De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 20
Verwoed en razend om de dood hunner makkers, en uit de natuur tot gewelddadigheden genegen, liepen de soldeniers bij hopen met het zwaard in de vuist door de volkloze straten en deden zich de huizen der Klauwaards door de Leliaards aanwijzen. Zij stampten de deuren en vensters aan stukken, roofden geld en goed en verbrijzelden alles wat hun niet kostelijk genoeg of te zwaar voorkwam. De wenende maagden, die men in kelders of andere bergplaatsen kon aantreffen, werden wredelijk onteerd: de mannen, die hun echtgenoten of hun zusters wilden verdedigen, waren weldra door dit razend rot overrompeld en vermoord. Hier en daar, voor de deuren der geplunderde huizen, lagen verminkte lijken tussen het verbrijzelde huisraad; niets hoorde men dan de woedekreten der soldeniers en het gehuil der rampzalige vrouwen. De plunderaars kwamen lachend uit de verwoeste woningen--de handen vol geroofd goud en vol Vlaams bloed! Wanneer enigen, verzadigd van moord en buit, vertrokken, werden zij door anderen nog boosaardiger opgevolgd, en alzo bleven de Fransen een ruime tijd aan dit schandelijk werk: de hele reeks der euveldaden welke een losgebroken krijgsknecht plegen kan, werd door hen uitgeput[86].
In de woning van Pieter Deconinck bleef geen stuk geheel, de muren zelf zouden niet recht gebleven zijn, indien de plunderaars de tijd niet tot meer misdaden hadden gespaard. Een andere hoop liep rechtstreeks naar het huis van de Deken Breydel. In weinig ogenblikken werd de deur op de vloer geworpen en twintig soldeniers traden vloekend in de winkel; zij ontmoetten niemand, alhoewel zij al de vertrekken doorzochten. De kasten werden gebroken, het goud en geld geroofd en dan alles tot gruis vermorzeld.--Wanneer zij afgemat en moede, met een boos genoegen op de puinhopen staarden, kwam een hunner makkers de trap af en sprak: "Ik heb iets op de zolder gehoord, voorzeker schuilen er Vlamingen onder het dak. Ik geloof dat wij daar een betere buit vinden zullen, want het is denkelijk dat zij hun geld met zich hebben."
De soldeniers wendden zich met haast naar de trap: ieder wilde eerst de hand aan de roof slaan, maar de stem van hun makker weerhield hen.
"Wacht, wacht!" riep hij. "Gij kunt er niet aan; de val van de zolder staat tien voet hoog en de ladder hebben zij opgetrokken. Maar dit is niets, ik heb een ladder in de hof zien staan.--Beidt een weinig, ik ga ze halen."
Hij kwam weldra met het werktuig terug en klom met zijn makkers naar boven. De ladder werd onder de val gericht en men poogde dezelve op te heffen, maar dit gelukte niet;--een sterke grendel belette hun dezelve te bewegen.
"Welaan," riep een van hen, terwijl hij een zwaar stuk hout van de vloer opnam, "mits zij niet gewillig opendoen, zullen wij een ander middel zoeken."
Hiermede sloeg hij geweldig tegen de val doch zij bleef even vast en onwrikbaar. Een akelige klacht, een zucht zo pijnlijk alsof het leven met dezelve uit een borst ontvlogen was, galmde op de zolder.
"Ha, ha!" riepen de soldeniers. "Zij liggen op de val!"
"Wacht!" sprak een andere stem. "Ik zal ze welhaast doen verhuizen, wilt mij slechts een weinig helpen."
Zij namen een zwaardere balk en hieven hem gezamenlijk in de hoogte; dan stieten zij met zoveel kracht tegen de val dat de planken losbraken en beneden vielen. Met razend gejuich brachten zij spoedig de ladder aan, en liepen allen naar boven. Hier bleven zij plotseling staan: het scheen dat een zeldzaam en plechtig toneel hun harten had vermurwd, want de vloeken vergingen op hun mond en zij bezagen elkander met twijfel.
