Part 5
DOGE. Maakt plaats; hij sta daar over onzen stoel.-- Shylock, de wereld denkt, zooals ook ik, Gij drijft deez' schijn van uwe boosheid slechts Tot aan het uur der daad; en dan, dan toont ge Uw huiv'ring, uw erbarmen, wonderbaarder Dan deze uw wondre, schijnbre wreedheid is; Dan zult ge, schoon ge thans uw recht nog eischt, (Dat pond van dezes armen koopmans vleesch,) Niet slechts, zoo wacht men, daarvan afzien, maar, Door menschlijkheid en menschenmin geroerd, Een deel hem schenken van de schuld, erbarmen Betoonend om de slagen, die sinds kort Zoo dicht zijn schouders troffen, zwaar genoeg Om zelfs een koopman-vorst ten val te brengen, En meêlij met zijn toestand af te dwingen Aan koop'ren boezems, harten hard als steen, Aan stugge Turken en Tataren, die Nog nooit uit menschlijkheid een dienst bewezen. Wij allen wachten, Jood, een gunstig antwoord.
SHYLOCK. Ik deelde uw hoogheid mee, wat ik verlang, En ik bezwoer bij onzen heil'gen sabbat, Te vordren, wat mij toekomt door mijn schuldbrief. Als gij dit weigert, brengt ge van uw stad De rechten en de vrijheid in gevaar. Vraagt gij, waarom ik liever zoo'n gewicht Van krengenvleesch wil hebben, dan drieduizend Dukaten wil ontvangen; 'k heb geen antwoord Dan dit: 't is mijn verkiezing. 't Is toch antwoord! Wat? als mijn huis gekweld is van een rat, En ik verkies voor 't dooden eens tienduizend Dukaten te off'ren? Nu, dit is toch antwoord? Deez' kan het schreeuwen van een big niet lijden, En die wordt dol, als hij een kat maar ziet, En die zit, bij den neustoon van de zakpijp, Op spelden schier; ja, voor- of tegenzin Beheerscht den geest en dwingt naar luim en lust Tot liefde of afschuw; nu, ziehier uw antwoord: Zooals geen grond of reden is te geven, Dat deez' geen schreeuwend varken velen kan, En die geen kat, zoo'n noodig, goedig dier, En die geen zakpijp, maar elk onweerstaanbaar Genoopt wordt tot het smadelijk bedrijf, Dat hij, getergd, nu zelf weer andren tergt, Zoo kan en wil ik ook geen reden geven, Dan ingevreten haat en bittren wrok, Dien 'k voor Antonio voel, wat mij mijn recht, Zelfs met verlies doet eischen. Is dit antwoord?
BASSANIO. Dit is geen antwoord, schepsel zonder hart, Dat uw wreedaardig drijven kan verschoonen.
SHYLOCK. Moet ik dan antwoord geven naar uw zin?
BASSANIO. Brengt iedereen dàt om, wat hem mishaagt?
SHYLOCK. Wie haat dan iets, en brengt het niet graag om?
BASSANIO. Wat ons mishaagt, wekt daad'lijk nog geen haat.
SHYLOCK. Laat gij u tweemaal bijten door een slang?
ANTONIO. Bedenk, het is de jood, met wien ge u inlaat; Ga eerder nog naar 't strand der zee en geef Den vloed bevel, dat hij in eb verander; Daag eerder nog den wolf tot een verhoor, Waarom hij 't ooi deed blaten om het lam; Verbied veeleer den fieren pijn der bergen, Te schudden met den hoogen top, te ruischen, Als hem de storm met vlaag op vlaag bestookt, Leg eer de hardste taak u op, dan dat Gij 't hardste, dat bestaat, tracht te verzachten, Zijn jodenhart; en daarom, 'k smeek het u, Geen aanbod meer, geen middel meer beproefd, Maar kort en goed zij de uitspraak nu gedaan, Mijn lot beslist, en hebb' de jood zijn eisch.
BASSANIO. Hier zijn dukaten, zes- voor uw drieduizend.
SHYLOCK. Was ieder der zesduizend stuks dukaten Zesmaal gedeeld en elk deel een dukaat, Ik nam ze niet; ik vergde toch mijn schuldbrief.
DOGE. Hoopt ge op genâ, gij, die er geen bewijst?
