De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen
Part 11
Weldra hief de krijgsbazuin haar vervoerende klanken aan, en de paarden vlogen met hun ruiters tegen de nog in de Vlaamsestraat benepen burgers. De gevelde speren der Leliaards ontmoetten de Goedendags der wevers die beweegloos de schok afwachtten. Hoe groot ook de moed en de behendigheid der ambachtslieden was, konden zij echter uit oorzaak hunner slechte standplaats, het geweld van die felle aanval niet wederstaan. Vijf uit het eerste gelid vielen dood of gewond ter aarde, en gaven hierdoor aan de ruiters het middel om de slagorde te breken; drie scharen weken achteruit en de Leliaards, die zich reeds meester van het slagveld gisten, hieven de schreeuw: "Montjoie St.-Denis! Frankrijk! Frankrijk!" in zegepralende galmen aan. Zij staken en hakten links en rechts op de wevers, en bezaaiden de plaats waar zij stonden met de lijken der burgers. Deconinck, die vooraan was, weerde zich dapper met een lange Goedendag en belette voor enige tijd de verstrooiing der eerste gelederen. Dezen hadden alleen de ganse macht der Fransgezinden te bevechten; want mits zij in de straten gesloten waren, konden de achterste gelederen niet in de strijd komen. De woorden en voorbeelden van de Deken bezwoeren het lot niet lang: de Leliaards vielen met nieuwe kracht tegen zijn voorste benden, en dreven dezelve verward op elkander.
Dit was zo spoedig voorgevallen dat er reeds veel gesneuveld waren eer Jan Breydel, die met zijn ambacht in het diepe der straat stond, het gevecht kon bemerken. Een beweging, op bevel van Deconinck uitgevoerd, deed de gelederen opengaan, en stelde hem de toestand en het gevaar der wevers voor ogen. Hij brulde enige onverstaanbare woorden met hese stem, en zich tot zijn mannen kerende riep hij: "Vooruit, Macecliers! Vooruit!"
Als razend vloog hij dwars door de wevers heen en liep met al zijn mannen tegen de ruiters op. De eerste slag zijner bijl ging door de neusplaat en het hoofd van een paard, en zijn tweede slag velde de ruiter voor zijn voeten: in een ogenblik trapte hij op vier lijken, en ging verwoed in het strijden voort; wanneer hij zelf een geringe wonde aan de linkerarm kreeg.
Het zien van zijn eigen bloed maakte hem uitzinnig: schuim kwam op zijn mond, en de ridder, die hem gewond had, met een vluchtige blik aanziende, wierp hij zijn bijl weg; zich dan onder de speer van zijn vijand bukkende sprong hij met razende furie tegen het paard op en klampte zich vast aan het lichaam van de Leliaard. Hoe sterk deze ook in de zadel zat, moest hij echter voor het geweld van de dolle Breydel zwichten, en viel, uit de zadel gerukt, op de grond. Terwijl de Deken der beenhouwers bezig was met zijn wraak op hem te verzadigen, waren zijn makkers en de overige ambachtslieden tegelijk op de schaar der Fransgezinden gevallen, en hadden er veel onder de voet gehaald. Mits de strijdenden lang op dezelfde plaats bleven vechten, waren de lijken van mensen en paarden dicht gezaaid, en stromen bloeds verfden de straat met donkerrood.
Nu kon niets meer het geweld der ambachten tegenstand bieden; want daar de Leliaards achteruit geweken waren, hadden hun vijanden al vechtende zich op de Markt kunnen uitspreiden. Het was zichtbaar dat zij al de ruiters in een kring zochten te vangen, en in dit inzicht hun rechtervleugel tot tegen de Eiermarkt deden strekken. Weldra draaiden de overwonnen ridders hun paarden om, en vluchtten snellijk om het doodsgevaar te ontkomen. De wevers en beenhouwers liepen hen met zegepralend geschreeuw na, doch konden hen met meer achterhalen, dewijl zij op al te goede paarden gezeten waren.
Bij de klank der bazuinen en het gerucht van de strijd was de gehele stad in rep en roer geraakt, alles was weldra te been.
Duizenden gewapende burgers kwamen uit alle straten toegelopen om hun broederen te helpen; doch de zege was reeds bevochten. De Leliaards op de Burcht gevlucht zijnde, werd deze plaats ten allen kanten door de ambachtsgezellen omsingeld en bewaard.
