De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 18
"De Leeuw, onze heer?" herhaalde Breydel, terwijl hij zich ook geknield nevens de Deken der wevers plaatste. "God, wat heb ik gedaan!"
Zij bleven vol eerbied en diepgebogen voor de ridder, en zonder te spreken zitten.
"Staat op, mijn trouwe onderdanen," sprak Robrecht van Bethune hun toe. "Ik weet wat gij voor uw Vorsten gedaan hebt."
Nadat zij zich hadden opgericht ging hij voort: "Aanziet de dochter van uw Graaf, en overdenkt hoe het hart eens vaders bij dit gezicht moet geplet worden.--En niets om haar te helpen, geen voedsel, geen andere drank dan het kille water der beek ... Gij ziet het, de Heer beproeft mij bij felle slagen."
"Gelieft het u, doorluchtige Graaf, mij te bevelen dat ik u dit alles bezorge?" vroeg Breydel. "Mag een gering onderdaan u daarin dienen?"
Bij deze vraag liep hij reeds naar de deur, doch een gebiedend teken van de Graaf bracht hem terug.
"Ga," sprak hij, "zoek een geneesheer; maar het zij een trouwe onderdaan. Eis van hem de eed dat hij niets van hetgeen hij zien of horen kan, zal kenbaar maken."
"Heer Graaf," riep Breydel juichend, "ik weet juist een mijner goede vrienden: de warmste Klauwaard van Vlaanderen. Hij woont te Waardamme, ik zal hem welhaast hier brengen."
"Ik verzoek u dat gij hem de Leeuw van Vlaanderen niet noemt, en beveel u beiden een eeuwig geheim.--Ga!"
Breydel verliet de zaal.
Na menigvuldige vragen, welke de Graaf de Deken der wevers over 's Lands zaken deed, sprak hij: "Ja, meester Deconinck, ik heb in mijn gevangenis door Mijnheer De Vos en door Adolf van Nieuwland uw mislukte pogingen vernomen. Het is mij een groot genoegen nog zulke trouwe onderdanen te hebben, terwijl de meeste Edelen mij verlaten."
"Waar is het, doorluchtige Graaf," antwoordde de Deken, "vele heren hebben zich tegen het Vaderland verklaard; doch het getal der trouwgebleven Edelen is groter dan dit der bastaarden. Mijn pogingen zijn ook niet mislukt, zoals het uw graaflijke Hoogheid denkt: nooit was Vlaanderen nader bij de verlossing; op het tegenwoordig uur zijn de heren Gwyde en Jan van Namen, met talrijke andere Edelen in het Witbos bij den Dale vergaderd, om een machtige samenspanning aan te gaan: zij wachten slechts naar mij[79]."
"Wat zegt gij, Deken, zo nabij deze puinen? Mijn twee broeders!"
"Ja Mijnheer, uw twee doorluchtige broeders en ook uw trouwe vriend Jan van Renesse."
"O God! En ik mag ze niet omhelzen. Mijnheer De Vos heeft u gezegd op welke voorwaarde ik mijn gevangenis heb verlaten; ik wil het leven van degene die mij ogenblikkelijk de vrijheid schonk niet in gevaar stellen. Nochtans begeer ik mijn broeders te zien, ik zal met u gaan, maar met gesloten helm. Indien ik nodig oordele mij bekend te maken, zal ik u een teken doen, en gij zult de bijzijnde ridders hun erewoord afeisen, dat zij het geheim van mijn naam zullen bewaren; indien zij dit weigerden, zouden zij mij niet kennen. Ik wil ook niet spreken."
"Uw wil zal geschieden, Mijnheer, wees verzekerd dat gij over mij zult voldaan zijn, ik begrijp uw inzicht zeer wel ... De kranke Machteld schijnt te slapen: de rust zij haar heilzaam!"
"Zij slaapt niet, het arm kind,--zij sluimert van vermoeidheid. Maar, mij dunkt, ik hoor stappen van mensen. Nu ik mijn helm op het hoofd geplaatst heb, kent gij mij niet meer,--vergeet dit niet."
