De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 2
De kleding en de wapens dezer ridders waren zo kostelijk dat men, bij de eerste oogopslag, Graven en nog hogere heren eronder gissen kon. Een zijden kolder[2] hing hun met zwierige vouwen om het lichaam, terwijl een verzilverde helm hun het hoofd met purperen en lazuren vederen bekroonde. Hun handschoenen, met ijzeren schelpen bedekt, en hun met goud doorwrochte knieplaten blonken ook niet weinig bij het morgenlicht. De schuimende en onrustige paarden wrongen het gebit met drift tussen de tanden, en dan bewogen de zilveren knopen en de zijden trossen huns tuigs zich liefelijk.
Alhoewel de uitrusting dezer reizigers niet ten oorloge geschikt was, mits zij geen harnassen droegen, kon men echter genoeg bemerken dat zij zich tegen vijanden voorzien hadden; want de mouwen van hun pantsers[3] kwamen met hun armen door de kolders. Grote slagzwaarden hingen ook aan hun zadels, en de schildknapen voerden grote beukelaars achter hun meesters. Elke ridder had zijn wapentekenen op de borst geborduurd, in zulker wijze dat men de stam van ieder herkennen mocht.--De koude des morgens had hun de lust tot spreken benomen, de klemmende nachtlucht bezwaarde hun oogleden; zij weerstonden de lastige vaak met moeite en bleven in een sluimerige ongevoeligheid verzonken.
Een jonge man ging te voet voor hen in de baan. Lange golvende haren rolden op zijn brede schouders; blauwe glinsterende ogen stonden vlammend onder zijn blonde wenkbrauwen, en een jonge baard krulde op zijn kin.--Een wollen kolder met een gordel was zijn kleedsel, en een kruismes[4] in een lederen schede zijn wapen. Zichtbaar was het op zijn gelaat dat het gezelschap, aan hetwelk hij ten leidsman diende, hem niet aangenaam was. Er schuilde voorzeker iets geheims in zijn boezem, want hij wendde dikwijls de ogen met linkse blik naar de ridders. Lang van gestalte en buitengewoon sterk van leden, stapte de jongeling zo snel voort, dat de paarden moeite hadden om hem op een tred bij te houden.
Na de stoet alzo enige tijd was voortgereden, struikelde het paard van een der ridders tegen de stronk van een afgehakte boom en bukte onvoorziens tot bij de grond. Hierdoor viel de ridder met de borst op de nek van zijn draver en geraakte bijkans uit de zadel. "Bij de Maagd!" riep hij in de Franse spraak. "Zo helpe mij God! Mijn paard slaapt onder mij."
"Mijnheer De Chatillon[5]," antwoordde zijn gezel, lachende, "dat er een van u beiden sliep--dit geloof ik voorzeker."
"De tong moet u branden, spotter!" viel De Chatillon uit. "Ik sliep niet. Twee uren vestig ik mijn ogen op die betoverende torens, die zich hoe langer hoe meer verwijderen. Maar men zou zich eer aan de galg zien, dan een goed woord uit uw mond te krijgen."
Terwijl de twee ridders, zich dus schertsend toespraken, lachten de anderen lustig om het ongeval en de ganse stoet ontwaakte opeens uit de stille sluimering.
De Chatillon, die nu zijn paard weder op de been gebracht had, ziende dat men niet ophield met lachen, werd door zulke innige gramschap vervoerd, dat hij het beest ijselijk met de scherpe spoor[6] in de buik stampte. Hierdoor steigerde het verwoed in de hoogte, en vloog eindelijk als een javelijn tussen de bomen heen. Geen honderd treden van daar liep het tegen de stam van een zware eik, en stortte deerlijk gewond ter aarde.
Gelukkig was het voor De Chatillon dat hij bij de schok ter zijde uit de zadel gevallen of gesprongen was. Niettegenstaande moest hij zich genoeg in de lenden bezeerd hebben, want hij bleef een ogenblik als gevoelloos liggen.
