De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 14

Chapter 14 3,972 words Public domain Markdown

De verbaasde Machteld trapte van het ledikant en blikte met angst in de ogen van Maria; deze snikte bitter, terwijl zij Machteld aankleedde, en antwoordde niet op 's meisjes vragen, dan op het ogenblik dat zij haar een lang rijkleed aanbood en met een nijpende zucht tot haar sprak: "Gij gaat op reis, o Edelvrouw. Mijnheer Sint-Joris bescherme u!"

"He! Waarom dit rijkleed, mijn waarde Maria? Nu zie ik wat lot mij wacht! Mijn bittere droom heeft niet gelogen, want toen gij mij wekte, werd ik naar Frankrijk bij Johanna van Navarra gevoerd. Och Heer, nu is alle hoop verloren! Adolf zal ik niet meer zien en het zoete vooruitzicht dat mij streelde, is nu in zuur vergaan. O Leeuw mijn vader!... Gij zult uw kind wellicht op aarde niet meer vinden..."

Maria had zich, met bitter wee vervuld, in een zetel nedergezet, en snikte stilzwijgend tussen haar tranen. Zij had de macht niet om de vrees harer vriendin met woorden te bevestigen. Na enige ogenblikken wierp de bange Jonkvrouw zich om haar hals en sprak: "Ween zo niet om mij, mijn zoete vriendin. Het ongeluk en de rampspoed zijn mij lang bekend: voor het Huis van Vlaanderen is er geen rust, geen vreugde meer."

"Ongelukkig en edel kind!" zuchtte Maria. "Gij weet niet dat Franse soldeniers u beneden wachten, en dat gij aanstonds wordt weggevoerd!"

Het meisje verbleekte en sidderde sterk bij deze woorden.

"Soldeniers?" riep zij. "Zal ik dan aan de onbeleefdheid van onedele huurlingen blootgesteld zijn? Lieve Maria, bescherm mij ... God, mocht ik nu sterven! O Leeuw van Vlaanderen, wist gij wat laster uw bloed geschiedt!"

"Schrikt zo niet, Edelvrouw, er is een eerlijk ridder met hen."

"Het noodlottig uur is dan gekomen! Ik moet u verlaten, Maria, en de boze Koningin van Navarra zal mij ook als mijn vader kerkeren. Ho, het zij zo! Er is een rechter in de Hemel--die mij niet zal verlaten ..."

"Ras, Jonkvrouw, doe uw rijkleed aan; daar hoor ik de stappen der soldeniers."

Terwijl Machteld het kleed om haar lenden toog, ging de deur der kamer open; de dienstbode kwam binnen en sprak: "Mevrouw, de Franse heer doet u vragen, of de edele Machteld van Bethune bereid is, en of het hem geoorloofd is voor haar te verschijnen."

"Hij kome," was het antwoord.

Mijnheer De Cressines had de dienstbode op de trap gevolgd en trad onmiddellijk in het vertrek. Hij boog zich beleefdelijk voor de Jonkvrouw, en gaf door zijn medelijdende blikken te kennen dat hij deze zending tegen zijn dank vervulde.

"Mevrouw," sprak hij, "duid het mij niet ten kwade dat ik UEdele verzoeke aanstonds met mij te gaan; ik kan geen enkel ogenblik meer beiden."

"Ik zal u gehoorzaamlijk volgen," antwoordde Machteld terwijl zij haar tranen wederhield. "Ik hoop, Mijnheer, dat gij als een eerlijk ridder mij voor alle laster zult bewaren."

"Ik zweer u, Edelvrouw," riep De Cressines door 's meisjes onderwerping aangedaan, "dat er u niets zal gebeuren, zolang gij onder mijn bescherming zijn zult."

"Uw soldeniers, Mijnheer!"

"Mijn soldeniers, Mevrouw, zullen u raken noch spreken. Deze verzekering zij u genoegzaam. Wij vertrekken."