De geneesheer kwam met Breydel in de zaal, hij groette de zwarte ridder met eerbied en ging zonder spreken tot bij de kranke maagd. Nadat hij de gewone onderzoekingen gedaan had, verklaarde hij dat de Jonkvrouw ten spoedigste moest gelaten worden, en gaf haar vervolgens een vlijmsteek in de ader van de linkerarm, terwijl de twee Dekens haar op het bed gevestigd hielden. De Graaf zuchtte pijnlijk en wendde het hoofd naar de andere zijde der zaal. Dit bloed, dat in een dansende straal uit de arm van zijn ongelukkig kind sprong, liep hem als bittere gal over het hart, en deed hem van pijn sidderen. Zijn droefheid met moeite overwonnen hebbende, keerde hij zich weder tot zijn dochter, doch staarde op de grond. De geneesheer stuitte het bloed der Jonkvrouw niet, dan nadat haar de krachten begaven. Zij hijgde enige malen met geweld en verviel in een stuiptrekkende hartvang. Dan werd haar de arm verbonden,--en zij scheen te slapen.
"Mijnheer," sprak de geneesheer, zich tot Robrecht kerende, "ik verzeker u dat de Jonkvrouw geen gevaar loopt. De rust zal haar de geest herstellen."
Zodra de Graaf deze troostende woorden hoorde, wenkte hij de twee Dekens en ging met hen uit de zaal. Buiten de puinen sprak hij tot Breydel:
"Meester, ik beveel mijn kind aan uw zorg. Keer terug bij haar en bewaar de dochter uwer Graven tot mijn wederkomst. Meester Pieter, wij vertrekken naar het Witbos."
Zijn draver gehaald hebbende reed hij uit de puinen. De Deken der wevers vergezelde hem te voet, en liet zijn paard in de baan staan, alhoewel hij er met de Graaf voorbijging, maar hij wist al te wel, dat het hem niet betaamde nevens zijn Landheer te rijden. Een weinig voor het Witbos kwamen een tiental heren hen tegemoet. Deze, Deconinck herkennende, keerden met hem terug in het woud. De voornaamsten onder hen waren Jan Graaf van Namen en de jonge Gwyde, beide broeders van Robrecht van Bethune, Willem van Gulik, hun neef, Priester en Proost van Aken, Jan van Renesse de moedige Zeelander, Jan Borluut de held van Weeringen, Arnold van Oudenaarde en Boudewyn van Papenrode. De tegenwoordigheid van een onbekende ridder boezemde hun het grootste mistrouwen in, ook bezagen zij Deconinck alsof zij een spoedige verklaring eisten. De Deken der wevers kwam te midden onder hen en sprak: "Mijne heren, ik breng u de grootste vijand der Fransen,--de edelste ridder van Vlaanderen. Een gewichtige reden, waaraan het leven van een edelmoedig mens gehecht is, verbiedt hem zich door UEdele op dit ogenblik te laten kennen; gelieft het hem derhalve ten goede te duiden dat hij zijn helm gesloten houdt en ook niet spreke;--want zijn stem is u allen als de stem uwer moeder bekend. Mijn lang beproefde trouw is UEdele een waarborg dat ik geen valse broeder zal aanbrengen."
