De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 16

Chapter 16 4,075 words Public domain Markdown

Tijdens de oorlog van het jaar 1296, wanneer de Fransen gans West-Vlaanderen hadden ingenomen, bood het slot Nieuwenhove hun een hardnekkige tegenstand. Een groot getal Vlaamse ridders hadden zich onder Robrecht van Bethune erin opgesloten, en wilden het niet overgeven zolang één van hen zich kon verdedigen. Maar het groot getal vijanden maakte deze heldenmoed ten onnutte;--zij sneuvelden meestal op de muren der vesting[78]. Door de omvergeworpen wallen in het slot tredende, vonden de Fransen niets anders dan lijken; en daar zij hun woede op geen vijanden konden verzadigen, staken zij het kasteel in brand, braken de muren af en vervulden de grachten met gruis.

De overblijfsels van Nieuwenhove lagen op twee mijl van Brugge, in de richting van Kortrijk. Te midden in een dicht woud, en ver van de woningen der landlieden gelegen zijnde, was het zeer zelden dat de voeten van een mens de wilde gewassen dezer puinhopen vertraden, te meer daar het gedurig gekras der nachtvogels de bijgelovige dorpelingen had doen denken dat de zielen der gesneuvelde Vlamingen om wraak of lafenis kwamen roepen.

Alhoewel de brand het gehele slot in vlam had gezet, was het echter niet zozeer vernield, of de rechtstaande muren tekenden nog zijn eerste vormen aan het oog af: het gebouw bestond nog, maar met oneindige spleten en scheuren. De daken waren nevens de muren, die hen weleer ondersteunden, neergevallen, en van de ruitloze vensters bleef niets dan de lange stenen ribben over. Alles droeg de kentekens ener haastige verwoesting, want nog enige delen waren ongeschonden overgebleven, terwijl andere met veel arbeid ten gronde gedrukt waren. Op de voorhof, die door de halfafgebroken vestingsmuur omringd was, lagen hier en daar menigvuldige gruishopen, in gevallijke heuveltjes opklimmende.

Zes jaar was Nieuwenhove in deze staat, op het ogenblik dat wij voor deszelfs beschrijving verkozen hebben. De kruiden, welke door de wind tussen de verstrooide stenen gezaaid waren, hadden zich op die tijd grotelijks vermenigvuldigd: een weeldrig gras schoot zijn groene stijltjes overal in de hoogte,--en als de geliefkoosde kinderen der woeste natuur, bewogen de veldbloemen hun zilveren kelken boven de toppen der puinhopen. Tegen de bruine muren van het gebouw kropen lange veilranken, en wortelden zich in de uitgebrande naden der stenen; andere gewassen als wilde wijngaard en eiloof smeten zich van de ene muur op de andere, en vormden aldus, voor de diepe scheuren, een weefsel van het aangenaamste groen.

Het was vier uur in de morgen, een zwakke schemering kleurde het oosten met een twijfelachtig geel en een krans gulden lichtstralen blonk, als de voorbode der zon, achter de kim.

Echter waren de puinen van Nieuwenhove nog met grijze schaduwen overdekt, onvatbare tinten, die men niet als verven mocht aanzien, lagen overal op de nog slapende natuur, terwijl het rijzend daglicht zich reeds in de blauwe hemelkolken spiegelde. Hier of daar vlood nog een trage nachtuil met afschrik naar zijn hol, en krijste nijdig tegen de glans die hem kwam verjagen.

Op dit ogenblik zat een mens op een der gruishopen, te midden der puinen. Een helm zonder vederbos was met twee wangsnoeren op zijn hoofd geriemd, een harnas omvatte zijn machtig lichaam, en stalen platen bedekten de overige leden.

Hij leunde met zijn ijzeren handschoen op een schild, welkers wapentekenen men nutteloos zou gezocht hebben, want er was niets op te zien dan een bruine dwarse streep. Deze wapens, ja zelfs de lange speer die nevens hem lag, waren met zwart gekleurd; vermoedelijk was het dat de ridder uit wanhopige droefheid zich aldus had uitgerust. Op een kleine afstand stond een paard nog zwarter dan de ridder; daar het ook gans met ijzeren schelpen overladen was, boog het dier zijn hoofd met moeite tot bij de grond, en graasde alzo de vochtige toppen der kruiden. Het slagzwaard dat aan de zadel hing, was verwonderlijk groot en scheen een reuzenhand te behoren.