De twee Jonkvrouwen omarmden zich met angstige tederheid en de tranen kwamen overvloediger op hun wangen. Het bittere vaarwel werd menigmaal herhaald en de omhelzingen dikwijls hernomen. Zij volgden eindelijk de overste tot in de gang.

"O Mijnheer," riep Maria, "zeg mij toch waar gij mijn ongelukkige vriendin heenvoert?"

"Naar Frankrijk," antwoordde De Cressines, en zich tot de soldeniers kerende gebood hij: "Neemt mijn woorden in acht:--wie een onbetamelijk woord voor deze Edelvrouw durft wagen, zal strengelijk gestraft worden; ik wil dat men haar volgens de doorluchtigheid harer geboorte behandele. Men hale de paarden die in de Halsestraat staan."

Machteld stond sprakeloos bij de soldeniers, haar tranen vloeiden in stilte onder de sluier die haar aangezicht dekte.

Eén harer handen hing in de hand van Maria, en beiden stonden zij zonder beweging, als twee beelden op één zuil. De woorden waren niet genoegzaam tot het uitdrukken der pijnlijke aandoeningen, die hun harten bij dit bitter afscheid benepen.

De paarden bij de deur gebracht zijnde, werd de Jonkvrouw door Mijnheer De Cressines op een lichte draver geholpen.

Wanneer zij allen in de zadel gezeten waren, bracht Machteld haar lippen bij het oor der snikkende Maria, en sprak haar van Adolf. Een belofte van onverbrekelijke liefde en veel troostende woorden, ontving de zuster voor de edelmoedige jongeling.

Meester Brakels en de dienstknechten werden losgelaten, en de stoet rende snellijk door de straten van Brugge. Enige stonden later waren zij in het wijde veld en in wegen welke Machteld niet kon erkennen; de nacht was duister en een plechtige stilte hing over de sluimerende natuur. Mijnheer De Cressines bleef steeds aan de zijde van Machteld; dewijl hij de Jonkvrouw in haar droefheid niet wilde storen, sprak hij niet tot haar, en zou wellicht de reis stilzwijgend volbracht hebben, had de jonge Machteld hem niet eerst gevraagd: "Is het mij geoorloofd, Mijnheer, iets over het lot dat mij wacht te weten?--En mag ik u vragen van wie het bevel, dat mij uit mijn woning rukt, gekomen is?"

"Het bevel is mij door Mijnheer De Chatillon gegeven," antwoordde De Cressines. "Denkelijk is het hem ook van hogerhand toegezonden, want uw reis eindigt te Compiègne."

"Ja," zuchtte de droeve Jonkvrouw, "Johanna van Navarra wacht mij. Het was haar niet genoeg mijn vader en al mijn bloedverwanten te kerkeren--ik ontbrak er nog. Nu is haar wraak ten volle uitgevoerd. O Mijnheer, gij hebt een boze Koningin!"

"Een man zou dit voor mij niet zeggen mogen. Het is waar, Edelvrouw, onze Koningin behandelt de Vlamingen zeer streng, en ik gevoel het grootste medelijden voor de dappere heer Van Bethune; maar ik mag mijn Vorsten niet horen lasteren."

"Vergeef mij, Mijnheer, uw trouw als ridder verdient mijn achting. Ik zal over uw Koningin niet meer klagen, en acht mij gelukkig in mijn rampspoed een eerlijk ridder als UEdele tot leidsman te hebben."

"Het zou mij een waar genoegen zijn UEdele tot Compiègne te vergezellen, maar die eer is mij niet toegekend: nog een vierendeel uurs krijgt gij een ander gezelschap, Jonkvrouw. Dit kan echter uw toestand niet veranderen; de Franse ridders vergeten nooit wat zij de Vrouwen schuldig zijn."

"Het is waar, Mijnheer, de Franse Edelen zijn beleefd en eerlijk wegens ons, maar wie zegt mij dat het geen soldeniers zijn zullen?"

"Ho! Dit zal niet zijn, Mevrouw, ik breng u naar het slot te Male en moet u aan de Kastelein Mijnheer De St.-Pol overgeven. Tot daar strekt mijn zending."

