De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 13

Chapter 13 4,031 words Public domain Markdown

Machteld liet zich hijgend in een zetel neerzinken; de onsteltenis ener zedige schaamte blonk op haar wangen. Niet dat zij zich als plichtig aan een zondig bedrijf erkende, want haar hart was zuiver, maar de uitdrukking van Adolfs gelaatstrekken en zijn gloeiende woorden hadden haar iets gezegd dat haar fel geschokt had.--Evenals een mens die uit een sluimering ontwaakt, en zich zijn nare of blijde dromen wil herinneren, stond de ridder met gebogen hoofd voor de Jonkvrouw.

Tussen het zacht genoegen dat zijn hart overstroomde, kwam een bange vrees zich mengen, en hij wachtte angstig op het vonnis of het genadewoord der maagd.

Terwijl zij aldus beiden spraakloos in gedachten dwaalden, kwam de dienstbode de komst van de Priester aankondigen, en deze werd op bevel van Adolf in de zaal geleid.

"Wees gegroet, doorluchtige dochter van de Leeuw, onze heer," sprak hij, zich met eerbied buigende, terwijl hij de kap van zijn kolder op de rug wierp.

Machteld bezag de monnik met een hardnekkige aandacht, en folterde zich het geheugen om de naam van degene, wiens stem haar zozeer ontroerde, te kennen. Eensklaps vatte zij hem de hand en riep met hevige drift, terwijl haar ogen van vreugde blonken: "O God! Ik zie de boezemvriend mijns vaders. O Diederik! Ik dacht dat allen, behalve Mijnheer Van Nieuwland ons verlaten hadden; maar nu heb ik de Hemel te danken, dat hij mij een tweede beschermer heeft toegezonden. En ik,--ik dorst u in mijn geest van ontrouw beschuldigen! Vergeef die dwaling aan mijn benepen hart, Mijnheer De Vos?"

Diederik stond verslagen, daar een vrouwenoog zijn kunst had doen feilen; hij deed zijn baard spijtig af en vertoonde zich dan meer kenlijk voor de Jonkvrouw. Adolf viel in dankzeggingen uit en drukte hem de hand met tedere vriendschap. Diederik zich tot Machteld kerende sprak: "Voorwaar Mevrouw, ik moet bekennen dat gij een scherp gezicht hebt, nu ben ik gedwongen mijn natuurlijke spraak te hernemen. Ik ware nochtans liever onbekend gebleven; want het masker dat gij doorgrond hebt, is ten hoogste nodig voor het heil van mijn meester, de Leeuw. Ik bid u derhalve mijn echte naam voor niemand uit te spreken: dit zou mij wellicht het leven kosten. Uw gelaat, Jonkvrouw, getuigt uwer lange smart; maar dezelve zal niet blijven duren, indien onze vooruitzichten zich verwezenlijken. Nochtans, zo de gevangenis uws vaders zich tegen onze hoop verlengde, gebiedt u de godsdienst, dat gij op de rechtvaardigheid des Heren betrouwe. Ik heb Mijnheer Van Bethune gezien en gesproken, zijn lot is door de goedwilligheid van de Kastelein verzacht,--en hij verzoekt u om zijnentwille niet te wenen."

"Vertel mij toch wat hij gezegd heeft, Mijnheer De Vos? Laat mij weten hoe zijn kerker is, en wat hij doet, opdat ik mij, bij het horen van zijn dierbare naam, moge verheugen?"

Diederik de Vos begon een wijdlopige beschrijving van de toren te Bourges en verhaalde het meisje alles wat hij zelf wist.

Met de grootste dienstwilligheid antwoordde hij op haar minste vragen, en troostte haar bij gelukkige voorspellingen. Intussentijd was Adolf uit de zaal gegaan om zijn zuster Maria over zijn vertrek te onderhouden, en had geboden dat men zijn paard en zijn wapens tot de reis zou klaar maken. Ook had hij zijn tocht aan een trouwe dienaar bekendgemaakt, opdat hij hetzelve aan Deconinck en Breydel zou boodschappen, en om hun waakzaamheid over de jonge Gravin te roepen; dit was echter onnodig, mits Diederik de Vos reeds met geheime bevelen bij de Deken der wevers geweest was.