SHYLOCK. Wat vonnis zou ik duchten? 'k Doe geen onrecht. Gij hebt wel meen'gen duurgekochten slaaf, Dien gij, gelijk uw ezels, paarden, honden, Tot slaafsch en laag en smaad'lijk werk gebruikt, Wijl gij ze kocht.--En als ik tot u zeide: Laat hen toch vrij en paart hen met uw erven; Wat zwoegen ze onder vrachten? laat hun bed Zoo zacht zijn als het uwe; streel hun tong Met spijzen, fijn als de uwe;--gij zult zeggen: Die slaven zijn gekocht.--Zoo zeg ik ook: Zie, dit pond vleesch, dat ik van hem verlang, 't Is duur gekocht, 't is mijn, en ik wil 't hebben. Als gij het weigert, spuw ik op uw wet! Dan heeft hier in Venetië 't recht geen kracht! Ik wacht op de uitspraak; antwoord! zal ik 't hebben?
DOGE. Ik ben bevoegd de zitting op te heffen, Als niet Bellario, een doorkneed geleerde, Wiens rechtspraak ik in deze heb gevraagd, Vandaag verschijnt.
SALARINO. Uw hoogheid, buiten staat Een bode, die met brieven van den doctor Daar juist van Padua komt.
DOGE. Breng ons die brieven; laat den bode komen.
BASSANIO. Schep moed, Antonio, heb slechts goeden moed! Eer krijgt de jood mijn vleesch, bloed, beendren, alles, Eer gij voor mij een druppel bloeds verliest.
ANTONIO. Ik ben een zieklijk ram der kudde, rijp Ten dood; het is de zwakste vrucht, die 't eerst Ter aarde valt; zoo zij 't met mij; gij kunt Geen beetren dienst mij doen dan deez', Bassanio, Dat gij blijft leven en mijn grafschrift stelt.
(Nerissa treedt op, als klerk van een rechtsgeleerde gekleed.)
DOGE. Komt gij van Padua, van Bellario?
NERISSA. Van beide, Heer; Bellario groet uw hoogheid.
(Zij overhandigt een brief.)
BASSANIO. Wat wet gij daar zoo ijverig uw mes?
SHYLOCK. Om, wat mij toekomt, uit dien bankroetier te snijden.
GRATIANO. Gij scherpt niet op uw zool, maar op uw ziel, Steenharde jood, uw mes; maar geen metaal, Neen, niet de bijl des beuls heeft half de scherpte Uws scherpen haats. Geen beê dringt in u door?
SHYLOCK. Geen enkle, neen, die uw vernuft kan smeden.
GRATIANO. Vervloekt dan, onverbidbre hond! En zij Gerechtigheid verklaagd, wijl gij nog leeft! Gij zoudt mij schier in mijn geloof doen wank'len, Om mij te scharen bij Pythagoras, Dat beestenzielen varen in het lichaam Van menschen; eens bezielde uw hondsche geest Een wolf; van dien, om menschenmoord gehangen, Ontvlood, daar aan de galg, de felle ziel, En voer, toen nog uw ongedoopte moeder U droeg, in u, in u; want uw begeerten Zijn wolfsch, bloeddorstig, hongrig en roofgierig.
SHYLOCK. Tot gij dit zegel wegraast van mijn schuldbrief, Bederft ge uw longen maar met dat geschreeuw; Lap uwen geest wat op, jong mensch; zijn staat Mocht hoop'loos worden.--'k Sta hier voor mijn recht.
DOGE. Bellario's schrijven hier beveelt aan 't hof Een jongen, zeer geleerden doctor aan; Waar is hij?
NERISSA. Heer, hij wacht nabij deez' zaal Uw antwoord, of hij toegelaten wordt.
DOGE. Van heeler hart;--dat drie of vier van u Hem hoff'lijk de gerechtszaal binnenleiden.-- Intusschen hoore 't hof Bellario's brief.
