De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 23
De ogen der ontelbare Burgers wendden zich gedurig naar die man, en dan werd de schreeuw: "Heil Deconinck! Heil de blauwe Leeuw!" met meer kracht hernomen. Zodra de Deken der wevers met de standaard bij de Vrijdagmarkt naderde, kwam een dolle blijdschap de harten der beenhouwers vervullen; zij ook herhaalden menigmaal de juichende zegeroep, en drukten elkander de handen met een vurige liefde; trouwens het gevoel der Vaderlandsmin ontsteekt de harten in edele driften. Breydel wierp zich als zinneloos vooruit, kwam onder de standaard, en reikte zijn twee handen met een merkbaar ongeduld tot de Leeuw. Deconinck bood het vaandel aan de Deken der beenhouwers, en sprak: "Daar, mijn vriend, dit hebben wij heden herwonnen,--het zinnebeeld onzer vrije vaderen!"
Breydel antwoordde niet, zijn hart was te vol: bevend van ontroering sloeg hij zijn armen om de doek van de Standaard, en omhelsde alzo de blauwe Leeuw. Hij verborg het hoofd in de vouwen der zijde, en weende enige ogenblikken zonder zich te bewegen; dan liet hij het vaandel los, en kwam in de uiterste opgetogenheid tegen de borst van Deconinck vallen.
Terwijl de twee Dekens elkander vuriglijk in de armen drukten hield het volk niet af met roepen: er bleef een juichend gerucht,--een vervoerend geschreeuw boven die duizend hoofden drijven, en een vlottende beweging gaf hun onrustige blijdschap te kennen. De Vrijdagmarkt was niet wijd genoeg om al de bijzijnde Burgers een plaats te verlenen; hoezeer zij ook tot smachtens toe opeengesloten waren. De Steenstraat was tot bij St.-Salvatorskerk nog vol mensen; insgelijks waren de Smeden- en Boeveriestraten tot op een zekere afstand met de min onstuimige vrouwen en kinderen overdekt.
De Deken der wevers keerde zich naar het midden der Markt, en naderde bij de nog rechtstaande galg. De lichamen der gehangen Vlamingen waren er afgedaan en reeds begraven; maar de acht stroppen had men er met inzicht aangelaten, als een gedenkteken der dwingelandij. De Standaard met de Brugse leeuw werd bij het moordtuig geplant, en dan met nieuwe vreugdekreten begroet.--Nadat Deconinck nog eens zijn ogen naar het herkochte wapen had opgeheven, zonk hij langzaam te gronde, knielde, liet het hoofd nedergaan--en bad met saamgevoegde handen.
Wanneer men een steen in een slapend water laat vallen loopt de beweging in bevende kringen over de ganse uitgestrektheid van de plas. Het gedacht en het inzicht van Deconinck verspreidde zich op dezelfde wijs onder de Burgers, alhoewel de meesten hem niet zagen. Eerst knielden en zwegen die welke om hem stonden, dezen deelden die beweging aan de anderen mede, en zo zonken al de hoofden beurtelings: de stemmen vergingen eerst in het midden van de wijde kring, en verminderden steeds totdat de grootste stilte onder de scharen gekomen was. Achtduizend knieën raakten de nog bebloede grond en achtduizend hoofden verootmoedigden zich voor de God, die de mensen voor de vrijheid heeft geschapen.--Welke harmonie moest op dit ogenblik voor de troon des Heren klinken! Hoe aangenaam moest hem dit plechtig gebed zijn,--dat als een suizende hulde onder zijn voeten kwam drijven!
Deconinck stond na een korte tijd van de aarde op, en terwijl de stilte nog bleef voortduren, sprak hij met luider stem, opdat velen hem mochten horen: "Broederen, heden heeft de zon een schoner licht voor ons, de lucht is zuiver in onze stad;--de adem der Vreemden komt ze niet meer besmetten. De trotse Wallen hebben gedacht dat wij hun slaven zouden zijn en blijven; maar zij hebben nu ten koste huns levens geleerd dat onze Leeuw wel slapen, maar niet sterven kan. Wij hebben het erfdeel onzer vaderen herwonnen, en de voetstappen der Vreemden met bloed uitgevaagd; maar al onze vijanden zijn niet dood, Frankrijk zal ons nog meer gewapende huurlingen zenden, want bloed eist bloed. Dit is niets, nu zijn wij onverwinbaar; echter zult gij niet op de behaalde zege mogen slapen: houdt uw harten groot, dapper, en laat het edel vuur dat op dit ogenblik in uw boezem blaakt niet verslappen. Ieder ga nu naar zijn woning, en verblijde zich met zijn huisgezin over de gelukkige verlossing. Juicht en drinkt de wijn der vrolijkheid, want dit is de schoonste dag die gij zult beleven. De Burgers die geen wijn hebben, kunnen naar de hal gaan; men zal er een maat voor elke man uitdelen."