De ridders verwonderden zich over die zonderlinge verklaring, en poogden in hun geheugen de naam des onbekenden te raden; doch mits de tegenwoordigheid van de gevangen Leeuw hun niet als mogelijk kon voorkomen, waren hun gissingen vruchteloos. Zij betrouwden zich echter ten volle op de voorzichtigheid van de Deken der wevers, en zonden hun dienaren in verschillende richtingen, om hen voor een onverwachte verrassing te beveiligen. Deconinck ving aldus aan: "Mijne heren, de gevangenis onzer doorluchtige Landheren is de Bruggelingen zeer smartelijk geweest. Het is waar, wij zijn menigmaal tegen hen opgestaan, omdat men onze voorrechten wilde krenken, en wellicht hebt gij gedacht dat wij met de Fransen zouden hebben samengespannen, maar gedenkt dat een edelmoedig en vrij volk geen vreemde meesters kan lijden; ook hebben wij, sedert de verraderlijke aanslag des Konings Philippe le Bel, ons lijf en goed menigmaal gewaagd, menig Fransman heeft de euveldaad van zijn Vorst met de dood geboet, en het bloed der Vlamingen heeft in Brugge bij beken gestroomd. In deze stand van zaken heb ik mij verstout UEdele de mogelijkheid ener algemene verlossing te doen gevoelen; want ik heb geoordeeld dat het juk diep versleten is, en dus met een krachtige poging kan losgerukt worden. Een gelukkig toeval heeft ons wonderlijk gediend: de Deken der beenhouwers het slot Male vernield hebbende, heeft Mijnheer De Mortenay al de Klauwaards uit Brugge doen vertrekken, en nu bevinden zich de ambachtsgezellen boven de vijfduizend sterk te Damme. Zevenhonderd beenhouwers hebben zich bij ons gevoegd.--En ik mag UEdele verzekeren dat deze laatsten, met hun Deken Breydel, voor tienmaal zoveel Fransen niet wijken moeten,--het is een echte leeuwenschaar. Wij bezitten nu een leger dat niet te misprijzen is, en kunnen onmiddellijk tegen de Fransen ten strijde trekken, indien ons door u de nodige hulp uit andere steden wordt toegezonden. Dit is hetgeen ik u moest te kennen geven; het believe UEdele nu de nodige maatregelen te nemen, want het ogenblik is gunstig: ik wacht uw bevelen om mij als een trouwe onderdaan volgens dezelve te gedragen."
"Mij dunkt," antwoordde Jan Borluut, "dat een al te grote haastigheid ons schadelijk zijn kan. Alhoewel de Bruggelingen opgetrokken en tot de strijd bereid zijn, is het in andere steden zo ver nog niet gevorderd. Het ware te wensen dat wij de wraak nog wat uitstelden, om des te meer middelen te kunnen verzamelen: weest verzekerd dat het leger der Fransen door een oneindig getal verbasterde Vlamingen en Leliaards zal versterkt worden. Wij moeten denken dat wij de vrijheid des Vaderlands in het spel wagen, want zo wij de strijd verloren, zou het voor altijd gedaan zijn:--dan mochten wij het wapen wel aan de wand hangen."
Daar de edele Borluut door gans Vlaanderen als een kundige en wijze krijgsman vermaard was, werd zijn rede door velen der bijzijnde ridders, alsmede door Jan van Namen goedgekeurd. De jonge Gwyde kwam vooruit en sprak met drift: "Overweegt toch, Mijne heren, dat ieder voorbijgaand uur, een uur lijdens is voor mijn oude vader en voor mijn onzalige bloedverwanten: denkt wat pijn mijn doorluchtige broeder Robrecht moet uitstaan. Hij, die nimmer een honend gedacht kon verdragen, die hebben wij twee jaar zonder hulp aan zijn vijanden overgelaten; wij hebben in een laffe lijdzaamheid onze zwaarden laten roesten en de schande op onze hoofden laten verzamelen. Indien onze gevangen broeders uit hun kerker tot ons roepen konden, en vroegen: Wat hebt gij met uw degens gedaan, en hoe hebt gij de plichten eens ridders gehandhaafd, wat zouden wij dan antwoorden? Niets; het rood der schaamte zou onze wangen kleuren en ons hoofd zou zich onder deze verwijting buigen. Neen, ik wil niet meer wachten; het zwaard is uitgetogen--en ik zweer, bij de witte haren mijns ouden vaders, dat de schede het niet meer ontvangen zal, dan met het bloed der vijanden geverfd! Ik hoop dat mijn neef Willem mij in dit voornemen door zijn bijstand zal versterken."