Terwijl dit bij de Markt aldus gebeurde, berende de Landvoogd De Chatillon de oproerige stad met vijfhonderd Franse ruiters. Hij had wel voorzien dat de Bruggelingen, volgens hun oude gewoonte, de poorten zouden gesloten hebben, en had zich derhalve ook tot het verijdelen van die hinderpaal bereid gemaakt. Zijn broeder, Guy de St.-Pol, moest hem een talrijk voetvolk en de nodige werktuigen tot de bestorming aanbrengen. In afwachting dezer hulp vormde hij reeds het ontwerp der stormloping, en bespiedde de zwakste zijde der stad.
Alhoewel hij slechts weinig volk op de wallen zag, vond hij het evenwel niet raadzaam met ruiters alleen iets te ondernemen, want hij wist wat een ontembaar volk in Brugge woonde. Een halfuur na zijn aankomst verscheen de stoet van De St.-Pol in de verte: de punten der speren en de helmbijlen blonken in het verschiet tegen de eerste stralen der zon, en een ondoordringbaar stof bedekte de paarden die de werktuigen in de baan voorttrokken.
De weinige Bruggelingen, welke de poort en de wallen bewaarden, zagen dit talrijk gevaarte niet zonder angst naderen. Wanneer zij de zware balken en stormtuigen zagen aanbrengen, kregen zij een bang voorgevoel. In weinig ogenblikken liep de droeve mare rond de stad, en de harten der vrouwen benepen zich met schrik en wee. De gewapende ambachtslieden waren nog om de Burcht geschaard, wanneer de tijding van het aankomend stormleger hen in hun werking verraste. Na enige gezellen ter plaatse gelaten te hebben, om de uitval der verschanste Leliaards te beletten, liepen zij met allerhaast naar de vesten en verdeelden zich op de bedreigde muren. Niet zonder voor hun geboortestad te duchten, zagen zij dat de Franse soldeniers reeds bezig waren met het ineenvoegen der balken die tot schrikverwekkende werktuigen moesten opklimmen.
De belegeraars werkten op een ruime afstand der muren en waren niet onder het bereik der pijlen die hun uit de stad konden toegezonden worden: zij gingen gerust in hun voorbereidsels voort, terwijl De Chatillon met zijn ruiters elke uitval der Burgers belette. Het duurde niet lang of hoge torens met valbruggen verhieven zich in het leger der Fransen; stormrammen en springalen waren ook bijkans veerdig, en alles voorspelde de Bruggelingen een akelig lot.
Hoe groot het gevaar ook was, kon men op de aanzichten der ambachtslieden toch geen laffe vrees herkennen; zij hechtten de ogen stijf en beweegloos op de vijand, hun boezems klopten zeer, en hun adem werd kort: dit was de eerste aandoening, die hen bij het gezicht van het dreigend leger trof. Welhaast, en zonder dat zij de ogen van de vijand gewend hadden, stroomde het bloed vrijer in hun aderen, een manlijk vuur glimde op hun wangen, en ieder Burger voelde de vervoering der wraakzucht en des heldentoorns in zijn hart blaken.
Een enig man stond blij en vrolijk op de wal: het scheen bij zijn onrustige bewegingen en bij de glimlach van genoegen, die over zijn gelaat liep, dat hij een gelukkig uur zag naken. Bijwijlen bracht hij zijn vlammend oog van de vijand op de slachtbijl die in zijn sterke mannenvuist flikkerde, en streelde het moordstaal met meer liefde, dan of hij zich op de zachte boezem zijner bruid had verlustigd.--Die man was de onversaagde Jan Breydel.
De Dekens der ambachten kwamen allen bij Deconinck en bleven stilzwijgend op zijn raad of zijn bevelen wachten. Volgens zijn gewoonte bedacht de Deken der wevers zich lange tijd, en blikte mijmerend op het Franse leger. Deze langdurigheid viel de onrustige Breydel zeer lastig; hij riep met ongeduld: "Nu dan, meester Deconinck, wat beveelt gij? Zullen wij ter poorte uitlopen om die Franse snakkers op het lijf te vallen, of zullen wij ze op onze wallen doodslaan?"
De Deken der wevers antwoordde niet; hij bleef nog in diep gepeins op de vijandlijke werken staren, en telde nauwkeuriglijk de grote stormtuigen die in menigte gebouwd werden.