Het geroep, dat weder allengskens aangroeide, belette de Deken in zijn aanspraak voort te gaan; hij wenkte de omstaande Dekens en ging met hen naar de kant der Steenstraat. De scharen openden zich eerbiediglijk voor hem, en overal verwelkomde hem het blijde geschal der vervoerde Burgers. Nu drong iedereen naar de Standaard die bij de galg geplant was; allen kwamen beurtelings met opgetogenheid de blauwe Leeuw bezien, en blikten op dit kenteken hunner stad als op het aangezicht van een vriend, die, na lange reizen, uit vreemde landen onder zijn broederen terugkomt. Zij reikten hun handen in de hoogte, en maakten zulke vrolijke gebaren dat zij, aan een koud en onverschillig oog, zinneloos zouden geschenen hebben.
Weldra kwamen er gezellen, die reeds wijn gehaald hadden, met hun kannen op de Markt, en verspreidden het blijde nieuws dat men in de Hal een maat voor ieder schonk. Een uur later had elk zijn drinkvat in de hand:--en zo eindigde die heuglijke dag, zonder wanorde en zonder twist, er was maar één gevoel in alle harten:--het gevoel dat de ziel van een gevangene streelt, wanneer hij weder de zon boven zijn hoofd ziet staan, en dat de wijde wereld alleen zijn kerker wordt.
* * * * *
18
_Was niet het schoonste tydperk van haer leven Voor hare ziel een onophoudlyk streven? Was alles wat zy hier ook tegenkwam Niet bitter voor haer zuiver hart? en nam Niet elke dag een van haer droomen weg En met den droom een bron van zaligheid?_
JOHAN ALFRIED DE LAET
Het was nu twee jaar geleden dat de vreemdeling, zijn voet op het Vaderland zettende, riep: "Bukt uw hoofden, gij, Vlamingen!--Gij, noordertelgen, gehoorzaamt de zuiderzonen, of sterft!"
Maar dan wisten zij niet dat er in Brugge een Man geboren was, wiens schedel met vernuft was opgevuld, wiens ziel door heldenmoed groot was;--een man die als een licht onder zijn tijdgenoten moest schijnen, en aan wie God, als aan de Tolk Mozes gezegd had: "Ga en verlos uw broederen uit de banden Farao's."
Zodra de verwoestende scharen der Fransen op de bodem des Vaderlands gekomen waren en dat de kim zich door het opvliegend stof boven hun hoofden verduisterde, klonk er een geheime stem in de ziel van Deconinck--een stem die zegde: "Geef acht, dezen zoeken slaven!"
Bij die roep beefde de edele Burger van pijn en verontwaardiging.
"Slaven! Wij slaven?" was zijn zucht. "O Heer onze God, lijd het niet! Het bloed onzer vrije vaderen heeft voor uw altaren gestroomd, zij zijn in het zandig Arabië met uw heilige naam op hun mond gesneuveld: o lijd niet dat hun zonen aan de keten der vreemden verbasterd worden, opdat de tempels, die wij U opgericht hebben, niet met slaven vervuld worden."
Deconinck had dit gebed in zijn ziel gesproken; maar het hart der mensen ligt voor de Schepper open. Hij vond in de Vlaming nog al de edelmoed en de geest waaruit Hij zijn ziel gevormd had, en Hij liet een onzichtbare straal van zich gaan.
Met een geheime kracht plotseling vervuld, gevoelde de Vlaming zijn denkvermogens zich verdubbelen en riep in geestverrukking ontheven: "Ja, Heer, ik heb uw machtige vinger op mijn voorhoofd gevoeld; ja, ik zal mijn Vaderland bewaren! Ik zal de graven mijner vaderen, uw dienaren, niet laten vertreden.... Gezegend zijt gij, o God, die mij geroepen hebt!"
