De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 21

Chapter 21 4,001 words Public domain Markdown

Bij deze woorden wierp hij zich in de armen van Deconinck en hing, van kracht begeven, tegen de borst van zijn vriend. Met dwaze blikken staarde hij in het ronde, en deed zijn makkers van angst en medelijden sidderen. In zijn sombre woede, bracht hij de bijl die hij droeg, aan zijn mond, en beet als een razende met zulke kracht in de hecht dat een stuk houts van de zelve tussen zijn tanden bleef; maar dit gevaarlijk wapen werd hem spoedig ontnomen. Deconinck gebood de gezellen dat zij in orde naar hun werk zouden terugkeren, totdat een bevel hen te wapen roepen zoude. Alhoewel zij liever een spoedige wraak genomen hadden, dorsten zij zich echter niet tegen dit bevel verzetten, want het was hun kenbaar gemaakt dat de Deken der wolwevers als algemeen Stadhouder, door de jonge Gwyde was aangesteld; zij keerden morrend naar het bos, en hernamen hun arbeid tegen dank.

Wanneer de twee Dekens in Breydels tent gekomen waren, zette de Deken der beenhouwers zich, afgemat en verslagen, bij een tafel, en liet het hoofd zwaar neerzinken. Hij sprak niet, en bezag Deconinck met een zonderling gelaat: een vergiftige grimlach stond op zijn wezenstrekken,--men zou gedacht hebben dat hij met zijn eigen ramp de spot dreef.

"Mijn ongelukkige vriend," sprak Deconinck hem toe, "bedaar om Gods wil."

"Bedaar! Bedaar!" herhaalde Breydel. "Ben ik niet bedaard?--Hebt gij mij ooit zo rustig gezien?"

"O mijn vriend," hernam de Deken der wevers, "hoe bitter is het lijden uwer ziel! Ik zie de dood op uw gelaat. Troosten kan ik u niet,--uw ongeluk is te groot; ik weet niet welke balsem zulke wonden helen mag."

"Ik wel," antwoordde Breydel. "De balsem die mij genezen kan, is mij bekend; maar de macht ontbreekt mij. O mijn arme moeder! Zij hebben hun handen in uw bloed gedoopt, omdat uw zoon een Vlaming is--en die zoon, o doemnis!--die zoon kan u niet wreken!"

De uitdrukking van zijn gelaat veranderde bij die uitroeping: zijn tanden kwamen bitsig opeen en kraakten, zijn handen omvatten de stijlen der tafel, alsof hij dezelve breken wilde; echter werd hij weder kalm en zijn gelaat betuigde meer droefheid.

"Nu Meester, gedraag u als een man," sprak Deconinck. "Overwin ook de wanhoop, die vijandin der ziel. Wees moediger tegen de bittere pijnen die u heden treffen--het bloed uwer moeder zal gewroken worden."

De ijselijke grimlach kwam weder op Breydels lippen. Hij antwoordde: "Gewroken worden! Hoe licht belooft gij iets dat gij niet kunt volbrengen. Wie kan mij wreken? Gij niet. Gelooft gij, dat een stroom Frans bloed genoegzaam zij om het leven mijner moeder te herkopen? Geeft het bloed van een dwingeland het leven zijne slachtoffers weder? O neen, zij zijn dood--en voor altijd, voor eeuwig, mijn vriend! Ik zal in stilte en zonder klagen lijden; niets kan mij troosten,--wij zijn te zwak, en onze vijanden te machtig."