Zodra Adolf in de zaal terugkwam, stond Diederik van zijn zetel op en sprak: "Mijnheer Van Nieuwland, ik mag hier niet lang meer blijven, derhalve verzoek ik u een weinig geduld om aan uw gelaat de nodige ouderdom te geven. Vrees niet dat iets u schaden zal, en laat mij zonder stoornis begaan."

De ridder plaatste zich op een zetel voor Diederik, en liet het hoofd achterover hellen. Machteld die niet bedenken kon wat dit mocht beduiden, stond met de ogen opgespalkt en vol verwondering nevens hen, zij volgde nieuwsgieriglijk de vinger van Diederik, welke op het aanzicht van Adolf menigvuldige grijze vlekken en zwarte lijnen tekende. Bij elke trek verstomde het meisje meer en meer, want het wezen van de ridder veranderde, en kreeg iets dat haar de gelaatstrekken haars vaders herinnerde. Het hart van de Jonkvrouw klopte onstuimig van dit wonderwerk. Na al de lijnen en vagen wel getekend waren, bevochtigde Diederik de wangen en het voorhoofd van Adolf met een blauwachtig water, en gebood hem op te staan.

"Het is gedaan," sprak hij, "gij gelijkt aan Mijnheer Van Bethune alsof dezelfde vader u beiden had geteeld, en indien ik zelf u zo niet had veranderd, zou ik u met de doorluchtige naam van de Leeuw begroeten; ja, ik ben met eerbied voor uw nieuw gelaat ingenomen, geloof mij."

De jonge Machteld stond sprakeloos en als verdwaald voor Adolf: haar ogen kon zij niet verzadigen, en zij bezag beurtelings de twee ridders, gelijk iemand die naar het raadselwoord van een onverstaanbare gebeurtenis vraagt. Nu geleek Adolf zo nauwkeurig aan Mijnheer Van Bethune, dat zij genegen was te geloven, dat haar vader wezenlijk voor haar stond; zij dorst echter deze twijfel door woorden noch gebaren te kennen geven, want sedert enige uren vreesde zij de liefde van Adolf te zeer.

"Heer Van Nieuwland," sprak Diederik de Vos, "indien gij uw edel voornemen gelukkig wilt volbrengen, is het raadzaam dat wij deze plaats verlaten, en dat gij spoedig vertrekke; zo een vijand of ontrouw dienaar u onder deze gedaante ziet, zijt gij in groot gevaar van uw leven zonder vrucht bloot te stellen."

Adolf begreep de redelijkheid dezer woorden, en staarde met droeve blikken op Machteld.

"Vaarwel o edele Jonkvrouw!" nep hij, terwijl een warme traan op zijn wang rolde, "Vaarwel, en denk soms aan uw dienaar Adolf."

Het is onmogelijk te zeggen hoezeer het meisje bij die woorden ontroerd werd. Wanneer de jonge ridder haar bekendmaakte dat hij naar Bourges zou gaan, om Mijnheer Robrecht in de kerker te vervangen, had zij slechts de schoonste zijde; nu zij zag dat de man welke haar zo lief was, haar op staande voet ging verlaten, beneep haar hart zich met een grievende wanhoop. Zij riep: "Wat betekent dit! Waartoe dit plechtig vaarwel? Zal ik u niet meer zien, Adolf--en wilt gij mij doen sterven? O blijf hier--verlaat mij niet, ik bid u, gij, mijn enige troost, mijn enige vriend op aarde, aanhoor mijn spreken; want zonder u, Adolf, kon ik niet meer leven!"