Sedert dit ogenblik had Deconinck maar een gevoel, maar een zucht in zijn hart behouden: uit het grote woord Vaderland ontstonden al zijn gedachten, al zijn aandoeningen; belang, maagschap, rust, alles werd verbannen, om de liefde tot de Leeuwenbodem alleen in de wijde boezem te laten wonen.--Welke mens ook was ooit edeler dan deze Vlaming die honderden malen zijn leven en zijn vrijheid zelf voor de vrijheid van Vlaanderen waagde? Welke mens was met meer vernuft begaafd? Hij alleen, ondanks de bastaarden en Leliaards, die Vlaanderen wilden verkopen, verijdelde al de pogingen des Fransen Konings; hij alleen was het, die zijn broederen het leeuwenhart aan de keten bewaarde en alzo de verlossing langzaam bereidde.
De Fransen wisten dit wel: zij kenden degene die alle ogenblikken de wielen van hun zegewagen verbrijzelde. Zij zouden de lastige waker wel uit de weg geruimd hebben, maar met het vernuft bezat hij de voorzichtigheid der slang. Hij had zich een borstweer van zijn broeders gemaakt; dit wetende dorst de Vreemde de tolk niet raken, want dan had een bloedige ontwaking hem gewroken. Terwijl de Fransen, onder de staf der dwingelandij, gans Vlaanderen deden bukken, leefde Deconinck in volle vrijheid onder zijn stadgenoten, en hij was de meester zijner meesters; zij vreesden hem meer dan hij hen vreesde.
Nu hadden zevenduizend Fransen de tweejarige verdrukking met het leven geboet: geen enkele vreemdeling ademde nog in het vrijgemaakte Brugge, het volk verheugde zich over de verlossing, de stad weergalmde van de blijde liederen welke de Sprekers ter dier gelegenheid gemaakt hadden; en de witte vlag ontrolde de blauwe Leeuw met golvende vouwen boven de wachttoren. Dit teken, dat weleer aldus op de muren van Jeruzalem gepraald had, en hetwelk zulke glorierijke feiten verhaalde, maakte de harten der Burgers groot; die dag werd de slavernij voor Vlaanderen onmogelijk, want de Bruggelingen herinnerden zich hoeveel bloeds hun vaderen voor de vrijheid vergoten hadden. Tranen lekten soms uit hun ogen,--van die tranen, welke de ziel ontlasten wanneer zij te vol vuur is en dat edele driften haar doen gloeien.
Wellicht zal men denken dat de Deken der wevers het werk nu voltooid achtte en dat hij zich bezighield met zijn geplunderde woning te herstellen. Neen, hij dacht noch aan zijn woning, noch aan de rijkdom, die hem ontroofd was: het welzijn en de rust zijner broederen was zijn eerste zorg. Wetende dat er tussen de vrijheid en de wanorde maar één nacht is, deed hij nog dezelfde dag uit ieder ambacht een Ouderling kiezen, en stelde dezelve met de toestemming des volks aan het Bestuur. Hij werd niet als voorzitter van deze raad benoemd, hij kreeg geen last, maar nam ze alle. Niemand dorst iets zonder hem doen, zijn raad was een bevel in alle zaken, en, zonder ooit iets te gebieden, was zijn gedacht het uitsluitelijk richtsnoer van het gemenebest:--zo wijd is de heerschappij des vernufts.
Het Franse leger was nu wel vernield, maar het was zeker dat Philippe le Bel nieuwe en talrijker benden in Vlaanderen zenden zou om de hoon, hem geschied, te wreken. De meeste Burgers dachten weinig aan deze schriklijke zekerheid, het was hun genoeg nu vrij en vrolijk te zijn; maar Deconinck deelde niet in de openbare vreugde: het was in zijn hart dat het geluk zich besloten hield, hij had het tegenwoordige reeds vergeten om de toekomende rampen af te weren. Het was hem niet onbekend dat de geestdrift en de moed des volks met de tegenwoordigheid des gevaars eindigt; ook deed hij alle moeite om het denkbeeld des krijgs gedurig in de stad te doen heersen. Ieder ambachtsman werd een Goedendag of een ander wapen gegeven, en de vaandels werden opnieuw ingericht, met bevel om zich altijd tot de strijd gereed te houden: het ambacht der metselaars begon de vestingwerken te herstellen, en in alle werkhuizen der smeden was het verboden iets anders dan wapens voor de Gemeente te maken. De tol werd hersteld en de stadspenningen gelicht. Door die wijze maatregelen deed Deconinck al de gedachten, al de pogingen tot één doel strekken, en bewaarde zijn vaderstad voor die menige onheilen, welke een grote beroerte, hoe edelmoedig ook, altijd met zich sleept.--Men zou gedacht hebben dat het nieuwe Bestuur van Brugge zich door lange jaren had bevestigd.
