De Koopman van Venetië

Part 7

Chapter 71,694 wordsPublic domain

II. 3. 2. Het is een hel, en gij, een snaaksche duivel enz. Aan Jessica scheen haars vaders huis een hel toe en Lancelot was er de grappige duivel in. Op het oud-Engelsch tooneel speelde de duivel dikwijls de rol van den grappenmaker, zie blz. 15.

II. 7. 56. De gouden munt, engel genoemd, wordt door Sh. meermalen genoemd, b.v. Koning Jan, III. 3. 8. Zij was 10 shilling waard (f6.-).

II. 9. 28. Als de zwaluw. De huiszwaluw, in het Engelsch martlet (Hirundo urbica), maakt haar nest aan de buitenzijde van gebouwen; meestal vindt men er verscheidene dicht bijeen, zooals Sh. uitvoeriger in Macbeth I. 6. 4. beschrijft. Sh. wist, welke soort hij koos; de boerenzwaluw (Hirundo rustica) nestelt binnenshuis, b.v. in stallen, of, in onbewoonde streken, in rotsholten enz.

III. 1. 4. De Goodwins, gevaarlijke ondiepten nabij den mond van de Theems, worden ook vermeld in Koning Jan, V. 3. 11.--Dat oude vrouwen gaarne gember knauwen reg. 10 (to knap is: in kleine stukjes bijten), wordt ook vermeld in Maat voor Maat, IV. 3. 8.

III. 1. 126. Het was mijn turkoois. Aan dezen edelsteen werd bijzondere kracht toegeschreven; hij werd lichter of donkerder naar den gezondheidstoestand van den bezitter, beschermde dien voor gevaren, verzekerde de eendracht tusschen man en vrouw.

III. 1. 131. Huur een gerechtsdienaar, die Antonio in hechtenis zou moeten nemen en hem overal vergezellen, opdat hij niet ontsnapte. Shylock heeft hem wel eerst over veertien dagen noodig, maar wil hem nu alvast bespreken.

III. 2. 55. Jonge Alcides. Portia vergelijkt zich met Hesione, de dochter van den Trojaanschen koning Laomedon, die door haar vader aan een zeemonster was prijsgegeven, maar door Hercules bevrijd werd. Dardanen = Trojanen.

III. 2. 63. Zegt, van waar de wufte min. In 't Engelsch fancy, een vluchtige, wufte, niet diepgaande min of verliefdheid, wel te onderscheiden van love, echte liefde. Portia laat hier uitdrukkelijk zingen, dat de fancy zich door 't oog laat leiden en kortstondig is. De love moet dus anders doen en zal duurzaam wezen. Portia zegt dus wel degelijk tot Bassanio, dat hij zich niet door den schijn moet laten verlokken, met andere woorden, liefst het looden kastje kiezen. Het verwondert mij, deze opmerking nog nergens te hebben aangetroffen. Dat Portia inderdaad een duidelijken wenk geeft, blijkt nog beter uit het oorspronkelijke; de vertaling vermocht hier niet het Engelsch geheel terug te geven:

Tell me, where is fancy bred, Or in the heart, or in the head? How begot, how nourished? Reply, reply. It is engendered in the eyes, With gazing fed; and fancy dies In the cradle, when it lies. Let us all ring fancy's knell: I'll begin it,--Ding, dong, bell.

III. 2. 86. Al bergt de lever zelfs geen droppel gal. In het Engelsch wordt van een melkwitte lever gesproken, die voor een blijk van lafheid geldt. In den volgenden regel wordt de baard eigenlijk een uitgroeisel van dapperheid, valour's excrement geheeten.--De gulden lokken worden meermalen door Sh. vermeld. Zij waren zeer in de mode, ongetwijfeld omdat Koningin Elizabeth roodachtig haar had. Zoo zegt Sh. b.v. in zijn 68ste sonnet:

"Zoo is hij ons een beeld uit beter dagen, Toen schoonheid leefde en stierf als bloemen thans, Aleer zij waagde een basterdschild te dragen, En 't voorhoofd schittren deed met valschen glans;"

Dit ziet op het blanketten, de valsche lokken volgen:

"Eer gouden lokken, aan het graf geroofd, Van dooden afgemaaid, een tweede leven, Een valsch, begonnen op een tweede hoofd, Eer schoonheids dood aan andren schoon moest geven."