Nog enige tijd spraken zij, totdat zij eindelijk voor de brug van het slot te Male aankwamen. Bij hun nadering riep de schildwacht boven de poort op de wakende soldeniers en de egge werd omhooggehaald. Een weinig daarna viel de brug ploffend neer en de ganse stoet stapte in het slot.

* * * * *

12

_Zyn boezem was verengd, zyn hoofd gebogen; De geestdrift blonk niet langer uit zyne oogen Zoo diep gehold door kwyning en door tyd; Het kenmerk van een' naren zielenstryd Stond op het jong en zachtgeteekend wezen._

JOH ALF DE LAET

Reeds waren er maanden verlopen sedert de overgaaf der stad Brugge. De Chatillon had Mijnheer De Mortenay tot stadsvoogd benoemd, en was naar Kortrijk teruggekeerd want hij betrouwde de Bruggelingen niet genoeg om binnen hun muren te wonen. De soldeniers, die hij in de veroverde stad gelaten had, begingen allerlei misdaden en plaagden de burgers op een boosaardige wijze. Deze dwang wars zijnde, keerden de vreemde kooplieden meestal naar hun vaderland terug, en de handel van Brugge verging alle dagen meer en meer[69]. De ambachtslieden zagen met smart en innige wraaklust op de ondergang hunner welvaart; doch de maatregelen, die de Fransen genomen hadden, waren voor alsdan streng genoeg om hun woede in te houden. Een groot gedeelte der vestingswerken was geslecht, en men bouwde een sterk kasteel om de stad te beheersen en te bedwingen.

Tot grote verwondering zijner stadgenoten, liet Deconinck, zonder tegenstreving, dit alles gebeuren en wandelde rustig en als onverschillig door de straten. In de vergaderingen der wevers voorspelde hij de verlossing des Vaderlands, en hield alzo de harten zijner broederen warm en vol edele hoop.

Breydel was niet meer kenlijk: een duister nadenken had zijn jonge wezenstrekken verouderd, en zijn wenkbrauwen waren over zijn wimpers gezakt. Het trotse hoofd van de dappere Vlaming hing gebogen alsof een pijnlijke last het ter neder had gedrukt.--Ho! De onderwerping en het gezicht der opgeblazen Fransen was een adder, die om zijn hart gekronkeld lag en het wredelijk verschuurde. Voor hem was er vreugde noch genoegen meer: zelden ging hij uit zijn woning; want nu was het verwonnen Brugge hem een kerker, welkers lucht hem verstikte. Deze edele en grootmoedige smart verliet hem geen ogenblik, en zijn broeders konden hem door niets troosten of bewegen. In de ogen der Fransen stond voor hem het lasterwoord--"Slaaf!" als een verwijt te lezen.

Op een morgen was hij zeer vroeg in zijn winkel, en de mijmeringen des nachts voortzettende, leunde hij met de linkerhand op een kapblok; zijn twijfelachtige blikken dwaalden tussen de stukken vlees die tegen de wand hingen, doch hij zag dezelve niet, want zijn ziel was in andere gedachten verzonken. Na hij aldus een ruime tijd beweegloos was gebleven, omvatte zijn rechterhand, zonder zijn toedoen, een slachtbijl, die, veel groter dan de andere zijnde, voor een bijzonder gebruik scheen te dienen; zodra het blikkerend staal onder zijn gezicht viel, ging er een onvatbare glimlach over zijn spijtige wezenstrekken, en hij bleef lang op het moordtuig staren.

Eensklaps werd zijn gelaat somber: met een grammoedige drift wierp hij de bijl op de vloer en plaatste zijn voet erop.

"Ga!" riep hij, "een slaaf behoeft geen wapen!" En dan zonk hij weder met de hand op de kapblok.

Nu ging de deur van de winkel open, en Breydel verwonderde zich grotelijks zodra hij Deconinck herkende.

"Ik wens u goedendag, meester," sprak hij. "Wat smartlijk nieuws brengt gij mij zo vroeg?"