Onmiddellijk na de verlossing, en terwijl het volk de wijn der vrolijkheid in al de straten dronk, had Deconinck een bode naar het leger te Damme gestuurd, om de overige ambachtslieden in de stad te roepen. Machteld was met hen gekomen, en men had haar een prachtige woning in het Prinsenhof aangeboden; doch zij verkoos het huis van Nieuwland, de plaats waar zij zo menig droevig uur had doorgebracht, de plaats aan dewelke al haar dromen van liefde en rouw gehecht waren.
Hier vond zij in de goede zuster van Adolf een tedere vriendin weder, in het hart derwelke zij de liefde en de bangheid haars beklemden boezems storten kon.--Het is zo heilzaam voor ons, wanneer de dode droefheid ons prangt, iemand te vinden die door zijn eigen smart ons leed verstaan kan; iemand die bemint hetgeen wij beminnen, en wiens klachten weergalmen onzer klachten zijn:--zo omhelzen twee zwakke wijngaardranken elkander, en tarten de verdelgende stormorkaan, die hun steunloze hoofden ter neder wilde knakken. Voor ons is de droefheid en de smart een orkaan die door zijn ijskoude adem onze zielen van vuur en leven berooft en onze hoofden voor de ouderdom ten grave doet hellen,--alsof de jaren van rampspoed de mens dubbel werden toegerekend.
Voor de vierde maal verhief zich de zon met luisterrijke gloed boven het vrije Brugge.--Machteld zat alleen in de kamer, die zij eertijds ten huize van Adolf van Nieuwland had bewoond. De trouwe vogel, de geliefde valk was niet meer met haar, hij was dood. Op de stille wezenstrekken der Jonkvrouw waren de ziekte en de mistroost met bleke kleuren geschetst; haar ogen waren dof, haar wangen uitgeteerd, en alles deed zien dat de worm des lijdens haar het hart knaagde. Echter kwam soms nog een zoete uitdrukking, iets dat naar een glimlach zweemde, haar lippen bewegen, wanneer zij haar ogen rond de kamer liet gaan: alles wat haar omringde, sprak van Adolf. Daar was het dat het geheim zijns harten in gloeiende minnewoorden hem ontvallen was--daar was het dat hij bevend en gelukkig zijn lippen op haar voorhoofd geplaatst had. Het beeld van de jonge ridder zat voor haar geknield, zijn ogen smekend tot haar geheven; zij luisterde alsof zij de tonen van een heimlijk gezang wilde vatten; gewis suisde de stem van Adolf haar in het oor;--en dan liet zij, in een zachte droom onttogen, haar blik op hem neergaan,--dan bewoog zij haar lippen en sprak met onvatbare woorden: "Kom rust op mijn hart, o gij de man die ik bemin, de bruidegom door God en mijn vader mij geschonken!"
Dit bedrieglijke beeld was het, dat haar ziel op haar lippen deed glimlachen, maar hoe kort was deze leugenachtige vreugde, hoe pijnlijk de onttovering!--Weldra scheurde het onverbiddelijk geheugen de blinddoek af, en dan vertoonde zich de wezenlijkheid met schriklijke kleuren voor haar. Zij zag Philippa, haar moei, het venijn dat men haar bood drinken, zij zag de wrede Koningin der Fransen bij het neergestorte slachtoffer staan; en het scheen haar dat die boze vrouw eerst zegepraalde wanneer de stuiptrekkende dood haar wraak kwam voltooien.
Diegenen, welke zich lang met bittere smart gevoed hebben, verlustigen zich in nare dromen, en, alsof de wezenlijkheid hen niet genoeg doorgriefde, scheppen zij zich nog spoken, die hen meer bedroeven: zo ook deed de ongelukkige Machteld. Zij beeldde zich in dat het geheim der loslating haars vaders ontdekt was; zij zag de moordenaar, door de Koningin Johanna betaald, het vergif in de nooddruft haars vader mengen,--en dan liep een siddering over haar lichaam, en tranen van bangheid barstten uit haar ogen. Adolf was voor haar gestorven, hij had zijn liefde en zijn edelmoedigheid geboet.--Die hartscheurende taferelen vergingen en herschiepen zich meermaals, en plaagden de arme maagd met een bitter lijden.