Alhoewel de omstaande ambachtslieden op zijn gelaat de voortekens zijner woorden poogden te lezen, konden zij niet dan koude bedenking er op vinden. In het hart van Deconinck was wel zoveel rust en koelheid, maar minder hoop op geluk: hij begreep dat het onmogelijk was het geweld der vijanden te wederstaan; want de reuzenstaltige springalen en hoge torens gaven de Fransen te veel voordeel op de Burgers, die van zulk oorlogstuig niet voorzien waren. Wanneer hij zich ten volle overtuigd had dat de stad, indien zij bestormd werd, door het vuur en het zwaard zou vernield worden, besloot hij een droef middel te gebruiken, en zich tot de Dekens kerende, sprak hij langzaam: "Makkers, de nood is dwingend! Onze stad, de bloem van Vlaanderen is verkocht geweest, en wij hebben het niet geweten. In deze toestand kan de voorzichtigheid alleen ons behulpzaam zijn; hoezeer de opoffering uwer edele gevoelens u ook pijnen moet, bid ik u, wel te bedenken dat, zo loffelijk als de held is die zijn bloed voor de rechten zijner medeburgers stort, zo onwijs is ook de roekeloze die zijn Vaderland door vermetelheid in gevaar stelt. Hier helpt geen strijden..."
"Wat! Wat?" viel Jan Breydel uit. "Hier helpt geen strijden! Wie duivel geeft u deze woorden in?"
"De voorzichtigheid en de liefde tot mijn geboortestad," antwoordde Deconinck. "Wij mogen als Vlamingen, op de rokende puinen onzer stad met het wapen in de hand sterven; wij kunnen tussen de bloedige lijken onzer broeders juichend neerzinken--wij zijn mannen. Maar onze vrouwen--onze kinderen; zouden wij die weerloos en verlaten aan de wulpsheid en wraakzucht onzer vijanden overleveren? Neen, de moed is de man tot de bewaarnis zijner zwakkere medemensen geschonken ... Wij moeten de stad overgeven!"
Even alsof een pletterende donder tussen hen nederviel, verschrikten de omstaanders op dit gezegde, en bezagen de Deken met nijdige toorn, dit scheen hun een honende laster: zij riepen tegelijk en met de grootste verbaasdheid: "De stad overgeven!--Wij?"
Deconinck bleef koel voor hun verwijtende blikken en antwoordde: "Ja makkers, hoezeer dit ook aan uw vrije harten mishaagt, is dit echter de laatste toevlucht die ons overblijft, om onze stad van de verwoesting te redden."
Jan Breydel had, gedurende deze woorden, met bitsig ongenoegen geraasd en getierd. Wanneer hij bemerkte dat er reeds velen der Dekens wankelden en tot de onderwerping overhelden, kwam hij driftig vooruit en riep: "De eerste van Ulieden, die nog van overgeven durft spreken, die strek ik als een verrader voor mijn voeten! Ik sterf liever lachend op het lijk eens vijands dan een eerloos leven te behouden. Wat denkt gij dan--dat mijne Macecliers alzo voor het gevaar beven? Neen, ziet ze daar met hun opgestroopte mouwen; het hart klopt hun zo fel, zij hijgen zo onrustig naar de slachterij! En zal ik hun zeggen, geeft de stad over? Ho, die taal verstaan zij niet. Ik zeg het u, bij Mijnheer Sint-Jan! Wij bewaren onze vaderstad en wie bang is, ga naar huis bij de vrouwen en kinderen. De hand die de poort opent, zal nimmermeer weder opgeheven worden, mijn bijl zal over die lafheid recht doen!"
Vol woede liep hij naar zijn beenhouwers, en wandelde met snelle tred voor de scharen van het ambacht. "De stad overgeven! Wij de stad overgeven?" herhaalde hij menigmaal met een uitdrukking van toorn en verachting.
Enige der aanleiders van het ambacht hadden dit gehoord en vroegen hem met verbaasdheid wat hij zeggen wilde. Dan barstte hij uit: "De Hemel zij ons genadig, o mannen! Mijn bloed kookt dat de aderen mij gespannen staan.--Ho laster! Onverdraaglijke laster! Ja, de wevers willen de stad aan de snakkers overgeven. Maar ik beroep u, broederen, blijft met mij--en wij zullen allen als echte Vlamingen sterven. Beziet de grond die uw voeten raakt,--daar sneuvelden de Macecliers, onze vaderen! Zegt nu, dit is mijn graf! Ja dit zij ons graf en dat der Fransen. Onze dood blijft de laffe wevers een eeuwige schande. Wie geen beenhouwershart heeft, mag naar huis gaan.--Laat horen, wie strijdt met mij tot de dood?"