In het diepe van de zolder stond een kind, niet boven de veertien jaar oud, met een slachtbijl in de hand; bleek van angst en bevend hield hij dit wapen op de Fransen gericht, zonder dat het minste geluid uit zijn borst opkwam: uit zijn blauwe ogen schoten stralen van wanhoop en heldenmoed. Het was zichtbaar dat een diepe zielroering hem vervoerde, want de spieren zijner tedere wangen trokken zich te samen en gaven hem een ijslijke uitdrukking.--Hij geleek een marmeren Griek, in zulke smalle maat gebeeld.--Achter de jonge beenhouwer zaten twee vrouwen op de vloer geknield: een oude grijze moeder met de handen gevouwen en de ogen ten hemel, en een tengere maagd met hangende haren. Het bange meisje had haar aangezicht in de klederen harer moeder verborgen, de armen had zij als in stervensnood om haar geslagen. In deze houding zat zij roerloos en als zonder leven;--zij zuchtte noch klaagde.
Wanneer de soldeniers van hun eerste verbaasdheid waren teruggekomen naderden zij onstuimiglijk bij deze ongelukkige en barstten in scheldwoorden tegen haar uit. Zij meenden de handen aan haar te slaan, want dit kind boezemde hun geen de minste vrees in.--Hoe werden zij door toorn vervoerd, wanneer de jonge beenhouwer zijn linkervoet achteruit plaatste, en in die vastere houding met de bijl wanhopig rondzwaaiende, hun van schrik deed achteruit wijken. Een ogenblik werden zij in hun misdadige aanslagen verhinderd, totdat eindelijk een van hen op het kind aanviel en hem meende te doorsteken; maar de beenhouwer weerde de degen af, en hakte met wanhopige kracht in de schouder van zijn vijand. Deze deinsde wankelend en viel in de armen zijner makkers. Alsof die slag het vermogen van de jongeling had uitgeput, stortte hij achterover te gronde en bleef gevoelloos nevens de vrouwen liggen. De soldeniers hadden zich ogenblikkelijk om hun gewonde makker geschaard en ontkleedden hem tussen ijslijke wraakkreten en verwensingen. Terwijl weende de oude vrouw in de grootste benauwdheid, en smeekte in de Franse taal om genade.
"O Mijne heren!" riep zij met de armen uitgereikt. "Hebt toch medelijden met ons, arme schepsels als wij zijn! Moordt ons niet om de liefde des Heren!--Aanziet toch mijn tranen en ontfermt u over ons lijden.--Wat geeft u de dood van twee weerloze vrouwen?"
"Het is de moeder van die beenhouwer, die zoveel Fransen te Male vermoord heeft," riep een der soldeniers. "Bij de duivel, zij zal sterven!"
"Och neen! Neen, Mijnheer!" hernam de oude vrouw. "Doop uw handen niet in mijn bloed--ik smeek u, bij de bittere passie onzes Zaligmakers, laat ons leven! Neem alles wat wij bezitten tot u."
"Uw geld! Uw goud!" galmde een stem.
Op deze woorden vatte de vrouw een kistje dat achter haar stond en wierp het naar de soldeniers.
"Daar, Mijne heren," sprak zij, "dit is alles wat ons in de wereld overblijft--ik schenk het u gewilliglijk."
Het kistje viel open en een menigte gouden geldstukken met de kostelijkste juwelen rolden op de vloer. Terwijl de soldeniers elkander wegstieten om de buit te grijpen was er een die het aangezicht van het meisje had gezien; want de beweging der moeder had hetzelve ontdekt. Bij het aanschouwen dier bekoorlijke wezenstrekken drong een boosaardige minnelust in zijn boezem; hij sprong driftig vooruit, omvatte de maagd met een arm, terwijl hij in de andere hand een degen hield, en rukte zijn slachtoffer uit de armen der huilende vrouw.
"Moeder, o moeder!" zuchtte de maagd met stervende stem. Die klacht, op haar lippen vergaande, viel haar hoofd achterwaarts, en haar lichaam hing slap over de arm van de schaker. Door wanhoop en liefde tot haar kind zinneloos geworden, werd de moeder bij een razende furie ontheven: haar ogen zonken diep onder de geholde wenkbrauwen, en vlamden daar als de ogen eens wolfs in de duisternis: haar lippen hieven zich stuiptrekkend op en ontdekten de tanden, alsof de moeder in dit aaklig ogenblik, de inborst ener tijgerin verkregen had. Zij sprong woedend op de soldenier, en sloeg haar armen om zijn hoofd; dan zijn wang in haar hand, als in een klauw, grijpende, dreef zij haar nagelen in zijn aangezicht, en neep hem de wang te pletten: bloeddruppels lekten reeds op zijn kin.
