De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

Part 1

Chapter 1 3,662 words Public domain Markdown

Produced by Joris Van Dael, Frank van Drogen and the Online Distributed Proofreading Team.

De Leeuw Van Vlaanderen

Of De Slag Der Gulden Sporen

Hendrik Conscience

Inleiding

Het Boek Dat Een Leeuw Leerde Klauwen

In 1837 had Hendrik Conscience zijn eerste roman, _In 't Wonderjaer,_ gepubliceerd, en wel in het "Vlaemsch"--wat toen zonder meer een politieke daad was. In datzelfde jaar verdiepte hij zich in een toen zeer actuele geschiedenis: de slag der gulden sporen. _De Leeuw van Vlaenderen_ verscheen (in drie banden) in 1838 en kende een voor die tijd opzienbarend succes. Conscience is dan 26 jaar en geniet op slag een niet meer geëvenaarde populaire bijval. Het geheim van zijn succes? Hij moet zijn volk, zowel de Vlaamse, politiek bewuste, intellectuele middenstander als het "mindere volk" dat nog amper kon lezen (en de _Leeuw_ nog voor een aantal jaren vooral zou moeten horen voorlezen) intens geraakt hebben in een bepaalde gemoedslaag. De kern van het boek is de nationaal-politieke bezieling, die de verteller van de _Leeuw_ op zijn lezers overdraagt met een onweerstaanbaar emotioneel engagement. De _Leeuw_ is een uitermate representatief staal van Consciences kunst, d.w.z. een mengeling van "schilderende" en "onderwijzende" letterkunde. Door het machtig verleden van Vlaanderen in fors geborstelde (massa-)taferelen op te roepen wil hij de Vlaming bewust maken van zijn nationale identiteit en eigenwaarde en hem wakker maken voor de Vlaamse zaak, toen zo bedreigd in een door de Franstalige bourgeoisie gedomineerde Belgische staat. Door hem te leren lezen wilde Conscience de Vlaming leren klauwen.

Lees het _Voorwoord_ en de beroemde vermanende slottoespraak, maar let ook op de talrijke expliciete en impliciete stellingnamen van de verteller, die de lezer tracht in te palmen, te overtuigen, te beleren en op te zwepen. Een meeslepend gevoelselan doorzindert dit boek dat, typisch genoeg, eigenlijk geen centrale held kent, maar als roman van een _volk_ een hele volksgemeenschap laat zegevieren. Het didactisme van Conscience, zoals van zijn tijdgenoten in de romantiek, blijkt bijvoorbeeld uit belerende voetnoten waarmee hij graag uitpakt: een waarborg van deskundigheid en waarachtigheid waar hij zijn lezer voor de Vlaamse zaak mee wil winnen.

Onze uitgave heeft iets speciaals: zij biedt, op de spelling na en in één band, precies de tekst die de lezer van 1838 heeft kunnen zien. Wij wilden de oorspronkelijke tekst zo getrouw mogelijk bewaren en toch de niet-specialist een zo leesbaar mogelijke tekst aanbieden. Daarom hebben wij praktisch alleen de spelling aangepast. Woorden en wendingen die nu archaïsch voorkomen, hebben wij laten staan. Ook aan Consciences soms gammele zinsbouw hebben wij niet gesleuteld, maar manifeste taalfouten, bij voorbeeld genus-aanduidingen, hebben wij gecorrigeerd. Geen woord of zinsdeel werd geschrapt. Wij hebben hertoetst noch hertaald. Wij hebben getracht die authentieke 'patine' die over de originele tekst ligt, intact te laten, opdat Hendrik Conscience ons nu, meer dan honderd jaar na zijn dood, weer aan en toe zou spreken met precies die stem, die intonatie, die woordenschat en ook in dat soms onbeholpen "Vlaemsch" waar hij een eerste generatie van lezers mee heeft geraakt en geboeid. Aldus, zo hopen wij, zal die _Leeuw_ weer klauwen met onverminderde kracht en authenticiteit, zoals ongeveer anderhalve eeuw geleden.