Terwijl een dode stilte boven de puinen hing, zuchtte de ridder menigmaal van mistroost, en zijn handen bewogen zich alsof hij met iemand sprak. Van tijd tot tijd wendde hij het hoofd met mistrouwen naar de bossen en wegen, die buiten het slot lagen; en wanneer hij van zijn eenzaamheid verzekerd was, hief hij het voorstuk van zijn helm omhoog. Hierdoor ontdekte hij zijn wezenstrekken:--het was een man van hoge ouderdom, met rimpelige wangen en grijzende haren. Alhoewel de kentekens der lange droefheid op zijn gelaat geprent stonden, bleef er echter nog vuur genoeg in zijn boezem om aan zijn ogen een buitengewone levendigheid te geven. Na enige ogenblikken op de overgebleven muren van Nieuwenhove gestaard te hebben, glimde een bittere lach op zijn wangen; hij liet zijn hoofd voorover gaan en scheen tussen het gras iets te bezien: twee tranen blonken onder zijn oogleden en rolden glinsterend op de grond.--Dan sprak hij: "O helden, mijn broeders! Uw edel bloed is tussen deze stenen vergoten geweest, onder mij rusten uw lijken, in de eindeloze slaap des doods;--en de eenzame bloemen hebben zich, als heilige martelkronen, boven uw gebeente geworteld. Gelukkig gij, die dit pijnlijk leven voor het Vaderland hebt mogen verliezen, want de slavernij van Vlaanderen hebt gij niet gezien. Vrij en heerlijk zijt gij gesneuveld--uw zielen dragen die schandvlek niet, welke de vreemdeling op het hoofd der Vlamingen heeft gedrukt.--Het bloed van degene, die gij de trotse naam van de Leeuw hadt gegeven, heeft met het uwe deze grond bevochtigd: zijn zwaard was een verdelgende bliksem, en zijn beukelaar een muur--maar nu, o schande! Nu zit hij op uw stille graven, als een verworpen mens te zuchten--nu vlieten tranen van onmacht als uit het oog ener zwakke vrouw over zijn wangen....."

De ridder stond eensklaps op en trok het voorstuk van zijn helm met haast over zijn aanzicht, hij keerde zich naar de baan en scheen aandachtiglijk op iets te luisteren. Een gerucht, als de stappen van paarden, deed zich in de verte horen. Wanneer hij zich overtuigd had dat zijn oor hem niet bedroog, hief hij de speer van de grond, en liep met snelle tred naar zijn draver; hem het gebit in de mond gestoken hebbende, klom hij in de zadel, en reed tot achter een muur, die hem moest verbergen.

Maar hij was niet lang in deze schuilplaats, wanneer andere klanken hem toekwamen: tussen het geratel van de wapenen en het briesen van rennende paarden, mengde zich het klagend gehuil ener maagd. Bij het horen dezer noodkreten verbleekte de ridder onder zijn helm; die kleur kwam niet uit vrees op zijn wangen, want de vrees was hem een onbekend gevoel, maar de eer en de plichten eens ridders bevolen hem deze klagende vrouw ter hulp te snellen. Zijn moedig hart gloeide reeds bij de neiging om een ongelukkige te redden, alhoewel gewichtiger redenen en een plechtige belofte hem verboden zich door iemand te laten kennen; hij verbleekte dan door de bevechting die hij in zichzelf moest onderstaan. Na een korte wijl naderde het gevaarte en de klachten der maagd werden voor de ridder verstaanbaar.

"O mijn vader! Mijn vader!" riep zij op een toon die haar pijn te kennen gaf.

Nu werd de ridder van alle verdere bedenking beroofd, deze stem had iets onbekends in zich dat zijn hart diep geroerd had.

Hij stak de spoor met drift in de buik van zijn draver en vloog snellijk over de puinhopen tot in de baan. Hier zag hij op een kleine afstand het gevaarte aankomen: zes Franse ruiters, zonder speren, maar anders welgewapend, dreven hun paarden met volle toom in de baan; een van hen had een vrouw voor zich en omarmde haar met kracht. Het lichte kleedsel der maagd vloog in de wind en haar vrije lokken golfden zachtjes achter haar neerhangend hoofd; zij verweerde zich wanhopiglijk tegen degene die haar in zijn armen gevangen hield, en vervulde de lucht met haar smartlijke kreten. De zwarte ridder bleef in de weg staan en velde de speer om de schakers af te wachten. Verwonderd over zulk een onverwachte hinderpaal vertraagden de ruiters de gang hunner paarden, en bezagen die zwarte kamper niet zonder innige vrees. Hij, die onder hen scheen te gebieden, kwam vooruit, en riep: "Uit de weg, heer ridder! Uit de weg, of wij lopen u over het lijf!"