EEN KLERK (leest). "Deze is dienende om uwe hoogheid te berichten, dat ik bij de ontvangst van uw brief zeer ziek ben. Maar juist toen uw bode aankwam, bracht mij een jong doctor uit Rome, met name Balthazar, een vriendschappelijk bezoek; ik heb hem bekend gemaakt met het geding tusschen den Jood en den koopman Antonio; wij hebben samen vele rechtsgeleerde werken nageslagen; hij is volkomen met mijn inzichten bekend, die hij, verbeterd nog door zijn eigen geleerdheid (die zoo groot is, dat ik haar niet genoeg roemen kan), op mijn aandringen overbrengt, om uwe hoogheid in mijne plaats ten dienste te staan. Ik verzoek u dringend, laat zijn jeugdige leeftijd geen oorzaak wezen om hem eerbiedige achting te doen derven, want nooit zag ik een jong hoofd, zoo grijs in kennis. Ik reken voor hem met vertrouwen op een gunstige ontvangst bij uwe hoogheid; uw toetsing zal zijn lof beter verkondigen, dan ik het kan doen."
DOGE. Gij hoort, wat de geleerde man ons schrijft; En hier, naar 'k denk, verschijnt de jonge doctor.
(Portia komt op, in het gewaad van een rechtsgeleerde.)
Uw hand, Heer;--'t is Bellario, die u zendt?
PORTIA. Zoo is 't, doorluchte heer.
DOGE. Neem plaats, wees welkom! Is u 't geding, dat op dit oogenblik Voor 't hof hier hangende is, alreeds bekend?
PORTIA. 'k Ben van de zaak volkomen ingelicht.-- Wie is de koopman hier, waar is de jood?
DOGE. Antonio, oude Shylock, komt naar voren.
PORTIA. Uw naam is Shylock?
SHYLOCK. Shylock is mijn naam.
PORTIA. Van vreemden aard is de eisch, dien gij hier doet, Maar in den vorm, zoodat Venetië's wet Bij 't voeren van 't geding u niet kan wraken.-- (Tot Antonio.) Gij zijt het, die bedreigd wordt door zijn eisch?
ANTONIO. Zooals hij zegt.
PORTIA. En gij erkent den schuldbrief?
ANTONIO. O ja.
PORTIA. Dan moet de jood genadig zijn.
SHYLOCK. Gij zegt, ik moet; wat dwingt me? zeg me, wat?
PORTIA. Genade wordt verleend, niet afgedwongen; Zij drupt, als zachte regen, uit den hemel Op de aarde neer, en dubblen zegen brengt ze, Zij zegent hem, die geeft, en die ontvangt; Ze is 't machtigste in den machtigste; ze siert Den koning op zijn troon meer dan de kroon; De scepter toon' zijn wereldlijk gezag, Zij 't zinbeeld zijner macht en majesteit, Wekke eerbied en ontzag voor 't koningschap, Maar boven dezen scepter heerscht genade; Zij heeft haar zetel in der vorsten hart; Zij is een eigenschap der godheid zelf; En aardsche macht zweemt meest naar die van God, Wanneer genade 't recht doortrekt. Daarom, Beroept ge u, jood, op 't recht, bedenk ook dit, Dat, naar gerechtigheid, geen onzer ooit Behouden wordt; wij bidden om genade; En de eigen bede leert ons, zelf aan and'ren Genade te oef'nen. Hiermee dring ik aan, Dat gij de strengheid van uw eisch verzacht; Want, blijft ge er bij, dan moet Venetië's hof Zijn vonnis vellen tegen dezen koopman.
SHYLOCK. Mijn daden op mijn hoofd; ik eisch de wet, De boete, de voldoening van mijn schuldbrief.
PORTIA. Is hem 't betalen van het geld onmooglijk?
BASSANIO. O, neen, hier voor het hof bied ik 't hem aan; Ja tweemaal zelfs; als dit nog niet genoeg is, Verbind ik mij het tienmaal te betalen, 'k Verpand mijn handen, hoofd en hart er voor; Is dit nog niet genoeg, dan blijkt het nu, Dat boosheid braafheid onderdrukt. En 'k bid u, Verbuig voor eens nu 't recht door uw gezag; Om waarlijk recht te doen, pleeg luttel onrecht, En toom dien boozen duivel in zijn vaart.
PORTIA. Dit mag niet zijn. Geen macht kan in Venetië Een wettig vastgestelde wet verwringen; 't Wierd aangehaald als voorbeeld voor 't vervolg; En menig misbruik vond, na zulk een voorgang, Wel ingang in den staat; het mag niet zijn.
SHYLOCK. Een Daniël, die rechtspreekt! ja, een Daniël!-- O wijze, jonge rechter, hoe 'k u eer!
PORTIA. Ik bid u, laat mij eens den schuldbrief zien.