"Hoe eer hoe liever," riep Willem van Gulik. "Wij hebben nu lang genoeg het lijden onzer ouders met droefheid aanzien. Het betaamt niet dat een Man zo lang zonder weerwraak getergd worde. Ik heb het harnas aangetogen en nu blijft het aan mijn lichaam, tot de dag der verlossing;--ik vecht met mijn neef Gwyde en wil van geen uitstel horen."
"Maar, Mijne heren," hernam Jan Borluut, "veroorlooft mij u te doen aanmerken dat wij, om onze mannen bedektelijk te vergaderen, tijd nodig hebben, en dat deze hulp u zal ontbreken indien gij zonder ons te velde trekt. Mijnheer Van Renesse heeft mij reeds een dergelijk gevoelen uitgedrukt."
"Ik kan waarlijk vóór de vijftien dagen mijn vazallen niet te wapen brengen," sprak Jan van Renesse, "en ik zou de heren Gwyde en Willem raden zich volgens de ondervinding van de edele Borluut te gedragen. Het is immers onmogelijk de Duitse ruiters zo dra tot hier te brengen? Wat dunkt u, meester Deconinck?"
"Indien de woorden van een geringe onderdaan voor zijn Landheren mochten gelden, zou ik hen ook tot de voorzichtigheid pogen over te halen, alhoewel dit tegen mijn ontwerp is. Wij zouden in dit geval onze overige broeders uit Brugge lokken en alzo ons leger vermeerderen; intussentijd zouden deze heren hun vazallen kunnen vergaderen en gereed houden, totdat Mijnheer Van Gulik met zijn Duitse ruiters terugkomt."
De zwarte ridder gaf menigmaal zijn misnoegen door de bewegingen zijns hoofds te kennen; het was merkelijk dat hij grote lust tot spreken had, doch hij weerhield zich telkens. Eindelijk moesten Gwyde en Willem zich volgens de wil der andere heren gedragen, want deze waren gezamenlijk tegen het voorstel der twee broeders. Er werd dan nader bepaald dat Deconinck zijn volk te Damme en te Aardenburg legeren zou; Willem van Gulik moest naar Duitsland om zijn ruiters te halen; de jonge Gwyde zou de soldeniers van de Graaf, zijn broeder, uit Namen aanbrengen. Mijnheer Van Renesse vertrok naar Zeeland, en de overigen ieder naar zijn heerlijkheid, om alles tot de algemene opstand bereid te maken.
Op het ogenblik dat zij elkander de hand drukten om zich te verlaten weerhield hen de zwarte ridder met een wenk, en sprak: "Mijne heren! ..."
Zijn stem bracht de verbaasdheid op de aanzichten der ridders, zij bezagen elkaar met een vluchtige blik om hun eigen aandoeningen op het gelaat van anderen te zoeken. Maar de jonge Gwyde sprong vooruit en riep: "O zalig uur! Mijn broeder, mijn lieve broeder, uw stem dringt tot in de grond mijns harten!"
Met onstuimig geweld rukte hij de helm van het hoofd des zwarten ridders en sloeg hem de armen met liefde om de hals.
"De Leeuw, onze Graaf!" was de algemene galm.
"Mijn ongelukkige broeder," ging Gwyde voort. "Gij hebt zoveel geleden; ik heb uw gevangenis zozeer betreurd--maar nu, o heil! Nu mag ik u omhelzen: gij hebt uw ketens gebroken en Vlaanderen heeft zijn Graaf terug. Vergeef mij mijn tranen, zij vloeien ter uwer liefde, bij de droeve heugenis uwer smart. De Heer zij dank voor het onverwacht geluk!"