"Mijn vriend Jan," antwoordde Deconinck, "ik vraag u niet waarom gij zo droef zijt: ik ken uw edelmoedige ziel.--Het gedacht van slavernij doet u sterven; dit zie ik wel."

"Zwijg, meester, zwijg daarvan, want mij dunkt dat de wanden mijner woning dit honend woord herhalen. O mijn vriend, indien ik op de muren onzer stad gestorven ware, dan had ik mij zulke bittere pijn gespaard!--Hoeveel vijandige Fransen hadden dan nevens mij hun graf gevonden! Maar die luisterrijke dagen zijn voorbij ..."

Deconinck staarde met ontroering op de Deken der beenhouwers; hij verstond door zijn eigen lijden hoe dodend die smart voor een ziel als die van Breydel zijn moest,--en antwoordde:

"Troost u toch, mijn edelmoedige vriend, en denk dat het vuur, hetwelk onder de as slaapt, zich echter niet uitdooft. Eens komen die luisterrijke dagen terug: de nevelige lucht der slavernij klaart op, en de zon der vrijheid heeft reeds enige harer stralen over ons gezonden. Dit verstaat gij niet, maar gij moogt mij geloven, het uur der verlossing naakt. Heden zijn wij nog niet genoeg verdrukt--de handen der slavernij moeten pijnlijker nijpen, opdat de lafaards zelf de schakels der keten losbreken.--En dan, mijn dappere broeder, dan zal onze dierbare vaderstad de zwarte Leeuw van Vlaanderen weder boven de volken uitsteken..."

Breydel bezag de Deken der wevers gedurende deze woorden met een zeldzame uitdrukking: een glimlach van geluk en hoop verhelderde zijn gelaat, en alsof zijn beklemde boezem zich wilde ontlasten, kwam een lange zucht uit zijn borst. Hij nam de hand van Deconinck, bracht dezelve tegen zijn hart, en sprak: "Gij alleen, o vriend, kent mij; gij alleen kunt mijn ziel raken en troosten."

"Maar meester Jan," hernam Deconinck, "mijn bezoek heeft een ander doel; gij weet dat wij beloofd hebben de jonge Machteld te bewaren?"

"O doemnis!" riep Breydel met onstuimigheid. Een angstig voorgevoel kleurde zijn wangen met het vuur der gramschap en hij zuchtte: "Mijn vriend wat schriklijk,--wat schandig nieuws?"

"De Fransen hebben de dochter van onze heer opgelicht en vervoerd!" was het antwoord.

De beenhouwer deed een stap vooruit, hief de slachtbijl van de grond en wrong dezelve met een brandende woede in zijn vuist. Zijn lippen bewogen zich wel, maar geen woord kwam uit zijn mond; eindelijk rolden twee blinkende tranen op zijn wangen--tranen van razernij en wraaklust.

"O Leeuw van Vlaanderen!" barstte hij uit. "Zo handelen zij met uw kinderen. En zal ik dit gedogen? Neen, bij mijn zaligheid, neen. Het is gedaan, Deconinck--het is gedaan. Ik luister naar niets;--heden moet ik bloed zien,--veel bloed of ik sterf!"

"Bedaar, mijn vriend," antwoordde Deconinck, "bedaar, en gebruik de rede; want uw leven zijt gij aan uw Vaderland schuldig, en gij moogt het niet nutteloos wagen."

"Ik wil niets horen," hernam Jan Breydel. "Ik dank u om uw wijze raad, maar ik zal noch kan hem volgen; spaar uw woorden, ze zijn vruchteloos."

"Maar meester Jan, laat u zo niet vervoeren. Gij kunt immers alleen de Fransen niet verjagen?"

"Dit geeft er met aan. Zover denk ik niet. Wraak over de dochter van de Leeuw, en dan de dood. Ho, nu ben ik gelukkig,--mijn geest heeft zich losgerukt, het hart klopt mij nu weder zo fel en zo krachtig! Maar ik wil mij wel bedaren, zeg mij dan voorts wat gij meer van dit voorval weet."