"Ik beroep u, valse en oneerlijke ridders, dat gij deze Vrouw loslaat," was het antwoord, "zo niet verklaar ik mij haar kamper!"

"Vooruit! Vooruit!" riep de Overste tegen zijn mannen.

De zwarte ridder gaf hun geen tijd om te naderen, hij boog zich voorover op de nek van zijn paard en viel plotseling te midden der verbaasde Fransen. Met de eerste steek zijner speer boorde hij door de stormhoed en het hoofd van een Fransman, en wierp hem dodelijk uit de zadel; maar terwijl het hem alzo gelukt was, een zijner vijanden te verwinnen, hadden de anderen hun zwaarden van alle kanten boven zijn hoofd geheven, en reeds had de Overste De St.-Pol met een schrikkelijke houw de schouderplaat van de zwarte ridder losgehakt.

Deze, door zoveel vijanden besprongen, liet zijn speer vallen en toog zijn reuzenzwaard uit de schede; hij omvatte het gevest met de twee handen en sloeg zo wild in 't rond dat geen Fransman hem dorst genaken, want elke houw van zijn wapen viel als een pletterende hamerslag op de uitrusting zijner vijanden. De ruiter welke de Vrouw droeg, verweerde zich met een lange degen en hield het sprakeloze meisje met de andere hand tegen zijn borst gevestigd. Door al te grote aandoeningen van schrik en hoop geschokt, had de geschaakte maagd geen kracht meer om te spreken of te klagen. Haar ogen stonden met een ijslijke onbeweeglijkheid in haar hoofd, en haar wangen, hoe teder ook, waren in bevende rimpels samengetrokken; soms bracht zij haar armen als in een smeking naar de onbekende, die haar moest verlossen, doch zij hing welhaast machteloos en slap over de rug van het paard.

De ijslijke slagen der zwaarden op de helmen en beukelaars deden het omstaande geboomte weergalmend dreunen, bloed liep onder de harnassen uit; doch in de drift der wraak gaven de kampers hierop geen acht, en gingen hijgend in het strijden voort. De wapenrustingen waren op veel plaatsen doorhakt en verbroken, en het paard van De St.-Pol had een wijde wonde in de nek; het liet zich daarom door zijn meester niet wel meer sturen en deze had de grootste moeite om de slagen van de zwarte ridder te ontwijken. Ziende dat het gevecht voor de Fransen een zeer nadelige wending kreeg, deed hij een teken aan de soldenier die de Vrouw bewaarde. De ruiter dit verstaande poogde, volgens het bevel, van het slagveld te vluchten, maar de zwarte ridder begreep zijn inzicht, en de spoor in de zijde zijns dravers drukkende, sprong hij plotseling voor de soldenier, terwijl hij met kundigheid de slagen der overige vijanden wist af te weren, riep hij: "Op uw lijf en ziel, zet die Vrouw ter aarde!"

Zonder op die roep te letten keerde de soldenier zijn paard ter zijde en zocht alzo uit de baan te springen;--maar het zwaard van de zwarte ridder viel met een verdubbelde kracht op zijn helm, en kloof hem het hoofd tot bij de schouders. Het bloed sprong in twee dikke stralen uit de nek van de ruiter en viel terug op het hoofd en het witte kleed der maagd, haar fijne blonde lokken werden er gans door bevochtigd, en verfden zich met een donkerrode kleur. De geslachte Fransman viel uit de zadel; alhoewel het leven in hem was opgehouden, bleven er echter nog krachtige stuiptrekkingen in de spieren van het lijk, en het meisje werd nog met nijdigheid tegen het harnas gedrukt. Na een vluchtig ogenblik lieten de armen van het lijk haar los, Vrouw en lijk rolden beiden op de grond.

Terwijl had de zwarte ridder nog een andere Fransman in de baan nedergeworpen en er bleven hem niet meer dan drie vijanden over. Het gevecht scheen nu nog hardnekkiger te worden, want bij het zien van het rokende bloed, wierden deze strijdbare mannen als door razernij vervoerd; de paarden werden heen en weer geslingerd en briesten bij elke slag die op hun ijzeren deksel neerviel. Het meisje lag zonder gevoel tussen hun voeten; daar zij bij de val eerst uit de zadel raakte, was het lijk van de soldenier op haar gevallen en zo bevond het bloedend lichaam zich boven haar. Verwonderlijk was het dat de paarden haar niet kwetsten, want zij stapten om en bij haar, doch raakten haar uitgestrekte leden niet, alleenlijk stampten deze dieren de aarde der baan in de hoogte, en bedekten de wangen der maagd met slijk en stof.