Welke drift was nu de sterkste in het hart des ridders? De vervoerende blijdschap, welke deze liefdewoorden hem gaven, of de droefheid die hij bij 's meisjes druk gevoelde? Smart en wellust verwisselden zich in hem, en hij werd door diepe aandoening geschokt; nochtans kon dit hem geen ogenblik aan zijn aanloffelijk voornemen onttrekken. Hij knielde nogmaals voor de jonge Gravin en zuchtte: "O Edelvrouw, geloof mij, het pijnt mij evenzeer u te verlaten. Een groter geluk zou mij ten deel vallen, indien ik mijn leven als uw dienaar en knecht in uw bijzijn kon verslijten, maar uw heer Vader mij in de kerker wacht. Vaarwel dan, bedroef u niet in mijn afwezendheid, zij moet u zoveel zoete vreugd toebrengen."

De wezenstrekken der Jonkvrouw veranderden eensklaps van uitdrukking, en zij viel uit: "Mijn dienaar en knecht? Gij, o edele Adolf? Neen...!"

Met opgetogenheid en als uitzinnig wierp zij zich vooruit en liet zich tegen de borst van de Jonker vallen; haar twee armen dan om zijn hals slaande riep zij: "Ga, mijn lieve Adolf, verdien de achting mijns vaders, gelijk gij mijn liefde hebt verdiend.--Ja, dit geheim heeft lang onbekend in mijn hart gewoond; maar nu gij mij verlaat, nu kan ik het niet meer in mijn boezem besloten houden. Hoor Adolf: ja ik bemin u!--Niet als een zuster, met meer kracht, met onrustige drift. Deze bekentenis zij u een beloning, een troost op een eenzame baan, en belette u bij een goed werk te lijden. Dit is het inzicht dat mij mijn plicht zo ver doet vergeten. Gij Diederik, ontvang van mij de last dit geheim aan mijn vader bekend te maken--zeg hem dat ik zijn genade voor dit verbreken met onderwerping tegemoet zie."

"Gij engellijke Jonkvrouw," zuchtte Adolf met doffe stem, "gij overlaadt mij met onuitsprekelijke vreugde. Ik kan dit onverhoopt geluk niet dragen; de krachten ontgaan mij, neen, mijn ziel is niet voldoende voor zulk een innig genot...."

De Jonker leunde bij dit gezegde met de elleboog op de rug van een zetel. Hij was waarlijk zodanig ontroerd dat het leven in hem scheen op te houden. Machteld liet haar handen bevend over zijn wangen gaan, en poogde hem door meer strelingen te versterken. Opeens barstte een vloed van wellusttranen uit de ogen van de gelukkige Adolf, en dan eerst kon hij de tedere Jonkvrouw weder tegen zijn hijgende borst drukken.

Met medelijden en bewondering had Diederik dit toneel van zuivere liefde aanschouwd. Denkende dat het tijd was om een einde aan die driftige uitstortingen te stellen sprak hij: "Mijnheer Van Nieuwland, het dunkt mij dat gij u niet over het lot te beklagen hebt. Hoe zeer het mij pijnt uw geluk te verstoren, moet ik u echter van elkaar scheuren; want daar hoor ik de paarden op de voorhof briesen en met de voeten stampen. De tijd verloopt!"

Machteld ontknoopte de groene sluier die in haar hulsel hing, en gaf dezelve met een minnelijke glimlach aan de Jonker.

"Daar!" sprak zij, "Dit diene u tot gedachtenis dergene die aan u gedurig zal denken. Dit is mijn geliefde kleur."

De ridder ontving dit pand op de ene knie gebogen en bracht het met een dankbare blik aan zijn lippen.

"O Machteld!" riep hij. "Ik heb deze gunsten niet verdiend, maar kome eenmaal het ogenblik dat mijn bloed voor het Huis van Vlaanderen moge stromen,--dan zal ik mij uwer waardig maken, of de dood zal mij het onverdiend geluk ontroven...."

"Mijnheer! Het is tijd, ik bid u, staak uw dankzeggingen," viel Diederik uit.

Hierbij voegde hij een gebaar dat als een onherroepelijk vonnis de gelieven met pijn beving. Zij onderwierpen zich aan het lot: "Vaarwel Machteld."