Robrecht drukte de jonge Gwyde met tederheid op zijn hart: dan wendde hij zich tot zijn andere broeder, Jan van Namen, en na dezelve omhelsd te hebben sprak hij: "Mijne heren, ik zou mij om hoge reden niet bekendgemaakt hebben, maar het wordt mij een plicht u iets te zeggen dat uw besluit moet doen veranderen. Weet dat de Koning van Frankrijk al zijn Leenmannen met hun Laten gedagvaard heeft om tegen de Moren te gaan oorlogen. Mits hij die tocht slechts aanneemt om de Koning van Majorca weder in het bezit van zijn Rijk te stellen, is het zeker dat hij dit machtig leger veeleer tot het behouden van Vlaanderen zal gebruiken[80]. De bijeenkomst is op het einde van juni bepaald; dus nog één maand, en Philippe le Bel bevindt zich aan het hoofd van zeventigduizend man. Bedenkt nu of het niet raadzaam zij dat gij de verlossing vóór dit tijdstip bewerkt, later wordt dit onmogelijk. Ik beveel u niets, want morgen moet ik naar mijn gevangenis wederkeren."
De ridders gevoelden de gegrondheid dezer reden, en kwamen overeen dat de grootste spoed moest gebruikt worden. Dit veranderde hun ontwerp in dezer voege.--Dat zij niet langer wachten en haastiglijk met alle mogelijke bijstand bij Deconinck te Damme komen zouden. De jonge Gwyde werd, als de naaste bloedverwant van Robrecht, tot Opperveldheer van het leger benoemd, dewijl Willem van Gulik deze waardigheid uit hoofde zijns priesterschaps niet wilde aannemen. Jan van Namen kon de Vlamingen persoonlijk niet bijstaan, want in de roering die er ging gebeuren, bleef hem, om zijn Graafschap te bewaren, werk genoeg op handen; maar hij zou hun een goede bende Naamse ruiters toesturen. Korts hierop vertrokken de heren, elk naar zijn heerlijkheid; Robrecht bleef alleen met zijn twee broeders, zijn neef Willem en de Deken der wevers.
"O Gwyde!" sprak Robrecht op een droeve toon. "O Willem! Ik breng u een nieuws zo schriklijk dat mijn tong het niet durft verhalen,--dat het gedacht mij de ogen met tranen verduistert.--Gij weet hoe booslijk de Koningin Johanna onze arme zuster Philippa heeft gevangengenomen: zes lange jaren heeft de ongelukkige een kerker des Louvres tot woning gehad, en binnen die tijd heeft zij haar vader noch haar broeders mogen zien. Gij denkt dat zij nog op aarde is, want gij roept tot God om haar verlossing; maar eilaas! Uw gebeden zijn nutteloos, onze zuster is met venijn vergeven, en haar lichaam is in de Seine geworpen ...[81]!"
Wanneer de droefheid de harten der mensen al te fel schokt, berooft zij hen ogenblikkelijk van gevoel; zo ging het ook met Gwyde en Willem: hun wangen verbleekten, en zonder te spreken blikten zij neerslachtig op de grond.
Gwyde ontwaakte eerst uit die verbaasdheid.
"Het is dan waar," zuchtte hij, "Philippa is dood!--Maar o God, wees mij getuige; en gij, o zalige ziel mijner arme zuster, hoor mij! Ik zweer dat voor elke dag die gij in de kerker hebt doorgebracht een Fransman in zijn bloed zal sterven."
"Laat de smart u zo niet vervoeren, mijn schone neef," sprak Willem van Gulik. "Gij zweert te lichtelijk bij de Heer, uw God. Beklaag uw zuster, bid voor haar ziel, en strijd voor de vrijheid des Vaderlands:--het nijdige graf geeft zijn doden voor geen bloed terug."
"Mijn broeders," viel Robrecht in, "gelieft mij te volgen. Wij gaan uw nicht Machteld bezoeken, zij is niet ver van hier. Ik zal u onderweg nog droever dingen verhalen. Doet uw dienaren hier wachten."
Robrecht vertelde hun vervolgens hoe wonderlijk hij zijn kind uit de handen der Fransen verlost had, en wat pijn hij tussen de bouwvallen van Nieuwenhove had geleden. Zijn droefheid was echter veel verminderd, want hij gaf geloof aan de voorzegging van de geneesheer. De hoop dat Machteld hem eindelijk zou herkennen vertroostte zijn hart, en de gewoonte des rampspoeds gaf zijn ziel meer kracht tot het verwinnen der pijnen.
