De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 17

Chapter 17 3,978 words Public domain Markdown

De ridder kon aan zijn martelpijnen niet meer weerstaan, hij viel met smekend gelaat op zijn twee knieën voor de Jonkvrouw en zuchtte: "Om de liefde des Heren, mijn rampzalige Machteld, verwerp de liefde uws vaders niet langer. Laat mijn droeve reis niet nutteloos zijn.--Kunt gij mijn tranen zo onverschillig aanschouwen, en zal uw dierbare stem geen enkel troostend woord voortbrengen? Zult gij mij van smart voor uw voeten laten sterven? O ik smeek u, gij wie ik het leven gaf, een zoen, o een zoen van uw mond....!"

"Een zoen!" riep de Jonkvrouw met afkeer. "Een zoen aan u?"

"Een woord!" hernam de ridder. "Noem mij uw vader, verstoot mij niet meer. Wist gij, mijn ongelukkig kind, welke afgrijselijke pijnen uw verwerping mij aandoet, kondet gij de benauwdheid uws vaders kennen. Maar neen, gij dwaalt, de vervolging der Fransen heeft uw ziel getroffen. O wanhoop!"

"Gij vraagt een zoen?" antwoordde het meisje. "Neen. Een zoen aan een Fransman?--Ga heen--reik uw armen zo niet tot mij. Het zijn slangen die het venijn der oneer met zich dragen. O raak mij niet--houd op booswicht! Uw zoen brandt op mijn voorhoofd.--Hulp! O hulp!"

Door een krachtige beweging geraakte zij uit de armen van de ridder en sprong huilend van de bedstede, in haar vervaardheid liep zij naar de ingang der zaal en wilde ontvluchten. De ridder beefde, en sprong angstig vooruit om haar te wederhouden. Hoe verschriklijk was dit toneel, hoe onbegrijpelijk de pijn des ridders! Hij omvatte zijn ongelukkige dochter met een bange zorg, en poogde haar tot de bedstede terug te brengen, maar zij, in haar dwaling, aanzag hem als een vijand, en vocht met een nijdige weerstand tegen haar wanhopige vader. Door pogingen die bovennatuurlijk schenen, rukte zij zich menigmaal uit zijn handen en verplichtte hem haar in de zaal te vervolgen; zij huilde vervaarlijk en sloeg hem in haar wederstreving met bitsige kracht. Om haar de uitgang te beletten, zag de vader zich genoodzaakt haar met meer geweld te wederhouden, en haar pijnlijk in zijn armen te drukken. Van zijn mannenkracht gebruik makende, hief hij het huilende meisje van de grond en plaatste ze terug op het bed. Zij bezag hem met verwijtend gelaat, en begon bitter te wenen.

"Gij hebt de krachten ener maagd overwonnen," zuchtte zij. "O gij valse ridder! Wat aarzelt gij nu? Niemand ziet immers uw verbreken--dan God! Maar die God heeft de dood tussen ons beiden geplaatst.--Een graf gaapt tussen ons. Daarom weent gij ..."

De ongelukkige vader was zozeer door pijn en smart ontroerd dat hij deze woorden niet hoorde. Hij zette zich nogmaals vol wanhoop op de steen, en bezag zijn wenend kind met dwalende blikken, onuitsprekelijke folteringen maakten hem sprakeloos en de moed ontviel hem; zijn hoofd zonk machteloos op zijn borst.

Terwijl hadden de ogen van Machteld zich gesloten en zij scheen te slapen. Een lichte straal van hoop drong in het hart des vaders, deze rust kon zijn leed en de smarten zijner dochter verzachten. In dit gedacht hield hij zich beweegloos en stoorde de slaap der maagd niet: alleenlijk bezag hij haar met liefdevolle blikken, en smaakte nog enig genot tussen al zijn pijnen.