M. Janssens

Aan De Heer Ridder Gustaf Wappers 's Konings Schilder

Weledele heer,

_Nu de gunst mijner landgenoten, mijnen arbeid bekronende, mij een plaats tussen onze vaderlandse schrijvers gegeven heeft, nu ik enigszins met vrijere stappen in de letterbaan mag voortgaan, behaag ik mij in het herdenken aan wie ik dit verschuldigd ben;--wie mij, nog ongekend, aanmoedigde en mij een deel zijns vernufts indrukte, onder wiens blik, onder wiens stem ik mijn ziel in kunstdorst en in vaderlandsliefde voelde ontsteken, wie voor mijn welzijn als voor dit eens broeders zich bekommerde en mij, in het verdriet, in de stonden van bittere onttovering, een vriend en een weldoener was.--Die naam zo heilig voor mij, die naam is de uwe, o Gustaf!_

_Ik kon U voor zoveel goedheid niets dan dankbaarheid en liefde terugkeren, niets dan bewondering voor uw edel hart.--Ook, wie zal zeggen wat ik geleden heb, wat verontwaardiging mij getroffen heeft wanneer ik U, mijn weldoener, aan de schichten des nijds en der lasteraars zag blootgesteld, wanneer ik zag dat zij, uw kunst niet durvende raken, dit hart en die inborst wilden te na spreken.--Uw vijanden hebben zichzelf een vlek, een kenmerk van lasteraar op het voorhoofd gedrukt, en de schande nogmaals ontvluchtende zijn zij weder in het duister gedoken.--Vergeef hun, Gustaf, zij kennen U niet. Gedenk, met medelijden voor hen, dat indien gij geboren waart om groot onder uw tijdgenoten, en Kunsttolk te zijn, zij tot kunstadders geschapen waren; en daarbij,--is het niet in de vergelijking uwer schitterende gewrochten met de hunne, zo gering, dat zij hun nietigheid zien?--En moeten zij U dan niet haten omdat uw vernuft zo zwaar op hen weegt?

Ho ja, dit is de gang der wereld:--de slangen wonen in aanzienlijker getal aan de voet der reuzeneiken_.--

_Laat ze begaan, Gustaf, uw naam zal ondanks dit gif met die van Rubens en van Van Dijck leven; en indien er één blad van mijn boek tot de nakomelingen moet overgaan zal het gewis dit zijn waarop uw naam geprent staat_.

_Antwerpen, de 18 December 1838_

Hendrik Conscience

Voorwoord

Wanneer men met een zucht naar vaderlandse roem de kronieken doorbladert, komt een aandoening van spijt en schaamte ons treffen, bij de overtuiging dat wij onze Vaderen zo weinig gelijken. Zij roemden op de naam van Vlaming als op de grootste eretitel welke hun kon toegevoegd worden, en dankten God dat het Hem beliefd had hen op die heldenbodem te laten geboren worden.--En dit was geen ijdele waan, geen overdreven liefde tot het Vaderland. Diezelfde mannen, die aldus op hun naam roemden, hadden dezelve groot en heerlijk voor al de volken der wereld gemaakt. Zij droegen hun zegerijke zwarte Leeuw van Vlaanderen in de verste streken,--in Palestina, in Griekenland, in Italië, in Afrika: Vlamingen waren het die tot Keizer van Constantinopel werden verheven, een Vlaming was het (Robrecht van Bethune) welke achttien jaar oud zijnde het Franse leger als opperveldheer in Sicilië aanvoerde.--Wee de vijand die zulke mannen op eigen grond dorst aantasten, het was moeilijk de Leeuwenzonen te temmen;--en indien het de vreemde eens gelukte hen te overwinnen, kon hij toch niet lang op de zege roemen, want dan knaagden zij met spijt aan de keten en verstaalden zich de moed bij de heugenis hunner voorleden grootheid. Dan liep alles te wapen, mannen, vrouwen, kinderen, het werd al in heldenvuur ontstoken en de vrijheid weder herwonnen.--Het boek dat wij onze lezers voorstellen, getuigt hunner _nationaliteit_ en onversaagdheid.

Het is gemakkelijk na te speuren waarom wij dus van onze oude roem vervallen zijn. Sedert ettelijke eeuwen is het bewind onzes lands door erfrecht in handen van vreemde Vorsten overgegaan, deze waren, bij hun inbezitneming, verplicht de voorrechten der Steden en Gemeenten, in de tegenwoordigheid des Volks, op een openbare markt met eed te bevestigen, waarin uitdrukkelijk stond dat al wat de Vlaamssprekende Belgen aanging in de Vlaamse taal moest behandeld worden. De Vorst mocht zich in gener wijze met het bestuur der steden bemoeien, elke gemeente benoemde haar eigen wethouders en ambtenaren; in dier voege was de macht der beheersers in ons land zeer gering, hetgeen hun voorzeker niet behaagde. Ook stelden zij alles te werk om onze vaderen hun vrijheden en hun volksgeest te ontroven, zij gebruikten daartoe de macht om te dwingen, het geld en de gunsten om te verleiden, de staatkunde om te bedriegen: maar de grootste hoop, moedig en doof voor het lokaas blijvende, waren die pogingen vruchteloos, zolang de letterkunde en de volksschriften in de moedertaal hun vrije gang hadden.