SHYLOCK. Hier is hij, eed'le doctor, zie, hier is hij.
PORTIA. Shylock, men biedt u driemaal thans uw geld.
SHYLOCK. Een eed, een eed, ik zond een eed ten hemel! En zou ik meineed laden op mijn ziel? Voor gansch Venetië niet.
PORTIA. Deez' schuld verviel; En 't stuk geeft aan den jood het recht, dat hij Een pond mag eischen van des koopmans vleesch, 't Moet snijden bij 's mans hart;--maar wees genadig, Neem driemaal 't geld, en laat mij 't stuk verscheuren.
SHYLOCK. Als aan zijn letter is voldaan, eer niet. Het blijkt, dat gij een waardig rechter zijt; Gij kent de wet, en uw betoog was juist En bondig; ik bezweer u bij de wet, Waarvan ge een hechte steunpilaar u toont, Sla 't vonnis nu; ik zweer toch bij mijn ziel, Geen menschentong heeft in het minst de macht Mij te verand'ren; 'k sta hier op mijn schuldbrief.
ANTONIO. Van ganscher harte smeek ik 't edel hof Om uitspraak in mijn zaak.
PORTIA. Welnu, die luidt: Houd uwen boezem voor zijn mes bereid.
SHYLOCK. O, edel rechter, wakker jongeling!
PORTIA. De wet is duid'lijk; zin en woorden slaan Volkomen op de thans vervallen boete, Die in dit stuk verschuldigd wordt erkend.
SHYLOCK. Volkomen waar; o, wijs en eerlijk rechter! O, hoeveel ouder zijt ge dan gij schijnt!
PORTIA. Ontbloot alzoo uw boezem.
SHYLOCK. Ja, zijn borst; Zoo zegt mijn stuk;--niet waar, hoogedel rechter?-- Het naast aan 't hart;--staat het niet woord'lijk zoo?
PORTIA. Zoo is 't. Hebt gij een weegschaal hier, om 't vleesch Te wegen?
SHYLOCK. 'k Heb ze bij de hand.
PORTIA. Zorg voor een wondarts, Shylock, op uw kosten, Die hem verbind', want anders bloedt hij dood.
SHYLOCK. Is dat zoo voorgeschreven in den schuldbrief?
PORTIA. Het staat er niet uitdrukk'lijk, maar wat doet dit? 't Waar' goed, dat gij uit menschlijkheid het deedt.
SHYLOCK. Ik kan 't niet vinden, 't staat niet in den schuldbrief.
PORTIA. Gij koopman, hebt gij ook nog iets te zeggen?
ANTONIO. Slechts luttel; 'k ben bereid en welgewapend!-- Geef mij de hand, Bassanio, vaar gij wel! Het grieve u niet, dat dit voor u mij treft; Want hierin toont zich 't Noodlot goediger, Dan 't anders pleegt te doen. Hoe vaak toch laat het Den bankroetier zijn schatten overleven, Om met gerimpeld voorhoofd, holstaand oog Een ouden dag van armoede af te wachten; Het spaart mij 't slepend leed van zulke ellend! Breng aan uw eedle ga mijn groeten over, Meld haar de toedracht van Antonio's sterven, Hoe ik u liefhad, roem den doode na, En is 't verhaal gedaan, laat haar beslissen, Of niet Bassanio eens een vriend bezat. Treurt gij slechts niet, dat gij een vriend verliest, Dan treurt hij niet, dat hij uw schuld betaalt; Want maakt de jood zijn snede diep genoeg, Dan kwijt ik haar in eens met heel mijn hart.
BASSANIO. Antonio, vriend, ik heb een vrouw gehuwd, Die mij zoo dierbaar is als 't leven zelf; Maar 't leven zelf, mijn vrouw, de gansche wereld, Zij gelden mij niet hooger dan uw leven; 'k Gaf alles prijs, dit alles offerde ik Dien duivel daar, om u van hem te ontslaan.
PORTIA. Uw vrouw betuigde u zeker luttel danks, Was zij hierbij en hoorde ze uw betuiging.
GRATIANO. Ik heb een vrouw, die 'k min, ik zweer 't; maar 'k wenschte Haar in den hemel, kon ze daar een macht Verbidden, die dien hondschen jood verkneedde.
NERISSA. 't Is goed, dat gij dit in haar afzijn zegt: Uw wensch kon licht den vreê van 't huis verstoren.