* * * * *

14

_Verdraecht soe wie ghi syt; Want wie verdraecht hi wint den stryt Verdraghen en es ghene blame; Het es een dinc van hoghen name._

BELGISCH MUSEUM

Enige stonden nadat Breydel het verdelgde slot Male verlaten had, kwam hij met zijn beenhouwers te Sint-Kruis. Reeds onderweg waren hem menige Bruggelingen tegemoet gekomen, en hadden hem verwittigd dat de Franse bezetting der stad te wapen gelopen was, om hem af te wachten. Door de behaalde zegepraal nog gans vervoerd, luisterde hij naar geen waarschuwing en achtte zich machtig genoeg om, in weerwil der Fransen, in Brugge te treden; maar enige stappen voorbij het dorp Sint-Kruis werd hij met zijn beenhouwers door een onverwachte hinderpaal wederhouden.

De baan was tot aan de stadspoort zodanig met mensen overdekt dat het onmogelijk ware geweest door derzelver dichtgesloten scharen heen te dringen. Alhoewel het nog duister nacht was, kon men echter aan de duizenden stemmen, die zich bruisend mengden, wel herkennen dat een ontelbaar gevaarte de stad ontvlood. Verwonderd en verbaasd bezag Breydel dit volk, dat als een golvende zee vooruitdreef,--en schikte zich met zijn mannen bij de boord der baan.

De vluchtelingen liepen niet verward door elkander; ieder huisgezin vormde op zich een afzonderlijk gedeelte, en mengde zich niet met anderen. Een wenende vrouw was in het midden van ieder hoopje, op haar schouder leunde een stokoude vader, aan haar borst hing een zuigeling, en aan haar handen liepen schreiende en afgematte kinderen.

Achter haar volgden oudere zonen, die onder de last van het huisraad en beddengoed moesten bukken. Zulke troepjes waren er oneindig veel, enigen hadden kleine wagens vol gevluchte waren, anderen zaten te paard; echter was het getal dergenen, die zich met lastdieren mochten behelpen, zeer gering.

Begerig om de oorzaak van die wonderbare tocht te kennen, vroeg Breydel aan veel der voorbijvluchtende lieden, waarheen zij zich wilden begeven en waarom zij dus hun stad verlieten, maar de klagende uitroepingen der vrouwen konden hem dit raadsel niet verklaren.

"O heer," riep de ene, "de Fransen willen ons levend verbranden. Wij ontvluchten een bittere dood ...!"

"Och Meester Breydel," riep een andere, met meer pijn, "ga toch om uw levens wil niet naar Brugge, want er staat een galg voor u boven de Smedenpoort!"

En wanneer de Deken, door een tweede vraag, zich deze zaak wilde ophelderen, klom een krachtiger stem als het gehuil eens wolfs boven het gevaarte, en galmde: "Vooruit! Vooruit wij rampzaligen! De Franse ruiters vervolgen ons!"

Dan wierp iedereen zich met wanhoop vooruit, en de hoofden der menigte vloden in de duisternis met ongelooflijke snelheid voorbij.--Op dit ogenblik verenigden zich meer klagende stemmen en riepen:

"Wee! Wee! Zij verbranden onze vaderstad ... Zie de vlammen verheffen zich boven onze daken. O wee! O wee!"

Breydel, die tot daar toe verbaasd was blijven staan, wendde zijn gezicht naar de stad en ontwaarde de kronkelende vlammen met de rode smook boven de vesten. Woede en pijn brandden in zijn boezem; naar de stad wijzende, barstte hij uit: "O mannen, is er een onder u laf genoeg, om zijn stad zo te laten verdelgen? Neen, bij de ziel mijns overleden vaders! Zij zullen zich om dit vreugdevuur niet vermaken, of de Heer straffe mij onbarmhartiglijk--Op! Op! Werpt alles uit de weg!--Wij moeten erdoor ..."