"Vaarwel, mijn Adolf."

En de ridder ging zuchtend uit de zaal. Op de voorhof gekomen zijnde klom hij en ook Diederik in de zadel;--enige ogenblikken later liepen twee paarden met weergalmende stappen door de eenzame straten der stad, totdat zij onder de Gentpoort verdwenen.

* * * * *

11

_De roovrenbende staet, de hopman roept van buiten Den dwerg die 't slot bewaert; hy doet de poort ontsluiten, De valbrug dalen en de ruitren binnen vliĂȘn.-- Hy die van uit het woud de burcht had mogen zien Wanneer de roovers en de buit er binnen vloden Had zekerlyk gedacht dat een der helsche goden Hem d'eeuwge martelplaets voor d'oogen openreet: Men zag by 't toortslicht niets dan al wat huivren deed; De halfverlichte maen der witbeschuimde paerden, De blinkend helmen by de blikkerende zwaerden, En in het midden van den yzren rooversstoet De zwakke Jonkvrouw die ontrukt is aen haer bloed. Dit somber tafereel dat zich op de bemoschte En gryze muren, by een weiflend licht uitloste, En daer by 't klettren van de ketens, het geknars Der waepnen, het gebriesch der dravers en het warsch Geschal der roepen en der vloeken, maer het meest Een vrouwengil die klonk als in een naer tempeest De scherpe schuifelwind.--Dit mackte dat de geest Te saem door oogen en door ooren werd bevreesd._

JOH. ALF. DE LAET.

In het jaar 1280 had een schrikkelijke brand de oude Hal bij de Markt gans vernield. De houten toren, die dezelve bekroonde, was met alle handvesten der stad Brugge door de vlammen vergaan[68]. Enige zware muren waren echter in het onderste gedeelte van het gebouw ongeschonden blijven staan; en met deze nog enige vertrekken die men soms tot wachthuizen gebruikte.

De Franse krijgsknechten hadden die verlaten kamers der oude Hal tot vergaderplaatsen verkozen, en daar was het dat zij met slempen en tuisen de ledige uren doorbrachten.

Enige tijd na het vertrek van Adolf van Nieuwland bevonden zich acht Franse soldeniers in een der diepstgelegen plaatsen dezer overblijfsels. Een grote lamp van gebakken aarde zond haar gele stralen op de getaande aanzichten der krijgers, en een kronkelende smook klom uit de vlam tegen het welfsel: op de wanden bij de hevige schijn der lamp kon men nog enige geschonden versierselen van Romaanse stichting bemerken; een Vrouwenbeeld zonder handen, en waarvan het aangezicht door de tijd was misvormd, stond in een nis op het einde des vertreks. Vier soldeniers zaten bij een zware houten tafel en speelden driftig met de teerlingen; enige anderen stonden recht bij hun makkers en volgden de kansen met nieuwsgierigheid na. Het was zichtbaar dat deze mannen niet alleenlijk om te dobbelen daar gekomen waren; want de helm blonk op hun hoofden, en brede degens hingen aan hun gordel, alsof zij zich tot de krijg uitgerust hadden.

Een der spelers stond na enige ogenblikken van de tafel op en smeet de teerlingen met spijt van zich.

"Ik wens u allen naar de duivel!" riep hij. "Ik geloof dat die oude Breton de hand niet zuiver heeft, want het zou wonder zijn dat ik niet eens in vijftig maal zou winnen.--Nu verveelt mij het spel; ik schei er uit."

"Hij durft niet meer spelen!" riep de winner met zegepralende scherts. "Wat drommel, Jehan, uw tas is immers niet ledig?--En vlucht gij alzo voor de vijand!"

"Waag het nog eens," sprak een ander, "misschien verandert de kans ditmaal."

De soldenier die men Jehan noemde, bleef lange tijd in twijfel of hij het lot nog eens zou beproefd hebben; eindelijk stak hij de hand tussen zijn wapenhemd en trok een glinsterend juweel eruit. Het was een halssnoer van de fijnste paarlen, en met gouden haken versierd.