Dan bracht _Luther_ de hervormde godsdienst in zwang; zijn talrijke aanhangers en de leraars welke in ons land kwamen, stelden hun boeken en schriften in de Vlaamse taal op. De kennis welke het volk van zijn moedertaal algemeen bezat, en de leeszucht die onder hetzelve heerste, werd de leraren een gunstig middel om hun lering te verspreiden. Karel V, onze Keizer, gaf bij deze gelegenheid edicten uit, die de _Censuur_ of boekkeuring een dwingende, een allesomvattende macht gaven; geen schrift mocht het licht zien zonder het oorlof der boekkeurders, en wie slechts een twijfelachtig woord, zelfs zonder inzicht, geschreven had, mocht zich op geen kleine straf verwachten, want die ging zelden verder dan gepijnigd, gehangen, geradbraakt of verbrand te worden. Men zag in alles ketterij, lutheraanse gedachten, of oproerige aanslagen. Alle schriften, welke niet stellig onder de invloed der Spaanse denkwijs geschreven waren, werden als misdadig aanzien en men vervolgde de onnozele schrijvers of dichters vóór de bloedige _Inquisitie_, van gevloekte gedachtenis, alsof zij het tegen God of zijn dienaren gemunt hadden, terwijl zij slechts de dwingelandij der _Spanjaarden_ wilden tegengaan.

Er is weinig begrip nodig om te verstaan dat de letterkunde bij die vervolging haast in de grond geboord werd, er kwamen nog wel kerken gebedeboekskens uit, maar daarbij bleef het al; behalve nochtans die flauwe kindervertelsels van _Duimken, Jakke met zijn fluitje, Uilenspiegel_ enz., welke _verbeterd en gezuiverd_! met het oorlof der _Censuur_ bleven gedrukt worden. Met die beuzelingen moest de Vlaamse lezer zich vergenoegen. Kon de letterkunde dan in stand blijven? Neen, zij verging geheel, en dit is wel merkbaar wanneer men nagaat dat wij, vóór dit tijdstip, zoveel en betere dichters dan de _Fransen_ bezaten, daar er geen enkele verdienstelijke onder die dwingelandij gebloeid heeft.

Philippus II, de zoon van Karel V, zijn vader opvolgend, bracht de willekeur tot de hoogste top, duizenden Belgen werden door beulshanden op eigen grond vermoord, bespieders werden tot in de schoot der huisgezinnen gezonden, men ontrukte de vader aan zijn zonen, de moeder aan haar kinderen,--en de gevangenissen werden te nauw voor zoveel slachtoffers, wiens bloed van het schavot op de straat moest vlieten. Niemand dorst, over iets dat 's Landszaken aanging, spreken, veel min schrijven; de beul was de _librorum censor_!

Die verdrukking voortdurende gaven de Belgen de moed op, de volksgeest verging en van dit ogenblik werd het mogelijk hen door alle vreemde invloed van hun eigenaardig karakter te doen afwijken. Dit geschiedde ook, men leerde Frans, niet slechts om een uitheemse taal te kennen, maar om een waarde, die het Vlaams nu niet meer geven kon, te verkrijgen; men liet de kleding der vaderen daar, om de vreemden in alles na te apen, men zwoer de ernstige en ware beleefdheid af, om zich aan de bedriegende _politesse_ en de gemaakte houding der _Fransen_ over te geven;--en op die wijze plaatste zich de _Belg_ voor de _vreemden_ gelijk een leerling voor zijn meester. Wie een druppel echt Vlaams bloed in de aderen heeft, zal bekennen dat dit een schandelijke plaats is, en dat een Volk niet lager zinken kan. Veel mannen, van de voorleden eeuwen, en wel bijzonder _Pieter Hein_, van Antwerpen, van dewelke _Guiccardini_, een Italiaan, met lof spreekt, hebben dit gevoeld, zij hebben zich tegen de verbastering verzet en gepoogd de moedertaal haar luister weder te geven;--maar wat kon hun eenzame stem, terwijl de _Natie_ in een laffe slaap vervallen was?