Door zijn makkers gevolgd sprong hij met onweerstaanbaar geweld tussen de scharen, en dreef de verschrikte huisgezinnen uiteen. Een naar gedruis, een schriklijk gehuil ontstond, en de vluchtelingen liepen ijlings langs alle kanten uit de baan; want zij dachten dat de Franse ruiters hun op het lijf waren. Het was Jan Breydel niet moeilijk door deze dwalende vrouwen en kinderen te dringen, ook kon hij zich met genoegzame snelheid voortspoeden. Terwijl hij zich verwonderde geen strijdbare mannen of ambachtsgezellen aan te treffen, en nutteloos naar dezelve uitzag, werd hij onverwachts in zijn loop door een regelmatige schaar wederhouden.

Zij bestond uit een groot getal gezellen van het weversambacht, allen waren gewapend alhoewel niet op dezelfde wijze. Zij droegen kruisbogen, messen, bijlen of dergelijk opgenomen wapen. Een Deken of Hopman ging met statige tred voor deze mannen, en sloot alzo de baan als met een dwarsboom af. Nog meer zulke scharen kwamen beurtelings uit de stad, en het getal der gewapende Bruggelingen beliep tot vijfduizend hoofden. Breydel meende bij de Hopman te naderen, maar dan hoorde hij wat verder een stem, die het gerucht der wapenen beheerste. Hij herkende Deconinck aan deze woorden: "Dat er rustigheid en moed in uw harten zij, mijn gezellen! Niemand verlate zijn gelid!--En gaat niet te driftig voort, opdat er geen wanorde onder u kome.--Vooruit de derde schaar! Sluit op, de tros!--Hopman Lindens, breek uw linkervleugel!"

"Bij God!" riep Jan Breydel, toen hij bij Deconinck genaderd was. "Gij vermaakt u met schone oefeningen. Zult gij lijden dat men onze stad verbrande? En zult gij als lafaards uw vrouwen en kinderen in de vlucht volgen? Arme zielen die gij zijt!"

"Altijd driftig--altijd vervoerd!" antwoordde Deconinck. "Wat spreekt gij nu van branden?--Wees verzekerd dat de Fransen niets verbranden zullen."

"Maar meester Pieter, zijt gij blind?--Ziet gij de vlam niet die boven onze muren stijgt?"

"Welnu, dit is het stro dat wij aangestoken hebben om onze troswagens zonder belemmering door de poort te brengen. De stad heeft geen nood, mijn vriend. Kom terug met mij tot Sint-Kruis, ik heb u gewichtige geheimen mede te delen:--nu is de tijd gekomen. Gij weet dat ik de zaken met koelen bloede beoordeel, en daarom veeltijds gelijk heb; voldoe mijn begeerte en schaar uw beenhouwers in orde vooruit.--Wilt gij?"

"Ik moet wel; want ik weet niet wat er gaande is. Houd uw wevers dan wat staande."

Deconinck beval de aanleiders dat zij hun mannen zouden doen ophouden. Dan verhief zich de stem van Jan Breydel, hij riep: "Macecliers, schaart u in gelederen voor het hoofd des lichaams! Ieder in zijn bende--maakt spoed!"

Onderwijl liep hij tussen de beenhouwers en schikte ze in hun plaats. Wanneer dit gedaan was, kwam hij weder bij Deconinck en sprak: "Wij zijn klaar, meester, gij kunt de tocht gebieden."

"Neen, Breydel," antwoordde de Deken der wevers, "ik laat u het opperbevel der benden over. Gebiedt gij het vertrek, gij lijkt meer dan ik naar een legerheer."

De Deken der beenhouwers verblijdde zich grotelijks bij deze hulde, en schreeuwde met donderende stem: "Macecliers en wevers! Op matige tred ... Vooruit!"

