De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 12

Chapter 12 4,037 words Public domain Markdown

Na de stad Brugge zich gans in de macht der Fransen had overgegeven, begon De Chatillon ernstig aan de begeerte der Koningin te denken; zij had hem geboden de jonge Machteld van Bethune naar Frankrijk te doen overvoeren. Alhoewel het scheen dat niets hem in het volbrengen van dit bevel kon hinderen, mits zijn krijgsknechten de stad vervulden, werd hij echter nog door een staatkundig inzicht wederhouden. Hij wilde eerst zijn macht in Brugge bevestigen, de ambachten verslappen, een kasteel bouwen[66], en dan zou hij de dochter van de Leeuw van Vlaanderen gevangen nemen en der Koningin overleveren.

Adolf van Nieuwland was bij de intrede der Fransen met de grootste vrees bevangen geweest, want hij zag Machteld nu zonder tegenweer aan haar vijanden blootgesteld. Het dagelijks bezoek en de onophoudende wacht van Deconinck, konden hem in den eerste niet verzekeren; maar wanneer hij na enige weken nog niet door de Fransen ontrust was, begon hij te denken dat zij de Jonkvrouw van Bethune vergeten hadden en niets tegen haar wilden ondernemen. Zijn sterke lichaamsgesteltenis en de kundige zorgen van Meester Rogaert hadden zijn wonde geheel genezen, en hij kreeg kleur en leven weder; maar een diepere wonde bleef hem in het hart, en deze baarde hem onuitsprekelijke pijnen. De innige liefde, welke hij voor Machteld gevoelde, vervulde steeds meer en meer zijn boezem, en de rust werd hem gans benomen. De ongelukkige ridder zag het meisje, dat hij zo heiliglijk beminde, alle dag bleker worden: mager en krank als een verzengde bloem, kwijnde Machteld door droeve gedachten gefolterd.--En hij, die aan haar edelmoedige bewaking het leven verschuldigd was, hij kon ze niet helpen, niet troosten! Zijn woorden, hoe zoet ook, waren zonder indruk op de rampzalige Jonkvrouw, die gedurig om haar vader zuchtte en weende. Geen enkel bericht was haar nog van haar gevangen bloedverwanten toegekomen, en zij was als voor eeuwig van haar dierbaar huisgezin gescheiden.

Niettegenstaande de zwarte dromen van rampspoed en treurnis, welke haar steeds omringden, gloeide de vlam der liefde heimlijk in haar. In het afwezen van Adolf kwam soms een vluchtende glimlach haar bleek gelaat verlichten, en dan zweefde de beeltenis van de jonge ridder voor haar ogen;--dan vond zij nog enige troost in het zoete gevoel der min, en koesterde dit heilzaam vuur totdat een bitter aandenken de glimlach deed verdwijnen.

Adolf beminde in stilte, en dorst zelfs niet denken dat Machteld hem eens zou liefhebben, hij kende zijn plichten te zeer om zulks te hopen; daarom deed hij geen poging om die drift te verdoven. Hij bedekte het vuur dat hem brandde onder de vorm ener eerbiedige hulde, en dacht dat Machteld zijn zorg slechts als een bewijs van dankbaarheid zou ontvangen hebben.

Weinig weken na zijn volmaakte genezing verwijderde hij zich met langzame stappen van de stad, en wandelde mijmerend bij Zevekote[67] door de enge paden der velden. De zon stond zeer laag op de kim, en het westen kleurde zich reeds met gloeiende verven. Het hoofd gebogen en vol bitter aandenken ging Adolf in de baan voort, zonder op zijn voetstappen te letten. Een droeve traan glimde onder zijn ooglid, en van tijd tot tijd kwam een zucht uit zijn borst. Op duizenderlei wijzen spande hij zijn geest in om enige verzachting in het lot der jonge Machteld te kunnen brengen, en iedermaal werd zijn wanhoop groter, want niets vond hij dat haar mocht troosten. Hij zag haar alle dagen wenen, hij zag haar kwijnend versterven, en met de armen toegevouwen moest hij, als een radeloze, die treurnis aanzien. Voor een moedig ridder als hij, was die onmacht pijnlijk, en soms knarste hij met inwendige bitsigheid de tanden te samen--maar wat kon dit helpen? Er bleef hem niets over, dan een smartvolle traan over zijn geliefde te storten en van betere dagen te dromen.