De stemmen der beenhouwers mengden zich in een aaklig gehuil, en driemaal verlengde zich het holle woord "dood!" Als de zucht die uit de boezem van de zwangere afgrond opstijgt. "Tot de dood!" was de roep welke uit zevenhonderd gloeiende borsten opklom, en die bloedige eed versmoorde tussen het naar gekrijs der slachtbijlen welke op de stalen priem werden geslepen.
Onderwijl hadden de meeste Dekens, door Deconinck overtuigd, het droeve middel als heilzaam aangenomen, en zouden de stad wel gaarne overgegeven hebben; maar nu was dit door Breydels tegenkanting onmogelijk geworden. Op het gezicht der schrikkelijke stormtuigen die in menigte boven het vijandlijk leger oprezen, besloten zij, in weerwil van de Deken der beenhouwers, met de vijand in onderhandeling te treden.
Maar de onrustige Breydel bemerkte hun inzicht. Als een gewonde leeuw brulde hij van woede in onverstaanbare woorden en liep alzo naar Deconinck. De beenhouwers, die de toorn van hun Deken verstaan hadden, volgden hem in wanorde en van wraaklust vol.
"Sla dood! Sla dood!" huilden de scharen als razend. "Sla dood de verrader Deconinck! Deconinck!!"
Het leven van de Deken der wevers was in groot gevaar; echter zag hij deze woedende menigte op zich aankomen zonder de minste ontsteltenis op zijn wezenstrekken te laten blijken. Gelijk iemand die met medelijden op zinnelozen nederziet, vouwde hij de armen op de borst en staarde koud en als onverschillig op de aankomende beenhouwers. Te midden uit de golvende scharen steeg de schrikverwekkende roep: "Slaat hem dood, de verrader!" Gedurig met meer bitsigheid--en reeds was de bijl niet ver meer van de schedel des groten mans. Hij stond onwrikbaar, als een reuzeneik die het geweld der orkanen tart, en van het bolwerk waarop hij zich had geplaatst, beheerste hij de menigte als een Rechter.
Op dit ogenblik liep een vreemde uitdrukking over het gelaat van Breydel. Men zou gezegd hebben dat hij eensklaps van gevoel was beroofd; want de bijl hing onachtzaam nevens zijn zijde. Hij bewonderde de grootheid van de man wiens raad hij wilde bestrijden; dit duurde niet langer dan het vluchtend gedacht der mensen. Eensklaps bemerkte hij het gevaar van zijn vriend, hij wierp de beenhouwer, die zijn bijl reeds boven het hoofd van Deconinck had geheven, voor zijn voeten op de grond, en schreeuwde: "Houdt op, mannen! Houdt op!"
Men luisterde in den eerste niet naar dit bevel, want in deze verwarring van moordkreten was het niet mogelijk de stem van iemand te herkennen. Breydel plaatste zich dreigend voor de Deken der wolwevers, en zwaaide als een vervoerde met zijn bijl in het rond. Dan eerst verstonden zijn makkers dat hij Deconinck wilde beschermen: zij lieten de wapens neergaan en bleven met dreigende morringen op de uitkomst wachten.
Terwijl Breydel bezig was met hen tot bedaren te brengen, kwam er een wapenbode uit het Frans leger tot aan de voet van de muur boven dewelke deze beroerte plaatshad. De aandacht der woelige Bruggelingen werd hierdoor ogenblikkelijk van Deconinck getrokken en tot de wapenbode gewend. Deze riep de belegerden aldus toe: "In de naam van onze machtige Vorst Philippe van Frankrijk, wordt het u, oproerige onderdanen, door mijn Veldheer De Chatillon gevraagd, of gij de stad op zijn genade wilt overgeven!--Indien gij na verloop van tien stonden op deze eis niet geantwoord hebt, zal het geweld der stormtuigen uw vesten omverwerpen, en alles zal door het zwaard en het vuur vernield worden!"
De ogen van al degenen die deze opeising gehoord hadden, vestigden zich eenpariglijk op Deconinck, en dezelfde man, die zij zo-even hadden willen doden, schenen zij nu om raad te smeken. Breydel zelf bezag Deconinck met ondervragend gelaat, doch niemand kreeg het gewenste antwoord. De Deken der wolwevers stond stilzwijgend te midden onder hen, en scheen tot de daders dezer gebeurtenissen niet te behoren.
