Part 8
Het kwam Juffrouw Spaak voor, alsof haar Meesteres nog iets had willen zeggen; maar zij bedwong zich en drukte de lippen op elkaar.
„En nu moet Mevrouw mij laten begaan.”
„Je moogt alles doen wat je wilt, Marit. De baron is weg. Ik vroeg hem den dokter te gemoet te rijden om hem te vragen zich te haasten.”
Juffrouw Spaak had verwacht, dat Marit Eriksdochter een poging zou doen om den jongen baron bij te brengen, maar tot haar groote teleurstelling deed ze niets in die richting.
In plaats daarvan beval Marit, dat men alle kleeren van baron Adriaan bij elkaar zou leggen, die hij nu gedragen had en die hij vroeger had aangehad, voor zoover ze nog te vinden waren. Ze wilde alles zien wat hij gedragen had: kousen, hemden, wanten en mutsen.
Dien dag deed men op Hedeby niet anders dan zoeken. Hoewel Juffrouw Spaak er over zuchtte, dat Marit niet anders was dan een gewone „wijze vrouw”, met gewone tooverkunsten, haastte ze zich uit latafels en kisten op zolders, in laden en kasten alles voor den dag te halen, wat ooit aan den zieke had behoord. De jonge freules, die vrij goed wisten, wat Adriaan had gebruikt, hielpen haar en ze kwam al gauw beneden bij Marit met een heel pak kleeren.
Marit legde alles op de keukentafel en onderzocht ieder stuk nauwkeurig. Een paar oude schoenen legde ze opzij, ook een paar kleine wanten en een hemd. En onder de hand mompelde zij eentonig en onophoudelijk: „Een paar voor de voeten, een paar voor de handen, een voor het lichaam en een voor het hoofd.”
„Ik moet iets voor het hoofd hebben,” zei ze plotseling met haar gewone stem. „Ik moet iets hebben, dat warm en zacht is.”
Juffrouw Spaak liet haar de hoeden en petten zien die ze bij elkaar had gehaald.
„Neen, het moet iets zijn, dat warm en zacht is,” zei Marit. „Had baron Adriaan niet een muts met een kwast zooals andere jongens?”.
Juffrouw Spaak wilde zeggen, dat ze zooiets niet gezien had, maar ’t keukenmeisje voorkwam haar.
„Ik vond vanmorgen immers zijn oude muts op de plank daar; maar U hebt me die uit de hand genomen.”
Zoo moest dan Juffrouw Spaak de muts voor den dag halen, die ze nooit had willen afgeven, maar als een dierbare herinnering levenslang bewaren.
Toen Marit de muts gekregen had, begon ze weer te mompelen; maar nu met een ander geluid in de stem. Nu klonk het alsof een kat van genoegen spint.
„Nu,” zei Marit, toen ze lang had staan mompelen over de muts en intusschen die omgedraaid en ineen gewrongen had. „Nu is er niets meer noodig. Maar dit alles moet in het graf van den Generaal worden gelegd.”
Maar toen Juffrouw Spaak dit hoorde, werd zij heelemaal wanhopend. „Hoe kan Marit nu denken, dat de baron het graf zal laten openmaken om zulken ouden rommel als dit er in te leggen,” zei ze.
Marit zag haar aan en glimlachte even. Ze nam Juffrouw Spaak bij de hand en trok haar mee naar een venster, zoodat ze met den rug naar alle anderen, die in de keuken waren, gekeerd stonden. Toen hield ze de muts van Adriaan voor de oogen van Juffrouw Spaak en trok met den vinger de draden van den grooten kwast van elkaar.
Geen woord sprak ze en geen woord zei Juffrouw Spaak; maar ze was doodsbleek, toen ze zich omkeerde en haar handen beefden.
Marit maakte een pakje van wat zij had uitgekozen en gaf dat aan Juffrouw Spaak.
„Nu heb ik het mijne gedaan,” zei ze. „Nu is het jelui zaak te zorgen, dat dit in het graf komt.”
En met die woorden ging zij heen.
Juffrouw Spaak ging naar het kerkhof, iets over tienen in den avond. Zij had het pakje van Marit bij zich, maar verder was het een tocht op goed geluk af. Hoe het haar zou gelukken die dingen in het graf van den Generaal te krijgen—daar had ze geen flauw begrip van.
Baron Löwensköld was met den dokter komen aanrijden, onmiddellijk nadat Marit was heengegaan, en Juffrouw Spaak had gehoopt, dat hij Adriaan bij zou kunnen brengen, zonder dat zij zich verder met de zaak bemoeide. Maar de dokter had dadelijk verklaard, dat hij niets kon doen. Hij zei dat de jonge man nog maar enkele uren te leven had.
Toen had Juffrouw Spaak het pakje onder den arm genomen en was op weg gegaan. Ze wist, dat het niet mogelijk zou zijn baron Löwensköld te bewegen, den grafsteen te laten oplichten en het dichtgemetselde graf openen, alleen om er een paar oude kleeren van baron Adriaan in te leggen.
En als ze zei wat er werkelijk in ’t pak zat, was ze er zeker van, dat hij onmiddellijk den ring aan den rechten eigenaar zou teruggeven; maar daarmeê zou ze verraad tegenover Marit Eriksdochter hebben gepleegd.
Ze twijfelde er niet aan, dat Marit eens had gezorgd, dat de ring op Hedeby was gekomen. Baron Adriaan had er iets van gezegd, dat Marit eens zijn muts had gestopt. Neen, zij mocht den baron niet laten merken hoe de zaak zich eigenlijk had toegedragen.