Zohaast de anderen bij hem gekomen waren, stegen zij allen van hun paarden en lichtten hem met medelijden van de grond. Die hem eerst boertig had toegesproken scheen nu het meest voor hem bezorgd; want een ware droefheid had zijn gelaat betrokken.
"Mijn duurbare Chatillon," zuchtte hij, "ik beklaag u uiterharten. Vergeef mij mijn losse woorden; ik wilde u niet honen."
"Laat mij gerust!" riep De Chatillon zich uit de armen zijner makkers rukkende. "Ik ben nog niet dood, Mijne heren! Denkt gij dat de Saracenen mij gespaard hebben, om mij in een bos, als een hond te laten sterven? Neen ik leef nog, God dank! Zie, De St.-Pol, ik zweer u, dat gij mij deze spotternij op staande voet betalen zoudt, indien ik mij op u wreken mocht."
"Bedaar toch, ik bid u," hernam De St.-Pol, "Ho! Gij zijt gewond, mijn broeder, er komt bloed uit uw maliehemd."
De Chatillon trok de mouw van zijn rechterarm wat omhoog, en bemerkte dat een tak hem de huid opengekrabd had.
"Daar, zie!" sprak hij half getroost. "Het is niets--een schram. Maar bij de Hemel! Ik geloof dat die Vlaming ons met inzicht in deze behekste wegen brengt. Dit wil ik weten,--en zo weinig krijge ik genade om mijn zonden, indien ik hem niet aan de vervloekte eik doe ophangen."
De Vlaming die bij dit gezegde tegenwoordig was, geliet zich alsof hij de Franse taal niet verstond, en zag De Chatillon met stout gelaat in de ogen.
"Mijne heren," riep de ridder, "ziet die Laat[7] mij aanzien.... Kom eens hier, lomperd! Nader hier voor mij."
De jongeling naderde langzaam en hield zijn ogen gedurig op de ridder gevestigd. Er zweefde iets zonderlings over zijn wezenstrekken,--een uitdrukking waarin toorn en list te saam gesmolten waren: iets zo dreigend en zo geheim dat De Chatillon met een aandoening van benauwdheid werd bevangen.
Een der bijwezende ridders wendde zich om en verliet de plaats waar dit gebeurde; hij week enige stappen tussen het geboomte en deed genoeg bemerken dat dit toneel hem niet behaagde.
"Wilt gij mij zeggen," vroeg De Chatillon aan de gids, "waarom gij ons door zulke wegen leidt, en waarom gij ons niet gewaarschuwd hebt dat er een afgehakte boom in de baan lag?"
"Heer!" antwoordde de Vlaming in slecht Frans. "Ik ken geen andere weg naar het slot Wijnendale en wist niet dat het UEdele geliefde op dit uur te slapen."
Bij dit gezegde kwam er een bitsige grimlach op zijn gelaat; het scheen dat hij de ridder tergen wilde.
"Bij God!" riep De Chatillon hem toe. "Gij lacht--gij spot met mij.... Hola! Mijn knapen, dat men die Laat in de lucht hange! En dat hij der raven ten spijze worde!"
Nu grimlachte de jongeling nog meer: de hoeken van zijn mond trokken zich achteruit, en een bleke of purperen kleur verfde beurtelings zijn wangen.
"Een Vlaming ophangen?" morde hij. "Wacht een weinig!"
Hierop ging hij enige treden achterwaarts, plaatste zich met de rug tegen een boom, stroopte de mouwen van zijn kolder tot aan de schouders op, en toog zijn blikkerend kruismes uit de schede. De ronde spieren van zijn blote armen waren gespannen, en zijn gelaat kreeg iets in zich dat de leeuwen eigen is.
"Wee degene die mij raakt!" riep hij met kracht. "De raven van Vlaanderen zullen mij niet eten; zij vreten liever Frans vlees!"