De strijders hijgden om adem, en waren allen, door zware kneuzingen of verlies van bloed, verlamd of verzwakt; echter hielden zij niet af en zwoeren in hun ziel, dat zij tot de dood vechten zouden. Eensklaps week de draver van de zwarte ridder enige treden achteruit en bleef staan. De Fransen verblijdden zich innerlijk op het gezicht van die wijkende beweging huns vijands. Zij dachten dat hij rust nodig had en het weldra zou opgeven; maar zij bedrogen zich, want hij kwam met losse toom op hen aanvallen, en had zijn slag zo juist berekend, dat het hoofd van de voorste soldenier met de helm uit de baan vloog. Door deze wonderdaad verschrikt en verbaasd, vlood De St.-Pol met zijn overblijvende makker in allerijl van het slagveld; zij dreven hun paarden als pijlen voort, en verlieten de zwarte ridder met het innig geloof, dat hij zich van duivelskonst had bediend.

Dit gevecht had slechts enige ogenblikken geduurd, want de slagen der strijders waren zonder tussenpoos geweest; diensvolgens was de zon nog niet boven de kim, en de velden waren nog niet met haar stralen verlicht, echter klommen de dampen reeds boven het woud, en de toppen der bomen kleurden zich met lieflijker groen.

Wanneer de ridder zich meester van het slagveld zag, en geen vijanden meer ontwaarde, steeg hij van zijn paard, bond het aan een boom en naderde bij de roerloze maagd: zij lag uitgestrekt onder het lijk van de soldenier, en gaf geen teken van leven, de grond was om haar door de voeten der paarden geploegd en tot modder gekneed. Onmogelijk was het voor de zwarte ridder haar wezenstrekken te herkennen;--het bloed van de Fransman was op haar wangen met aarde gemengd en gestold, en haar lange lokken waren door de paarden in de grond getreden. Zonder langer onderzoek hief de ridder dit ongelukkig slachtoffer van de grond en droeg het in zijn armen, tot binnen de puinen van Nieuwenhove. Hier plaatste hij haar zachtjes op het gras van de voorhof, en ging in het overblijvend gedeelte van het gebouw. Tussen al de rechtstaande muren vond hij nog een zaal, welkers welfsel niet gevallen was, en die nog tot schuilplaats kon dienen. De ruiten der vensters waren wel door de vlam gesprongen en gesmolten, maar de overige delen waren nog in hun geheel: lange stukken van gescheurde tapijten hingen aan de wand, en gedeelten van verbrijzelde kasten en bedden lagen in wanorde op de vloer. De ridder raapte enige dezer overblijfsels bijeen en vormde van dezelve, met planken die hij er op schikte, een hoop die wel aan een legerbed geleek, dan scheurde hij de tapijten voorts van de muur, en legde dezelve op de planken welke hij geschikt had.

Verheugd over het vinden dezer gunstige plaats, keerde hij bij de gevoelloze Jonkvrouw terug, en droeg ze in de zaal. Met angstige zorg liet hij ze uitgestrekt op de zonderlinge bedstede neergaan, en schikte nog een ander stuk tapijt onder haar hoofd. Geen ander gevoel dan dit der edele menslievendheid en der plichten eens ridders dreven hem tot die pogingen en zorgen. Om zich te verzekeren dat zij niet gewond was, bezag hij haar klederen met nauwkeurigheid, en bevond, tot zijn grote blijdschap dat het bloed alleenlijk boven haar samaar lag, en dat haar boezem nog tastbaar klopte. De eerbied, welke hij voor deze Vrouw gevoelde, liet hem niet toe zijn onderzoek verder te doen strekken; na hij haar mond en ogen afgevaagd had, verliet hij de puinen en keerde terug naar de baan, waar de lijken zijner vijanden lagen; hij nam de helm van een der dode Fransen en schepte dezelve vol water uit de beek die bij het slagveld stroomde, dan vatte hij de toom van zijn draver, en bracht hem terug achter een hoek van het slot. In de zaal bij de Jonkvrouw gekomen zijnde, scheurde hij een stuk van de binnen-kolder welke hij onder het harnas droeg, en gebruikte hetzelve als een doek om het wezen der maagd te wassen.