Op dit bevel bewogen zich de scharen en het kleine leger ging langzaam voort in de baan. Na weinig tijds kwamen zij te Sint-Kruis, bij de vrouwen en kinderen, die zich aldaar met hun goederen hadden neergeslagen.--Verwonderlijk was die verwarde legering. Ontellijke huisgezinnen hadden zich op een uitgestrekt veld neergezet. Het ware onmogelijk geweest op dit ogenblik verder dan enige stappen van zich iets te onderscheiden, zo duister was de nacht; maar reeds waren er menigvuldige vuren ontstoken, invoege dat men de bedrukte huisgezinnen in gloeiende kringen van ver kon zien. De vlam verlichtte het beschreide wezen der moeder met een rode glans, en toonde met welke bange liefde zij de zuigeling tegen de uitgeputte borsten drukte. Andere kinderen lagen afgemat op haar knieën en weenden bitter van honger en dorst, zonder dat hun enige lafenis kon gegeven worden;--en de gepijnde moeder moest bij dit hartnijpend gezicht voor allen lijden. Het gerucht dat boven de legerplaats heerste, werd, bij de donkerheid en bij de toverglans der vuren, nog vervaarlijker.--Het geschrei der kinderen, de doffe klachten der vrouwen benepen de ziel, als het laatste gebed dat bij het graf eens vriends gezongen wordt. Boven dit alles galmden de angstige roepen der dwalende zonen, die hun moeder verloren hadden; en nog hoger galmde het gehuil der honden, welke hun meester tevergeefs in de verwarring hadden gezocht.

Deconinck ging met Breydel in een huis dat bij de weg stond en gebood de bewoners hem een kamer aan te wijzen. Met de grootste eerbied voor de Deken der wevers boden de landlieden hem de ganse woning aan, en brachten de twee vermaarde Bruggelingen op een kleine kelderkamer. Deconinck nam de lamp uit de handen der vrouw die hen geleidde, en nadat zij het vertrek verlaten had, sloot hij de deur vast toe, opdat niemand hen mocht bespieden of verrassen; hij gaf Breydel een zetel, en plaatste zich nevens hem. Terwijl de beenhouwer hem met nieuwsgierigheid bezag, ving hij aan: "Eerst wil ik u verklaren waarom wij de stad des nachts en als vluchtelingen verlaten. Het is uw schuld, door de onvoorzichtige wraak welke gij, tegen uw belofte, op de bezetting van het slot Male gepleegd hebt. De vlammen die hemelhoog boven het woud stegen, hebben de noodklok in onze stad doen kleppen, en al de inwoners zijn met angst te saam gelopen;--want in deze droeve tijden hebben zij altijd de dood voor ogen. Mijnheer De Mortenay had zijn Franse soldeniers, zonder ander inzicht dan voor eigen veiligheid, op de markt geschaard; men wist niet wat er gaande was, maar wanneer enige uwer slachtoffers van Male bij hen kwamen, en luidkeels om wraak over de Bruggelingen riepen, was er geen tegenhouden meer aan: zij wilden het al verbrand en vermoord hebben, en Mijnheer De Mortenay moest hen met de doodstraf bedreigen, om hen te bedwingen. Gij kunt wel denken dat ik in die omstandigheden mijn wevers vergaderd had, en mij tot bloedige tegenweer bereid maakte. Misschien ware het ons gelukt de Fransen zelf te verjagen, maar die zege kon ons niet dan schadelijk zijn, dit zal ik u aanstonds bewijzen. Ik ging dan onder vrijgeleide bij Mijnheer De Mortenay en verkreeg van hem, dat hij de stad niet schaden zou op voorwaarde dat wij allen op staande voet zouden vertrekken.--Bij het rijzen der zon zal hij al de in de stad blijvende Klauwaards doen hangen."

Breydel verbitterde zich hevig, daar hij die schandelijke voorwaarde met zulke koelen bloede door de Deken der wevers hoorde verhalen.

"Bij al de Engelen des hemels!" riep hij. "Hoe hebt gij dit zo lafhartig aangenomen: gij laat u als een kudde domme schapen verdrijven. Ware ik ter plaatse geweest, gij zoudt Brugge niet verlaten hebben ..."