"Val aan, lafaards!" riep De Chatillon tegen zijn knapen. "Val aan dan! Zie die bloodaards!--Zijt gij bang van een mes? Mocht ik mijn handen aan die Laat vuil maken; maar ik ben edel. Grauw tegen grauw, het is uw taak. Loopt hem dan over 't lijf."
Enige der omstaande ridders poogden De Chatillon te bedaren, doch de meesten stemden in deze daad en hadden de Vlaming gaarne aan een strop gezien. Ongetwijfeld zouden de knapen, door hun meesters opgehitst, de jongeling overvallen en verwonnen hebben; maar nu naderde de ridder die enige stappen van daar in diepe gepeinzen had gewandeld. Zijn kleding en uitrusting ging die der andere ridders ver in pracht te boven; het schild dat op zijn borst gewrocht was, droeg drie gulden leliën op een blauw veld, onder een graaflijke kroon. Dit beduidde dat hij van koningsbloede was.
"Hou op!" riep hij met streng gelaat tegen de knapen, en zich tot De Chatillon kerende sprak hij: "Mijnheer!... Gij schijnt te vergeten, dat ik Vlaanderen van mijn broeder en koning Philippe te leen heb. Die Vlaming is mijn vazal.--Gij hebt geen recht op zijn leven, mits hij mij alleen toebehoort."
"Zal ik mij dan door een boer bespotten laten?" vroeg De Chatillon met spijt. "Waarlijk Graaf, ik versta niet waarom gij altijd het geringe volk tegen de Edelen voorstaat. Zal die Vlaming zich beroemen dat hij een Franse ridder ongestraft gehoond heeft? En zegt gij het, Mijne heren, heeft hij de dood niet verdiend?"
"Mijnheer De Valois[8]," antwoordde De St.-Pol, "verleen mijn broeder de kleine vertroosting, die Vlaming te zien hangen. Wat geeft het leven van die koppige Laat aan uw prinselijke Hoogheid?"
"Hoort, Mijne heren!" riep Charles de Valois met toorn. "Mij is uw losse taal ten hoogste onaangenaam. Het leven van een onderdaan is mij van groot gewicht, en ik begeer dat men de jongeling ongehinderd late. Te paard, Mijne heren! Te veel tijds is dit verspild."
"Komaan, De Chatillon," morde De St.-Pol tegen zijn broeder, "stijg op het ros van uw schildknaap en laat ons gaan, want Mijnheer De Valois is een ongelovige volksgezinde."
Intussen hadden de schildknapen hun wapens in de schede gestoken, en waren zij nu bezig met de paarden hunner meesters vooruit te brengen.
"Zijt gij klaar, Mijne heren?" vroeg De Valois. "Nu dan, spoedig voort, bid ik u; want anders komen wij de jacht te spade. Gij vazal, ga ter zijde; waarschuw ons wanneer wij moeten draaien.--Hoe ver zijn wij nog van Wijnendale?"
De jongeling nam zijn kap heuselijk van het hoofd, boog zich voor zijn redder en antwoordde: "Nog een korte mijl, mijn Heerschap."
"Bij mijn ziel!" sprak De St.-Pol. "Ik geloof dat dit een wolf in een schapenvel is."
"Dit heb ik reeds overlang gedacht," antwoordde de Kanselier Pierre Flotte, "want hij beziet ons als een wolf en luistert als een haas."
"Ha! Ha! Nu weet ik wie het is," riep De Chatillon. "Hebt gij nooit horen spreken van een wever met name Pieter Deconinck die te Brugge woont?"
"Mijne heren, gij bedriegt u voorwaar," bemerkte Raoul de Nesle, "ik heb de beruchte wever te Brugge zelf gesproken, en alhoewel hij deze in schalksheid te boven gaat, heeft hij slechts één oog en onze leidsman heeft er twee allergrootste. Ongetwijfeld bemint hij de oude Graaf van Vlaanderen, en beschouwt onze komst als overwinnaars met een kwaad oog; dit is de zaak. Vergeeft hem de trouw die hij zijn ongelukkige Vorst bewaart."