Alhoewel het volle daglicht nabij was, en de velden reeds met stellige verven begonnen te pralen, was het echter onder het welfsel dezer zaal nog tamelijk duister, want de ridder kon niet zien of hij de wangen der maagd genoeg van slijk en bloed gezuiverd had. Hij waste haar hoofd, haar hals en haar handen, en dekte haar voor de koude met een groot stuk tapijt, dat hij hiertoe van de wand scheurde.

Al de middelen, die in zijn vermogen waren aldus gebruikt hebbende, en overtuigd dat de maagd leefde, gaf hij het de rust en de natuur over haar te versterken, en keerde terug naar zijn paard; de uitrusting vaagde hij af met kruiden om de bloedige tekens van de strijd zoveel mogelijk teniet te doen, en ging vervolgens op de voorhof het langste gras in een hoop plukken.

Dit werk kostte hem een ruime tijd, doch hij liet zich dit niet bedroeven, en gebruikte zijn edele handen met onderwerping tot die nederige arbeid; eindelijk bracht hij zijn draver een volle arm sappig voedsel.

Nu was de zon boven de kim gerezen en haar stralen hadden de velden met heldere kleuren verlicht, door het venster der zaal kwam ook genoeg klaarheid om al de voorwerpen die tegen de grond lagen, te onderscheiden. Met de hoop van de jonge maagd nu beter te kunnen zien, ging de ridder naar de zaal.--De Jonkvrouw zat recht op het bed en stuurde haar stijve blikken met verbaasdheid op de zwarte wanden harer akelige woning, zij spalkte de ogen verschriklijk open en scheen verdwaald, want haar wimpers daalden niet en bleven steeds met halsstarrigheid opgeheven staan. Zodra de ridder zijn gezicht tot haar gewend had, liep er een plotselinge siddering over al de leden zijns lichaams, hij verbleekte en voelde dat de koude der benauwdheid hem de spraak benam, want in de plaats der woorden welke hij meende te vormen, kwamen slechts onverstaanbare klanken uit zijn mond. In deze ontroering sprong hij vooruit, omhelsde de Jonkvrouw, en drukte ze met vurige liefde tegen zijn hart.

"Mijn kind! Mijn rampzalige Machteld!" riep hij met pijn. "Moest ik mijn gevangenis daarom verlaten,--om u zo, in de armen des doods weder te vinden!"

Het meisje bracht de hand met afkeer tegen de borst des ridders en stiet hem driftiglijk van haar.

"Verrader!" sprak zij. "Hoe durft gij de dochter der Graven van Vlaanderen, in uw onzuivere armen drukken? Gij schaamt u niet een weerloze maagd te krenken,--maar God waakt over mij. Er zijn nog bliksems in de lucht;--hoort gij?--Uw straf naakt.--Luister hoe de donder grolt, booswicht!...."

Op het horen dier woorden sprongen twee bronnen uit de ogen des ridders, hij rukte de helm met onstuimigheid van zijn hoofd en dan kon men het smartwater, zo blikkerend over zijn wangen zien rollen.

"O mijn welbeminde Machteld," riep hij, "herken mij toch! Ik ben uw vader Robrecht, die gij zo liefhebt, die zozeer om u in zijn gevangenis geweend heeft. O hemel! Gij stoot mij van uw borst....."

Een nijdige grimlach liep over de wangen der maagd en zij antwoordde: "Nu beeft gij, eerloze schaker.--Nu benijpt uw hart zich met de vrees der booswichten. Maar er is geen genade voor u.--De Leeuw, mijn vader, zal mij wreken en gij--zult niet ongestraft het graaflijk bloed van Vlaanderen gehoond hebben. Stil!.....Ik hoor het gehuil van de Leeuw..... Mijn vader nadert--Voel! De aarde dreunt onder zijn stappen. Voor mij een zoen, voor u de dood, o vreugde!"

Ieder woord ging als een vergiftige schicht door het hart des ridders. Al de pijnen der hel benepen zijn boezem en hij werd met onuitsprekelijke droefheid bevangen, brandende tranen liepen door de diepe rimpels zijner wangen, en hij sloeg zich wanhopig tegen de borst.

"Ik bezweer u bij de gekruiste Zaligmaker!" riep hij. "Herken mij toch, o mijn arm kind;--doe mij niet sterven. Lach zo bitter niet.--Uw blikken drijven de dood in mijn ziel. Ik ben die Leeuw, welke gij bemint--die vader, welke gij roept."