"Ho, niet veel! Deze morgen heeft men mij heel vroeg gewekt om een dienstbode van Mijnheer Van Nieuwland te ontvangen. Uit deze verstond ik dat de edele Machteld des nachts was weggevoerd, en dat de verrader Brakels de Fransen voor taaiman had gediend."

"Brakels?" riep Breydel. "Nog een meer voor mijn bijl. Hij zal de Fransen niet meer dienen!"

"Waar men de Jonkvrouw naar toe gevoerd heeft, weet ik niet. Alleenlijk zou men enig vermoeden tegen het kasteel van Male kunnen opvatten; want de dienstbode heeft die naam tweemaal door de soldeniers horen uitspreken. Gij ziet wel, Breydel, dat het beter ware op nadere inlichtingen te wachten dan zo onbezonnen te werk te gaan, trouwens het is bijkans zeker dat de Edelvrouw reeds tot in Frankrijk gevoerd is."

"Gij klopt aan een dovemans deur, mijn vriend," riep Breydel, "ik zeg u voorwaar, dat niets mij kan bewegen--ik wil en zal uitgaan. Vergeef mij dat ik u op staande voet verlate."

Hij verborg de bijl onder zijn kolder, en wendde zich met een haastige stap naar de deur, maar Deconinck had zich door een nog spoediger beweging voor hem geplaatst, en belette hem alzo de uitgang. Gelijk een tijger die in een strik gevallen is, wierp Breydel zijn vluchtige blikken rond de winkel en scheen een doorgang te zoeken. Zijn lichaam helde voorover en zijn leden spanden zich, alsof hij zich bereid maakte om tegen de hinderpalen zijner vlucht op te springen.

"Laat die nutteloze pogingen," sprak Deconinck hem toe, "ik verzeker u dat gij niet met die bijl zult uitgaan. Gij zijt mij een al te duurbare vriend, en ik acht het mij een plicht u voor onheil te bewaren."

"Laat mij door, o Meester Pieter," riep de Deken der beenhouwers. "Ik smeek u, laat mij uitgaan. Gij pijnigt mij onbarmhartiglijk."

"Neen, ik ben hierin onverbiddelijk. Denkt gij dat gij uw eigen meester zijt,--dat gij uw leven naar welgevallen moogt wagen? Ho, niet meester; God heeft u met een grotere ziel begaafd, en het Vaderland heeft machtiger leden in u gevoed, om u als borstweer der algemene vrijheid te doen leven. Gedenk die hoge zending, meester, en verspil uw gaven niet in nutteloze wraaknemingen."

Terwijl Deconinck aldus was sprekende, bedaarde de drift van de beenhouwer. Zijn houding werd rustig en men zou gedacht hebben dat hij zich door de wijze rede van zijn vriend had laten overtuigen. Dit was wel geen veinzerij, doch het was ook de echte uitdrukking zijner gevoelens niet. Hij zweemde tussen wraaklust en bedaardheid, zonder zich innerlijk te kunnen stillen.

"Gij hebt gelijk, mijn vriend," sprak hij, "ik laat mij te lichtelijk vervoeren; maar gij weet het, er zijn driften welkers ingevingen men niet kan wederstaan. Ik zal mijn wapen daar weder aan de wand hangen; nu zult gij mij toch uitlaten, want ik moet heden nog naar Torhout om vee."

"Nu wil ik u niet langer wederhouden, alhoewel ik weet dat gij heden niet naar Torhout zult gaan."

"Gewis, Meester, ik heb geen vee meer in mijn stallen, en ik moet er mij voor de nacht bezorgen."

"Gij kunt mij niet bedriegen, Meester Jan: ik ken u te lang.

Door uw oogappels zie ik de grond uwer ziel--gij gaat rechtstreeks naar Male."

"Een tovenaar zijt gij, Meester Pieter, want zo helpe mij God, gij kent mijn gedachten beter dan ik zelf. Ja, ik ga naar Male; maar ik verzeker u, dat dit slechts is om naar de ongelukkige dochter van onze heer te vernemen. Ik beloof u de wraak tot een gunstiger dag uit te stellen."