"Daar," sprak hij, "ik zet deze paarlen tegen hetgeen gij van mij gewonnen hebt--het schoonste halssnoer dat ooit op de borst ener Vlaamse Vrouw geblonken heeft! Zo ik ditmaal nog verlies, blijft mij geen haar van de buit over."

De Breton nam het juweel in de hand en bezag het nauwkeuriglijk.

"Wel, dit gaat er om," riep hij. "In hoeveel worpen?"

"In twee," antwoordde Jehan. "Werp gij eerst."

Een hoop gouden geldstukken lag op de tafel nevens het kostelijk juweel. Alle ogen vestigden zich met angstige drift op de rollende teerlingen, terwijl de harten der spelers van vrees klopten. Bij de eerste worp scheen het lot zich voor Jehan te verklaren, want hij wierp tien en zijn makker vijf. Terwijl hij de grootste hoop tot het herwinnen van zijn geld gevoelde, zag hij dat de Breton de teerlingen heimlijk aan de mond bracht, en dezelve aan een zijde nat maakte. Innige gramschap en wraakzucht kleurden zijn wangen met hevig rood, nu hij bemerkte dat valse listen de oorzaak zijns verlies waren. Hij geliet zich evenwel alsof hij niets gewaar was geworden, en sprak: "Werp dan, wat aarzelt gij? Bevangt u de vrees?"

"Neen, neen," riep de Breton terwijl hij de teerlingen behendiglijk uit zijn handen liet rollen. "De kans kan verkeren--ziet gij wel, twaalf!"

Hierop wierp Jehan de teerlingen onachtzaam op de tafel. Terwijl hij ditmaal ongelukkiglijk slechts zes kreeg, nam de Breton het juweel met blijde uitroepingen van de tafel en verborg het onder zijn harnas. Jehan wenste hem met geveinsde woorden geluk over zijn winst en scheen om dit verlies niet aangedaan; een bedekte gramschap gloeide in zijn borst en hij kon zich zonder veel moeite niet inhouden. Terwijl de vrolijke winner met een andere makker sprak, fluisterde Jehan iets in het oor dergenen die bij hem stonden, en scheen door zijn blikken de Breton aan hun aandacht te bevelen. Dan riep hij: "Mits gij alles van mij gewonnen hebt, makker, zult gij mij niet weigeren het lot nog eens te wagen. Ik zet het geld dat wij deze avond verdienen moeten, tegen gelijke som.--Doet gij het?"

"Ja zeker, ik wijk nooit!"

Jehan nam de teerlingen en wierp achttien in tweemalen. Terwijl de andere de dobbelstenen van de tafel tot zich haalde en dezelve dan sprekende, zonder inzicht in zijn handen scheen te houden gaven de soldeniers die bij Jehan stonden de grootste acht op hem. Zij zagen duidelijk dat de Breton nogmaals de teerlingen aan zijn lippen bracht en door deze list eens tien en eens twaalf wierp.

"Gij hebt verloren, mijn vriend Jehan!" riep hij.

Een schriklijke vuistslag was het antwoord dat hij op deze roep kreeg; bloed sprong hem uit de mond en een ogenblik bleef hij bedwelmd, want de slag had zijn hersens fel geraakt.

"Gij zijt een schelm--een dief!" schreeuwde Jehan. "Heb ik niet gezien dat gij de dobbelstenen nat maakte en mij aldus valselijk mijn geld hebt afgewonnen? Gij zult mij alles wedergeven of ..."

De Breton gaf hem geen tijd om voort te gaan, maar toog zijn brede degen uit de gordel en kwam, onder ijslijke lasterwoorden, vooruit. Jehan had zich ook tot strijden bereid gemaakt, en zwoer dat hij zich door bloed wreken zou; doch het ging zo ver niet. De twee klingen flikkerden reeds tegen het licht der lamp, en alles scheen een onvermijdelijke bloedstorting te voorspellen, wanneer een ander krijgsman binnen de kamer trad.

