een mannenhart kan opsluiten, op zijn smekend gelaat zweefde iets zo zoet als het gebed eens engels, terwijl hem warme tranen ontvielen.--Daar zat hij gelijk hij zich steeds in de dromen der lijdende Jonkvrouw had vertoond. Zijn hand reikte haar de groene sluier, die hij weleer als een liefdepand ontvangen had.
Een hart dat mint, verstaat de toonloze taal van een ander minnend hart; ook wachtte het verrukte meisje niet op de woorden des ridders. Zij zag en verstond dat Adolf zo liefderijk als tevoren voor haar ademde, en dat er meer tederheid in zijn hart was dan zij had durven hopen.
"O mijn Vriend! Mijn Adolf!"
Alsof zij door een onweerstaanbare kracht gedreven was, wierp zij zich vooruit, en viel in de armen van Adolf, die van de vloer was opgestaan.
Wie zou de zaligheid dezer twee zielen kunnen afschetsen? Wie zou kunnen beschrijven wat vervoerende blijdschap hun boezems zo fel tegen elkander deed kloppen? Hij, die de tranen, welke zij tussen hun liefdezoenen vergoten, in een zilveren schaal had vergaderd, zou mogen zeggen hebben: ik bezit de vrucht van het hoogste geluk dat de stervelingen op aarde mogelijk is. Zij omhelsden elkander met gretigheid, er was iets wreeds in hun drukkingen, zozeer deed hen de minnegloed verdwalen. Ongehoorde klanken rolden over hun lippen: het scheen dat hun zielen geweld deden om nog onbekende woorden te vinden; want de gewone taal was niet vlammend genoeg voor de hartstocht, die hen uit de wereld voerde.--Eindelijk zonk de drift een weinig, en na de opgetogenheid bleef het gevoel van een zoet en rustig geluk in hun harten.
Machteld liet haar welbeminde los en trok met vluchtige beweging een andere zetel nevens de hare; dan sprak zij: "Plaats u daar, dicht nevens mij, mijn vriend, geef mij uw hand, dat ik ze bezitte; mijn vader heeft ze mij geschonken. Weet gij dit wel, o mijn bruidegom? Ja, mijn bruidegom! Weet gij dat niets ons meer kan scheiden, dat gij mij behoort, dat onze liefde zuiver is voor God, nu mijn vader mij gezegd heeft: bemin hem totdat mijn hand de uwe te samen voege en dat de zegen eens Priesters u aan elkander hechte. O geluk! Ik voel het leven en de kracht in mij terugkomen; genezen zal ik, Adolf. Ik voel het, de rozen die gij bemint, zullen op de wangen uwer echtgenote nog blinken. Kom nog dichter bij mij, mijn vriend!"
Adolf staarde, zonder spreken en met stijve blik, in de ogen van het meisje, zijn wezenstrekken gaven zijn ongeloof voor zulk een onverwacht geluk te kennen. Dit roerend toneel had Maria in stilte aanschouwd: alhoewel zij evenzeer naar de liefkozingen haars teruggekeerden broeders dorstte, was zij edelmoedig genoeg geweest om de gelieven door geen enkel woord te storen; haar hart was zo goed, zo teder! Ook beloonde de deugd zichzelf in haar; want al de aandoeningen van vreugd en gelukzaligheid, die haar broeder en zijn verloofde gesmaakt hadden, waren ook voor haar geweest. Zij ook mocht zeggen, nooit heeft mijn ziel in zulke wellust gezwommen.--Zij kwam met een leunstoel bij de bedaarde minnares en plaatste zich aan de andere zijde haars broeders.
Adolf gaf de ene hand aan zijn lieve Machteld en de andere aan zijn dierbare zuster.--Zo zat hij te midden der twee blijde vrouwen als een geest des troosts, wiens woorden men als een heilig lied afwacht.