"Wel, mijn vriend Deconinck, wat raadt gij ons?" vroeg Breydel.
"Dat men de stad overgeve!" was het koele antwoord.
De beenhouwers begonnen opnieuw te morren en te razen, doch een dwingend teken van Jan Breydel bracht hen tot stilte.
"Denkt gij, Deconinck," vroeg hij, "dat wij met moed, met onversaagdheid de stad niet kunnen bewaren? Is de hoogste dapperheid hier dan onmachtig? Rampzalig uur!"
Het was zichtbaar op de wezenstrekken van Breydel hoe hem deze vraag pijnde. Zozeer als zijn ogen in de lust tot strijden geblaakt hadden, zozeer waren zij nu verduisterd en beroofd van het heldenvuur dat er gewoonlijk in gloeide.
Deconinck hief zijn stem boven de omstaande scharen en sprak: "God en gij allen zijt mij getuigen, dat de liefde tot het Vaderland alleen mij aandrijft. Voor mijn moederstad heb ik mij aan uw dolle woede blootgesteld, en alzo zou het mij ook niets kosten door de hand des vijands te sterven; maar het bewaren der parel van Vlaanderen is mij een heiliger taak; belaadt mij vrij met laster--hoont en bespot mij als een verrader: ik weet wat plichten ik te kwijten heb. Niets, hoe pijnlijk ook, kan mij aan het edel doel onttrekken, en ik zal u eens vrijmaken, al ware het tegen uw dank. Ik herhaal het nu voor de laatste maal:--het is onze plicht, wij moeten de stad overgeven."
Wie gedurende deze korte aanspraak het gelaat van Breydel gezien had, zou verscheidene aandoeningen erop bemerkt hebben: spijt, woede, droefheid verwisselden zich steeds in hem, en het was aan de wringing zijner vuisten zichtbaar dat hij tegen zijn eigen driften worstelde. Op het ogenblik dat de spreuk: "Wij moeten de stad overgeven!" nog eenmaal als een doodvonnis in zijn oor geklonken had, werd hij door inniger droefheid getroffen, en bleef een korte wijl, als in gedachten onttogen, staan.
De beenhouwers en andere ambachtslieden lieten hun ogen beurtelings op de twee Dekens gaan en wachtten in een plechtig stilzwijgen.
"Meester Breydel," riep Deconinck, "zo gij de oorzaak onzes ondergangs niet zijn wilt, geef dan ras uw jawoord. Ginds komt de wapenbode der Fransen terug; de tien stonden zijn verlopen."
Breydel rees eensklaps uit de diepe bedenking, en antwoordde met droeve toon: "Gij wilt het, Meester? Het moet zo zijn? Welnu geef de stad over..."
Bij deze woorden vatte hij de hand van Deconinck en drukte dezelve met ontroering: twee tranen van innige smart rolden uit zijn blauwe ogen, en een doffe zucht kwam over zijn lippen.
De twee Dekens bezagen elkander met een dier blikken waarin de ziel zich gans zien laat. Zij verstonden elkander plotseling, en hun armen strengelden zich in een omhelzing te samen.
Daar lagen de twee grootste mannen van Brugge, heldenmoed en vernuft, met borst tegen borst, in wederzijdse bewondering verzonken.
"O dappere broeder," riep Deconinck, "uw ziel is groot! Wat strijd hebt gij in uw boezem doorstaan! Toch hebt gij u verwonnen."
Op het gezicht van dit roerend toneel, liep een schreeuw van blijdschap door al de scharen, en de nijd ontvlood de boezem der strijdbare Vlamingen. Door bevel van Deconinck hief de bazuinblazer der wevers driemaal in schaterende tonen aan, en riep tot de Franse wapenbode: "Geeft uw Veldheer vrijgeleide aan onze taalman?"
"Hij geeft vrijgeleide volgens krijgsgebruik en op zijn trouw," was het antwoord.
