Part 7
Adriaan Löwensköld lag te slapen in een kamer in den gevel op den zolder, toen hij wakker werd door een licht gedruisch. Hij sloeg de oogen op en omdat de luiken niet vast gesloten waren en ’t buiten een lichte zomernacht was, zag hij duidelijk, dat de deur open gleed. Hij meende, dat het door den wind kwam, maar zag toen de opening van de deur gevuld worden door een donkere gestalte, die spiedend voorovergebogen de kamer inkwam.
Adriaan onderscheidde vrij duidelijk een oud man in een ouderwetsch ruiteruniform. Een wambuis van elandsvel was te zien onder den wat losgeknoopten rok, de laarzen gingen tot over de knieën, en den langen degen hield hij wat opgetild, als om dien niet te laten rammelen.
„Dat is zoowaar de Generaal,” dacht de jonge baron. „Dat is goed! Nu zal hij iemand zien die niet bang voor hem is.”
Alle anderen, die den Generaal gezien hadden zeiden gewoonlijk, dat hij verdween, zoodra ze hem aanzagen. Maar dit gebeurde dezen keer niet. De Generaal bleef in de deur staan, nog lang nadat Adriaan hem ontdekt had. Na ongeveer een minuut, toen hij er zeker van scheen te zijn, dat Adriaan het kon verdragen hem te zien, hief hij de eene hand op en wenkte hem.
Adriaan ging dadelijk overeind zitten in bed. „Nu of nooit,” dacht hij. „Hij vraagt eindelijk mijn hulp, en ik zal ook met hem meegaan.”
Eigenlijk had hij jaren lang hierop gewacht. Hij had zich hierop voorbereid en zijn moed gesterkt door er aan te denken. Hij had altijd geweten, dat dit iets was, wat hij doormaken moest.
Hij wilde den Generaal niet laten wachten, maar volgde hem, zoo als hij uit het bed gekomen was. Hij rukte alleen een laken naar zich toe en sloeg dat om zich heen.
Eerst toen hij midden in de kamer stond, kwam hij op de gedachte, dat het een gevaarlijk ding kon zijn, zich over te geven aan een wezen uit de andere wereld, en hij deinsde terug. Maar toen zag hij hoe de Generaal beide handen naar hem uitstak, als in een wanhopend smeeken.
„Wat is dat nu voor onzin!” dacht hij. „Moet ik bang worden nog vóór ik de kamer uit ben?”
Hij ging naar de deur; de Generaal liep voor hem uit op den zolder, maar liep aldoor achteruit, alsof hij er zich van wou overtuigen, dat de jonge man hem volgde.
Toen Adriaan over den drempel moest gaan en de kamer verlaten om naar buiten op den zolder te gaan, voelde hij weer een rilling van angst. Er was iets, dat hem zei, dat hij de deur moest dichtslaan en snel naar zijn bed teruggaan. Hij begon een voorgevoel te krijgen, dat hij zich in zijn kracht had vergist. Hij was niet een van hen, die zonder schade de oogen in de geheimen van de andere wereld konden slaan.
Toch had hij nog een beetje moed. Hij redeneerde met zich zelf en zei dat de Generaal hem toch niet in een of ander gevaar zou willen lokken. Hij wilde hem zeker alleen maar wijzen waar de ring was. Als hij nog maar een paar minuten volhield, zou hij bereiken waar hij jaren lang naar had verlangd en den vermoeiden zwerver terug kunnen zenden naar de eeuwige rust.
De Generaal was midden op den zolder blijven staan om op hem te wachten. Hier was het nog duisterder. maar Adriaan zag toch duidelijk de donkere gestalte met de smeekend uitgestrekte handen. Hij vermande zich, stapte over den drempel en de wandeling begon opnieuw.
Het spook trok zich terug naar de trap, en toen hij zag, dat Adriaan achter hem aan kwam, begon hij naar beneden te gaan. Aldoor liep hij achteruit, op iedere tree stil houdende en als ’t ware den aarzelenden jongen man meesleepend door de macht van zijn wil.
’t Werd een langzame wandeling, die vaak werd onderbroken; maar toch voortgezet. Adriaan trachtte zijn moed te bewaren door zich te herinneren hoe vaak hij er tegenover zijn zusters mee had gepraald en gezegd, dat hij den Generaal zou volgen, zoodra hij hem maar riep. Hij herinnerde zich ook hoe hij al van zijn kindschheid af van verlangen had gebrand om het onbekende uit te vorschen en in het afgeslotene door te dringen. En nu was het groote oogenblik gekomen, nu volgde hij een geest naar het onzekere. Zou zijn ellendige lafheid hem nu verhinderen eindelijk iets te weten te komen?
Op deze wijze dwong hij zich vol te houden; maar hij wachtte zich er voor dicht bij het spook te komen. Er bleef altijd een afstand van een paar el tusschen hen. Toen Adriaan midden op de trap stond, was de Generaal al beneden. Toen Adriaan op de onderste tree stond was de Generaal al in het voorhuis.