De twee Dekens gingen gezamenlijk ter deure uit, en verlieten elkander, nadat zij nog enige tijd in de straat gesproken hadden. Breydel kwam na een halfuur gaans in het dorp Male.

De heerlijkheid van Male ligt op een korte mijl van Brugge[70]. In het jaar onzes verhaals bestond zij uit een dertigtal strooien hutten, die hier en daar in het rechtsgebied van het leenslot gebouwd waren. Tussen de ondoordringbare bossen, welke het dorp omsingelden, waren door arbeid de vruchtbaarste akkers gemaakt. Dewijl de aarde in die streek haar bewoners dankbaar scheen en met rijke oogst beloonde, zou men licht gedacht hebben dat de boeren van Male in een weeldrige staat zich bevonden. En nochtans droeg de kleding en het gans voorkomen der inwoners het kenteken der behoefte. Slavernij en dwingende beheersing waren de bronnen hunner armoede: het zweet huns aanschijns vloeide voor hun noch voor hun huisgezin. Alles was voor de Leenheer, hun meester; en gelukkig achtten zij zich, wanneer hun, na het leveren der tol- en leengoeden, nog genoeg overbleef om hun leden gedurende het jaar tot de zware arbeid te voeden.

Op weinige afstand van het kasteel was een vierkante plaats om dewelke enige stenen huizen dichter bij elkander gebouwd waren; in het midden stond een stenen zuil als een naald opgericht, en aan dezelve een keten met de ijzeren halsband. Dit was het merkteken der graaflijke rechtspleging, en de gewone Kaak, waaraan men de misdadigers tentoonstelde. Aan de ene zijde was een geringe kapel gebouwd en het kerkhof bracht zijn muren enige stappen vooruit op de plaats.

Hiernevens stond een tamelijk hoog huis, de enigste kroeg of taveerne waar men te Male wijn en bier verkocht. De naam dezer herberg was boven de deur gebeeld; maar zo grof en zo onkundig gebeiteld, dat het moeilijk ware geweest Sint-Maarten in dit stenen tafereel te herkennen. De vloer of het onderste vertrek was zo wijd als de buitenmuren strekten. Een brede, ja wanstaltige haardstede, die met haar tafelplaat enige voeten vooruitstak, vervulde het diepe der kamer en liet er geen andere plaats over, dan een hoekje aan elke zijde, waar de zaden en plantenwortels te drogen hingen. De andere wanden waren met kalk wit gemaakt, en met allerlei houten en tinnen keukengerief beladen; een helmbijl en een deel grote messen in lederen scheden hingen op een plaats, die hun bijzonder was toegeschikt. De rook, die gedurig uit de haardstede in de kamer kwam, had de balken der verdieping met een droeve kleur besmet;--een verf zo vaal en zo bruin als de duisternis was overal verspreid, en dit gaf een koudverwekkend voorkomen aan deze plaats. Alhoewel de zon hevig scheen, was het licht er zeer twijfelachtig, want de vensters, van half Romaanse half gotische stichting, waren bij de zeven voet boven de vloer verheven, en uit kleine ruitjes gevormd. Zware zetels en nog zwaardere tafels stonden hier en daar in de kamer.

De waardin liep heen en weer om de talrijke personen, die zich in dit ogenblik met drinken verlustigden, te dienen en voor te schenken. De tinnen hanapsen of bekers stonden niet stil, en de blijde roepen der gasten mengden zich in een suizend gebrom, waaruit men niets verstaan kon. Bij de haardstede was het merkbaar bij de manlijke en slaande klanken dat er Vlaams gesproken werd, terwijl in de kamer meer verwijfde en lispelende tonen de Franse spraak te kennen gaven. Onder degenen welke zich in deze uitheemse taal uitdrukten, en tot de bezetting van het slot behoorden, was er een met name Leroux die zijn woorden meer klem bijzette, en als een overste tot zijn makkers sprak; nochtans was hij enkel soldenier gelijk zij, maar zijn buitengewoon sterke leden en de macht die hem eigen was, hadden hem deze meerderheid verschaft.