Heden is de stand van zaken veranderd; er weegt geen Spaanse verdrukking meer op ons, er staat geen galg, geen schavot meer opgericht voor de taal- en vrijheidminnaren; maar iets anders belet de herwinning van onze oude waarde; dit is iets dat de _Vlamingen_ niet genoeg bemerken en waarvan zij het slachtoffer zijn zullen indien er niet opgelet wordt.--Het is voor een Staatsbestuur lastig twee onderscheiden volken onder een scepter met dezelfde wetten, dezelfde voordelen te verschaffen. Elke maal dat er iets in het belang van een der verschillende delen gedaan wordt, baart dit opspraak in het andere gedeelte; wij hebben dit ten tijde van Koning Willem zien gebeuren en dit heeft zich onder het tegenwoordige Rijk reeds menigmaal opgedaan; men herinnere zich slechts het vraagpunt der vreemde suikers, wanneer er in Antwerpen ganse hopen volks rondliepen en schreeuwden:--_Weg met de Walen_!--Dit weet het Staatsbestuur wel, en diensvolgens poogt het dit verschil tussen de twee delen onzes lands teniet te doen. Die pogingen zijn:

Walen in de Vlaamse provinciën als bewindhebbers te sturen, opdat men zich verbastere om hun te believen, hetzij om een ambt, of iets anders dat zij geven kunnen, te verkrijgen;--het Frans verplichtend te maken in het Leger, in het Landsbestuur, in 's Rijks scholen, in de Rechten, in alle _examens_, ja zelfs tot de geringste ambten,--Portier van een gevangenhuis bijvoorbeeld!--De wetten in het Frans zijn alleen _officieel_, in het Vlaams overgezet gelden zij niet voor het Recht; de vonnissen worden ook steeds in het Frans uitgesproken, en het is onlangs te Gent gebeurd dat een man ter dood veroordeeld werd, zonder een enkel woord der beschuldiging of van het doodvonnis te hebben verstaan. Mag men wel aldus met het leven der mensen spelen? De rechtvaardigheid zou ons ten minste moeten aandrijven om niet te lijden, dat men zo willekeurig met onze landgenoten te werk ga; want een beschuldigde is, voordat zijn vonnis uitgesproken wordt, een Burger als een ander en verdient dat men hem de middelen geve om zich te verontschuldigen indien hij niet misdadig is.--De opschriften onzer openbare gebouwen zijn in het Frans; om een proef van die belachelijke doenwijs te geven, zal ik hier zeggen dat in Antwerpen het Vlaams opschrift van het Gasthuis, in hetwelk de arme lieden, die niet dan Vlaams verstaan, moeten ontvangen worden, door een ander opschrift in vergulden letteren en in het Frans onlangs is vervangen. Dit is zeker om de Fransen van Parijs of de Walen van Luik het Gasthuis aan te wijzen indien zij het nodig hebben! Ik laat het de redelijke mensen over, te oordelen of men het verstand niet moet verloren hebben om zulke ongerijmdheden te begaan.--Sommige Vlaamse steden houden hun raadsvergaderingen in het Frans; hieruit volgt dat Raadsheren, wijs en ervaren in de belangen der Gemeente, maar niet zo goed als de _verfransten_ ter tong in een uitheemse spraak, niet spreken of niet aanhoord worden, en dus vele gelegenheden om voordelige dingen voor te stellen moeten laten voorbijgaan.--Oneindig andere ondeugden in de regering zou ik kunnen aanwijzen, maar het dunkt mij dat dit ruim genoeg is.

Zo wil men ons, Vlamingen, allen tot Walen of liever tot Fransen maken om de smelting, welke het Bestuur zich voorstelt, te bereiken.--Dit doel is verachtelijk en onrechtvaardig. Wij Vlamingen hebben een geschiedenis, een voorleden tijd _als Land en als volk_ terwijl de Walen (Luik alleen) slechts een geschiedenis van _afzonderlijke Steden_ hebben.--Men zie hier de opgave der Vlaamssprekende en Waalssprekende Belgen, door de Edelheer _Blommaert_ van Gent, in zijn werk over de moedertaal uitgegeven.