"Ho, waart gij daar geweest! Weet gij wat er zou gebeurd zijn? De straten van Brugge zouden vol lijken liggen en de verdelgende vlammen zouden nu onze huizen in as gelegd hebben. Maar, mijn driftige vriend Jan, laat mij u eerst wijdlopiger over de stand der zaken spreken, en dan zult gij mij gelijk geven, dit weet ik.--Het is zeker, Meester, dat de stad Brugge niet vrij en onafhankelijk blijven kan, zolang de andere steden des Lands in de slavernij der Vreemden zijn, immers dan wonen onze vijanden gedurig onder onze wallen. Het is ook niet billijk, het heilige woord Vaderland voor het mindere woord geboortestad te vergeten. De banden der Franse dwingelandij kunnen wij niet breken dan met de hulp der steden van Vlaanderen, dewijl in elke plaats vijanden wonen, wie het belangrijk zijn zou ons de bevochten vrijdom te ontroven. Gewis hebt gij aan dit alles ook wel eens gedacht, maar in uw manlijke drift springt gij over de hinderpalen, zonder dezelve uit de weg te ruimen. Iets van hoger belang is u ontgaan: gelief mij op deze vraag te antwoorden.--Wie gaf ons de macht om te moorden en te branden? Wie heeft deze daden, welke op aarde met de dood en bij God met doemnis gestraft worden, in ons heilig gemaakt?"

Breydel blikte met misnoegen op de Deken der wevers, en antwoordde: "Maar Meester, ik geloof dat gij, met uw hoge rede, mij zoekt te verwarren. Zo worde de galg der Smedenpoort mijn rustplaats, indien ik slechts weet wat gij zeggen wilt.--Wie gaf ons de macht om te moorden en te branden! Wie gaf die macht aan de Fransen, zeg?"

"Wie? Hun Koning Philippe le Bel en hun Veldheer De Chatillon. De Vorsten dragen op hun gekroonde hoofden ook de beloning of de straf hunner goede of boze geboden. Door trouw en gehoorzaamheid kan een onderdaan niet zondigen. Het vergoten bloed getuigt tegen de Meester die gebiedt, en niet tegen de dienaar die gehoorzaamt. Maar wij, die zonder bevel en door eigen wil te werk gaan, zijn ook voor God en de wereld verantwoordelijk voor onze daden,--op onze hoofden valt het door ons vergoten bloed!"

Een innige spijt ontroerde de Deken der beenhouwers. De verklaring van Deconinck woog zwaar op zijn hart en alhoewel hij niet veel er tegen wist te zeggen pijnde het hem zeer dezelve aan te nemen.

"Maar Meester," viel hij in, "gij schijnt naberouw te hebben, dit ware schande. Hebben wij ons lijf en goed niet verweerd, en heeft de liefde tot onze wettige heer, de Leeuw, ons niet daartoe gedreven? Ik ken mij vrij van misdaad;--en ik hoop wel dat mijn bijl haar laatste slachtoffer niet gezien heeft. Hoezeer ik soms genegen ben uw onverstaanbaar gedrag te berispen, durf ik het echter niet doen; want uw gangen zijn geheimer dan de baan der ziel van een stervend mens."

"Gij denkt wel, er schuilt iets anders onder, en dit is de knoop welke ik u ga ontbinden. Gij hebt altijd gedacht, meester Jan, dat ik te lijdzaam en te traag was; maar luister wat ik deed, terwijl gij uit wraaklust het bloed der vijanden nutteloos deed stromen. Ik heb onze pogingen tot de vrijmaking des Vaderlands aan onze Graaf Gwyde bedektelijk doen kennen, en hij heeft dezelve met zijn vorstelijke goedkeuring bekrachtigd.--Nu zijn wij geen muitelingen meer, mijn vriend,--nu zijn wij wettige veldoversten onzes Landheers.......!"

"Dank zij u, o Meester," riep Breydel in verrukking uit, "nu versta ik u. Hoe trots klopt mij het hart bij die erenaam! Ja, ik was een muiter, en ik wist het; maar nu een waardige krijger..... De Fransen zullen die verandering terdege gewaarworden--dit zweer ik!"

"Van deze goedkeuring heb ik gebruik gemaakt, om al de vrienden van het Vaderland heimelijk tot een algemene opstand te roepen, en dit is mij gelukt: op de eerste uitnodiging zullen in alle steden van Vlaanderen moedige Klauwaards als uit de grond oprijzen......."