Wanneer hij reeds ver van de stad was en dat hij, door somber wee vervuld, onder zijn droeve gedachten was vermoeid, liet hij zich onachtzaam ten gronde gaan en zette zich bij de boord der baan neder. Met de ogen ter aarde gewend, ging hij in zijn treurige bedenking voort. Terwijl hij dus gebogen zat, kwam nog ver van daar een ander mens aangestapt.

Een bruine wollen monnikskolder met een wijde kap, die op de rug neerviel, was zijn kleedsel, een grijze baard daalde tot op zijn borst, en zijn zwarte glinsterende ogen waren onder zware wenkbrauwen gezonken; bruin was zijn benig gelaat en diepe rimpels lagen op zijn voorhoofd. Met lastige stappen en als een afgematte reiziger, naderde de monnik allengskens de plaats waar Adolf gezeten was, en bleef plotseling voor hem staan. Een uitdrukking van hevige blijdschap liep over zijn gelaat, en het was bij dezelve te denken dat hij Adolf kende. Zijn aanzicht werd echter opnieuw ernstig en koel alsof hij veinzen wilde.

Adolf, die nu eerst de tegenwoordigheid van de monnik gewaar werd, stond op en groette hem met hoofse woorden. Zijn stem had nog de treurige toon, die hij uit zijn mijmering geput had, en hij deed zich geweld aan om te spreken.

"Mijnheer," antwoordde de monnik, "een verre reis heeft mij afgemat, de aangenaamheid der plaats die gij verkozen hebt, nodigt mij ook tot rusten. Ik bid u, laat mij u niet storen."

Hij plaatste zich op het gras, en wees met zijn vinger dat hij hetzelfde van Adolf eiste. Deze door eerbied of lust gedreven, hernam zijn vorige plaats, en bevond zich alzo nevens de vreemdeling, Hij was bij de klank zijner stem zeer ontroerd: het scheen hem dat hij dezelve nog meermalen gehoord had, doch niet kunnende bedenken waar hij deze Priester mocht gezien hebben, joeg hij die gissing als vals uit zijn geest.

Na een korte poos, gedurende dewelke de monnik de jonge ridder met doordringende ogen bezag, vroeg hij: "Mijnheer, het is al een ruime tijd geleden dat ik Vlaanderen verlaten heb; het zou mij aangenaam zijn uit uw mond te weten hoe het in onze stad Brugge al gaat. Dat mijn stoutheid u niet hone."

"O neen, Vader," antwoordde Adolf die zich van geen bedrog mistrouwde, "het zal mij een geluk zijn u te verplichten.--In onze stad Brugge gaat het slecht--de Fransen zijn er meester!"

"Dit schijnt u niet te bevallen, Mijnheer? Ik had nochtans vernomen dat de meeste Edelen hun wettige Graaf verloochend hebben en de vreemde met liefde hebben ontvangen."

"Eilaas! Dit is maar al te waar, o Vader. De ongelukkige Graaf Gwyde is door velen zijner onderdanen verlaten, en nog meer zijn er die hun oude roem vergeten--maar het Vlaamse bloed is niet in aller aderen verbasterd; er zijn nog harten die de vreemdelingen vijandig zijn."

Bij deze woorden liep een zichtbaar genoegen over de wezenstrekken van de monnik. Indien Adolf wat meer mensenkennis gehad had, zou hij bespeurd hebben dat de spraak van de reizende geestelijke gewrongen en gemaakt was, en dat er iets geveinsds op zijn gelaat zweefde. De monnik antwoordde: "Uw gevoelens, Mijnheer, zijn loffelijk en verdienen u mijn achting. Het is mij een ware vreugd nog een edelmoedig mens, in wie alle liefde voor de rampzalige Landheer Gwyde niet vergaan is, aan te treffen. God lone u om uw getrouwigheid."