SHYLOCK (ter zijde). Zoo zijn de christenmannen;--'k heb een dochter, Maar had ze wien ook van Barabbas' stam Tot man genomen, eer nog dan een christen!-- (Luid.) De tijd verloopt; ik bid u, kom tot de uitspraak.
PORTIA. Een pond van dezes koopmans vleesch is u; Het hof erkent dit, en de wet verleent het.
SHYLOCK. O hoogst rechtvaardig rechter!
PORTIA. Gij moet dit vleesch hem snijden van de borst; De wet erkent dit, en het hof verleent het.
SHYLOCK. Hoogstwijze rechter!--'t Is beslist, bereid u!
PORTIA. Een oogenblik nog;--neem ook dit in acht:-- De schuldbrief hier geeft u geen druppel bloeds; De woorden zijn uitdrukk'lijk: een pond vleesch. Neem dus uw schuldbrief, neem gij uw pond vleesch; Maar zoo, bij 't snijden, gij een drup vergiet, Een enklen druppel christenbloed, dan vallen Uw land en goedren, naar Venetië's wet, Den staat Venetië toe.
GRATIANO. O, eerlijk rechter! jood; een wijze rechter!
SHYLOCK. Is dat de wet?
PORTIA. Gij zult de keur zelf zien; Gij eischtet recht, en, wees verzekerd, recht Zal u geworden, meer dan gij verlangt.
GRATIANO. O wijze rechter! jood; een wijze rechter!
SHYLOCK. 'k Neem 't aanbod aan;--betaal driemaal de schuld, En dat de christen ga.
BASSANIO. Hier is het geld.
PORTIA. Bedaar! Den jood Zal al zijn recht geworden!--neen, geen haast! De boete zal hij hebben en niets meer.
GRATIANO. O, jood, een eerlijk rechter! een wijs rechter!
PORTIA. Daarom, maak u gereed het vleesch te snijden. Maar stort geen bloed; en snijd niet min of meer Dan juist een pond; want neemt ge meer of minder Dan juist een pond;--al waar' 't ook maar zooveel, Dat het gewicht te licht wordt of te zwaar, Een onderdeel zelfs van een twintigste Van éénen scrupel;--slaat de weegschaal door, Ja, waar' 't ook slechts de breedte van een haar,-- Dan sterft ge, en al uw goedren zijn verbeurd.
GRATIANO. Een tweede Daniël! ja, een Daniël, jood! Nu, ongedoopte hond, nu hebben we u.
PORTIA. Wat draalt de jood nog? Neem, wat u verviel.
SHYLOCK. Geef mij mijn hoofdsom slechts, en laat mij gaan.
BASSANIO. Ik heb het geld voor u gereed; hier is 't.
PORTIA. Hij heeft het openlijk voor 't hof versmaad; Zijn recht slechts zal hij hebben en zijn schuldbrief.
GRATIANO. Een Daniël, zeg ik weer, een tweede Daniël!-- Ik dank u, jood, voor 't leeren van dat woord.
SHYLOCK. Krijg ik dan nu niet eens mijn hoofdsom weer?
PORTIA. Niets krijgt ge, niets, dan de vervallen boete; Die moogt ge op lijfsgevaar nu innen, jood.
SHYLOCK. Dan doe de duivel hem er wel bij varen! Ik laat me er langer niet mee in.
PORTIA. Blijf, jood; Het recht heeft nog iets anders van u te eischen. De wetten van Venetië stellen vast:-- Als van een vreemdling te bewijzen is, Dat hij, 't zij rechtstreeks, 't zij op slinksche wijs, Een burger naar het leven heeft gestaan, Dan naast de burger, wiens verderf hij zocht, De helft van al zijn goedren; de andre helft Valt aan de schatkist van den staat ten deel; En 't leven van den schuldige berust In 's dogen hand, die niemands stem behoeft. Deze uitspraak, zeg ik, past geheel op u: 't Is uit uw handling hier voor 't hof gebleken, Dat gij èn rechtstreeks èn op slinksche wijs Met overleg het leven hebt bedreigd Van den verweerder; en de strafbedreiging, Zoo even aangehaald, is hier van kracht. Dus kniel, en smeek genade van den doge.