"O mijn Vrouwe, goede Machteld," sprak hij, "gij hebt veel geleden. Maar geloof ook dat ik in uw afwezendheid geen rustig uur gehad heb; die sluier, het pand uwer genade, zal het u beter dan mijn woorden zeggen."
Machteld nam de sluier en bezag dezelve met een blik vol dankbaarheid en medelijden voor Adolf.
"Gij hebt over mij geweend, mijn vriend, gij hebt deze gift met uw tranen bevochtigd; het zilte smartwater heeft mijn geliefde verf doen vergaan! Maar nu--nu is er geen lijden meer voor ons--mijn hart en mijn hand zijn de uwe..."
"Mijn genadige Vrouw," antwoordde de ridder, "hoe edelmoedig zijt gij voor uw dienaar! Zult gij, Machteld, mijn bruid zijn? O hemel, dit geluk heb ik niet verdiend. Waarom toch, o doorluchtige Vrouw, waarom bemint gij mij zo tederlijk?"
"Ik bid u, Adolf, noem mij niet met de naam van Vrouw. Welhaast zal de heilige band des huwelijks mij uw dienares maken, noem mij voor dit ogenblik nog dikmaals uw Machteld, uw vriendin, uw welbeminde. Ik bid u, die woorden zullen mij meer verblijden, mijn vriend."
"Welaan het zij zo!" riep Adolf in opgetogenheid uit. "Mijn geluk is oneindig.--Ja, Machteld, gij zijt de vrouw die ik bemin, mijn bruid, mijn welbeminde... nietwaar? Ik zal u dan waarlijk bezitten... O Machteld, aangebeden beeld, indien mijn hart voor u open ligt, zie dan wat ik gevoel!"
Alsof de nodige woorden hem ontbraken, wrong hij de magere vingeren der Jonkvrouw in zijn hand en hij blikte als beschaamd, te gronde.
"Mijn vriend, mijn bruidegom," zuchtte Machteld, "ja gij verdient nog meer liefde. Spreek nu van onzer beider vader, en geef mij goed nieuws."
"Verblij u, Machteld, dank God om zijn goedheid. Uw vader is wel droef, maar echter in goede gezondheid te Bourges teruggekeerd; niemand dan de oude Kastelein en Diederik de Vos kennen zijn tijdelijke loslating. Hij geniet nog vrijheid in zijn gevangenis, de vijanden die hem moeten bewaren, zijn zijn beste vrienden geworden."
"Maar indien de boze Johanna de hoon, die Frankrijk geschied is, aan hem wilde wreken, wie zou hem dan voor haar beulen bewaren? Gij zijt niet meer met hem, mijn edele vriend."
"Zie, Machteld, de wachten, aan wie het kasteel van Bourges toevertrouwd is, zijn altemaal oude krijgers, die, door zware wonden, tot wijde tochten onbekwaam zijn geworden. De meesten onder hen hebben de wapenfeiten van de Leeuw van Vlaanderen te Benevent gezien. Gij kunt niet begrijpen wat liefde, wat bewondering een echte krijgsman gevoelt voor degene wiens naam de vijanden van Frankrijk zo dikwijls deed sidderen. Indien Mijnheer Van Bethune zonder oorlof van de Kastelein, hun Meester, wilde ontvluchten, zouden zij hem ongetwijfeld wederhouden. Maar ik verzeker u, want ik ken de edelmoedigheid dier krijgers, die onder het harnas grijs geworden zijn, ja ik durf zweren dat zij het bloed, dat hun overblijft, voor hem zouden vergieten, indien men een haar van het hoofd dat zij eerbiedigen, wilde afrukken. Vrees niet, het leven uws vaders is veilig, en indien uw nieuwe rampen hem zozeer niet hadden getroffen, hij zou zijn opsluiting met geduld verdragen."
"Gij brengt mij zo goed nieuws, mijn vriend, uw woorden zinken zo zoet in mijn verkwikte boezem! Ik voel mij bij uw liefderijke glimlach herleven;--spreek nog, dat ik de klanken uwer stem in mijn hart moge vergaderen."