Zij kwamen weldra in de zaal waar Machteld rustig scheen te slapen: haar wangen waren wit gelijk albast en haar hijgingen zo zacht dat zij een gevoelloos lijk scheen. Groot was de verbaasdheid, welke de ridders beving, bij het zien van het bloed dat op haar klederen met slijk gemengd was; zij sloegen de handen met bitter medelijden te samen, evenwel spraken zij niet, want de geneesheer had hun, met zijn vinger op de mond te leggen, doen begrijpen dat de grootste stilte noodzakelijk was. De jonge Gwyde omhelsde zijn broeder Robrecht, en weende tegen zijn borst met droeve snikken.
"Doemnis!" zuchtte hij. "Daar ligt nu het kind van de Leeuw!"
De geneesheer wenkte de ridders naar de ingang, en bracht hen buiten de zaal;--dan sprak hij: "De Jonkvrouw heeft haar zinnen terug, maar zij is zo zwak, zo afgemat! In uw afwezendheid is zij ontwaakt geweest en heeft meester Breydel herkend; veel dingen heeft zij hem gevraagd om haar geheugen bijeen te roepen. Hij heeft haar getroost, met de verzekering dat Mijnheer Van Bethune haar zou komen bezoeken; het is niet raadzaam, Mijne heren, deze hoop teleur te stellen, dus raad ik u haar niet te verlaten. Ook is het ten hoogste noodzakelijk de Jonkvrouw andere klederen en een betere rustplaats te bezorgen."
Dewijl Robrecht het niet mocht wagen zich van meer personen te laten kennen, gaf hij voor dit ogenblik geen gevolg aan de bevelen van de geneesheer; hij keerde met zijn broeders terug bij Machteld en bleef in een stille droefheid op haar ontverfde wezenstrekken staren. De lippen der maagd bewogen zich, en van tijd tot tijd kwam een onvatbare klank uit haar borst. Een krachtiger adem dreef het tweemaal herhaalde woord "Vader!" als een zoete harpentoon in de oren van Robrecht; hij door een gelukzalig liefdegevoel geroerd bracht zijn lippen op de mond zijner dromende dochter.--Die lange zoen, bij dewelke een zielsgedeelte des vaders voor de tweede maal in de boezem van het kind zonk, gaf het bloed der maagd meer vloeibaarheid en meer leven: een twijfelachtige roos kwam onder ieder harer wangen en haar ogen openden zich, tussen een zachte doch heilvolle glimlach.
Onbeschrijfelijk was de uitdrukking van 's meisjes wezenstrekken; zij blikte zonder spreken in de ogen haars vaders, en scheen in zoete wellust onttogen.--Gewis hebben de Engelen in de hemel geen zaliger gelaat, wanneer zij het aanschijn des Heren aanschouwen.--Weldra hief de Jonkvrouw haar armen omhoog en Robrecht schikte zijn hals boven haar om zich te laten omhelzen, maar dit was het inzicht der maagd niet. Zij bracht haar twee handen op het aangezicht van haar vader en dreef haar vingers strelend over zijn wangen. Beide waren zij door een innig zielsgevoelen ingenomen en vormden zich een wereld van zalige gepeinzen; de vader betreurde zijn martelpijnen niet, veeleer dankte hij de God, die alzo de ongelukkige ook meer genietingskracht tot het smaken der vreugde geeft.
Niet minder waren de omstaanders bij dit toneel van heilige vaderliefde getroffen, zij dorsten dit plechtig stilzwijgen door geen zucht verstoren, en vaagden bedektelijk de tranen uit hun ogen. Hun houding was nochtans zeer verschillend: Jan van Namen, die zijn droefheid beter kon overwinnen, stond met stijve blik en opgeheven hoofd in de zaal; Willem van Gulik, de Priester, zat geknield en met saamgevoegde handen te bidden. De jonge Gwyde en Jan Breydel mengden tussen de bittere smart het gevoel van een brandende wraaklust; dit was zichtbaar aan de nijdige samentrekking hunner lippen en de dreigende wending hunner gesloten vuisten. Deconinck die in andere gevallen zo koud scheen, was nu de droefste van allen, zijn tranen lekten overvloediglijk onder de hand, met dewelke hij zijn aangezicht had bedekt. Geen mens was er in Vlaanderen, die zijn landheer Robrecht meer beminde dan de Deken der wevers; alles wat het Vaderland kon groot maken was heilig voor de edele burger van Brugge.