"Gij de Leeuw?" antwoordde Machteld met verachting. "Gij de Leeuw?? O lasteraar! Neen, de Leeuw spreekt Vlaams..... Hoor ik niet dat de taal der Koningin Johanna in uw mond is? Die taal--die vleit en verraadt. De Leeuw is ook gegaan--men zegde hem, kom!--en een keten ... een kerker--een gulden vat en vergif.--O Frankrijk! Frankrijk! Zijn bloed!.....En ik ook--ik zijn kind;--maar gij overweegt niet dat het graf een schuilplaats is. Een ziel kan bij God, in de hemel, niet onteerd worden!"

De ridder kon zich van wanhoop niet inhouden, hij omarmde nogmaals het meisje, en riep: "Maar gij hoort wel, mijn kind, dat ik de taal onzer vaderen spreek. Wat bitter lijden heeft u dan gefolterd dat uw ziel verdwaalt? Herinner u, dat onze vriend, Mijnheer Adolf van Nieuwland, mij moest verlossen,--en noem mij niet meer verrader of booswicht, want uw woorden pletteren mij het hart."

Bij de naam van Adolf verhelderden zich de stuiptrekkende wangen der maagd. Een zachte glimlach dreef de pijnlijke uitdrukking van haar gelaat, en zonder de ridder van zich te stoten, antwoordde zij met rustiger tonen: "Adolf hebt gij gezegd? Adolf is de Leeuw gaan halen. Hebt gij hem gezien? Hij heeft u van zijn onzalige Machteld gesproken, nietwaar? Ho ja,--hij bemint mij zo innig. Er was zulk een teder vuur in zijn ogen--zo zoet en zo liefderijk was zijn stem voor mij,--maar nu--nu..."

Een geheim ontvouwde zich voor de ridder. De dochter der Graven van Vlaanderen, die de bruid van een Vorst zijn moest, had zich voor een man met liefde laten innemen. Die slag was in andere omstandigheden geweldig voor hem geweest, maar nu was hij door al te grote pijnen ontroerd om zich daarbij nog meer te laten bedroeven; echter verliet hij de Jonkvrouw, en ging afgemat op een steen zitten. Hij liet het hoofd in de hand neerzinken en zuchtte stilzwijgend, terwijl bitter hartzeer zijn tranen nog meer deed vloeien. Zonder hierop acht te geven, ging de Jonkvrouw dus in haar dwalende rede voort: "En ik zal mijn heer Vader de hand van Adolf vragen: mijn liefde is het loon zijner edelmoedigheid. Terwijl hij de ketens van de Leeuw draagt, wordt hij edeler dan andere heren die ons hebben verlaten en verraden. Ja, ik bewaar mijn trouw--een eed zo plechtig breekt men niet--in mijn hart woont hij ... Mijn vader komt!--Ik zie reeds een straal ... een heilig licht ..."

Nu vergingen haar woorden in doffe klanken, en haar rede werd onverstaanbaar. Na enige ogenblikken aldus gesuisd te hebben, bezag zij de neergezeten ridder met angst, en haar wezenstrekken werden door een grammoedige uitdrukking verduisterd. Alhoewel in diepe bedenking verzonken, had de ridder haar woorden verstaan, en dit had hem grote troost toegebracht. Het oud edel geslacht Van Nieuwland was zonder vlek, en Adolf de eerlijkste ridder die hij kende. Om de pijnen zijner dochter te verzachten, besloot hij deze liefde met zijn toestemming te begunstigen en stond op: "Machteld," sprak hij, "Adolf zij u ten bruidegom geschonken,--uw vader geeft hem u."

Hij dacht dat deze woorden op de Jonkvrouw een gunstige werking hebben zouden, maar hij verschrikte toen zij hem met dreigende blikken bezag. Door innige pijn gefolterd wist hij niet hoe zich te gedragen en voelde de moed hem begeven. Zonder meer te spreken, vatte hij de hand der kranke maagd en besproeide dezelve met tranen van liefde en smart. Zij rukte weldra haar hand uit de zijne en riep: "Deze hand is niet voor een Fransman,--zij behoort Adolf. Een valse ridder, een schaker als gij, mag dezelve niet raken.--Uw tranen zijn vlekken die de Leeuw met bloed zal uitvagen. Schrik, gij slang!--Beef! Want het ogenblik naakt. Ziet gij dit bloed op mijn kleedsel?--Dit is ook Frans bloed--zie hoe zwart!"