"Het is lang genoeg hierover gesproken, Mijne heren," viel De Chatillon in. "Laat ons van voorwerp veranderen. Ter goeder ure! Weet gij wat onze genadige Koning Philippe met dit land van Vlaanderen doen zal? Want op mijn woord, indien onze Vorst zijn schatkisten zo dicht hield als De Valois zijn mond gesloten houdt, zou het arm leven aan het Hof zijn."
"Dit zegt gij wel," antwoordde Pierre Flotte, "maar hij zwijgt niet met iedereen. Vertraagt de gang uwer paarden een weinig, Mijne heren, en ik zal u dingen zeggen die gij niet weet."
De ridders kwamen met nieuwsgierigheid dichter bij elkaar, en lieten de Graaf De Valois een weinig vooruitgaan. Wanneer hij genoeg van hen verwijderd was, om hun woorden niet te kunnen verstaan, sprak de Kanselier:
"Luistert--onze genadige Koning Philippe le Bel heeft geen geld meer. Enguerrand de Marigny heeft hem doen geloven dat Vlaanderen een goudmijn is, en dit is niet slecht gezegd; want in het land waar wij nu zijn, is meer goud en zilver dan in geheel Frankrijk."
De ridders glimlachten en bogen meermalen hun hoofden ten teken van toestemming.
"Luistert nog," hernam Pierre Flotte, "onze Koningin Johanna is ten hoogste op de Vlamingen verbitterd; zij haat dit hoogmoedig volk dat het niet te zeggen is. Ik heb uit haar mond gehoord, dat zij de laatste Vlaming aan de galg zien wilde."
"Dit heet spreken als een Koningin!" riep De Chatillon. "Indien ik eens meester over dit land worde, gelijk mijn genadige nicht het mij heeft toegezegd, zal ik haar schatkisten wel voeden; en Pieter Deconinck met ambachten en gilden en heel die volksregering tenietdoen.--Maar wat luistert die vermetele Laat op onze rede!!"
De Vlaming was onmerkbaar genaderd en had de woorden der ridders met een vlijtig oor gevat. Zodra men hem bemerkte, liep hij met een onverstaanbare grimlach tussen de bomen van het woud, bleef op een afstand staan en toog zijn mes uit de schede.
"Mijnheer De Chatillon!" riep hij dreigend. "Bezie dit mes wel, opdat gij het herkennen moogt wanneer het u tussen hals en nek zal glijden!"
"Is er dan geen mijner dienaren die mij wreken zal?" schreeuwde De Chatillon met woede.
Eer hij deze woorden gesproken had, steeg er een zware lijfknecht van zijn paard en liep met blote degen op de jongeling aan. Deze in plaats van zich met zijn mes te willen verdedigen, stak het in de schede en wachtte met gesloten vuisten op zijn vijand.
"Gij gaat sterven, vervloekte Vlaming!" riep de lijfknecht, zijn wapen op hem sturende.
De jongeling antwoordde niet, maar hechtte zijn grote ogen als twee vlammende schichten op de lijfknecht. Deze, door de kracht van die blik tot in de ziel geraakt, bleef een ogenblik staan alsof hem de moed ontzonk.
"Toe, steek dood! Steek dood!" riep De Chatillon tot hem. Maar de Vlaming wachtte niet totdat zijn vijand hem naderde: hij sprong in een vlucht voor de degen om, greep de lijfknecht met zijn twee sterke handen om het middel, en sloeg hem zo onbarmhartiglijk met het hoofd tegen een boom dat hij zonder gevoel op de grond nederstortte. Een laatste doodskreet klonk door het woud en de Fransman sloot de ogen voor eeuwig toe, terwijl zijn leden stuiptrekkend beefden. Met een nijdige lach bracht de Vlaming zijn mond bij het oor van het levenloze lichaam, en sprak spottend: "Ga, en zeg uw meester, dat het vlees van Jan Breydel[9] voor geen raven is--het vlees der Vreemden is beter aas voor hen."