Deconinck antwoordde niet op de woorden van Breydel, en scheen iets gewichtigs te overwegen: op zijn aangezicht kwam soms een uitdrukking alsof hij zich geweld aandeed om een inwendige woede te verbergen. De Deken der beenhouwers bezag hem met nieuwsgierigheid, denkende dat er iets buitengewoons in de boezem van zijn diepzinnige vriend omging. De grammoedige uitdrukking verging op het gelaat van Deconinck; hij stond langzaam op, en sprak: "Onze vijanden zijn te machtig, zegt gij? Morgen zult gij dit niet meer zeggen. Zij hebben verraad en boosheid te hunnen voordele gebruikt, en hebben niet gevreesd het onnozel bloed te vergieten, alsof er geen Wraakengel meer bij de troon des Heren ware. Zij weten niet dat het leven van hen allen in mijn handen is, en dat ik hen kan verbrijzelen alsof de almacht mij door God geschonken ware.--Zij zoeken hun macht in verraad en schandelijke boosheid. Welaan, hun eigen zwaard zal hen vernielen--het is gezegd!"

Deconinck scheen in dit ogenblik als een Tolk die over het misdadige Jeruzalem de vloek des Heren uitspreekt; er was zoveel ontzaglijks in de toon zijner stem dat Breydel met een godsdienstige eerbied op het vonnis der vijanden luisterde.

"Wacht een weinig," ging Deconinck voort, "ik zal een der nieuw aangekomenen doen halen opdat wij weten mogen hoe dit alles gebeurd is. Laat u bij zijn verhaal niet vervoeren, ik beloof u een wraak die gij zelfs niet zoudt durven eisen. Want nu is het toch zover gekomen dat geduld een schande wordt."

Een innige toorn bracht het vuur op zijn wangen. Hij, die anders zo bedaard was, blaakte nu in heviger gramschap dan Breydel, alhoewel men dit nog niet gans op zijn gelaat kon merken. Na de tent enige ogenblikken verlaten te hebben kwam hij met een ambachtsgezel terug en deed hem de voorvallen, welke die dag in Brugge gebeurd waren, met alle omstandigheden verhalen. Zij verstonden uit hem het getal van De Chatillons nieuw leger, de dood der gehangen Burgers en de schriklijke plundering der stad.

Breydel aanhoorde dit verhaal met koelheid, want al deze euveldaden waren hem niet zo pijnlijk als de moord dergene die hem in haar schoot had gedragen. Deconinck werd integendeel meer en meer verwoed, naarmate dit schriklijk toneel zich ontrolde. Voor hem waren de omstandigheden van dit verhaal zeer droevig, maar zo aanzag hij de zaak niet. Vaderland en verlossing waren de twee gevoelens welke hem in zulke drift konden doen ontsteken. Nu zag hij dat het waarlijk tijd was en dat men zonder uitstel moest beginnen; trouwens, deze wrede rechtspleging kon de Vlamingen verschrikken en hun de moed benemen. Hij zond de gezel weg, en plaatste het hoofd stilzwijgend in de hand, terwijl Breydel met ongeduld, op hetgeen hij zeggen ging, wachtte.

Deconinck kwam eensklaps bij Breydel en riep: "Vriend, maak uw bijl scherp, jaag de droefheid uit uw hart! Wij gaan de banden des Vaderlands breken!"

"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Breydel.

"Luister,--een akkerman wacht totdat de koude des morgens al de rupsen in een nest verzameld heeft; dan snijdt hij het nest van de boom, plaatst hetzelve onder zijn voet, en vertrapt het ongediert ineens. Verstaat gij dit?"

"Voleind uw voorzegging," riep Breydel. "O mijn vriend, een lichte straal verdrijft mijn duistere wanhoop. Voleind, voleind!"

"Welnu, de Fransen hebben zich ook in onze vaderstad gelijk het ongediert genesteld: zij zullen ook verplet worden alsof een berg op hen gevallen ware. Verblij u, meester Jan, zij zijn veroordeeld. De dood uwer moeder zal met woeker betaald worden, en het Vaderland zal zonder ketens uit dit bloedbad oprijzen."

Breydel liet zijn ogen onstuimig rond de tent gaan, en zocht naar zijn bijl, dan herinnerde hij zich dat men hem dezelve had ontnomen. Hij vatte de hand van Deconinck met ontroering.