"Nog zoetere hoop heeft de Leeuw mij voor u gegeven, Machteld. Misschien is de verlossing uws vaders aanstaande, misschien zult gij eerlang met hem en al uw bloedverwanten in het schone Wijnendale zijn."
"Wat zegt gij, mijn vriend? Uw liefde boezemt u deze woorden in. Streel mij toch niet met een onmogelijk geluk."
"Wees ook niet zo ongelovig, Machteld. Luister waarop deze blijde hoop gevestigd is: gij weet dat Charles de Valois, de edelste Fransman, de braafste ridder, zich in Italië heeft vertrokken. Hij heeft aan het Hof van Rome niet vergeten dat hij de onplichtige oorzaak der aanhouding uwer bloedverwanten geweest is. Het pijnt hem zeer, daar hij denken moet dat hij zelf als een verrader zijn vriend en wapenmakker, de Leeuw van Vlaanderen, in de handen zijner vijanden geleverd heeft; ook doet hij alle mogelijke pogingen om zijn verlossing te bewerken. Reeds hebben de zendelingen van de Paus Bonifacius zich bij de Koning Philippe le Bel aangeboden, het Hof van Frankrijk heeft zich tot vrede geneigd getoond. Laat ons die troostende hoop omhelzen, mijn vriendin."
"Voorzeker, Adolf, omhelzen wij die troostende gedachte, maar hoe toch strelen wij ons met een bedrieglijk vooruitzicht. Zal de Vorst der Fransen zijn omgekomen soldeniers niet wreken? Zal De Chatillon, onze bittere vijand, zijn wrede nicht Johanna niet opstoken? Denk toch, Adolf, welke martelpijnen die bloeddorstige vrouw kan uitvinden om ons over de dapperheid der Vlamingen te straffen."
"Plaag u zelf niet, mijn lieve, uw vrees is niet gegrond. Misschien ook zal de schriklijke ondergang zijner soldeniers aan Philippe le Bel doen begrijpen dat de Vlamingen zich nooit de Fransen ten onder zullen geven. Zijn eigen belang zal hem dwingen onze Landheren los te laten, anders verliest hij het schoonste Leen zijner Kroon. Gij ziet, mijn welbeminde, dat alles ons toelacht."
"Ja, ja, mijn Adolf, in uw tegenwoordigheid verlaat mij gans mijn droefheid. Gij spreekt zo wel, zulke zoete tonen kunt gij in mijn hart doen klinken."
Lang nog spraken zij met bedaardheid over hun vrees en hun hoop. Wanneer Adolf al de liefdewoorden, die zolang in zijn boezem hadden besloten gelegen, voor zijn aangebeden Machteld had uitgestort, sprak hij ook met broederlijke tederheid tot zijn zuster. Er ontstond onder hen een kalme redekaveling, die hen verwonderlijk vrolijk en verheugd maakte. Machteld vergat al haar geleden rampen, haar borst ademde vrijer en met meer kracht, en de adertjes, die als een weefsel op haar wangen lagen, vervulden zich met een warmer bloed.
Eensklaps hoorde men een bruisend gerucht in de straten opstijgen. Duizenden stemmen galmden boven de daken der huizen, en de vreugderoepen der menigte verwarden zich brommend door elkander: bij pozen kon men echter enige der kreten verstaan.
"Vlaanderen de Leeuw! Heil, heil onze Graaf!" riep het vervoerde volk met blijde handgeklap. Adolf was met de Vrouwen bij het venster genaderd. Zij zagen de ontellijke hoofden der drijvende scharen als een wolk naar de Markt ijlen: vrouwen en kinderen bevonden zich ook in de stroom, welke voorbij de nieuwsgierige Edelvrouwen als met wentelende golven rolde. In een andere straat hoorden zij de kletterende galmen der stappen van een grote menigte paarden. Alles deed hun gissen dat er op dit ogenblik een leger ruiterij in Brugge was gekomen. Terwijl zij elkander naar de waarschijnlijke oorzaak dier volksbeweging vroegen, kwam een dienstknecht aankondigen dat er een bode oorlof verzocht om in hun tegenwoordigheid te mogen verschijnen. Zodra het bevestigend antwoord gegeven was, trad de bode in de kamer.