Op dit ogenblik kwam haar vriendin Maria in de kamer. De grimlach, die alsdan de wangen der lijdende maagd betrok, was evenals de lach, welke, na een pijnlijke dood, op het aanzicht van sommige lijken blijft; meer pijn en meer droefheid was erin besloten dan in de smartelijkste klacht: zij bezag de zuster van Adolf met een blik die zegde: "O geef mij troost en lafenis!"
Maria naderde bij het wanhopige meisje, en drukte haar de hand met een teder medelijden. Zij gaf aan haar stem die zachte toon, die als een zoet gezang in de ziel der ongelukkige dringt, en sprak: "Uw tranen vloeien in stilte, mijn dierbare Vrouw, uw hart smelt weg van droefheid en wanhoop; en niets--niets verlicht uw bitter lot! Ho, gij zijt zo ongelukkig!"
"Ongelukkig, zegt gij, mijn vriendin? Ho ja! Er is daar iets in mijn boezem dat mij het hart omvangt en nijpt. Weet gij wat schriklijke spoken mij steeds voor de ogen drijven? En verstaat gij waarom mijn tranen gedurig over mijn wangen vlieten?--Ik heb mijn heer Vader door het vergif zien sterven, ik heb de stem eens stervenden gehoord, een stem die zegde: Vaarwel gij, het kind dat ik beminde."
"Ik bid u, Vrouw," viel Maria in, "verban die nare schimmen. Gij doet mij beven! Uw vader leeft; gij zondigt grovelijk door die vertwijfeling. Vergeef mij deze stoute woorden."
Machteld vatte de hand van Maria, en drukte dezelve zachtjes, als om haar te doen begrijpen dat die woorden troostend voor haar geweest waren. Niettegenstaande ging zij in haar mistroostige rede voort, en scheen behagen in het lijden te zoeken.--De klachten van benepen zielen zijn ook tranen, die de smart verlichten. Zij hernam: "Ik heb nog meer gezien, Maria, ik heb de beul, die door de wrede Johanna van Frankrijk gezonden was, zijn bijl boven het hoofd uws broeders zien heffen, en zijn hoofd heb ik op de vloer des kerkers zien vallen!"
"O God!" riep Maria. "Wat schriklijke gedachte!"
Zij beefde, en haar ogen glinsterden door de tranen die onder haar wimpers kwamen.
"En zijn stem heb ik ook gehoord, een stem die mijn hart kwam raken en die zegde: Vaarwel, vaarwel mijn verloofde!"
Door dit ijslijk vooruitzicht getroffen, wierp Maria zich om de hals van Machteld, en haar tranen rolden op de hijgende borst harer ongelukkige vriendin. De lange zuchten der twee Jonkvrouwen vervulden de kamer met een hartnijpend gesuis. Na zij aldus enige tijd, als gevoelloos en in bittere smart verzonken, tegen elkanders boezem gerust hadden, vroeg Machteld: "Verstaat gij nu mijn lijden, Maria? Verstaat gij nu, waarom ik uitteer en langzaam sterf?"
"O ja," antwoordde Maria met wanhoop, "ja, ik versta en gevoel uw lijden. O mijn arme broeder!"
De twee Jonkvrouwen zetten zich, afgemat en sprakeloos, neer. Zij bezagen elkander lange tijd in onuitdrukkelijke droefheid; maar de tranen die zij stortten, kwamen haar wee allengskens verzachten, en ongevoeliglijk daalde de hoop in haar ontlaste boezems terug. Maria, die ouder en ook sterker tegen het lijden dan Machteld was, rees eerst uit de duistere mijmering, en sprak: "Waarom, o mijn Vrouw, zouden wij ons zozeer door leugenachtige dromen laten folteren? Niets bevestigt het smartlijk voorgevoel dat ons pijnigt, ik ben zeker dat onze Heer Robrecht, uw vader, niets kwaads gebeurd is en dat mijn broeder reeds op weg is om in het Vaderland terug te keren."