"O Vader," riep Adolf, "zo het u veroorloofd ware, de grond mijns harten te zien:--indien gij de liefde die ik mijn Meester, de ongelukkige Gwyde, en zijn huisgezin heb toegewijd, konde kennen!--Ik zweer u, o Priester, dat het gelukkigste ogenblik mijns levens, dit zijn zou, op hetwelk ik mijn bloed tot de laatste druppel, voor hen mocht verliezen."

De monnik kende het mensenhart genoeg, om te bespeuren dat de woorden van de jonge ridder niet geveinsd waren, en dat hij de gevangen Gwyde de innigste liefde toedroeg. Na een korte wijl zich bedacht te hebben hernam hij: "Zo ik u de gelegenheid gaf, om de eed die gij zo-even deedt te volbrengen, zoudt gij dan niet achteruit zien, en zoudt gij als een Man alle gevaren trotsen?"

"Ik bid u, o Vader," riep Adolf smekend, "ik bid u, twijfel niet aan mijn trouw--ook niet aan mijn moed! Spreek ras, want uw stilzwijgen pijnigt mij."

"Luister dan met bedaardheid. Om ontvangen weldaden, ben ik aan het Huis van Gwyde van Vlaanderen de grootste dankbaarheid verschuldigd; het gevoel van erkentenis en liefde, dat ik altijd voor mijn genadige Vorst gekoesterd heb deed mij besluiten hun in deze rampspoed behulpzaam te zijn. Met dit voornemen verliet ik mijn klooster en begaf mij naar Frankrijk.

Daar heb ik door gebeden, door geld of onder voorwendsel van mijn priesterschap, al de edele gevangenen mogen bezoeken; ik heb de vader de woorden zijns zoons overgebracht, en de zoon zijns vaders zegen gedragen. In de kerker van het Louvre heb ik met de arme Philippa gezucht en geweend. Aldus heb ik hun pijnen verzacht, en de afstand die hen scheidt ogenblikkelijk verkort. Ik heb gehele nachten met reizen doorgebracht, en mijn voeten tot bloedens toe gewond: dikwijls werd ik afgedreven, gehoond en bespot; maar dit was mij niets bij het geluk van mijn wettige Vorsten in hun rampen te dienen. Een dankbare traan, welke mijn aankomst over hun wangen deed rollen, was mij een beloning, die ik tegen al het goud der wereld niet zou verruild hebben."

"Zij gebenedijd, o edelmoedig Priester," riep Adolf, "u wacht een zalig leven! Maar, ik bid u hoe vaart Mijnheer Van Bethune?"

"Laat mij voortgaan, ik zal u wat langer over hem spreken. Hij zit in een duistere toren, te Bourges in het Land van Berry.

Ongelukkiger kon zijn lot wel zijn, want hij is van band en keten vrij. De Kastelein die hem moet bewaren, is een oude krijgsman die zich in de oorlog van Sicilië ridderlijk heeft gedragen, en onder de banier van de zwarte Leeuw heeft gevochten. Ook is hij Mijnheer Robrecht veeleer een vriend dan een bewaarder."

Adolf luisterde met de grootste nieuwsgierigheid: menigmaal kwamen woorden van blijdschap op zijn lippen doch hij weerhield zich. De monnik ging voort: "Zijn gevangenis zou dus geen onlijdelijk verblijf voor hem wezen, indien zijn hart hem niet elders voerde; maar hij is vader en alle droeve vooruitzichten martelen zijn hart. Zijn dochter is in Vlaanderen gebleven, en hij vreest Johanna, de nijdige en wrede Koningin van Navarra, die zijn kind ook zal vervolgen, en misschien ten grave leiden. Dit smartvol gedacht foltert de tedere vader, en zijn gevangenis wordt hem ondragelijk: de bitterste wanhoop vervult zijn ziel, en de dagen zijns levens zijn pijnlijker dan de dagen ener gedoemde ziel."