De egge werd bij deze verzekering omhoog gehaald en de brug viel neer om twee Burgers uit de stad te laten. De een was Deconinck en de andere de wapenbode der ambachten. Wanneer deze in het Frans leger gekomen waren, werden zij tot in de tent van de Veldheer De Chatillon gebracht. De Deken der wevers naderde met stout gelaat voor de Landvoogd en sprak: "Mijnheer De Chatillon, de Poorters der stad Brugge laten u, door mij, hun Gezant, weten dat zij om het dierbaar mensenbloed niet nutteloos te vergieten, besloten hebben u de stad over te leveren; daar echter niets dan dit edel gevoel hen tot onderwerping dwingt, hebben zij u de volgende voorwaarden doen aanbieden, te weten, dat de kosten der intrede des Konings niet door een nieuwe belasting op de derde staat zullen geheven worden, dat de Wethouders zullen worden afgezet, en dat er geen hoegenaamde vervolging ter oorzake van oproerigheid zal gedaan worden. Gelieve mij te zeggen of gij deze voorwaarden aanneemt of niet."
De wezenstrekken van de Landvoogd betrokken zich door innige gramschap.
"Wat taal is dit?" riep hij. "Hoe durft gij mij voorwaarden opleggen, daar ik alleenlijk mijn stormtuigen vooruit te brengen heb om uw muren tot puin te verbrijzelen?"
"Dit is mogelijk," antwoordde Deconinck, "maar ik zeg het u, en neem mijn woorden in acht: de grachten onzer stad zullen met de lijken uwer mannen vervuld worden, eer een Fransman onze wallen beklimme. Wij hebben ook geen gebrek aan oorlogstuig en de historie is daar, om u te bewijzen dat de Bruggelingen voor de vrijheid sterven kunnen."
"Ja, ik weet dat de koppigheid uw kenmerk is, maar dit geeft mij weinig; want de moed der Fransen kent geen hinderpalen. Ik wil de stad op genade en ongenade hebben,--dit is mijn antwoord."
De Chatillon had bij het zien der ontellijke ambachtslieden en derzelver trotse houding boven de wallen, een angstig voorgevoel der aanstaande slachting gekregen. De voorzichtigheid deed hem om de overgaaf der stad wensen; want hij kende de onversaagdheid der Bruggelingen, en was derhalve zeer blijde wanneer de komst van Deconinck zijn wens vervulde; maar de voorwaarden, die men hem aanbood, behaagden hem geenszins. Hij zou dezelve wel toegestaan hebben, met het staatkundig nagedacht zich op een linkse wijze aan de uitvoering derzelve te onttrekken; maar hij mistrouwde de Deken der wevers, en twijfelde aan de echtheid zijner woorden. Willende dan beproeven of de Bruggelingen waarlijk het voornemen hadden zich tot de dood te verdedigen, gaf hij met luider stemme het bevel om de werktuigen tot de stormloping aan te voeren.
Gedurende de onderhandeling had Deconinck met doordringende blikken de uitdrukking van het gelaat des Veldheers gepeild, en in dezelve veel weifeling en gemaaktheid gevonden. Dit was hem genoeg om te weten dat De Chatillon het gevecht niet wenste. Hij hield dan zijn voorwaarden staande, ondanks de bewegingen die reeds tot het stormlopen gedaan werden.
De koele standvastigheid van Deconinck bedroog de Franse Veldheer; hij bleef overtuigd dat de Bruggelingen hem niet vreesden, en hun stad met hardnekkigheid zouden verdedigen. Zijn gans leger en het Land van Vlaanderen aan die afzonderlijke zaak niet willende wagen, begon hij met Deconinck over de voorwaarden te twisten. Eindelijk, na lange woordwisseling, kwamen zij overeen dat de Wethouders in hun ambten zouden blijven; de andere punten werden de Bruggelingen toegestaan.
De Landvoogd had van zijn kant doen aannemen dat hij zoveel soldeniers als hem beliefde in de stad mocht leggen.
Zodra de zegelbrief door hen beide vervaardigd en getekend was, keerde de Deken der wevers met de wapenbode naar de stad terug. De voorwaarden werden in al de straten uitgeroepen. Een halfuur daarna deed het Franse leger met klinkende bazuinen en vliegende banieren de zegepralende intrede, en de ambachtslieden gingen met het hart vol spijt en droefheid naar hun woning terug. De Wethouders en Leliaards kwamen van de Burg, en de stad verkreeg een schijnbare rust.
* * * * *
10
_Knechts! waer ben ie? hoor ie dit oft niet? beziet oft ie wacker ben, ist nacht of ist dach?--รด juweel van heelder wereld! Peerle van goude, spiegel mynder zielen! Zoude ie alzulcken Vrouwe moghen beminnen met haren dancke?_
OUDE ROMAN