GRATIANO. Smeek om verlof, dat gij uzelf verhangt; Want, daar gij al uw goed'ren hebt verbeurd, Bleef u de waarde zelfs niet van den strik, En moet de staat dat hangen nog betalen.
DOGE. Opdat ge in ons een andren geest erkent, Schenk ik u 't leven, eer gij er om bidt; Uw halve have is voor Antonio, En de andre helft is aan den staat vervallen, Maar deemoed kan dit mindren tot een boete.
PORTIA. Ja, voor den staat, niet voor Antonio.
SHYLOCK. Neen, neem mij 't leven ook, schenk dat mij niet; Gij neemt mijn huis, als gij den steun mij neemt, Waar heel mijn huis op rust; gij neemt mijn leven, Als gij de midd'len neemt, waar ik door leef.
PORTIA. En wat kan ùw genade zijn, Antonio?
GRATIANO. Een strop voor niet; niets meer, om Gods wil, niets.
ANTONIO. Behaagt het aan uw hoogheid en aan 't hof, Die straf van de eene helft hem kwijt te schelden, Dan is 't mij goed, mits hij mij de andre helft In bruikleen geven wil,--om na zijn dood Die weder af te staan aan de' edelman, Die onlangs hem zijn dochter heeft geschaakt; En nog twee eischen: dat, voor deze gunst, Hij van dit oogenblik een christen worde, Ten andre, dat hij, hier nu, voor het hof, Al wat hij bij zijn dood bezitten zal, Zijn zoon Lorenzo en zijn dochter schenke.
DOGE. Dit zal hij doen, of anders trek ik in Wat ik reeds van genade heb gerept.
PORTIA. Zijt gij tevreden, jood? wat is uw antwoord?
SHYLOCK. Ik ben tevreden.
PORTIA. Schrijver, stel een schenking.
SHYLOCK. Ik bid u, sta mij toe van hier te gaan; Ik ben niet wel; zend mij de schenking na; Ik zal ze teek'nen.
DOGE. Ga dan heen, maar teeken.
GRATIANO. Twee peten zult ge hebben bij uw doop; Ware ik uw rechter, tien hadt gij er meer, Om u ter galg te leiden, niet ter doopvont.
(Shylock af.)
DOGE. Ik bid u, heer, gebruik het maal bij mij.
PORTIA. Verschoon me, ik zeg uw hoogheid need'rig dank; Ik moet deze' avond nog in Padua zijn, En 't beste is dus, onmidd'lijk af te reizen.
DOGE. Het spijt me, dat uw tijd het niet gehengt.-- Antonio, toon u aan den doctor dankbaar, Want, naar mij dunkt, zijt gij hem veel verplicht.
(De Doge, Senatoren en Gevolg af.)
BASSANIO. Hoogedel heer, mijn vriend en ik, wij zijn Door uwe wijsheid heden vrijgesproken Van zware boete; en gaarne bieden we u, Wat aan den jood verschuldigd was, drieduizend Dukaten, voor uw edel hulpbetoon.
ANTONIO. En blijven, als uw schuld'naars, bovendien Tot liefde en weêrdienst eeuwig u verplicht.
PORTIA. Die weltevreden is, is welbetaald; Ik ben tevreden, dat ik u bevrijdde, En reken daardoor reeds mij welbetaald; Naar grooter loon heb ik nog nooit gestreefd. Eén bede: ken me, als gij mij weer ontmoet; Ik wensch u heil, en hiermeê neem ik afscheid.
BASSANIO. Zoo laten we u niet los, mijn waarde heer; Neem een gedacht'nis aan, maar als geschenk, En niet als loon; twee gunsten vraag ik u: Sla dit niet af, en duid mijn drang niet euvel.
PORTIA. Gij dringt mij sterk, en daarom geef ik toe. (Tot Antonio.) Uw handschoen dan; ik draag ze u ter gedacht'nis; (Tot Bassanio.) En daar gij 't wenscht, neem ik deez' ring van u;-- Trek niet de hand terug; ik wil niet meer; En uwe vriendschap mag mij dit niet weig'ren.
BASSANIO. Die ring, mijn heer,--ach, zulk een kleinigheid; Ik zou mij schamen, u dien aan te bieden.
PORTIA. Ik wil niet anders hebben dan dien ring Hoe 't komt, ik weet niet, maar ik hecht er aan.