Adolf wilde zijn medelijden door woorden te kennen geven en zou gewis van Machteld gesproken hebben, maar een dwingend teken van de monnik doofde de stem op zijn lippen.

"Overweeg nu," hernam deze met plechtige toon, "of gij uw leven waarlijk voor de Leeuw, uw heer, durft wagen. De Kastelein van Bourges wil hem op zijn erewoord, voor enige tijd in vrijheid stellen; maar een trouwe en liefderijke onderdaan, moet zich in zijn plaats laten kerkeren."

De jonge ridder viel op zijn beide knieën voor de Priester en kuste wenend zijn handen.

"O zalig uur!" riep hij. "Zal ik Machteld deze troost verwerven.--Zal zij haar vader zien, o God! En zal ik die heilige zending volbrengen? Hoe blij klopt mij het hart! De gelukkigste mens op aarde zit voor uw voeten, o Priester. Wist gij, wat heilvol ogenblik--wat zuivere vreugd uw woorden mij doen smaken. Ja, ik zal de keten als een kostelijk halssnoer, met dankbaarheid ontvangen. Geen goud mag mij zozeer als het ijzer der boeien behagen.--O Machteld, Machteld! De wind drage u het heuglijk nieuws."

De monnik liet de opgetogenheid van de ridder voorbijgaan, en stond op; Adolf stapte na hem in de baan en zij gingen beide langzaam naar de stad.

"Mijnheer," hernam de Priester, "uw edele gevoelens verwonderen mij met rede: ik twijfel geenszins aan uw moed--maar hebt gij wel overwogen, in welk gevaar gij u gaat stellen? Zodra de list ontdekt wordt, zult gij uw liefde met de dood boeten."

"Een Vlaamse ridder vreest de dood niet," antwoordde Adolf, "niets kan mij wederhouden. Indien gij wist dat ik sedert zes maanden, nacht en dag, mijn inbeelding folter om te vinden hoe mijn leven voor het Huis van Vlaanderen te wagen, dan zoudt gij mij niet van gevaar en vrees spreken. Nog op het ogenblik dat ik daar even, mistroostig bij de baan zat, vroeg ik hiertoe de ingeving des Heren, en gij, o Priester, zijt zijn tolk geweest."

"Het is nodig dat wij deze nacht vertrekken, opdat dit geheim niet ontdekt worde!"

"Hoe eer hoe liever want mijn gedachten zijn reeds te Bourges bij de Leeuw van Vlaanderen, mijn heer en Vorst."

"Gij zijt zo jong, heer ridder, uw gelaatstrekken gelijken wel naar die van Mijnheer Robrecht, maar het verschil van jaren is te groot. Dit kan ons echter geen beletsel zijn, want mijn kunst zal u de ouderdom die u ontbreekt, in weinig ogenblikken geven."

"Wat wil dit zeggen, Vader, kunt gij mij ouder maken dan ik ben?"

"Ho neen! Maar ik kan uw gelaat zodanig veranderen dat gij uzelf niet meer herkennen zoudt. Hiertoe gebruik ik kruiden welkers krachten mij bekend zijn: denk niet, dat ik mij van enig goddeloos geheim bedien. Maar, Mijnheer, nu wij de stad Brugge zo nabij zijn, zoudt gij mij kunnen zeggen waar een zekere Adolf van Nieuwland woont?"

"Adolf van Nieuwland?" riep de ridder. "Hij is degene die u verzelt, ik ben het!"

De verwondering van de Priester scheen groot; hij bleef in de baan staan en bezag de Jonker met een geveinsde verbaasdheid.

"Hoe, gij zijt Adolf van Nieuwland, dan is Machteld van Bethune in uw woning?"

"Die eer is mijn Huis ten lot gevallen," antwoordde Adolf, "Uw komst, Vader, zal haar grotelijks verblijden: de troost die gij haar brengt, komt spade, want zij treurt en kwijnt alsof zij sterven wilde."

"Hier is een brief van haar vader, die gij haar geven moogt; want ik hoor wel dat het u een vreugde zijn zal haar smart hierdoor te verlichten."