"Mijn kind!" huilde zij. "Mijn kind, o booswicht!"
De nijpingen der razende moeder veroorzaakten de soldenier onverdraaglijke martelpijnen; zijn wezenstrekken gaven dit genoeg te kennen, want de ogen kwamen hem uit het hoofd.--Het meisje niet willende verlaten, bracht hij zijn degen tegen de borst der moeder, en boorde wredelijk door haar boezem. De ongelukkige vrouw loste alsdan de boze vijand, en leunde wankelend tegen het dak: bloed liep over haar klederen, haar ogen verflauwden, haar wezenstrekken verstierven, en haar handen zochten dwalend naar een steun.
De soldenier, die haar dochter in de armen hield, wierp op dit ogenblik het haar van de wangen der maagd,--plaatste zijn mond op haar ontverfd gelaat en zoende haar zo driftig, dat de oren der stervende moeder het geluid ervan ontvingen. Op het gezicht dier schennis kreeg zij het leven terug: zij stond recht zonder ergens tegen te leunen.--Met een vervaarlijke uitdrukking van blijdschap, stak zij haar bevende hand tussen haar klederen, en sprak met doffe stem, terwijl zij naar de soldenier liep: "Gij zult mijn kind niet onteren! Haar ziel zal mij zuiver ten Hemel verzeilen... Daar zie booswicht--nu hebt gij een lijk ..."
Zij stiet het mes dat zij uit haar tas getrokken had, bij herhaalde malen in de borst harer dochter--en meende haar nog eens stervend te omhelzen, maar nu ontgingen haar de krachten met het leven: zij stortte zwaar op het lichaam van haar kind.
Om dit zieldrukkend toneel in al zijn delen te beschrijven, heeft het verhaal langer dan de daad zelf geduurd. Al deze voorvallen begonnen en eindigden in enige ogenblikken; in dier voege dat de andere soldeniers nog bezig waren met het bijeenrapen der juwelen, wanneer de moeder en de dochter deze aarde voor een betere wereld verlieten.
Zodra de uitheemse plunderaars alles wat op de zolder van enige waarde was, geroofd hadden, gingen zij ten huize uit en liepen naar andere plaatsen dezelfde verwoesting hervatten.--De rampzalige Burgers die nu uit hun woningen verjaagd waren, of in dezelve niet meer dorsten blijven, doolden als verloren in de straten en werden door de Fransen met alle smaadwoorden bejegend.--Hoe pijnlijk moest toch de onmacht en de wanhoop voor deze Vlaamse harten zijn! Hoe bitter en hoe nijdig vervloekten zij de naam der Fransen!
Omtrent de middag renden een groot getal ruiters door de stad om de soldeniers weder te roepen; want Mijnheer De Chatillon had geoordeeld dat de Kroon van Frankrijk nu genoeg gewroken was. Er werd uitgeroepen dat men de lijken mocht begraven, en dat iedereen naar zijn woning mocht terugkeren.
Enige Klauwaards, die in het huis van de Deken Breydel gegaan waren, hadden de lichamen der twee vrouwen van de zolder gehaald en vervoerden dezelve op een draagbaar tot aan de Dampoort. Hier was nog een treurig toneel te zien, dat het hart fel mocht schokken. Duizend wenende vrouwen, huilende kinderen en stramme grijsaards baden geknield om de stad te mogen verlaten; doch de soldeniers, wie het bevolen was de poorten gesloten te houden, luisterden naar geen smeken, en antwoordden met bittere scherts op de tranen der benauwde Burgers. Wanneer zij aldus een ruime tijd nutteloos gebeden hadden, kreeg een der vrouwen het gelukkig gedacht haar juwelen aan de wachten te geven. Door vele anderen werd zij hierin nagevolgd, en weldra lagen er kostelijke halssnoeren, haken en oorbellen, met andere rijke sieraden, in een hoop voor de poort.
De soldeniers grepen met drift naar die zinnenstrelende voorwerpenpen beloofden de poorten te openen, indien men hun al de juwelen wilde schenken.--Met haastigheid wierpen de vrouwen geld en goed te gronde, en de poort werd geopend.
Een blij gejuich begroette deze gelukkige verlossing: de moeders namen hun kinderen op de arm, de zoon ondersteunde zijn vader, en zo liepen zij stromend door de poort.--De mannen die de lijken der moeder en der zuster van Jan Breydel droegen, volgden de anderen in de vlucht;--en achter hen sloot zich de stad weder toe.