"Mijn vriend," riep hij, "gij hebt mij meermalen gered, maar dan gaaft gij mij alleenlijk het leven: nu krijg ik door u geluk en vreugde weder. Zeg mij toch spoedig hoe wij deze wraak zullen bewerken opdat ik niet meer twijfele."

"Heb een ogenblik geduld, gij zult het gaan horen; dit ontwerp moet ik voor al de Dekens ontvouwen. Ik zal hen doen roepen."

Hij ging haastiglijk uit de tent, riep een schildwacht en zond hem naar het bos om al de Oversten bij hem te ontbieden. Enige tijd daarna stonden zij ten getale van dertig in een kring buiten de tent. Deconinck sprak tot hen in dezer voege: "Makkers, het plechtig uur is gekomen, de vrijheid moeten wij hebben of de dood. Lang genoeg hebben wij de schandvlek op onze voorhoofden gedragen: het is tijd dat wij onze vijanden rekenschap over het bloed onzer broederen vragen;--en indien wij voor het Vaderland sterven moeten, denkt dan, o makkers, dat de ketens der slavernij bij de boord van het graf ontvallen, en dat wij, vrij en zonder laster, bij onze vaderen zullen slapen. Maar neen, wij zullen overwinnen, dit weet ik. De zwarte Leeuw van Vlaanderen kan niet vergaan. En ziet of wij het recht niet op onze zijde hebben? De Fransen hebben ons land uitgeplunderd, onze Graaf en de Edelen, de bloem der echte Vlamingen gekerkerd. Philippa hebben zij met venijn vergeven, onze stad Brugge hebben zij verwoest en de eerlijksten onzer broederen op eigen grond gehangen. De bloedige lijken der moeder en der zuster van onze ongelukkige vriend Breydel rusten tussen ons. Deze lijken, en die van al degenen welke door de handen der vreemde dwingelanden zijn gestorven, hebben stemmen die in uw harten om wraak roepen! Welaan, begraaft hetgeen ik u ga zeggen in uw hart als in een graf.--De Fransen hebben zich heden aan een boos werk moede gemaakt, zij zullen goed slapen; maar dan straffe mij God met het eeuwige vuur, zo die slaap voor de meesten niet tot het laatste oordeel duren zal! Zegt niets aan uw gezellen, maar leidt ze morgen, twee uur voor de opgang der zon, tot achter Sint-Kruis in het Eksterbos[89]. Ik vertrek op staande voet naar Aardenburg om mijn mannen te bereiden en de Hoofdman Lindens te doen verwittigen; want ik moet heden nog in Brugge zijn. Dit verwondert u,--nochtans zult gij met mij bekennen dat er een Fransman in Brugge is, die wij niet mogen doden: zijn bloed zou op onze hoofden terugvallen."

"Mijnheer De Mortenay!" antwoordden vele stemmen.

"Die ridder," hernam Deconinck, "heeft ons steeds met goedheid behandeld; hij heeft getoond dat de rampen onzes Vaderlands hem raakten. Dikwijls heeft hij de verfoeilijke Jan van Gistel in zijn wrede vervolgingen wederhouden, en de genade der veroordeelden verkregen. Wij mogen dus onze wapens met dit edel bloed niet verven; het is om dit te beletten dat ik heden naar Brugge gaan wil, wat gevaar er ook zij."

"Maar," viel een der Dekens in, "hoe toch zullen wij morgen in de stad geraken, mits de poorten voor het rijzen der zon gesloten zijn?"

"De poorten zullen voor ons geopend worden," antwoordde Deconinck. "Ik zal niet uit de stad terugkeren voordat de wraak zeker en onfeilbaar zij. Ik heb u genoeg gezegd: morgen in de vergaderplaats zal ik u nadere bevelen geven; houdt uw mannen veerdig. Ik ga met onze jonge Gravin vertrekken, zij mag dit bloedig toneel niet zien."