Maar hier bleef Adriaan weer staan. Rechts, vlak bij de trap was de deur van de slaapkamer van zijn ouders. Hij legde de hand op den knop maar niet om die om te draaien, alleen om er liefderijk over te strijken. Stel je voor! Als zijn ouders eens wisten, dat hij daar buiten in dat gezelschap stond! Hij verlangde er naar zich in zijn moeders armen te werpen. Hij had het gevoel, alsof hij zich volkomen aan de macht van den Generaal overgaf, als hij dien deurknop losliet. Terwijl hij daar nog stond met de hand op den knop, zag hij, dat een van de deuren in ’t voorhuis open ging en dat de Generaal over den drempel trad om naar buiten te gaan.
Het was vrij donker geweest op den zolder en op de trap; maar door de open deur kwam een sterker licht naar binnen, en in dat licht zag Adriaan voor ’t eerst het gezicht van den Generaal.
’t Was ’t gezicht van een oud man, zooals hij verwacht had. Hij herkende het heel goed van de schilderij in den salon. Maar over de trekken lag niet de rust van den dood; op dat gezicht lag woeste begeerte, om den mond speelde een griezelige glimlach van triomf en de zekerheid van te zullen overwinnen.
Maar dit, dat de aardsche hartstochten zich op een doode afspiegelden was iets verschrikkelijks. Héél, héél ver van den lust en het lijden der menschen willen wij ons denken, dat onze dooden verkeeren. Ver weg van al het aardsche willen wij hen zien, alleen van hemelsche dingen vervuld. In dit wezen, dat aan het aardsche hing, meende Adriaan een verleider te zien, een booze geest, die hem in ’t verderf wilde storten.
Hij werd door schrik overweldigd. In zinneloozen angst rukte hij de deur van zijn ouders’ slaapkamer open, vloog naar binnen en riep: „Vader! Moeder! de Generaal!”
En op hetzelfde oogenblik viel hij bewusteloos op den grond.
De pen valt uit mijn hand. Is het niet hopeloos te probeeren dit te beschrijven? Mij is dit verhaal verteld in den schemer bij den haard. Ik hoor nog die overtuigende stem. Ik voel de echte spokenrilling over mijn rug gaan, de rilling, die niet alleen van schrik, maar ook van verwachting komt.
Met welk een spanning luisterden we niet juist naar dit verhaal, omdat het een slip van den sluier scheen op te lichten, die over het onweetbare ligt. Wat een eigenaardige stemming liet die niet achter, alsof er een deur geopend werd, alsof nu eindelijk iemand uit de groote duisternis naar voren zou treden.
Wat is er van waar? De eene vertelster erfde het verhaal van de andere, de eene deed er wat bij, de andere liet er wat af. Maar bevat ze niet ten minste een kleine kern van waarheid? Maakt ze niet den indruk van een beschrijving te zijn van iets, wat werkelijk is gebeurd?
De geest, die spookte op Hedeby, die op klaarlichten dag werd gezien, die in den gang van het huishouden ingreep, die verloren dingen terugbracht, wie was hij? Wat was hij?
Is er niet iets buitengewoon duidelijks en vasts in zijn optreden? Onderscheidde hij zich niet van andere spoken op oude hoeven door een zekere eigenaardigheid? Is het niet, alsof Juffrouw Spaak hem werkelijk de appels tegen den wand in de zaal heeft hooren gooien, en alsof de jonge baron Adriaan hem gevolgd is over den zolder en de zoldertrap af?
Maar als dat zoo is, als dat zoo is...... misschien kan een van hen, die nu de werkelijkheid ziet, die daar ligt achter de werkelijkheid, waarin we nu leven, het raadsel oplossen.
XI.
De jonge baron Adriaan lag in het groote bed van zijn ouders, bleek en onbewegelijk. Als men den vinger op den pols legde, kon men voelen dat het bloed nog stroomde, maar bijna onmerkbaar. Hij was niet weer tot bewustheid gekomen na die diepe flauwte, maar ’t leven was nog niet uitgebluscht.
Een dokter was er niet in de gemeente Bro; maar een knecht was naar Karlsbad gereden om vier uur in den morgen, om een te zoeken. ’t Was een reis van zes mijl en als de dokter thuis was en uit de stad wilde gaan, kon men hem op zijn snelst over twaalf uur verwachten. Maar men moest er op voorbereid zijn, dat het ook wel een of twee dagen kon duren, eer hij kwam.
Baronesse Löwensköld zat aan den kant van het bed en wendde haar oogen niet af van ’t gezicht van haar zoon. Ze scheen te meenen, dat de zwakke levensvonk niet gebluscht zou worden, als ze daar onafgebroken zat te waken en de wacht te houden.