En hiermede liep hij tussen de heesters en verdween in het diepste van het woud.
De ridders die in de baan stonden en dit schouwspel met angst aanzagen, hadden geen tijd gehad om elkaar enige woorden toe te sturen; doch zodra zij van hun verbaasdheid waren teruggekomen, sprak De St.-Pol: "In der waarheid, ik geloof, mijn broeder, dat gij met een tovenaar te doen hebt, want zo zegene mij God! Dit is niet natuurlijk."
"Behekst land!" antwoordde De Chatillon mistroostig. "Mijn paard breekt de nek, mijn trouwe lijfknecht bekoopt het met zijn leven--het is een ongelukkige dag.... Knapen, neemt het lichaam van uw genoot; draagt het zo gij best kunt naar het eerste dorp; dat men hem geneze of begrave.... Ik bid u, Mijne heren, dat de Graaf De Valois niets van het voorval wete."
"Ho, dit verstaan wij!" viel Pierre Flotte in. "Maar, Mijne heren, geeft uw dravers de spoor en haast u voort--want ginds zie ik Mijnheer De Valois tussen de bomen verdwijnen."
Zij losten hun dravers de toom en kwamen weldra bij de Graaf hun Veldheer. Deze rende zachtjes voort zonder op hun nadering te letten. Zijn hoofd, met de verzilverde helm, hing nadenkend voorover, en zijn ijzeren handschoen rustte achteloos met de teugel op de maan zijns dravers; zijn andere hand omvatte het gevest van het slagzwaard dat aan de zadel hing.
Terwijl hij dus in diep gepeins verzonken was, en dat de andere ridders met oogwenken over zijn droefgeestigheid schertsten, ontvouwde het slot Wijnendale zich voor hen met zijn hemelhoge torens en reuzenstaltige wallen.
"Noël!" riep Raoul de Nesle met blijdschap. "Ginds is het einde onzer reis. Wij zien Wijnendale in weerwil des duivels en der toverij."
"Ik wilde het wel in brand zien," morde De Chatillon, "het kost mij een paard en een trouwe dienaar."
Nu wendde de ridder die de leliën op de borst droeg zich om, en sprak: "Mijne heren, dit slot is het verblijf van de ongelukkige Landheer Gwyde van Vlaanderen--een vader wien men zijn kind ontrukt heeft, en wiens land wij door het geluk der wapenen gewonnen hebben. Ik bid u, toont hem niet dat gij als overwinnaars komt en vergroot zijn lijden niet door hoogmoedige woorden."
"Maar, Graaf De Valois," viel De Chatillon bitsig uit, "denkt gij, dat wij de wetten des ridderschaps niet kennen? Weet ik niet dat het een Franse ridder betaamt, zich na de zegepraal edelmoedig te gedragen?"
"Ik hoor wel dat gij het weet," antwoordde De Valois met nadruk, "ik verzoek u, het dan ook zo te doen. De eer bestaat niet in ijdele woorden, Mijnheer De Chatillon!--Wat geeft het dat de wetten van het ridderschap op de tong liggen, wanneer zij niet in het hart geschreven staan? Wie met zijn minderen niet edelmoedig is, kan het niet met zijn gelijken zijn. Gij verstaat mij, Mijnheer De Chatillon!"
De Chatillon ontstak op dit verwijt in een spijtige woede, en zou voorzeker in onstuimige woorden uitgevallen zijn; maar zijn broeder De St.-Pol weerhield hem en morde zachtjes: "Zwijg, De Chatillon, zwijg toch; want onze Veldheer heeft gelijk. Het is immers redelijk dat wij de oude Graaf van Vlaanderen niet meer lijden toebrengen?--Hij is rampzalig genoeg."