Juffrouw Spaak vond het zelf later wonderlijk, dat zij dien avond heelemaal niet bang was geweest. Maar ze klom over den lagen kerkhofwal en ging naar het graf van de Löwenskölds, zonder aan iets anders te denken, dan aan de vraag hoe zij den ring daarin zou kunnen krijgen.
Ze ging op den grafsteen zitten en vouwde de handen in gebed. „Als God mij niet helpt,” dacht ze, „zal het graf wel geopend worden, niet voor den ring, maar voor iemand, dien ik eeuwig zal betreuren.”
Midden onder haar gebed merkte zij een lichte beweging in ’t gras, dat den lagen grafheuvel, waarop de steen rustte, bedekte. Een klein kopje kwam te voorschijn en ze deinsde terug. Want Juffrouw Spaak was even bang voor ratten als de ratten voor haar waren. Maar dit gaf haar onmiddellijk iets als een ingeving. Ze ging snel naar een groote seringenstruik, brak een langen, dorren tak af en stak dien naar beneden in het rattengat. Ze stak hem eerst recht naar beneden, maar toen voelde ze dadelijk weerstand. Daarop probeerde ze hem schuin naar beneden te steken en toen drong hij diep door in de richting van het graf.
Ze was er verbaasd over hoe diep hij doordrong. De heele stok verdween. Ze trok hem haastig weer naar boven en mat den stok aan haar arm. Die was drie el lang en ze had hem in zijn volle lengte in de aarde gestoken. De stok moest in den grafkelder zijn geweest.
Juffrouw Spaak was nooit in haar leven zoo helder en klaar in haar hoofd geweest als op dit oogenblik. Ze begreep, dat de ratten zich een weg tot in het graf hadden moeten banen. Misschien was er een gat in den muur geweest of ook een steen in den muur was verweerd.
Ze ging op den grond liggen, rukte een graszode los, groef de losse aarde daaronder weg en stak haar arm daarin. Ze kwam zonder bezwaar ver naar beneden, maar nog niet tot den muur. De arm was niet lang genoeg.
Toen knoopte ze haastig het bundeltje kleeren los en nam er de muts uit. Ze bond die aan den stok en probeerde dien langzaam in het gat te steken. Al spoedig was hij verdwenen. Ze stak den stok al verder naar beneden, even langzaam en voorzichtig, al verder en verder naar beneden. En opeens, toen bijna de heele stok in den grond was gestoken voelde zij, dat hij met een heftigen ruk uit haar hand werd getrokken. Hij ging naar beneden en verdween.
’t Kon immers wel wezen, dat hij alleen door zijn eigen zwaarte was gevallen; maar zij was er volkomen zeker van, dat die haar was afgerukt.
En nu eindelijk werd ze bang! Ze nam al het andere, wat in het bundeltje was en stopte het in het gat, legde de aarde en de graszode weer terecht, zoo goed ze kon en liep hard weg. Ze liep eigenlijk niet; maar holde den heelen weg lang naar Hedeby.
Toen ze de plaats opkwam, stonden de baron en de barones allebei op de stoep. Ze kwamen haar levendig te gemoet.
„Waar is U geweest?” vroegen zij. „We hebben hier op U staan wachten.”
„Is baron Adriaan dood?” vroeg Juffrouw Spaak.
„Neen, hij is niet dood,” antwoordde de barones. „Maar zeg ons nu eerst waar U is geweest.”
Juffrouw Spaak kon nauwelijks spreken door ’t hijgen; maar ze vertelde van de opdracht, die Marit haar had gegeven, en zei, dat het haar was gelukt ten minste één van die dingen door een rattengang in den grafkelder te brengen.
„Dat is wel heel wonderlijk, Juffrouw Spaak,” zei de baron. „Want Adriaan is werkelijk beter. Hij werd een poosje geleden wakker, en zijn eerste woord was: „Nu heeft de Generaal zijn ring!”
„Zijn hart klopt weer gewoon,” zei de barones, „en hij wil U absoluut spreken. Hij zegt, dat U het is, die hem hebt gered.”
Ze lieten Juffrouw Spaak alleen naar Adriaan gaan. Hij zat overeind in bed en breidde de armen uit, toen hij haar zag.
„Ik weet het, ik weet het al!” riep hij uit. „De Generaal heeft zijn ring en dat hebt U gedaan!”
Juffrouw Spaak schreide en lachte, toen ze in zijn armen lag en hij haar op het voorhoofd kuste,
„Aan U heb ik mijn leven te danken,” zei hij. „Als U er niet was geweest, zou ik nu dood zijn. Ik kan er U nooit genoeg voor danken.”
De verrukking, waarmee de jonge man haar had begroet, maakte misschien, dat de arme Juffrouw Spaak wat al te lang in zijn armen bleef liggen. Hij voegde er haastig aan toe:
„Niet alleen ik dank U, maar er is ook een ander, die U dankbaar wezen zal.”
Hij liet haar een medaillon zien, dat hij aan een kettinkje om den hals droeg. Juffrouw Spaak onderscheidde flauw een miniatuur-portret van een jong meisje.
„U is de eerste na mijn ouders, die het hoort,” zei hij. „Als zij op Hedeby komt over een paar weken, zal ze U nog beter danken, dan ik kan doen.”
En Juffrouw Spaak maakte een kniks voor den jongen baron en dankte hem voor zijn vertrouwen. Zij had hem willen zeggen, dat ze niet van plan was op Hedeby te blijven om zijn verloofde te ontvangen.
Maar ze bedacht zich nog bijtijds. Een arm meisje moet er zich wel voor wachten een goede betrekking op te geven.
AANTEEKENING
[1] Twee soorten spoken, die zich volgens het Scandinavische volksgeloof op en bij de kerkhoven ophouden. (Vert.)