* * * * *
16
_'k Zie in den bloei der jeugd my lust en hoop ontvlugten, En angstig worstel ik met kommer en verdriet Is 't myn bestemming, God, altoos altoos te zuchten. Hoort gy myn weeklacht niet?_
MARIA DOOLAEGHE
Jan Breydel had zich met zijn zevenhonderd beenhouwers in de nabijheid der stad Damme op een mijl van Brugge neergeslagen. Drieduizend andere gezellen van alle ambachten waren zich onder zijn bevel komen schikken; hij bevond zich dus aan het hoofd van een heir, wel gering door het getal, maar machtig door moed en onversaagdheid; want de harten dezer mannen hijgden inniglijk naar vrijheid en wraak. In het bos dat de Deken tot legerplaats had verkozen was de grond, op een uitgestrektheid van een vierendeel uurs, met veldhutten overdekt[87].
Des morgens achttiende mei, een weinig eer De Chatillon in Brugge trad, rookten voor de regelmatige lijnen dezer legering ontellijke vuren; nochtans bespeurde men weinig volk bij de hutten, er stonden wel genoeg vrouwen en kinderen, maar het was zelden dat een man zich vertoonde, en dan nog was het een schildwacht. Op enige afstand van het leger, achter de bomen die hun takken boven de hutten spreidden, was een open plaats die niet met gevallijke gewassen was belemmerd, en op welkers grond geen hutten stonden. Daar hoorde men een schaterend gesuis van gemengde stemmen, terwijl bonzende slagen dit eenstemmig gemor bij pozen kwamen beheersen. Het aambeeld weergalmde klinkend onder de hamers der smeden, en de grootste bomen vielen met gedruis voor de bijlen der beenhouwers neder. Lange stukken hout werden rond en glad gemaakt en met een puntig ijzer voorzien. Reeds lagen er grote hopen van zulke Goedendags of speren tegen de grond opeengestapeld. Andere gezellen vlochten wilgentakken tot beukelaars en gaven dezelve beurtelings aan het leertouwersambacht, om ze met een ossenhuid te laten overdekken. De timmerlieden vormden ook allerlei zware oorlogstuigen om steden te bestormen, en bijzonderlijk springalen en andere werprustingen.
Jan Breydel liep van de ene zijde naar de andere en wakkerde zijn makkers door vrolijke woorden aan, dikwijls nam hij zelf de bijl uit de handen zijner beenhouwers en hakte dan ter hunner verwondering, met een verbazende kracht, een boom in weinig tijds ter neder.
Op de linkerzijde dezer open plaats stond een prachtige tent van hemelsblauw laken, met zilveren boordsels. Aan het bovenste gedeelte hing een schild, op hetwelk een zwarte leeuw in een gulden veld gewrocht was; aan dit wapen kon men gissen dat een persoon van graaflijken bloede erin woonde. Het was Machteld die zich onder de bescherming der Ambachten gesteld had, en tussen hen was gelegerd. Twee Vrouwen van het doorluchtige huis van Renesse waren uit Zeeland gekomen om haar tot Staatjuffers en vriendinnen te zijn; niets ontbrak haar: het prachtigste huisraad, de kostelijkste kleding had de edele Zeelander haar toegeschikt. Twee lange scharen beenhouwers, met blinkende bijlen, stonden bij de twee zijden der tent en dienden de jonge Gravin tot lijfwacht.
De Deken der wevers wandelde heen en weer vóór de ingang, hij scheen in diep gepeins bedolven, want zijn ogen waren steeds te gronde gericht. De lijfwachten bezagen hem in stilte en dorsten niet spreken; zozeer eerbiedigden zij de bedenking van de man die groot en edel voor hen was. In deze mijmering was hij bezig met het vormen van een algemeen legeringsontwerp. Opdat de nooddruft niet ontbrake, had hij zelf het ganse leger in drie lichamen verdeeld: de beenhouwers en de gezellen van verschillende ambachten had hij te Damme onder het bevel van Breydel doen legeren, de Hoofdman Lindens had zich met tweeduizend wevers bij Sluis vertrokken, en Deconinck zelf verbleef met tweeduizend anderen te Aardenburg[88]. Maar die noodzakelijke afstand tussen de delen van het leger verdroot hem; hij had liever al de benden voor de terugkomst van Mijnheer Gwyde te samen gebracht: hierom was hij te Damme gekomen en had reeds met Jan Breydel over de zaak gehandeld. Nu wachtte hij dat het hem veroorloofd werde de dochter van zijn heer te zien en te groeten.