Hierbij haalde hij een perkament, hetwelk met een zijden draad en een zegel gesloten was, uit zijn onderkleed en gaf het de ridder. Deze bezag het stilzwijgend en met de grootste opgetogenheid. Zijn gedachten voerden hem reeds voor Machteld, en hij smaakte op voorhand de vreugd die hij uit de blijdschap der Jonkvrouw moest putten. Nu was de gang van de monnik hem te langzaam, en hij was altijd een stap vooruit, zozeer dreef hem het ongeduld.

Wanneer zij in de stad en bij de woning van Adolf waren, bezag de Priester de bijliggende gebouwen alsof hij dezelve wilde herkennen en sprak:

"Mijnheer Van Nieuwland, ik wens u vaarwel. Deze avond zal ik wederkomen--misschien wat laat. Doet intussen uw uitrusting klaar maken."

"Zult gij met mij niet tot de Jonkvrouw gaan? Gij zijt zo vermoeid. Laat mij u de rust met alles wat mijn woning bevat, aanbieden--ik bid u."

"Ik dank u, Mijnheer, mijn plichten als Priester roepen mij elders. Te tien uur zal ik u wederzien.--God hebbe u onder zijn hoede!"

Bij deze groet verliet hij de verwonderde ridder, en ging tot in de Wolstraat, alwaar hij in het huis van Deconinck verdween.

Opgetogen van vreugd over dit onverwacht geluk, dat hem als een gulden droom was toegekomen, klopte Adolf met het grootste ongeduld aan zijn deur. De brief van Mijnheer Van Bethune was gloeiend in zijn handen; en wanneer de dienstbode hem opende, liep hij als een zinneloze in de gang.

"Waar is Machteld, waar is de Jonkvrouw Machteld?" vroeg hij op een toon, die een spoedig antwoord gebood.

"Op de zaal tegen de straat," riep de dienstbode.

De ridder vloog op de trappen en stiet de deur der zaal met onstuimigheid open.

"O Edelvrouw! Machteld!" riep hij. "Droog uw tranen. Laat de zuiverste vreugd uw hart vervullen! Onze rampen zijn gedaan!"

De jonge Gravin zat, bij het inkomen van Adolf, aan het venster mistroostig te zuchten; zij bezag de vervoerde Jonker met een zonderling gelaat, waarop twijfel en ongeloof te lezen waren.

"Wat zegt gij!" riep zij eindelijk, terwijl zij opstaande haar valk haastiglijk op de stoel plaatste. "Onze rampen zijn gedaan?"

"Ja mijn edele Jonkvrouw, een beter lot wacht u. Hier is een zalig schrift.--Zeggen de jagingen uwes harten niet welke dierbare hand ..."

Eer hij deze spreuk kon eindigen, sprong Machteld met hijgende boezem en als uitzinnig naar het schrift, en rukte het uit zijn handen. Een ongemeen vuur had haar wangen met rood gekleurd, en tranen van blijdschap barstten uit haar ogen. Zij scheurde het graaflijke zegel en de zijden draadjes van de brief en las hem driemaal eer zij er iets scheen van te verstaan;--zij verstond hem maar al te wel, de rampzalige maagd! Haar tranen hielden niet op, maar de oorzaak derzelve veranderde; want nu was het geen vreugde meer, maar bitter wee dat het smartwater uit haar ogen dreef.

"Mijnheer Adolf," riep zij met pijnlijke toon, "uw vreugde verscheurt mijn hart. Onze rampen zijn gedaan, zegt gij? Daar ... lees, en ween met mij over mijn ongelukkige vader."