Breydel had gedurende deze rede niet het minste teken van toestemming gegeven; maar een hevige blijdschap blonk op zijn gelaat. Zodra de Dekens vertrokken waren, wierp hij zich om de hals van Deconinck en sprak, terwijl twee tranen over zijn wangen rolden: "Gij hebt mij uit de wanhoop gewekt, mijn dierbare vriend. Nu zal ik rustig over de lijken mijner moeder en zuster kunnen wenen, en haar met godsdienstig gevoel ter aarde beschikken.--En dan, nadat het graf op haar zal gesloten zijn ... Ho, wat blijft er mij dan in de wereld over dat ik kan beminnen?"

"Uw Vaderland en deszelfs grootmaking!" was het antwoord.

"Ja, ja, Vaderland en vrijheid--en wraak! Want nu, verstaat gij, mijn vriend, nu zou ik van spijt wenen indien de Fransen ons land verlieten. Dan zou mijn bijl geen hoofden meer kunnen klieven, ik zou hun lijken niet kunnen vertrappen, gelijk de voeten hunner paarden onze broeders vertrapt hebben. De vrijheid alléén zou ik verwerpen; het gezicht van stromend bloed kan mij alleen nog behagen, nu zij het hart waaronder ik het leven ontving, doorstoken hebben.--Vertrek gauw, en ga met God, opdat alles wel uitvalle; want ik ben dorstig naar de beloofde wraak."

Deconinck verliet Breydel met deze woorden: "Geheim en voorzichtigheid, mijn vriend!"

Eer hij de legerplaats verliet, deed hij alles tot het vertrek der edele Machteld bereiden, en, na met haar enige ogenblikken gesproken te hebben, klom hij op een draver en verdween in de richting van Aardenburg.

Onderwijl waren de lichamen der moeder en der zuster van Breydel door de vrouwen gewassen en gelijkt geweest. Zij hadden eerst een tent van binnen met zwart laken behangen en te midden derzelve de twee lijken op een legerbed uitgestrekt. Een somber doodskleed was derzelver deksel; de aangezichten alleen waren ontbloot. Rondom die plechtige legerstede brandden acht gele waskaarsen; een Kruisbeeld met een zilveren wijwatervat en enige palmtakken stond aan het hoofdeinde, terwijl wenende vrouwen prevelend erbij zaten te bidden.

Onmiddellijk na het vertek van Deconinck ging Breydel naar het bos, en beval het werk te staken; hij zond al de ambachtslieden naar de tenten om te rusten, en kondigde hun aan dat zij des anderendaags voor het aanbreken van het daglicht moesten vertrekken. Na enige verdere maatregels gebruikt te hebben, om de vrouwen en kinderen in de legerplaats te doen blijven, begaf hij zich naar de hut waar het lichaam zijner moeder gelijkt lag. Daar gekomen zijnde zond hij de vrouwen weg en sloot de deur dicht.

Meer dan een Aanleider kwam bij de tent om de Deken te kunnen spreken, hetzij om onderrichtingen of bevelen te vragen. Maar hoezeer zij ook aanklopten, kregen zij echter geen antwoord. In den eerste eerbiedigden zij de droefheid, waarin hun meester ongetwijfeld op dit ogenblik verzonken lag; maar wanneer zij reeds vier uur lang voor de deur gewacht hadden, zonder dat het minste gerucht zich in de lijktent had laten horen, kwam de vrees hen bevangen. Zij dorsten hun gedachten niet uitdrukken:--was Breydel dood? Had de bijl of de smart zijn levensdraad gebroken?

Eensklaps ging de deur open, en Breydel vertoonde zich voor hen zonder dat hij hun tegenwoordigheid scheen te bemerken. Niemand sprak, want de wezenstrekken van de Deken hadden iets in zich dat het hart met koude beneep en de spraak benam. Hij was bleek, zijn blikken dwaalden halsstarrig en dwaas in het rond, en velen bemerkten dat twee vingeren zijner rechterhand met bloed geverfd waren. Niemand hunner dorst hem naderen; want de dood straalde uit zijn ogen, en ieder zijner blikken ging als een schicht in de zielen dergenen die hem bezagen.