Men zie hierover ook het Kostelick Mal van onzen Huygens, in 1622 te Londen voltooid.

III. 4. 52. Breng, dat.... naar 't veer, waarmee men.... Venetië bereikt. Bring them.... Unto the traject, to the common ferry, which trades to Venice. Traiect (voor het zeker bedorven tranect gesteld) is geen zeer gewoon Engelsch woord, en wordt daarom verklaard; het is het Italiaansche tragetto.

III. 4. 78. Zoo mannen na te gaan. In 't Engelsch is de woordspeling eenigszins anders; er staat: shall we turn to men = tot mannen worden en = ons naar de mannen wenden.

IV. 1. 49. En die zit, bij den neustoon van de zakpijp, Op spelden schier. In het oorspronkelijke: And others, when the bagpipe sings i' the nose, Cannot contain their urine.

IV. 1. 199. Dat, naar gerechtigheid, geen onzer ooit Behouden wordt. Diezelfde toespeling op het Christelijk geloof vindt men in Maat voor Maat, II. 2. 73. Het vervolg doelt blijkbaar op het Onze Vader.

IV. 1. 247. De wet is duid'lijk; zin en woorden slaan Volkomen op de thans vervallen boete. De redeneeringen van den jeugdigen Daniël zijn recht aardig gevonden en bereiken het doel volkomen, maar mogen wel eens nader bekeken worden. Een echt jurist, zou, dunkt mij, de schuldbekentenis ipso jure nul en nietig hebben verklaard, omdat zij een onzedelijke bepaling bevatte. Maar erkende de rechter haar als geldig, dan mocht de jood snijden, en dan was het een slinksche, sluwe streek, hem het storten van bloed te verbieden, want dit was onvermijdelijk bij de toepassing van het recht tot snijden, dat door de schuldbekentenis was toegestaan. Verder: mocht de jood ook al niet meer dan een pond snijden, het minder nemen kon toch niet wel strafbaar zijn. De Romeinsche wetten der XII tafelen waren juister; bij het in stukken snijden (in partes secare) van schuldenaars wordt opgemerkt, dat het op iets meer of iets minder niet aankomt: si plus minusve secuerit, sine fraude esto. Heeft dus Sh. dit niet bedacht, toen hij uit zijn bronnen deze tragische episode in zijn blijspel invlocht? Nog één vraag komt bij ons op. Bezigt hij het ontfutselen, onmiddellijk na de gerechtsscène, der huwelijksringen door Portia en Nerissa, aan haar mannen, om in het vijfde bedrijf zijn toeschouwers na de geweldige spanning, waarin zij verkeerden, weder in de stemming van het blijspel terug te brengen? De wijze, waarop in den tegenwoordigen tijd de rol van Shylock wordt opgevat, moge dit doen denken, maar er is inderdaad alle reden om aan te nemen, dat deze opvatting niet de ware is, dat de dichter en zijn tijdgenooten in de gerechtsscène een tooneel zagen, dat werkelijk geheel in een blijspel paste.