"En gij hebt geweend, Maria! Weent men wanneer de terugkomst eens broeders ons toelacht?"
"Gij plaagt uzelf, mijn Vrouw. Ho, de smart moet diep wortelen in uw hart geschoten hebben, dat gij de zwarte beelden, die u bedroeven mogen, met zoveel vurigheid omhelst! Geloof mij, uw vader leeft en wellicht is zijn verlossing aanstaande. Denk welke vreugd u vervoeren zal, wanneer zijn stem, diezelfde stem die zo akelig in uw dromen roept, u zeggen zal: mijn ketens zijn verbroken! Wanneer zijn zoen van tederheid u op het voorhoofd zal dalen, en dat het vuur zijner omhelzing de rozen op uw ontverfde wangen zal terugbrengen. Het lieflijke slot Wijnendale zal u weder ontvangen, Mijnheer Van Bethune zal de troon zijner vaderen beklimmen, en dan zult gij zijn ouderdom door uw liefde ondersteunen;--dan zult gij aan uw tegenwoordige pijnen niet meer denken dan om u over hetgeen gij om de liefde uws doorluchtigen vaders geleden hebt, te verblijden. Zeg mij nu, o Machteld, mijn Vrouw, zult gij geen enkele straal van hoop in uw ziel laten dringen, zullen deze zalige vooruitzichten u niet troosten?"
Onder deze woorden was er een merkbare verandering in Machteld omgegaan. Haar ogen waren door zachte vreugde verlevendigd, en een zoete glimlach bleef op haar lippen dwalen.
"O Maria," zuchtte zij, terwijl zij haar rechterarm over de hals der troostende vriendin wierp. "O, wist gij wat verkwikking ik gevoel, wat onverhoopt geluk gij als een balsem over mij gestort hebt!--Zo trooste u de engel des Heren in uw laatste uur. Welke zoete woorden heeft de vriendschap u ingeboezemd, mijn zuster!"
"Uw zuster!" herhaalde Maria. "Die naam behoort uw dienares niet, o doorluchtige Vrouw, ik ben genoeg beloond, nu ik deze dode droefheid uit u verbannen heb."
"Aanvaard die naam, mijn lieve Maria, ik bemin u zo tederlijk. En is uw edele broeder Adolf mij niet door mijn vader geschonken? Zijt gij de zuster niet van mijn bruidegom?"
"Wees gezegend, mijn Vrouw, om de liefde, die gij mijn ongelukkige broeder toedraagt. Hij heeft uw doorluchtige hand zekerlijk niet verdiend, maar uw genade is zo groot! Gij hebt hem door uw medelijdende zorg van de dood gered, en, in stede van zijn dankbaarheid te eisen, geeft gij hem uw hart. Ook heeft hij de waarde dezer gift erkend. Ik heb hem dikwijls in zijn slaap zien glimlachen, terwijl uw naam als een gebed over zijn lippen kwam."
"Hij bemint mij tederlijk, dit weet ik wel, Maria. Hij kome terug, degene die de ketenen mijns vaders heeft aangenomen.--O God, aanhoor mij! Laat hem spoedig wederkomen, opdat ik zijn edelmoedigheid en trouw met een zoen belone! Maria, indien de Heer mijn gebed aanhoorde? Indien Adolf wederkwam?--Maar... Luister!... Hoort gij? O heil, daar is hij! Ik voel het aan de jagingen mijns boezems..."
Zij reikte de arm vooruit, en bleef beweegloos met de vinger naar de straat wijzen. Zij stond als een stenen beeld, en scheen in die houding een ver gerucht te willen vatten. Maria verschrikte; zij dacht dat de Jonkvrouw met zinneloosheid geslagen was. Op het ogenblik dat zij meende te spreken, hoorde zij de kletterende stappen van een dravend paard in de straat galmen: dan verstond zij de zin der woorden van Machteld. Dezelfde hoop drong in haar boezem, en zij ook voelde de jagingen haars hart verdubbelen.
Terwijl zij aldus weinig ogenblikken en zonder spreken gestaan hadden, was het gerucht dat zij hadden gehoord plotseling vergaan, en reeds begon de blijde hoop haar beiden te verlaten, wanneer men de deur der kamer met ongeduld openstiet.
"Daar is hij! Daar is hij!" riep Machteld. "Heb dank, o God, mijn ogen zien hem!"