_Provinciën, waar de volkstaal Vlaams is_ Bevolking West-Vlaanderen 542.000 Oost-Vlaanderen 661.000 Antwerpen 380.000 Brabant (Nijvel uitgezonderd) 377.000 307.000 Een gedeelte van Luxemburg 127.500 2.394.500

_Provinciën waar de volkstaal Frans is_ Bevolking: Arrondissement Nijvel 97.000 Henegouwen 530.000 Namen 180.000 Luik 314.000 Gedeelte van Luxemburg 127.500 1.248.500

Er zijn tweemaal zoveel Vlamingen als Walen; wij betalen in de lasten meer dan tweemaal zoveel als zij! En men zou ons Walen maken, ons opofferen met onze oude roem, onze taal,--onze luisterrijke geschiedenis, en alles wat wij van onze vaderen geërfd hebben? Neen, er is nog te veel echt Vlaams bloed in de wereld opdat dit mogelijk zij, wat boze staatkunde men ook gebruike.--Dit zal, dit kan niet zijn.--Ik bezweer u, mijn landgenoten, legt de hand op uw hart en vraagt uzelf:--Zal ik de naam mijner Vaderen verloochenen, de naam van Vlaming voor een andere verwisselen? En als een nieuw aangekomene mij laten herdopen alsof mijn stam geen wortelen in de wieg der volken had?--

Ho! Ik gevoel het, uw boezem klopt voor het Vaderland, en de ontkenning:--Neen! rolt met verontwaardiging van uw lippen. Ja gij zijt Vlaming en zult Vlaming blijven.--En zo worde de roemrijke naam tot het einde der wereld voortgezet, ondanks de aanslagen der volkbedervers.

Indien het Staatsbestuur een smelting wil pogen, dat men dan de meerderheid der Natie ten grondslag neme of dat men elk het zijne late, en dat is billijk en rechtvaardig; de Walen welke in ons Vlaams Land geen ambten bezitten, zullen dit niet ontkennen. Ik vraag het de _Luikenaars_: indien men hun kwam voorstellen hun oude en beruchte naam voor een andere te verlaten, indien zij gewaar werden dat men het kenmerk dat hen onderscheidt, wilde tenietdoen, of zij dit gedogen zouden? Ik ken het karakter der _Luikenaars_, daar ik lang genoeg in hun stad gewoond heb, en weet dat zij zich uit al hun macht daartegen verzetten zouden, want zij zijn met een vurige volksgeest bezield. Als broeders dan zullen zij de stem eens Vlamings niet miskennen, en in hun eigen hart de verrechtvaardiging zijner woorden vinden.

Voor de welvaart mijns Vaderlands, voor de bloei des koophandels en der nijverheid is mij niets duurbarer dan de staatkundige rust; daarom heb ik het op mij genomen, voor zoveel het in mijn macht is, de ogen van het Staatsbestuur te openen over de onmogelijkheid van het willekeurig doel dat het zich voorstelt te bereiken, ik heb willen bewijzen dat het veel beter ware dit zaad van onenigheid en van haat onder het volk niet te storten, opdat het tegenwoordig Bestuur zich de verantwoordelijkheid van een kwaadvoorspellende toekomst niet op de hals hale. Het is nog tijd om recht te doen aan wie het behoort; later wordt toegeving, zwakheid en vrees; men weet bij ondervinding hoe snel de gramschap des volks groeit en wat gevolgen dezelve _altijd_ heeft.

Men merke hier aan dat ik door _Staatsbestuur_ geenszins de doorluchtige persoon ZIJNER MAJESTEIT, DE KONING, versta, reeds menigmaal heeft onze Vorst betoond dat het hem meer behaagt over een Volk dat zich eerbiedigt, dan over een weifelende Natie te heersen. Terzelfder tijd wete men dat ik de Walen, als volksgedeelte beschouwd, niet wil te na spreken; zij hebben hun waarde als wij en zijn onze staatkundige broeders, maar mogen in geen geval onze beheersers worden. Dit recht hebben zij nooit gehad en zullen het nooit verkrijgen.

Het moet zijn dat veel Vlamingen deze aanmerkingen met mij gedaan hebben want uit alle steden, uit alle gemeenten hoort men heden de roep om onze schone moedertaal weder te krijgen aanheffen; veel letterkundigen, aan het hoofd der welke de heer Willems met zijn hoge verdiensten prijkt, spannen te saam om het volk uit de slaap te wekken en hebben hun pogingen ten dele reeds zien gelukken. Alle dagen komen nieuwe kampers zich bij de vaderlandse schaar voegen en men hoort raar of zelden nog een _bastaard_ het Vlaams, zijn moedertaal, verachten, hetzij hij, door staatzucht of om ergens van een hooggezeten Waal een ambt te verkrijgen, zijn naam en zijn oorsprong verloochent.--Maar zulken maken het volk niet uit en zijn slechts bedorven takken van de grote boom.