De trotse en dwingende blikken, welke hij op de twistenden wierp, deden hem bij de eerste oogopslag voor een overste erkennen. Zodra de soldeniers hem bemerkten, vergingen de vloeken en scheldwoorden op hun mond, en de degens geraakten schielijk aan de gordels. Jehan en de Breton bezagen elkander alsof zij zich tot een andere tijd beriepen, en naderden met de anderen bij de overste die hun aansprak: "Zijt gij klaar, mannen?"

"Wij zijn klaar, Mijnheer De Cressines," was het antwoord. "De grootste stilte!" hernam de overste. "Herinnert u dat het huis waar deze burger ons naar toe leidt, onder de bescherming van onze veldheer De Chatillon staat. De eerste die zijn handen ergens aansteekt, zal het zich bitterlijk berouwen. Men volge mij!"

De burger, welke deze Franse krijgsknechten ten leidsman moest dienen, was geen ander dan meester Brakels, de Leliaard, die uit het weversambacht gebannen was.--Wanneer de soldeniers met hun overste in de straat gekomen waren, ging Brakels stilzwijgend vooruit, en bracht hen door de duisternis tot in de Spaansestraat, bij de deur der woning van Mijnheer Van Nieuwland. Hier schaarden de soldeniers zich langs de muur en lieten geen zucht uit hun borst gaan, opdat men hun tegenwoordigheid niet mocht bemerken.

Meester Brakels deed de hamer der poort zachtjes nedervallen. Na enige ogenblikken kwam een dienstbode in de gang en vroeg met mistrouwen wie zo laat aanklopte.

"Doe ras open," was Brakels antwoord, "ik kom van Meester Deconinck, met een haastige tijding voor Vrouw Machteld van Bethune. Wacht geen ogenblik, want de Jonkvrouw is in groot gevaar."

De dienstbode die ver was van het verraad te vermoeden, trok de grendels weg: zij opende de deur met meer spoed dan zij op een andere tijd hiertoe zou gebruikt hebben. Maar hoe groot was haar verbaasdheid, wanneer acht Franse soldeniers na de Vlaming in de gang kwamen gedrongen. Een luide schreeuw galmde tot in de diepste zalen van het huis, en de dienstbode wilde zich bij de vlucht redden: zij werd door Mijnheer De Cressines hierin verhinderd, en moest stilzwijgend blijven staan.

"Waar is uw Meesteres Machteld van Bethune?" vroeg De Cressines met een koude bedaardheid.

"Het is reeds twee uur geleden dat mijn Vrouw zich ter ruste begaf, en nu slaapt zij," stamelde de verschrikte dienstbode.

"Ga tot haar," hernam de overste, "en zeg haar dat zij zich klede; want op staande voet moet zij dit huis verlaten en met ons gaan. Wees gehoorzaam, het zou mij pijnen het geweld te moeten gebruiken."

De dienstmaagd liep angstig de trap op, en wekte de zuster van Adolf.

"O Vrouw!" was haar uitroeping. "Rijs haastig van uw bedstede; uw woning is vol soldeniers."

"Hemel!" zuchtte Maria. "Wat zegt gij? Soldeniers in onze woning!--Wat eisen zij?"

"Zij willen de Jonkvrouw Van Bethune op het ogenblik van hier voeren. Ik bid u mijn Vrouw, spoed u, want zij slaapt nog--ik schrik dat de soldeniers in haar kamer gaan zullen."

Met een driftige haastigheid, en zonder te antwoorden trok de verbaasde Maria een wijde samaar om haar lenden, en ging met de dienstbode bij Mijnheer De Cressines, die nog in de gang was. Twee knechten van het huis waren op de schreeuw der dienstmaagd toegelopen, en stonden nu mistroostig tussen de Franse soldeniers; men had hen gevat en vastgehouden.

"Mijnheer," vroeg Maria aan de overste, "gelieft het u, mij te zeggen waarom gij aldus des nachts in mijn woning komt?"