Terwijl hij het ontwerp wandelend nog overwoog, werd het behangsel der tent ter zijde getrokken en Machteld stapte langzaam over het tapijt dat voor de ingang lag. Zij was bleek en kwijnend, haar onmachtige benen ondersteunden haar met moeite: zij wankelde bij de weinige stappen die zij deed, en rustte zwaar op de arm der jonge Adelheid van Renesse die haar vergezelde. Haar kleding was rijk, doch zonder zwier; zij had alle sieraad verworpen, en droeg geen ander kleinood dan de gulden borstplaat met de zwarte Leeuw van Vlaanderen.
Deconinck had zich het hoofd voor zijn Landvrouw ontdekt, en stond in een eerbiedigende houding voor haar. Machteld glimlachte met een zieltreffende uitdrukking, op haar wangen mengden zich bittere pijn en zacht genoegen; want zij was verheugd dat zij de Deken zag. Met zwakke stem sprak zij: "Wees gegroet, meester Deconinck, onze vriend! Gij ziet het, ik ben niet wel, mijn kranke borst hijgt zo lastig. Maar ik mag zo niet altijd in mijn tent blijven, de droefheid bevangt mij in die nauwe woning. Ik wil de trouwe onderdanen mijns vaders zien werken, indien mijn voeten mij tot daar brengen kunnen. Gij zult mij vergezellen; ik bid u, Meester, antwoord op mijn vragen, uw verklaringen zullen mijn zieke geest verlichten. Ik begeer niet dat de wachten ons volgen.--De zuivere morgenlucht verkwikt mij grotelijks!"
Deconinck zijn Landvrouw volgende, begon haar over vele zaken te onderhouden; met zijn gewoon vernuft en welsprekendheid wist hij voor haar troostende dingen te vinden, en dreef alzo voor een ogenblik het zwart nadenken van haar. Te midden der ambachtslieden gekomen zijnde werd de Jonkvrouw overal met juichende gelukwensingen begroet. Weldra werd de kreet algemeen: "Heil! Heil de edele dochter van de Leeuw!" liep met lange galmen door het bos en Machteld gevoelde een zuivere vreugde bij de tekens dezer vurige liefde. Zij naderde bij de Deken der beenhouwers en sprak vriendelijk: "Meester Breydel, ik heb u van ver gezien; gij werkt met meer drift dan de laatste uwer gezellen. Het schijnt dat die arbeid u behaagt."
"Mijn Landvrouw," antwoordde Breydel, "wij maken Goedendags die het Vaderland en de Leeuw onze heer moeten verlossen. Ik verheug mij uitermate aan dit werk; want mij dunkt dat op de punt van iedere Goedendag, die wij veerdig krijgen, reeds een Fransman steekt. En verwonder u niet, doorluchtige Gravin, indien ik zo driftig in deze bomen houw: ik droom dat ik op de vijand hak, en die bedriegelijke wraak doet mijn hart van onversaagdheid opzwellen!"
Machteld bewonderde de jonge Man, wiens blikken het heldenvuur, dat zijn hart zo overvloedig besloot, verrieden; wiens gelaat als het gelaat ener Griekse godheid de kentekens der zoete hartstochten en der vlammende driften droeg. Zij bezag met genoegen die ogen waarin de manlijke trotsheid onder lange wimpers vonkelde, en die zachte wezenstrekken, welke als de spiegel ener edele ziel met de uitdrukking ener belangloze opoffering en van liefde tot het Vaderland blonken. Zij sprak tussen een minzame glimlach: "Meester Breydel, uw gezelschap zou mij aangenaam zijn, indien het u beliefde ons te volgen."
Jan Breydel wierp de bijl weg, bracht de blonde lokken van zijn haar over de oren, plaatste zijn muts met meer zwier op het hoofd, en volgde de Jonkvrouw vol hoogmoed. Machteld suisde met stille stem tot Deconinck: "Indien mijn vader duizend zulke trouwe en onverschrokken mannen in zijn dienst had, zouden de Fransen niet lang in Vlaanderen blijven."