Het was een jonge Hofknaap, een lieflijk kind, op wiens gelaat de onnozelheid en de trouw te lezen stonden: zijn kleding was van zwarte en blauwe zijde, halflijfs, met allerhande zwierige versiersels. Wanneer hij op een kleine afstand der Vrouwen genaderd was, ontdekte hij zich met eerbied, en boog het hoofd diep en zonder spreken.
"Wat goed nieuws brengt gij ons, lieve knaap?" vroeg Machteld met vriendelijkheid.
Nu hief de Hofknaap het hoofd op, en antwoordde met zijn zoete kinderstem: "Aan de doorluchtige dochter van de Leeuw, onze Graaf!--Ik breng een boodschap van mijn heer en meester Gwyde, die op dit ogenblik met vijfhonderd ruiters in de stad gekomen is. Hij laat zijn schone nicht, Machteld van Bethune, van zijnentwege groeten, en zal binnen weinig stonden zijn vurige toegenegenheid haar zelf bewijzen. Deze mijn boodschap zij u kond gedaan, mijn Edelvrouw."
Hiermede stapte hij met gebukt hoofd achteruit tot bij de deur, en vertrok[99].
De jonge Gwyde van Vlaanderen was volgens de belofte, die hij in het woud, bij de puinen van Nieuwenhove aan Deconinck gedaan had, met de besproken hulp van Namen gekomen. Onderweg had hij het kasteel Wijnendale ingenomen en er de Franse bezetting neergehakt. Insgelijks had hij het slot te Sijsele tot de grond vernield, omdat de Kastelein een gezworene Leliaard was, en de Fransen een schuilplaats binnen zijn muren had gegeven[100]. De zegepralende komst van Gwyde vervoerde de Bruggelingen met blijdschap: in alle straten juichte de menigte met herhaalde kreten: "Heil onze Graaf! Vlaanderen de Leeuw!"
Zodra de jonge Veldheer met zijn ruiters op de Vrijdagmarkt gekomen was, brachten de ouderlingen hem de sleutels, en alzo werd hij als tijdelijke Graaf van Vlaanderen ingehuldigd, tot aan de verlossing van Robrecht van Bethune, zijn broeder. De Bruggelingen achtten hun vrijheid nu volkomen, trouwens nu hadden zij een Vorst die hen kon ten oorlog voeren. De ruiters werden bij de voornaamste Burgers gehuisvest. Zo groot was de drift en de verwarring, dat men vocht om de toom van een paard te grijpen, want ieder wilde een der gezellen van de Graaf met zich hebben.--Men kan denken hoe gulhartig en hoe mildelijk deze behulpzame ruiters onthaald werden.
Wanneer Gwyde de regering, door Deconinck ingericht, bevestigd had, ging hij zonder verbeiden naar de woning van Van Nieuwland, omhelsde zijn kranke nicht meermalen en vertelde haar met vrolijke woorden hoe hij de Fransen uit het geliefde Wijnendale verjaagd had. Een kostelijke maaltijd, welke Maria voor de gelukkige terugkomst haars broeders had doen bereiden, ontving hen allen. Zij dronken de wijn der vreugde op de verlossing der gevangen Vlamingen, en gaven nog een traan aan de smartelijke heugnis der vergeven Philippa.