De Deken der wevers werd door een heilvol vooruitzicht ontroerd; terwijl een traan onder zijn ooglid glimde, drukte hij de hand van Breydel en, zijn afgebroken rede hervattende, sprak hij: "En dan, mijn heldhaftige vriend Breydel, o dan zal de zon der vrijheid in Vlaanderen geen enkele levende Fransman meer beschijnen!--En uit schrik onzer wraak zullen zij ons de Leeuw wedergeven. Aan ons--aan ons, zonen van Brugge, zal Vlaanderen zijn verlossing schuldig zijn. Wordt uw geest niet door edele trotsheid vervoerd bij die overtuiging?"

Breydel omarmde Deconinck met onstuimige blijdschap.

"Mijn vriend, o mijn vriend!" riep hij. "Uw woorden vloeien zo treffend over mijn hart: een onbekend gevoel ontheft mij--ik ben de gelukkigste mens op aarde! O vaderland, hoe groot maakt gij de zielen dergenen die u beminnen! Zie, meester Pieter, op dit ogenblik zou ik mijn naam van Vlaming voor de kroon van Philippe le Bel niet verruilen!"

"Gij weet nog alles niet, meester. De jonge Gwyde van Vlaanderen en Jan de Graaf van Namen hebben met ons saamgespannen. Mijnheer Jan Borluut zal de Gentenaren aanbrengen, in Oudenaarde hebben wij Mijnheer Arnold, in Aalst Boudewyn van Papenrode. Mijnheer Jan van Renesse belooft ons al zijn vazallen uit Zeeland, en nog meer machtige Leenheren zullen ons bijstaan. Wat zegt gij nu van mijn lijdzaamheid?"

"Ho, ik bewonder u, mijn vriend, en dank God innerlijk dat hij u zoveel vernuft gegeven heeft. Nu is het met de Fransen gedaan: ik geef geen zes Groten voor het leven van de laatste!"

"Het is heden om negen uur in de morgen dat de Vlaamse heren moeten bijeenkomen, om de dag der wraak te bepalen. De jonge Gwyde blijft als Veldheer onder ons, de anderen keren onmiddellijk naar hun Lenen terug om hun mannen gereed te houden. Het zou raadzaam zijn dat gij met mij ook derwaarts gingt, dan zoudt gij de genomen maatregels, bij gebrek aan kennis niet verijdelen. Wilt gij met mij tot in het witte bos bij den Dale reizen?"

"Het zij volgens uw begeerte, Meester; maar wat zullen onze gezellen over onze afwezendheid zeggen?"

"Daarin is alreeds voorzien; ik heb hun mijn vertrek kenbaar gemaakt, en het opperbevel de Deken Lindens overgegeven: hij zal zich met onze mannen naar Damme begeven en ons daar afwachten. Kom, wij vertrekken terstond, want het wordt klaar dag".

Met allerhaast werden er twee zadelpaarden bereid, en nadat Breydel de nodige bevelen aan zijn beenhouwers gegeven had, verlieten de twee Dekens het dorp Sint-Kruis. Gedurende deze snelle reis was het hun niet mogelijk veel te spreken, echter antwoordde Deconinck met korte woorden op de vragen van Breydel, en ontvouwde hem het grote ontwerp der algemene verlossing.--Na gedurende een uur met losse toom gereden te hebben zagen zij de gescheurde torens van Nieuwenhove boven de bomen uitsteken.

"Dit is immers Nieuwenhove, waar de Leeuw zoveel Fransen verslagen heeft?" vroeg Breydel.

"Ja, nog een halve mijl van het witte bos."

"Gij moet bekennen dat men onze heer Robrecht niet beter kon dopen, want hij is een waarachtige leeuw als hij het zwaard in de vuist heeft."

Eer Breydel deze woorden geëindigd had, waren zij ter plaatse waar de zwarte ridder de schakers der maagd had bevochten; zij zagen de bebloede lijken op de aarde liggen.