BASSANIO. 't Is om de waarde niet, 't is om den ring; Den kostbaarste' in Venetië geef ik u, Dien openbare navraag vinden laat; Slechts deze' alleen, ik bid u, vraag dien niet.
PORTIA. Gij biedt, dit zie ik, onbekrompen aan; Eerst leerdet gij mij beed'len, en nu, dunkt me, Nu leer ik, hoe men beedlaars antwoord geeft.
BASSANIO. Deez' ring gaf, waarde heer, mijn vrouw me, en vroeg Bij 't aandoen mij een eed, dat ik hem nooit Verkoopen zou, verliezen, weg zou schenken.
PORTIA. Met zulk een uitvlucht spaart men meen'ge gave. Maar is uw vrouw geen dwaze vrouw, en weet ze, Hoe ik dien ring verdiende, wis, zij zal Niet eeuwig toornig blijven, dat ge aan mij Hem weggaaft.--Nu, het zij zoo; 't ga u wel.
(Portia en Nerissa af.)
ANTONIO. Bassanio, vriend, sta hem den ring toch af; Dat zijn verdiensten en mijn vriendschap saam Hier gelden tegen wat uw vrouw gebood.
BASSANIO. Gratiano, haast u, haal hem in, en geef Den ring hem nog; en breng hem, zoo ge kunt, Zelf bij ons, in Antonio's huis;--maak spoed!
(Gratiano af.)
Kom, gij en ik, wij gaan daar daad'lijk heen, En morgen in de vroegte vliegen wij Naar Belmont samen. Kom, Antonio.
(Bassanio en Antonio af.)
TWEEDE TOONEEL.
Aldaar. Een straat.
Portia en Nerissa komen op.
PORTIA. Vraag naar de woning van den jood en laat Dit stuk hem teek'nen. Nog van avond gaan wij; Zoo zijn we een dag voor onze mannen thuis. Dit stuk zal aan Lorenzo welkom zijn.
(Gratiano komt op.)
GRATIANO. Goed, dat ik u nog inhaal, waarde heer! Bassanio, die tot beter inzicht kwam, Zendt U deez' ring door mij en noodigt u Van middag tot het maal.
PORTIA. Dit kan niet zijn, Maar hartlijk dank ik hem voor dezen ring; En 'k bid u, zeg hem dit. Wees ook zoo goed Mijn klerk den weg naar Shylocks huis te wijzen.
GRATIANO. Met veel genoegen.
NERISSA (tot Portia, luid). Heer, een woord met u;-- (Zacht.) 'k Wil zien, den ring te krijgen van mijn man, Dien ik hem zweren deed nooit weg te schenken!
PORTIA. Dat kunt gij wis; dat zal een zweren zijn, Dat zij aan mannen slechts hun ringen schonken; Doch we òverkraaien, òverzweren hen.-- Maar ga, maak haast; gij weet, waar ik u wacht.
NERISSA. Kom, waarde heer, wilt gij zijn huis mij wijzen?
(Allen af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Belmont. Een park voor Portia's woning.
Lorenzo en Jessica komen op.
LORENZO. 't Is heldre maan; in zulk een nacht als deze, Toen zachte lucht de boomen vriendlijk kuste En nauwlijks ruischen deed,--in zulk een nacht, Naar 'k denk, steeg Troilus op Troja's wal En zond zijn ziel haar zuchten naar de tenten Der Grieken heen, waar ook zijn Cressida Die nacht te sluim'ren lag.
JESSICA. In zulk een nacht Sloop Thisbe, schuchter tripp'lend, op den dauw, En zag geen leeuw nog, maar alleen zijn schim, En nam vol angst de vlucht.
LORENZO. In zulk een nacht Stond Dido, in haar hand een wilgetak, Op 't woeste zeestrand, om haar lief te wenken, Weêr naar Carthago's kust.
JESSICA. In zulk een nacht Las zich Medea tooverkruid en maakte Den ouden Æson jong.
LORENZO. In zulk een nacht Verloor de rijke jood zijn Jessica, Die uit Venetië met een spilziek lief En heel naar Belmont vlood.
JESSICA. In zulk een nacht Zwoer haar Lorenzo, dat hij teêr haar minde, En stal met meen'gen eed van trouw haar hart, Doch alle waren valsch.
LORENZO. In zulk een nacht Bekladde Jessica, die kleine feeks, Haar zoetelief, maar hij vergaf het haar.