Dit bloed dat aan zijn vingeren kleefde, deed hen bovenal sidderen; een schriklijke gissing liet hen raden waar hij het gehaald had. Gewis had hij de wonde zijner moeder geraakt, misschien had hij dit hart dat hem zozeer beminde gevoeld, en uit die ijselijke aanrakingen de razernij geput die hem meer kracht en dorst tot de wraak moest geven!--Zo wandelde hij sprakeloos door het woud, totdat de avond, de legerplaats met duisternis omvangende, hem voor de ogen zijner makkers verborg.

Te Aardenburg gekomen zijnde, stelde Deconinck zijn tweeduizend wevers onder het bevel van een der voornaamste Aanleiders en zond een bode met onderrichtingen naar de Hoofdman Lindens. Wanneer hij al de nodige maatregelen genomen had om de macht der drie afdelingen van het leger te St.-Kruis te verenigen, klom hij weder te paard en begaf zich rechtstreeks naar Brugge. Hij liet zijn draver in een herberg staan, en ging te voet in de stad. Niets weerhield hem, want het was reeds diep in de avond, de poorten waren open en men zag geen andere soldeniers dan de schildwacht op de wal. Een dode rust, een schrikwekkende stilte heerste in de straten door dewelke hij gaan moest. Weldra bleef hij voor een gering huis achter de St.-Donaaskerk staan, en meende te kloppen; doch hij bemerkte dat er geen deur aan deze woning was en dat de ingang met een lang stuk laken was gesloten. Dit huis en deszelfs vertrekken moesten hem wel bekend zijn; want het laken opheffende, stapte hij stoutelijk in de winkel en ging welhaast naar een kleine achterkamer, die door de weifelende vlam ener lamp verlicht was. Tussen het verbrijzelde huisraad, welke op de vloer verspreid lag, zat een vrouw wenend bij een tafel; twee jonge kinderen hield zij tegen haar borst gesloten en zoende hen zuchtend, alsof zij zich gelukkig achtte, dat tenminste die rijkdom haar was overgebleven: verder in een hoek, die maar half de bleke stralen der lamp ontving, zat een man met het hoofd in de hand, en scheen te slapen.

Bij de onverwachte verschijning van Deconinck verschrikte de vrouw zodanig, dat zij haar kinderen vaster tegen de borst sloot en door een luide schreeuw haar benauwdheid te kennen gaf. De man greep met haastigheid naar zijn kruismes, doch zijn Deken herkennende, stond hij op en sprak: "O Meester, wat pijnlijke last hebt gij mij opgelegd, toen gij mij geboodt in de stad te blijven: de genade Gods alleen heeft ons van een onvermijdelijke dood gered. Onze huizen zijn geplunderd, onze broederen gehangen en vermoord--en God weet wat er morgen zal gebeuren. O geef mij oorlof om bij u te Aardenburg te gaan, ik smeek het u."

Deconinck antwoordde niet op dit verzoek; hij wenkte de ambachtsman met de vinger, en ging met hem tot in de winkel, waar de grootste duisternis heerste. Dan sprak hij met stille stem: "Geeraert, wanneer ik de stad verliet, heb ik u met dertig andere gezellen doen blijven, opdat gij de aanslagen der Fransen mocht ontdekken. U heb ik daartoe verkozen, omdat mij uw moed en uw zuivere vaderlandsliefde bekend zijn. Misschien heeft het gezicht van de dood uwer makkers, uw hart met vrees bevangen: indien het zo was, sta ik toe dat gij heden nog naar Aardenburg vertrekt."