Sh.'s tijdgenoot en vriend, de groote tooneelspeler Burbage, die Sh.'s bedoelingen ongetwijfeld juist teruggaf, vatte, zooals bekend is, de rol van Shylock inderdaad als een comische rol op, doste zich uit en stelde den jood voor op een wijze, die het voor den toeschouwer werkelijk zeer vermakelijk maakte, dat Shylock op het oogenblik, dat hij zeker van zijn wraak dacht te zijn, er van verstoken werd; dat dit door louter sophismen geschiedde, maakte de zaak des te kostelijker. Zien wij, hoe Sh. den jood inderdaad gemeene trekken leende, deed wenschen, dat zijn dochter aan zijn voeten gekist lag, hem zijn mes op zijn schoenzool deed aanzetten, dan worden wij overtuigd, dat deze opvatting de ware is, dan zal de spanning bij de gerechtsscène nooit tot een tragische hoogte stijgen, want wij weten vooraf, dat de jood, hoe dan ook, bedrogen zal uitkomen, dan zijn de gronden van den baardeloozen rechter, hoe sophistisch ook, inderdaad volkomen passend, eenvoudig omdat zij tot het doel voeren, dan vragen wij niet, of ooit in Venetië de rechtspraak zoo aan een vreemden rechtsgeleerde werd overgegeven, dan is de vroolijkheid, opgewekt door Shylocks en Gratiano's vermelding van den wijzen Daniël en door Bassanio's en Gratiano's wenschen, dat zij met hun vrouwen Antonio's vrijheid konden koopen, volkomen op haar plaats, dan rillen wij niet bij de gedachte, dat de jood in zijn woede kan toestooten, dan is geen schrille tegenstelling tusschen het gerechtstooneel en het vervolg. De dichter behoeft niet plotseling tot het blijspel terug te keeren, want hij is er nooit van afgeweken; dat hij er iets huiveringwekkends ingebracht heeft, was alleen om later de vroolijkheid nog te verhoogen, zooals,--de opmerking is van Rümelin in zijn Shakespeare Studien--Sinterklaas en zijn knecht in de kinderkamer treden, om na een oogenblik van spanning den jubel des te grooter te maken.

Inderdaad, letten we op de plaats, dien in Sh.'s tijd de joden in de maatschappij innamen, dan beseffen wij, dat de jood Shylock zeker niet als tragisch personage bedoeld kan zijn en dat alleen de bijzonderheid, dat Shakespeare, in onpartijdigheid zijn tijdgenooten ver vooruit, hem redeneeringen in den mond legt, waarvan wij de juistheid moeten toestemmen en die zijn woede verklaarbaar maken, er velen toe gebracht heeft, om hoogtragischen pathos daar te vinden, waar wij nog midden in het blijspel zijn.

Eindelijk zij nog opgemerkt, dat alleen in een stuk, waarin tot vermaak van het publiek, de jood bedrogen moet uitkomen, de eisch kan gesteld worden, dat de jood, tot straf van zijn aanslag op Antonio, zich den doop moet laten toedienen. Een jood gruwt bij die gedachte, daarom werd deze boete aan Shylock niet gespaard; in een blijspel, dat zoo veel sprookjesachtigs heeft, kunnen wij ons dit zeer goed voorstellen, maar wanneer wij de gerechtsscène als een tooneel beschouwen, dat ons door tragischen ernst diep in de ziel moet grijpen, moet ons die eisch voorkomen als een profanatie van wat in veler oogen heilig is.

IV. 1. 399. Tien hadt gij er meer. Twaalf gezworenen, die het schuldig zouden uitspreken.

V. 1. 1. In zulk een nacht. Deze wisseling van gezegden, telkens met "In zulk een nacht" beginnende, is het, die in het stuk Wily beguiled is nagebootst; zie blz. 343. De verliefdheid van Troilus op Cressida was algemeen bekend, al ware 't slechts uit Chaucer's Troilus and Creseide. Een wilgetak of wilgekrans was het teeken eener verlaten geliefde; zie Koning Hendrik VI, derde deel, III. 3. 228. Othello, IV. 3. 42; daarom klimt ook Ophelia op een wilg, Hamlet, IV. 4. 167. De geschiedenis van Medea vindt men reeds in Gower's Confessio Amantis.

V. 1. 220. Heil'ge vonken. In 't oorspronkelijke staat: kaarsen, candles of the night, evenals in Romeo and Julia, III. 5. 9.

AANTEEKENING

[1] Anders kan het veeleer samenhangen met het Joodsch-Arameesche sjelaq, verbrand worden, dat een enkele maal ook voor snijden gebruikt wordt; dan zou Shylock beteekenen: hij, die snijdt.

End of Project Gutenberg's De Koopman van Venetië, by William Shakespeare