"Die ontrouwe Leenheer heeft onze Koning de oorlog durven aanzeggen en onze nicht Johanna van Navarra zodanig getergd dat zij er bijna ziek van werd. En wij zouden hem dan nog moeten sparen?"
"Mijne heren!" riep De Valois nogmaals. "Gij kent mijn bede. Ik geloof niet dat het u aan edelmoedigheid ontbreken zal.--Nu vooruit! Ik hoor de honden blaffen, men heeft ons reeds in 't gezicht; want de brug valt en de stormegge[10] gaat omhoog."
Het slot Wijnendale[11], door de edele Graaf Gwyde van Vlaanderen gesticht, was een der fraaiste en sterkste lusthoven die er in die tijd bestonden. Uit de brede grachten, met dewelke het omringd was, klommen dikke muren in de hoogte; menigvuldige uitstekende waakhuisjes hingen aan dezelve. Voor de stormgaten kon men de ogen der kruisboogschutters met de punten der ijzeren schichten zien. Binnen de wallen verhieven zich de daken van het grafelijke huis, met hun zwaaiende windhanen. Zes ronde torens stonden zo op de hoeken der muren als in het midden van de voorhof, uit dezelve kon men met allerlei werptuig de vijand in het veld treffen en hem de nadering tot het slot beletten. Een enkele valbrug verenigde dit sterke eiland met de omliggende dalen.
Zodra de ridders aankwamen, gaf de waker van de poort het teken aan de binnenwacht, en weldra krijsten de zware deuren op hun hangsels. Terwijl dreunden de stappen der paarden weergalmend op de brug, en de Franse ridders gingen tussen twee rijen Vlaamse voetknechten in het kasteel. De deuren werden achter hen gesloten, de egge met haar ijzeren punten viel neder, en de brug ging langzaam in de hoogte.
* * * * *
2
_Hebt ghy ghezien de dunne strenen van goude die in Arabien ghesponnen worden? 't hayr dat haer op de verschen hanght is noch zuyverder ende 't en blinct niet min. De oogen blaeuw, de wynbrauwen dunne ende verheven, eenen kleynen mondt, witte en kleyne tanden, blozende lippen.--De rondicheydt ende macksel van hare kleyne borstkens wie zoudet u konnen ghefigureren! Ten waer gheen wonder dattet de menschen dede veranderen in steenen._
CALISTO ENDE MELIBEA, _OUD TREURSPEL_
De lucht was met zulk een zuiver blauw gekleurd dat het oog derzelver diepte niet meten kon. De zon klom glansrijk op de kim en de verliefde tortelduif dronk de laatste dauwdruppels van de groene bladen der bomen. Uit het slot Wijnendale ging het geblaf der honden onophoudelijk in de hoogte. Het briesen der paarden mengde zich met het zoete geluid der jachthorens; echter hing de valbrug nog in de hoogte en de voorbijgaande landlieden mochten alleenlijk raden wat er gaande was. Talrijke wachten met kruisboog en schild wandelden op de buitenste wallen; men kon door de stormgaten bemerken dat veel wapenknechten heen en weer binnen de muren liepen.
Eindelijk kwamen enige mannen boven de poort en lieten de brug neer; terzelfder tijd werden de slagdeuren opgedraaid om de jagerstrein uit te laten. De treffelijke stoet die langzaam over de brug kwam, bestond uit de volgende heren en vrouwen: vooraan reed de tachtigjarige Gwyde[12], Graaf van Vlaanderen, op een bruine draver. Zijn gelaat droeg het kenmerk ener zalige onderwerping en stille droefheid; door ouderdom en rampspoed neergedrukt, hing zijn hoofd zwaar voorover, zijn wangen waren door lange rimpels verdiept. Een purperen kolder daalde van zijn schouders tot op de zadel en zijn sneeuwwitte haren waren door een gele zijden doek omvangen; dit hulsel scheen om zijn hoofd als een gulden band om een zilveren vat. Op zijn borst stond, in een hartvormig schild, de zwarte Leeuw van Vlaanderen, klimmende in een gulden veld.