"Meester," antwoordde Geeraert, "uw woorden bedroeven mij, ik vrees de dood geenszins; maar mijn vrouw, mijn arme kinderen blijven hier aan alle onheilen blootgesteld. De schrik en de benauwdheid maken hen ziek, zij wenen en bidden de ganse dag, en de nacht geeft hun geen krachten weder: kondet gij zien hoe bleek zij zijn!--En zou ik bij het gezicht van al dat lijden, van al die angst, mijn tranen met de hunne niet mengen? Ik ben immers hun aller vader en beschermer.--En is het niet van mij alleen dat zij de troost, die ik hun niet geven kan, afsmeken? O Meester, geloof mij, een vader lijdt meer dan zijn vrouw en kinderen lijden kunnen. Nochtans ik zweer het u, ik ben bereid voor het Vaderland alles te vergeten--ja ook mijn bloed; en zo gij mij tot iets kunt gebruiken, moogt gij op mij staat maken. Spreek dus, want ik gevoel dat gij mij iets gewichtigs te bevelen hebt."

Deconinck vatte de hand van de brave Geeraert, en drukte dezelve met ontroering.

"Nog een ziel als die van Jan Breydel!" dacht hij.

"Geeraert," viel hij uit, "gij zijt een waardige gezel; dank voor uw trouw en uw moed. Luister dan, want ik heb weinig tijd. Gij zult spoedig naar uw gezellen gaan om hen te verwittigen: deze nacht zult gij u geheimlijk met hen in het Peperstraatje begeven; gij alleen zult op de wal tussen de Dam- en Kruispoorten klimmen; leg u plat ter aarde en laat uw ogen in de richting van St.-Kruis gaan. Zodra gij een vuur in het veld ziet, val dan met uw makkers op de wacht der poort; open deze zullen zevenduizend Vlamingen voor staan."

"De poort zal op het bepaald uur open zijn; vrees niet, ik bid u," antwoordde Geeraert met koelheid.

"Is het gezegd?"

"Het is gezegd!"

"Goedenavond dan, mijn waarde vriend. Blijf met God!"

"En die vergezelle u, Meester!"

Deconinck liet de ambachtsman naar zijn vrouw terugkeren, en ging zelf ten huize uit. Bij de oude Hal kwam hij aan een prachtige woning: hij klopte en de deur werd geopend.

"Wat wilt gij, Vlaming?" vroeg de dienstknecht.

"Ik begeer Mijnheer De Mortenay te spreken."

"Ja maar, hebt gij geen wapens? Want gij lieden zijt niet te betrouwen."

"Wat geeft u dit!" sprak de Deken. "Ga, en zeg uw meester dat Deconinck hem wil spreken."

"O Heer, mijn God! Gij heet Deconinck? Dan komt gij gewis met een boos inzicht ..."

Bij deze woorden liep de dienstbode ijlings naar boven en kwam na enige ogenblikken terug.

"Gij moogt boven gaan," zuchtte hij, "het gelieve u mij te volgen."

Hij bracht Deconinck boven de trappen voor de ingang ener kamer. De Mortenay zat bij een kleine tafel waarop zijn helm en zijn degen nevens de ijzeren handschoenen rustten. Hij bezag de Deken met verwondering: deze boog zich voor de Stadsvoogd en sprak: "Mijnheer De Mortenay, ik heb mij, met betrouwen in uw eerlijkheid, tot hier begeven, wetende dat die stoutheid mij niet zal berouwen."

"Voorwaar," antwoordde De Mortenay, "gij zult terugkeren zoals gij gekomen zijt."

"Uw edelmoedigheid is een spreekwoord onder ons geworden," hernam Deconinck. "Ook is het uit oorzaak derzelve, en om u te doen zien dat wij, Vlamingen, een eerlijke vijand hoogachten, dat ik tot UEdele gekomen ben.--De Chatillon heeft heden onze stad aan de woede zijner soldeniers overgegeven, hij heeft acht onzer onnozele broeders doen hangen. Beken met mij, heer De Mortenay, dat het ons een plicht is hun dood te wreken; want wat kon de Landvoogd hun ten laste leggen, dan dat zij voor zijn dwingende geboden niet wilden zwichten?"