De ridder nam het schrift uit de handen van Machteld, en liet het hoofd bij de lezing op de borst nederzinken. Hij dacht in den eerste, dat de Priester hem had bedrogen en tot bode van een schrikkelijk nieuws gebruikt had, maar wanneer hij de inhoud gans kende, verging dit vermoeden; hij bleef enige ogenblikken aan zijn onvoorzichtige uitroeping denken, en sprak niet. Machteld werd voor hem met medelijden ingenomen; de blijdschap, om de ontvangen boodschap door hem getoond, was een sprekend bewijs zijner liefde tot haar, en zij had zich hierover geenszins bedrogen. Nu zij hem zo treurig op het schrift zag staren, verweet zij zich innerlijk de spijtige woorden, die zij hem had toegestuurd. Zij naderde de peinzende Jonker, en sprak met een glimlach door haar tranen: "Vergeef mij, Mijnheer Adolf, bedroef u niet. Denk niet dat ik op u gestoord ben omdat gij mij te veel heil hebt voorspeld. Ik ken de vurige wensen, die gij voor het geluk ener arme Jonkvrouw vormt. Geloof, o Adolf, dat mijn hart niet koud blijft bij uw edelmoedige opoffering."

De ridder liet op dit gezegde de brief uit zijn handen vallen, en zijn gelaat kreeg een heldere uitdrukking van opgetogenheid en blijdschap.

"O edele Machteld," riep hij, "gewaardigt gij uw dienaar Adolf met zulke zoete woorden te belonen? Ho, ik smaak reeds het geluk dat mij wacht. Neen mijn vreugd is niet over: de inhoud van de brief kende ik, maar daarin was het niet dat ik mij verblijdde. Droog uw tranen, Jonkvrouw; ik herhaal het, treur niet meer, want gij zult eerlang op de borst uws vaders kunnen rusten."

"O heil," zuchtte Machteld, "zou dit waar zijn?--Zou ik mijn vader zien en spreken? Maar waarom pijnigt gij mij, Mijnheer, waarom verklaart gij mij dit raadsel niet? O spreek, opdat de twijfel uit mij verdwijne."

Een licht misnoegen verduisterde de heldere gelaatstrekken van de Jonker. Hij zou zo graag aan Machteld de gevraagde verklaring gegeven hebben, maar zijn edele ziel kon haar eigen verdiensten niet aan de dag brengen; hij antwoordde op een toon die zijn droefheid hierover te kennen gaf: "Ik smeek u, doorluchtige Jonkvrouw, neem mijn stilzwijgen niet ten kwade. Wees verzekerd dat gij uw heer Vader zien zult, en dat hij zijn dierbare dochter op vaderlandse grond zal mogen spreken en omhelzen; maar het is mij niet geoorloofd u iets meer te zeggen."

De jonge Gravin liet zich hierdoor niet vergenoegen. Twee gevoelens dreven haar tot het ontdekken van het raadsel: de vrouwelijke nieuwsgierigheid en de twijfel die haar nog overbleef; een zichtbare spijt trok haar roosvervige lippen te samen en zij sprak: "Mijnheer Adolf, och zeg mij de zaak die gij verbergen wilt.--Denk niet dat ik onbezonnen genoeg zijn zou, om het ter mijner schade te ontdekken."

"O jonkvrouw, ik mag--ik kan niet."

"Het zou mij zo verblijden, Mijnheer Adolf. Nu geloof ik uw woorden niet: gij berooft mij van de vreugde welke ik moest smaken.--Zeg het mij toch."

"Ik bid u om verschoning, Edelvrouw, ik kan het niet doen."

De nieuwsgierigheid van Machteld groeide meer en meer bij de woorden van de ridder; zij vroeg hem nog meermalen naar het geheim, doch alles was vruchteloos. Eindelijk kwam ongeduld haar vervoeren, en zij sprak met die strelende grammoed, die zo toverend op het hart der mannen werkt: "Ik dacht dat gij mij meer beminde, Mijnheer Van Nieuwland!"

Adolf verbaasde zozeer dat zijn adem gans ophield.

"Dat ik haar meer beminde?" was zijn zucht.

"Gij plaagt mij," ging Machteld voort, "en gij blijft onverbiddelijk voor mijn smeken. Hoe machtig zijt gij toch tegen het gebed ener zwakke vrouw! Adolf! Adolf! Ik had meer genegenheid van u te verwachten."