De ongelukkige Vorst zag zich nu, op het einde zijns levens, wanneer de rust als een beloning des arbeids komen moet, van zijn kroon beroofd. Zijn kinderen waren door het lot der wapenen van al erfdeel verstoken en de armoede wachtte hen; zij die de rijkste der Europese Vorsten zijn moesten. Zegepralende vijanden omringden de rampzalige Landheer, en echter kon de wanhoop in zijn hart geen plaats vinden.
Nevens hem stapte Charles de Valois, de broeder des Fransen Konings. Hij redeneerde driftig met de oude Gwyde, doch het scheen dat deze in zijn gezegde niet stemde. Nu hing er geen slagzwaard meer aan de zadel van de Franse Veldheer, een lange degen had dit zwaar wapen vervangen; de ijzeren platen blikkerden ook niet meer op zijn benen.
Achter hen reed een ridder die een ongemeen spijtig en stuurs voorkomen had. Zijn ogen draaiden halsstarrig in het rond, en wanneer zijn blik op een Fransman viel, kwamen zijn lippen met zoveel ongenoegen over elkaar dat hij zichtbaar de tanden tezamen knarste. Om de vijftig jaren oud, maar nog in de volle kracht des levens, met brede borst en zware leden, kon men hem als de sterkste ridder aanzien. Ook was het paard dat hij bereed veel groter dan de andere, invoege dat hij met het hoofd boven de stoet uitstak. Een blinkende helm met blauwe en gele vederen, een zware wapenrok en een gebogen zwaard, waren de stukken zijner uitrusting; de kolder, die achter zijn rug op het paard neerhing, droeg ook de Vlaamse Leeuw op een gulden veld. De ridders die in die tijd leefden, zouden onder duizend anderen deze stuurse ruiter voor Robrecht van Bethune[13], de oudste zoon van Gwyde, herkend hebben.
Sedert ettelijke jaren was hij door de Graaf, zijn vader, met de binnenlandsheerschappij over Vlaanderen belast geweest. Bij alle veldtochten had hij de Vlaamse benden aangevoerd, en een ontzaglijke naam onder de vreemden verkregen. In de oorlog van Sicilië, waar hij met zijn volk in het leger der Fransen was, bedreef hij zulke verwonderlijke wapendaden, dat men hem van dan af de Leeuw van Vlaanderen begon te noemen. Het volk dat altijd de helden bemint en bewondert, bezong de onversaagdheid van de Leeuw in zijn sagen, en verhovaardigde zich over degene die eens de kroon van Vlaanderen moest dragen. Daar Gwyde, om zijn hoge ouderdom, het slot Wijnendale zelden verliet en niet zeer door de Vlamingen bemind was, kreeg Robrecht mede de naam van Graaf, en was hij door het ganse land als heer en meester aanzien en gehoorzaamd.
Aan zijn rechterzijde reed Willem, zijn jongste broeder, wiens bleke wangen en droefgeestig gelaat, tegen het bruine aanzicht van Robrecht, als het wezen ener kranke maagd schenen te zijn. Zijn kleding verschilde niet van die zijns broeder, tenzij het krom zwaard dat men bij niemand dan bij Robrecht bemerkte.
Hierop volgden veel andere Heren, zowel Franse als Vlaamse. De voornaamsten onder deze laatsten waren:
Wouter, heer van Maldegem, Karel, heer van Knesselare, Roegaert, heer van Axpoele, Jan, heer van Gavere, Rase Mulaert, Diederik de Vos en Geeraert de Moor.
De ridders Jacques de Chatillon, Gui de St.-Pol, Raoul de Nesle en hun makkers, reden zonder orde tussen de Vlaamse heren, en spraken heuselijk met degenen die om hen waren.