Terwijl de Franse krijgsknechten hun hanapsen tussen vrolijke uitroepingen ledigden, kwam een ander soldenier in de kroeg en sprak tot hen: "Ha sa! Gezellen ik breng u goed nieuws. Wij gaan dit vervloekt land van Vlaanderen verlaten, en misschien zien wij morgen reeds ons schone Frankrijk weder!"

De soldeniers verbaasden op dit gezegde, en brachten hun ogen vol twijfelende ondervraging op de bode.

"Ja," hernam deze, "morgen vertrekken wij met de schone Edelvrouw, welke ons deze nacht zo ontijdig is komen bezoeken."

"Is het waarheid die gij spreekt?" vroeg Leroux.

"Op mijn trouwe makkers! Onze heer De St.-Pol heeft mij gezonden om u te verwittigen."

"Wel, dan wens ik de Edelvrouw en u aan de galg van Montfaucon!" riep Leroux.

"Zie waarom verbittert u dit nieuws? Keert gij niet gaarne naar Frankrijk terug?"

"Neen, bij de duivel! Wij smaken hier de vruchten van de zege, en het zou mij niet lusten dezelve zo vroeg te verlaten."

"Ho, ontstelt u dan niet zozeer, wij komen binnen weinig dagen terug. Wij moeten onze heer De St.-Pol slechts tot Rijsel vergezellen."

Op het ogenblik dat Leroux meende te antwoorden, ging de deur open en een Vlaming trad in de kroeg. Hij bezag de Fransen met losse stoutheid, plaatste zich alleen bij een tafel en riep: "Ho waard! Een stoop bier. Ras, want ik ben haastig!"

"Meteen, Meester Breydel," was het antwoord.

"Dit is een schone Vlaming," suisde een soldenier in het oor van Leroux. "Hij is wel zo lang niet als gij; maar wat machtig lichaam, en wat stem. Dit is geen boer, bij mijn ziel!"

"Waarlijk," antwoordde Leroux, "het is een fraaie kerel; hij heeft ogen als een leeuw. Ik gevoel mij voor hem tot vriendschap genegen."

"Wat duivel," riep Jan Breydel, opstaande, "waar blijft gij, hospes? De keel brandt mij schriklijk."

"Zeg Vlaming," vroeg Leroux, "kunt gij Frans?"

"Meer als mij lust," antwoordde Breydel in dezelfde spraak.

"Wel dan, mits ik zie dat gij ongeduldig zijt en dorst hebt, bied ik u mijn hanaps aan. Drink! Ik wens dat het u wel bekome."

Breydel nam de hanaps met een dankbaar teken uit de hand van de soldenier en sprak terwijl hij dezelve aan zijn lippen bracht: "Dit zij op uw gezondheid en geluk in de krijg!"

Nochtans zodra enige druppels van de wijn hem in de mond gerezen waren, plaatste hij de beker met afkeer op de tafel.

"Wat duivel, gij schrikt van de edele drank? Dit zijn de Vlamingen niet gewoon," riep Leroux lachende.

"Het is Franse wijn!" antwoordde Breydel, zo onverschillig alsof die wansmaak een natuurlijk gevoel ware geweest.

De soldeniers bezagen elkander met verwondering, en een blijkbaar spijt bewoog de wangen van Leroux. De koude uitdrukking van Breydels gelaat had echter zoveel indruk op hem, dat hij de Vlaming, zonder meer te spreken, naar zijn zetel het terugkeren. Middelerwijl had de waard het geëiste bier gebracht, en de Deken der beenhouwers dronk meermalen zonder op de Fransen te letten.

"Nu dan, makkers," riep Leroux zijn beker opheffende, "laat ons nog eens terdege drinken, opdat er niet gezegd worde dat wij met een droge keel vertrekken. Op de gezondheid der schone Edelvrouw, in afwachting dat het vuur haar moge branden!"