Eindelijk ontwaakte de jonge Machteld uit haar stille beschouwing; haar armen drukten haars vaders hoofd met vurige drift tegen haar hijgende borst, en zij sprak met zwakke stem: "O mijn vader, mijn beminde vader!--Daar ligt gij nu op het hart van uw gelukkig kind! Ik voel uw boezem tegen de mijne jagen... Wees geloofd o God, die zoveel heils de mensen geschonken hebt! Blijf zo tegen mij, mijn lieve vader, want uw zoenen voeren mij ten hemel."
"Uw liefde, o mijn kind," riep Robrecht, "vergoedt al mijn geleden smart. Gij kunt niet begrijpen hoe bitter uw verwerping mij geweest is;--maar alzo weet God alleen wat vreugde hij in deze stond, als een stroom, over mijn hart laat vloeien. Ik wil mijn zoenen op uw wangen vermenigvuldigen, want zij zijn een balsem voor de wonden mijner ziel. Mijn lieve Machteld, hoe bitter was toch uw lot!"
Intussen was de jonge Gwyde genaderd, hij stond met open armen voor de bedstede en scheen ook om een omhelzing te smeken. Zodra Machteld hem bemerkte, sprak zij tot hem zonder haar vader los te laten: "Ha, mijn beminde neef Gwyde, gij ook zijt hier! Gij weent over mij?--En Mijnheer Willem die ginds zit te bidden, en Mijnheer Jan van Namen;--zijn wij dan te Wijnendale?"
"Mijn rampzalige nicht," antwoordde Gwyde, "uw lijden verbrijzelt mij het hart! O laat mij u toch omhelzen, want mijn ziel eist verlichting;--ik ben tot de dood ontroerd."
Machteld liet haar vader los en bood zich aan de omhelzing van de liefderijke Gwyde. Dan gaf zij aan haar stem een weinig meer kracht en riep: "Mijnheer Van Gulik, kom geef mij ook een zoen, en gij, mijn schone neef Jan, druk mij ook tegen uw borst,--gij bemint mij allen zo vurig."
Zij werd beurtelings door al haar bloedverwanten geliefkoosd, en zij smaakte een zalig genot; haar geleden rampen hadden geen plaats in haar geheugen meer. Wanneer Willem van Gulik bij haar kwam, bezag zij hem met verwondering van het hoofd tot de voeten en vroeg: "Wat is dit, Mijnheer Willem? Waarom draagt gij dit harnas boven uw priestergewaad, en waarom vergezelt die lange degen een dienaar des Heren?"
"De Priester die het Vaderland verdedigt, strijdt ook voor de altaren van zijn God!" was het antwoord.
Deconinck en Breydel stonden met ontdekt hoofd op een kleine afstand van het legerbed, en deelden in de algemene troost. Machteld aanzag hen met diepe dankbaarheid voor hun liefde; zij trok het hoofd haars vaders nogmaals tegen haar borst en vroeg met stille stem: "Wilt gij mij iets beloven, mijn welbeminde vader?"
"Alles, mijn kind: uw wensen zullen mij verblijden."
"Wel, ik bid u, mijn heer Vader, dat gij die twee trouwe onderdanen naar verdiensten beloont;--zij hebben hun leven dagelijks voor het Vaderland gewaagd."
"Uw begeerte zij voldaan, Machteld, ik zal maken dat zij u een andermaal ook zullen mogen omhelzen wanneer zij het, als nu, zullen verdiend hebben; ontdoe uw armen van mijn hals, want ik moet met Gwyde spreken."
Hij wenkte zijn broeder en bracht hem uit de zaal tot op de voorhof.