"De onderdaan moet zijn meester gehoorzamen; hoe streng de straf ook zij, is het hem niet geoorloofd de daden zijner Oversten te beoordelen."

"Gij hebt gelijk, Mijnheer De Mortenay, zo spreekt men in Frankrijk, en daar UEdele een natuurlijk onderdaan van de Koning Philippe le Bel is, betaamt het u zijn bevelen te volvoeren. Maar wij zijn vrije Vlamingen, en kunnen die schandelijke ketens niet langer dragen: nu de Landvoogd de wreedheid zover gebracht heeft, verzeker ik u dat er eerlang bloed bij stromen zal vergoten worden, en indien het lot ons ongunstig ware en dat gij lieden de zege behaaldet--dan zouden er u weinig slaven overblijven, want wij willen sterven. Echter hoe het ook zij, en dit is de oorzaak mijner komst, wat er ook gebeuren moge zal geen haar van uw hoofd door ons geraakt worden: het huis waarin gij u zult bevinden, zal voor ons geheiligd zijn, geen Vlaming zal zijn voet over de dorpel uwer woning zetten. Ontvang daarop mijn trouw."

"Ik dank de Vlamingen om hun liefde tot mij," antwoordde De Mortenay, "maar ik weiger de bescherming die gij mij aanbiedt en zal er nooit gebruik van maken. Indien er waarlijk zoiets voorviel, zou ik mij onder de banier van de Landvoogd, en niet in mijn woning bevinden, en zo ik sterf, zal het met het zwaard in de vuist zijn. Maar ik geloof niet dat het zo ver komen zal, want de oproeren zullen welhaast gedempt worden. Gij, Deken, verlaat het Land spoedig, dit raad ik u als vriend."

"Neen Mijnheer, ik verlaat mijn Land niet: het gebeente mijner vaderen rust in die grond. Ik bid u, overweeg dat alle dingen mogelijk zijn en dat het Franse bloed door ons kan vergoten worden; maar dan moogt gij u mijn woorden herinneren.--Dit is alles wat ik UEdele te zeggen had. Ik wens u vaarwel, God neme u onder zijn hoede!"

De Mortenay overdacht de woorden van de Deken met meer nauwkeurigheid, en bevond ter zijner grote droefheid dat een schriklijk geheim onder dezelve schuilde; hij besloot derhalve des anderdaags De Chatillon tot waakzaamheid aan te sporen, en zelf enige maatregelen voor de veiligheid der stad te bevelen. Niet denkende dat hetgeen hij vreesde zo haast moest gebeuren, legde hij zich te bed en sliep gerust.

* * * * *

17

_Daer rijst de Leeuw, die klaeuw en tand Zoo fier den vyand biedt._

P VAN DUYSE

Achter het dorp Sint-Kruis, op enige boogscheuten van Brugge, lag een klein woud, het Eksterbos genaamd, onder welkers schaduwrijke bomen de inwoners der volkrijke stad zich gewoonlijk des zondags gingen verlustigen. De stammen der bomen waren tamelijk van elkander verwijderd en een zachte zode bekleedde de grond als met een bloeiend tapijt.

Om twee uur des nachts was Breydel reeds op deze besproken plaats. Onpeilbaar was de duisternis, de maan had zich achter zware wolken vertrokken, zachtjes en suizend blies de wind als een zucht door het loof, en het eentonig geklater der bladeren kwam de schriklijkheid van die schrikkelijke nacht nog vermeerderen.

In het Eksterbos kon men bij de eerste blik niets bespeuren, maar met meer aandacht zou men menigvuldige sombere mensenschimmen op de grond uitgestrekt bemerkt hebben. Bij ieder dezer lichamen blonk een schitterende ster, in voege dat de zode in een hemelwelfsel scheen te zijn herschapen; duizenden lichtende punten waren, als met volle handen, erover gestrooid: deze sterren waren niets anders dan de bijlen in welkers glad staal het weinige licht des nachts zich spiegelde.