"Jawel, mijn edele Dame," was het antwoord, "het is een bevel van de Landvoogd. De Jonkvrouw Machteld van Bethune, die hier woont, moet ons op staande voet volgen. Vrees voor haar geen kwade behandelingen: ik geef u mijn trouw dat ik niet lijden zal dat een woord haar hone."

"O Mijnheer," riep Maria, "wist gij wat lot gij die rampzalige Jonkvrouw bereidt, gij zoudt van hier gaan; want ik hoor dat gij een eerlijk ridder zijt."

"Gij hebt het wel gezegd, Mevrouw, zulke ondernemingen behagen mij geenszins; maar het gebod van mijn Veldheer zal ik stiptelijk volbrengen. Het gelieve u derhalve, de Jonkvrouw Machteld in onze handen over te leveren;--wij kunnen niet langer wachten, spaar mij onaangename woorden."

Maria zag wel dat niets deze slag kon afwenden, ook verborg zij haar innige droefheid voor de vreemde krijgslieden, en weende niet. Met een zichtbare gramschap stuurde zij haar ogen op de Vlaming, die in een hoek van de gang stond, en scheen hem zijn verraad door haar blikken te verwijten. Meester Brakels was niet stout genoeg om de toornige Jonkvrouw in de ogen te zien. Hij beefde, want nu voorzag hij de wraak die hem zou vervolgen, en stapte enige treden achteruit alsof hij ter deure zocht uit te gaan.

"Men bewake die Vlaming!" riep De Cressines tot zijn mannen.

"Belet hem te vertrekken; want wie, als hij, zijn vrienden verraadt, is tot alles bekwaam."

Meester Brakels werd bij de arm gevat en met geweld te midden der soldeniers gebracht. Het woord verrader was de naam die zij hem gaven, en de verachting dergenen, welke hij gediend had, was zijn loon.

Maria verliet de gang en trad met benepen hart in de slaapkamer der jonge Machteld; zij bleef als verslagen voor de bedstede staan en bezag de ongelukkige maagd die zo zachtjes scheen te slapen. Alhoewel zij nu zo beweegloos lag, was het echter zichtbaar dat zij zich in haar slaap verroerd had, want de strik van haar lange haren was losgegaan, en nu lagen de blonde lokken met zachte en strelende golving boven het deksel. Een glinsterende parel blonk onder ieder ooglid, en de hijgingen der maagd waren lastig en brandend. Opeens trok zij haar hand onder uit het deksel en dreef dezelve met angstige gebaren voor haar bedstede, alsof zij iets, dat haar zeer bedroefde, wilde verjagen. Onverstaanbare zuchten mengden zich in haar mond met de naam van Adolf, en zij herhaalde deze menigmaal gelijk iemand die om hulp smeekt.

Tranen sprongen uit de ogen van Maria; want dit gezicht ging haar diep in het hart: haar medelijden vergrootte bij het aandenken der smarten welke de jonge Edelvrouw nog moesten grieven. Hoe pijnlijk het haar ook was dit rampzalig nieuws aan haar vriendin te brengen, mocht zij echter niet aarzelen; de tijd was kostelijk. Alle ogenblikken konden de soldeniers in de kamer komen,--en wat schande, wat pijn, ware dit niet voor de edele Machteld geweest! Door dit gedacht gedreven, nam Maria de hand harer vriendin en wekte haar met de woorden:

"Mijn lieve Jonkvrouw, word wakker, ik heb u iets haastigs te zeggen."

De aanraking van Maria had het meisje hevig verschrikt; zij opende de ogen zeer wijd, en beefde terwijl zij haar vriendin met twijfel aanzag.

"Zijt gij het wel, Maria, die mij aldus aanspreekt?" vroeg zij terwijl zij de handen over haar vochtige wimpers dreef. "Wat brengt u toch zo ontijdig bij mij?"

"O rampzalige vriendin," barstte Maria wenende uit, "rijs op, dat ik u klede.--O rijs met haast, een groot ongeluk wacht u."