Adolf stond verslagen voor haar en antwoordde niet. Dan veranderde zij van toon en ging voort: "Mijn vriend, verdrijf toch mijn twijfel.--Ik zal u zo dankbaar zijn."

De Jonkvrouw had bij deze woorden zulke smekende houding, dat Adolf het niet langer kon uithouden. Hij besloot haar alles te zeggen, wat de bekentenis zijner opoffering hem ook moest kosten. Machteld bespeurde haar overwinning op zijn aangezicht en kwam met een minnelijke glimlach bij hem, terwijl hij dus tot haar sprak: "Luister, Machteld, hoe wonderlijk ik de brief en de kennis van dit gelukkig nieuws verkregen heb. Ik zat bij Zevekote, in diepe mijmering verzonken, en bad vuriglijk om de genade des Heren over mijn ongelukkige Landheer te roepen. Maar hoe groot was mijn verwondering, wanneer ik het hoofd opheffende een Priester voor mij zag staan. Ogenblikkelijk dacht ik dat mijn gebed verhoord was, en dat mij door deze mens enige troost moest toekomen;--het was ook zo, Edelvrouw, want door zijn hand ontving ik de brief en uit zijn mond vernam ik de zalige tijding. Uw vader mag zijn gevangenis voor enige dagen verlaten, maar een ander ridder moet de keten voor hem aannemen."

"Ho blijdschap!" viel Machteld uit. "Ik zal hem zien en spreken! O mijn vader--mijn dierbare vader, hoe hijgt mijn hart naar uw zoenen. Adolf, gij vervoert mij van vreugd, uw woorden zijn zo zoet, mijn vriend! Maar wie zal de plaats van mijn heer Vader nemen willen?"

"Die man is gevonden," was des ridders antwoord.

"De zegen des Heren dale over hem," riep de Jonkvrouw, "hoe edelmoedig is hij die mijn vader aldus wil verlossen, en mij het leven wedergeeft. O die mens zal ik altijd beminnen en danken; want hij verdient nog meer."

De ridder luisterde met het innigst genoegen op de blijde uitroepingen der Jonkvrouw. Zij wist niet dat degeen, die haar vader wilde verlossen voor haar stond, en zijn beloning reeds genoot. Nadat de uitdrukking harer dankbaarheid allengskens in zachtere spreuken was geëindigd vroeg zij: "Maar wie is toch die edelmoedige ridder?"

Adolf boog zijn ene knie voor de Jonkvrouw en riep met vurige drift: "Wie anders dan uw dienaar Adolf, o edele dochter van de Leeuw, mijn heer?"

Machteld had zich, op het ogenblik dat de ridder voor haar knielde, grotelijks verschrikt; hevig schaamrood had haar hoofd gekleurd, maar zodra zij zijn opoffering verstond, verging dit gevoel om haar hart met liefde en dankbaarheid te laten vervullen; zij vatte de hand van de Jonker en hem minnelijk van de grond heffende sprak zij: "Adolf, mijn dierbare Adolf, hoe kan ik u dit betalen? Wat vraagt gij van Machteld om zulke liefde en zulke trouw te vergoeden?"

"Uw woorden, o Machteld," riep hij, "maken mij reeds zo gelukkig, dat geen wens meer overblijft."

Terwijl aanzag de Jonkvrouw hem met stijve blikken; en zij bewonderde de grootheid van degene die zij zo teder beminde.

Zij bracht zijn hand met de hevigste aandoening aan haar ogen, en twee tranen vielen warm en glinsterend op de vingers van de bevende Jonker.

Het zou moeilijk zijn de vervoerende blijdschap van Adolf te beschrijven. Hij scheen eer een zinneloos dan een redelijk mens: onstuimig waren zijn bewegingen, onbekende woorden ontvielen zijn mond en hij vergat zich zo ver dat hij zijn lippen op de hand van Machteld dorst plaatsen. Alsof hij, door deze eerste plichtschennis, stouter ware geworden, verlengde hij zijn zoen en liet de hand der Jonkvrouw niet los dan op het ogenblik dat hij de huisdeur hoorde opendoen.