* * * * *
19
_ Met zweet en stof was hy bedekt.--Hy nadert De wapenzael waer ze allen zyn vergaderd Knielt voor den Vorst ter neêr en maekt hem kond Wat krygsgevaer hun toesnelt in dien stond. De Vorst ryst op, hy slaet zyn blik in 't rond En roept terwyl de woed' hem nog doet siddren, Te wapen voor het Land! voor God te wapen, Riddren!_
JA DELAET
Na de schrikkelijke nacht, in dewelke het bloed der Fransen zo overvloedig werd vergoten, kwamen De Chatillon, Jan van Gistel en de weinige anderen, die de dood ontvlucht waren, binnen de muren van Kortrijk. In deze stad was nog een talrijke bezetting, welke op het sterke kasteel in veiligheid kon verblijven: het was die plaats waarop de Fransen het meest betrouwden om haar onverwinnelijke vestingwerken. De Chatillon was wanhopig over zijn nederlaag, een stomme razernij deed zijn boezem in wraaklust blaken. Hij trok nog enige vaandels soldeniers uit andere steden om Kortrijk tegen alle aanval te versterken, en gaf er het opperbevel van aan de Kastelein van Lens, een bastaardvlaming. In allerhaast bezocht hij insgelijks de overige grenssteden, en voorzag dezelve met de nog overblijvende benden uit Picardië; hij gaf het bevel van Rijsel aan de Kanselier Pierre Flotte[101], vertrok naar Frankrijk, en kwam te Parijs bij het Hof van de Koning, die de nederlaag zijner krijgsknechten reeds had vernomen. Philippe le Bel ontving de Landvoogd van Vlaanderen met toorn, en verweet hem dat zijn dwingende beheersing de oorzaak van al deze onheilen was. Wellicht zou De Chatillon voor altijd in ongunst vervallen zijn; maar de Koningin Johanna, die de Vlamingen niet lijden kon, en zich in derzelver verdrukking had verheugd, wist haar oom De Chatillon zo wel te verschonen dat Philippe zich eindelijk meer tot dankzegging dan tot verwijt verplicht achtte. Dit zo beleid zijnde, keerde de Franse Vorst zijn mismoed tegen de Vlamingen, en zwoer dat hij zich over hen ten volle wreken wilde.
Reeds was er een leger van twintigduizend man bij Parijs vergaderd, om het Koninkrijk Majorca uit de handen der ongelovigen te gaan verlossen: dit waren de benden waarvan de bijeenroeping door Robrecht van Bethune aan de Vlaamse Heren was kenbaar gemaakt. Met dit leger zou men tegen Vlaanderen ten krijg hebben kunnen trekken, maar Philippe wilde geen nederlaag wagen; hij besloot de wraak nog enige tijd uit te stellen, om meer mannen te velde te kunnen brengen. Meteen werd er, door buitengewone boden, een roep door heel Frankrijk gezonden; het werd de Baanderheren des Rijks kond gedaan dat de Vlamingen zevenduizend Fransen vermoord hadden, en dat de Vorst zijn Leenmannen zo spoedig mogelijk met hun Laten te Parijs riep, om die hoon te gaan wreken. In die tijden waren de wapendaden en de oorlog de enigste bezigheden der Edellieden, zij verheugden zich zodra er ergens te strijden was; het is dus niet te verwonderen dat zij op die roep antwoordden. Uit alle gedeelten van het wijde Frankrijk kwamen de Leenheren met hun gewapende Laten toegelopen, en in weinig dagen bevond het Franse leger zich boven de vijftigduizend man sterk.
Benevens de Leeuw van Vlaanderen en Charles de Valois, was Robert d'Artois een der moedigste krijgsoversten van Europa; boven deze twee eerste ridders bezat hij nog die ondervinding en ervarenheid, welke hij uit zijn talrijke tochten geput had; nooit was het harnas acht volle dagen van zijn lichaam geweest, en zijn haren waren onder de helm vergrijsd. De onverbiddelijke haat, welke hij tegen de Vlamingen droeg, omdat zijn enige zoon door hen te Veurne verslagen was, dreef de Koningin Johanna aan om hem tot Seneschalk-bevelhebber des legers te doen benoemen; dit was haar niet moeilijk, want niemand kwam dit eervol ambt meer toe dan Robert d'Artois[102].