"Het zijn Fransen!" morde Deconinck nevens de baan voorbijrijdende.

"Kom voort, meester Jan, wij mogen ons niet ophouden."

Breydel bezag dit ijselijk toneel met nijdige blijdschap, hij dreef zijn paard heen en weer over de uitgestrekte lijken, en verplichtte het beest dezelve te vertreden. Op de roep van Deconinck gaf hij geen acht, en vertrapte het ene lichaam na het andere met een wrede nauwkeurigheid. De Deken der wevers moest tegen dank bij hem terugkomen.

"Maar Meester Breydel," riep hij, "wat doet gij? Om Gods wil, houd op! Gij neemt een eerloze wraak."

"Laat mij doen," antwoordde Breydel, "gij weet niet dat dit die soldeniers zijn, welke mij in het aangezicht geslagen hebben.--Maar wat hoor ik? Luister! Hoort gij ginds, in de puinen van Nieuwenhove, geen klank, als de klacht ener vrouw? Ho welk gedacht! Zij hebben de Jonkvrouw Machteld langs hier uit Male vervoerd...."

Op hetzelfde ogenblik sprong hij van zijn paard en zonder het ergens aan te binden, liep hij uit alle kracht naar de puinen. Zijn vriend volgde hem hierin na, doch Breydel was reeds op de voorhof van het slot eer Deconinck van zijn draver gestegen was. Deze gebruikte dan nog enige ogenblikken om de twee paarden bij de baan vast te maken. Hoe meer Breydel bij de puinen naderde, hoe klaarder hij de klachten der maagd hoorde. Dewijl hij de ingang der plaats waar zij zich bevond niet ras genoeg kon aantreffen, klom hij op een hoop stenen en zag door het venster in de zaal. Hij herkende Machteld bij de eerste blik, maar de zwarte ridder die haar wilde omhelzen en tegen dewelke zij zich wanhopiglijk verweerde kon hem niet dan als een vijand toeschijnen. Op dit gedacht trok hij de bijl van onder zijn kolder, klom op de dorpel van het venster, en liet zich als een steen op de vloer der zaal vallen.

"Boze schaker!" riep hij de zwarte ridder toe. "Eerloze Fransman!--Gij hebt lang genoeg geleefd.--Gij zult niet ongestraft de handen op de dochter van de Leeuw, mijn heer, gelegd hebben!"

De ridder stond als verstomd over die plotselinge verschijning en had de bedreigingen van de Deken met verbaasdheid aanhoord, doch na hij zijn ogen van de beenhouwer op het venster had gestuurd, herstelde hij zich enigszins en antwoordde: "Gij bedriegt u, Meester Breydel, ik ben een zoon van Vlaanderen. Bedaar, de dochter van de Leeuw is gewroken."

Breydel wist niet wat denken, hij trilde nog van toorn, maar de woorden van de ridder, die in de Vlaamse taal antwoordde en hem bij zijn naam kende, hadden macht genoeg om hem te wederhouden. Machteld had zich geenszins bij de verschijning van Breydel verschrikt; in haar dwaling overtuigd zijnde dat de zwarte ridder een harer schakers was, lachte zij met vreugde en riep: "Dood hem! Hij heeft mijn vader gekerkerd--en wil mij bij de boze Johanna van Navarra voeren,--de valsaard! Waarom wreekt gij het bloed uwer Graven niet, Vlaming?"

De ridder bezag de Jonkvrouw met smartelijk medelijden en tranen barstten in overvloed uit zijn ogen.

"Rampzalig kind!" was zijn zucht.

"Gij bemint en beklaagt de dochter van de Leeuw," sprak Breydel, de hand des ridders drukkende, "vergeef mij, Mijnheer--ik heb u niet gekend."

Op dit ogenblik kwam Deconinck aan de ingang der zaal. Hij hief de handen met verbaasdheid boven zijn hoofd, en zich voor de ridder op de knieën werpende, riep hij uit: "O hemel! De Leeuw, onze heer!"