"Er is maar een Vlaming gelijk Breydel," antwoordde Deconinck. "Het is zelden dat de natuur zulke vlammende harten in zulke machtige lichamen laat geboren worden, en dit is een wijze schikking van God: anders zouden de mensen, hun krachten bewust zijnde, te hovaardig zijn; evenals die reuzen der Oudheid, die de Hemel beklimmen wilden...."
Hij meende in zijn rede voort te gaan; maar een schildwacht met rondel en zwaard kwam buiten adem bij hen gelopen en sprak tot Breydel, zijn Deken: "Meester, mijn gezellen van de legerwacht hebben mij tot u gezonden, om u te boodschappen, dat men voor de poort onzer stad Brugge een dikke wolk van het stof der baan in de hoogte ziet klimmen; en dat een bruisend gerucht, als het geraas eens legers, zich doet horen: het gevaarte verlaat de stad en komt naar onze legerplaats."
"Te wapen! Te wapen!" riep Breydel met zulke kracht dat allen het hoorden, "Ieder schikke zich in zijn schaar! Maakt spoed!"
De werklieden grepen met onstuimigheid naar hun wapens en liepen in wanorde door elkander, maar dit duurde slechts een ogenblik:--de scharen vormden zich plotseling, en welhaast stonden de gezellen beweegloos in hun dichtgesloten gelederen. Breydel schikte vijfhonderd uitgelezen mannen om de tent van Machteld; de Jonkvrouw was ijlings in dezelve teruggekeerd. Een wagen en enige losse paarden werden voor de tent gebracht en alles tot een ontwijking bereid gemaakt. Dan ging Breydel in allerhaast met zijn overige mannen uit het bos en schaarde zich in slagorde om de vijand te ontvangen.
Zij bemerkten welhaast dat zij zich hadden bedrogen, want het gevaarte dat het stof in de lucht dreef, ging zonder orde voort: er liepen vrouwen en kinderen in menigte door elkander. De vrouwen maakten een aaklig gebaar van weeklachten, rondom een draagkoets die door mannen werd aangebracht. Alhoewel de oorzaak der wapenneming nu vergaan was, bleven de ambachtslieden nog altijd in hun gelederen: zij rustten op hun wapens, en wachtten met nieuwsgierigheid om te weten wat dit beduidde. Eindelijk naderde het gevaarte voor het leger. Terwijl veel vrouwen en kinderen door de gelederen heendrongen, om hun echtgenoot of hun vader te omhelzen, ontvouwde zich een schriklijk toneel voor het midden der scharen.
Vier mannen brachten de draagbaar tot op een kleine afstand van de Deken der beenhouwers, en plaatsten twee vrouwenlijken op de grond: de klederen derzelve waren met lange bloedvagen besmet; hun wezenstrekken kon men niet zien, want er lag een zwarte sluier op hun hoofden. Terwijl de lijken uit de draagbaar gelicht en op de grond gelegd werden, vervulden de vrouwen de lucht met hun klachten; het hartscheurend "Wee! Wee!" was alles wat men in den eerste verstaan kon. Eindelijk riep een stem: "De Fransen hebben haar wredelijk vermoord!"
Die roep bracht de woede en de wraaklust onder de ambachtslieden, die tot daar toe met verbaasdheid gewacht hadden, maar de Deken Breydel keerde zich tot hen en riep: "De eerste die zijn gelid verlaat, zij strengelijk gestraft!"
Hij was door een pijnlijke onrust gefolterd, alsof een voorgevoel van het ongeluk dat hem gebeurd was zijn hart op voorhand beneep; met onstuimigheid liep hij tot bij de op de grond liggende lijken, en rukte de doek van derzelver aangezicht.
Maar, o God! Hoe schriklijk was hem de onzalige blik zijner ogen!... Geen zucht ontging zijn boezem, geen lid verroerde zich in hem en hij stond als door een bloedstorm geslagen. Bleker dan een lijk werd hij, en zijn haren rezen te berge op zijn hoofd: met hardnekkigheid hield hij de ogen stijf en beweegloos op de verglaasde ogen der dode lichamen gevestigd. Zijn lippen bewogen zich bevend, en men zou gezegd hebben dat zijn stervensuur gekomen was.
In die gesteltenis bleef hij slechts weinig ogenblikken, weldra ging er een ratelende ademing door zijn keel; wanhopig sprong hij vooruit naar zijn scharen, hief terzelfder tijd de twee armen omhoog, en schreeuwde pijnlijk.
"O ramp! Ramp! Mijn oude moeder ... mijn arme zuster!"