Gebrek aan geld en de dagelijkse aankomst der Leenheren uit verre heerlijkheden hielden deze macht nog enige tijd in Frankrijk. De al te grote drift, welke de Fransen gewoonlijk in hun tochten gebruikten, was hun menigmaal verderfelijk geweest; zij hadden ten hunnen koste geleerd dat de voorzichtigheid ook een macht is; derhalve wilden zij zich ditmaal van alles voorzien en met meer beleid te werk gaan.--De boze Koningin van Navarra ontbood Robert d'Artois bij haar en dreef hem aan om alle wreedheden in Vlaanderen te plegen. Onder andere gebood zij hem: dat men de borsten van al de Vlaamse zeugen afsnijden en al haar biggen met het zwaard doorspeten zou, en dat men de honden van Vlaanderen zou doodslaan; de honden van Vlaanderen waren de dappere mannen, die met het staal in de vuist voor het Vaderland strijden zouden. Deze schandelijke woorden door een Koningin, door een vrouw gesproken, zijn, ten bewijze harer wreedheid in de Kronieken bewaard[103].
Gedurende dit uitstel versterkten zich de Vlamingen grotelijks. Mijnheer Van Borluut had de Gentenaren tegen de bezetting hunner stad doen opstaan en dreef de Fransen uit Gent, zevenhonderd derzelve bleven in dit oproer dood. Oudenaarde en meer andere gemeenten maakten zich insgelijks vrij, in dier voege dat er geen vijanden meer overbleven dan in de sterke steden, waar de gevluchte Fransen te saam gelopen waren[104]. Willem van Gulik, de Priester, kwam met een goede bende boogschutters uit Duitsland in Brugge; zodra Mijnheer Jan van Renesse zich met vierhonderd Zeelanders bij hem vervoegd had, vertrokken zij beiden, met hun volk en een goed getal vrijwilligers, naar Kassel, om de Franse bezetting te bespringen en te verjagen. Die stad was ongemeen sterk gemaakt, en kon niet gemakkelijk gewonnen worden; Willem van Gulik had op de medewerking der Burgers gerekend, maar deze werden zo wel door de Fransen bewaakt dat zij zich niet dorsten roeren. Dit verplichtte Mijnheer Willem een regelmatige belegering aan te vangen, het duurde vrij lang eer hij zich de nodige werktuigen had bezorgd.
De jonge Gwyde was in de voornaamste steden van West-Vlaanderen met blijde toejuichingen ontvangen geweest; zijn tegenwoordigheid had er velen moed gegeven, en tot de verdediging des Vaderlands aangepord: op dezelfde wijs had Adolf van Nieuwland de mindere vlekken bezocht om het volk te wapen te roepen.
In Kortrijk lagen bij de drieduizend Fransen onder het bevel van de Kastelein van Lens. In stede van zich door goede behandelingen bij de burgerij lijdelijk te maken, begingen deze bijeengeraapte krijgsknechten alle soorten van gewelddadigheden,--maar dit verveelde de Kortrijkers spoedig. Door het voorbeeld der andere steden aangemoedigd stonden zij tegelijk tegen de Fransen op, en versloegen er meer dan de helft; de overigen vloden in aller ijl op het kasteel, en versterkten zich tegen de aanval des volks. Om zich te wreken, schoten zij met vlammende pijlen op de stad en staken de schoonste gebouwen in brand. Al de huizen rondom de Markt en het Begijnhof werden door het vuur tot de grond vernield[105]. De Kortrijkers belegerden het kasteel met veel moed en onversaagdheid, echter was het hun niet mogelijk de Fransen zonder andere hulp te verjagen; met het droevig vooruitzicht van hun stad weldra gans te zien afbranden, zonden zij een bode naar Brugge, om Mijnheer Gwyde dringend om bijstand te smeken.