Ziehier tot proef van de vermeerdering der taalminnaren het getal der inschrijvers welke ik voor mijn drie werken bekwam: _Het Wonderjaar_ 241, de _Fantazij_ 279, en _De Leeuw van Vlaanderen_, alhoewel op een hoge prijs gesteld, 480. In twee jaar tijds is het eerste getal verdubbeld. Er zijn Vlaamse uitgaven die wellicht nog meer inschrijvers hebben, zoals het _Belgisch Museum_ van de heer Willems.--Ik dank mijn Landgenoten om de gunstige aanmoediging welke zij mij bij voortduring laten genieten, en verblij mij in de overtuiging dat wij sedert weinig jaren van het pad der dwaling zijn teruggekeerd om een eerlijker baan in te slaan.

Dit voorwoord zal om zijn inhoud aan enige gezindheden niet bevallen, misschien zal ik er sommige bijtende artikeltjes aan verschuldigd zijn, en men zal het boek zelf om zijn voorrede aanvallen en lasteren, dit zal ieder met mij denken; echter mag zulke overweging mij nooit weerhouden wanneer de waarheid uit mijn pen vloeit: men opene de geschiedboeken en men oordele erover.--Er is wel een oude spreuk, die wil dat het niet altijd goed zij de waarheid te zeggen, maar die spreuk is een drogreden welke ten dekmantel der schijndeugd of der lafheid is uitgevonden. Ik--ik zeg de waarheid wanneer dezelve mijn Vaderland ten nutte kan zijn.

_De Leeuw van Vlaanderen_, welke ik heden mijn inschrijvers aanbied, is een werk dat meer historisch is dan er voor de schriften van die aard vereist wordt, de aantekeningen welke onder de bladzijden gevoegd zijn, geven de getuigenissen onzer Kronieken, onder dewelke ik de _Excellente Cronike_, in de boekzaal van Antwerpen berustende, tot richtsnoer heb genomen. De kennis der plaatsen waar de voorvallen gebeuren, ben ik aan de inlichtingen mijner letterkundige vrienden, de heer Snellaert van Kortrijk, dokter te Gent, en de heer Octave Delepierre, bibliothecaris te Brugge, verschuldigd. Men zal aanmerken dat het werk van de heer Auguste Voisin, bibliothecaris te Gent, mij voor de beschrijving van de slag der gulden sporen van groot nut is geweest, die schrijver heeft mij met een goedheid, waarvoor ik hem dank betuig, de kaart van de slag bezorgd.

Omdat het getal der inschrijvers mijn hoop is te boven gegaan, heb ik de lezer iets boven de voorwaarden willen geven; men zal voor ieder boekdeel een titelplaat vinden, die door 's Konings schilder Gustaf Wappers op hout getekend is, en door de bekende kunstenaar Brown, bij de koninklijke graveerschool van Brussel, is gesneden.

DE SCHRIJVER

* * * * *

1

_Standvastig was de trouw der vad'ren als de muren,_ _Die hoe begruisd, gescheurd, en wild met groen omgroeid,_ _Der eeuwen went'ling nog tot op deez dag, verduren,_ _Schoon regen plast en stormwind loeit.--_

PETRONELLA MOENS

De rode morgenzon blonk twijfelachtig in het oosten, en was nog met een kleed van nachtwolken omgeven, terwijl haar zevenkleurig beeld zich glinsterend in elke dauwdruppel herhaalde; de blauwe dampen der aarde hingen als een onvatbaar weefsel aan de toppen der bomen, en de kelken der ontwelkende bloemen openden zich met liefde om de jongste straal van het daglicht te ontvangen. De nachtegaal had zijn zoete liederen reeds meermalen gedurende de schemering herhaald, maar nu verdoofde het verwarde geschater van mindere zangers zijn verleidende tonen.

Een hoop ridders rende stilzwijgend door de velden van Roeselare[1] Het gerammel hunner uitrusting en de zware stappen hunner dravers verschrikten de vreedzame bewoners der wouden; want van tijd tot tijd wierp een hert zich uit het kreupelbos, en vluchtte sneller dan de wind voor dit nakend gevaar.