De baron zat soms aan de andere zij; maar hij kon zich niet stil houden. Hij nam een van de slappe handen tusschen de zijnen en voelde den pols; hij liep naar het venster en keek langs den weg; hij ging door de kamers om op de klok in de zaal te kijken. Ook antwoordde hij op de dringende vragen, die te lezen stonden in de oogen van zijn dochters en de gouvernante, met een hoofdschudden en ging weer terug naar de ziekenkamer.
Daar mocht niemand anders binnen komen dan Juffrouw Spaak. De dochters niet, ook geen van de meisjes, alleen Juffrouw Spaak. Ze had de juiste manier van loopen, de juiste toon van stem, zij paste in een ziekenkamer.
Juffrouw Spaak was midden in den nacht wakker geworden van ’t roepen van Adriaan. Toen ze dadelijk daarna den zwaren val hoorde, was ze opgevlogen. Ze trok vlug haar kleeren aan; ze wist zelf niet hoe; maar ’t was een van haar wijze vaste regels, dat men nooit ongekleed uit zijn kamer moet loopen, want dan kan men niet helpen. In de zaal was zij de barones tegengekomen, die hulp was gaan roepen, en toen had zij met de ouders Adriaan opgelicht en in ’t groote bed gelegd. Eerst meenden ze alle drie, dat hij al dood was; maar toen had Juffrouw Spaak een kleine beweging van den pols gevoeld.
Ze hadden enkele pogingen aangewend om hem weer bij te brengen; maar het levensvonkje was uiterst zwak en scheen bij al wat ze probeerden, in kracht af te nemen. Toen werden ze moedeloos en durfden niets meer probeeren. Er bleef niet anders over dan te zitten wachten.
De barones vond het prettig Juffrouw Spaak in de kamer te hebben, omdat ze heel kalm was en er volkomen zeker van scheen, dat Adriaan gauw weer bij zou komen. Ze liet Juffrouw Spaak zich met haar bezig houden, haar ’t haar kammen en de schoenen aantrekken. Toen zij de kleeren aan moest doen, moest ze opstaan, maar zij liet aan Juffrouw Spaak over haken en knoopen vast te maken en wendde de oogen niet van het gezicht van haar zoon af.
Juffrouw Spaak kwam bij haar binnen met een kop koffie en bracht er haar toe met vriendelijk aandringen, dien uit te drinken.
De barones had een gevoel, alsof Juffrouw Spaak altijd door bij haar was. Maar zij was ook in de keuken en zag toe, dat allen op den gewonen tijd hun eten kregen. Zij vergat niets. Ze was doodsbleek, maar ze deed haar werk. ’t Ontbijt voor de familie kwam op tijd op tafel en de herdersjongen kreeg zijn etenszakje mee, toen hij met de koeien uittrok.
In de keuken vroegen de dienstboden wat er toch met den jongen baron was gebeurd, en zij antwoordde, dat hij bij zijn ouders was komen binnenvliegen en iets van den Generaal had geroepen. Toen was hij flauw gevallen en nu was het onmogelijk hem weer bij te brengen.
„’t Is toch zeker, dat de Generaal zich aan hem heeft vertoond,” zei ’t keukenmeisje.
„Is het niet vreemd, dat hij zoo bar tegen iemand van zijn eigen familie is?” vroeg het kamermeisje verwonderd.
„Och, hij verloor zeker zijn geduld. Ze deden immers niet anders dan om hem lachen. Hij wou zeker zijn ring terug hebben.”
„Je denkt toch niet, dat zijn ring hier op Hedeby is?” zei het kamermeisje. „Hij is in staat het huis boven ons hoofd in brand te steken, om hem te krijgen.”
„Zeker is die hier in een of anderen hoek,” zei het keukenmeisje. „Anders zou hij toch niet altijd door hier op de hoeve rondzwerven.”
Juffrouw Spaak maakte dien dag een uitzondering op haar goeden regel om niet te luisteren naar wat de dienstboden over hun volk hadden te zeggen.
„Wat is dat voor een ring, waar jelui over spreekt?” vroeg zij.
„Weet de juffrouw dan niet, dat de Generaal hier naar zijn zegelring loopt te zoeken?” zei het keukenmeisje, dat blij was met haar vraag.
Zij en het kamermeisje brachten Juffrouw Spaak op de hoogte van de geschiedenis van de grafplundering en het Godsoordeel, en toen zij alles gehoord had, twijfelde zij er geen oogenblik aan, dat de ring op een of andere manier naar Hedeby was gekomen en daar ergens verborgen was.
Een rilling ging Juffrouw Spaak door de leden, ongeveer als toen zij voor ’t eerst den Generaal op de zoldertrap had ontmoet. Dat was het juist, waar zij altijd door bang voor was geweest. Ze wist nu hoe wreed en onbarmhartig dat spook kon wezen. Het was voor haar nu absoluut zeker, dat wanneer hij zijn ring niet terug kreeg, baron Adriaan sterven moest.
Maar nauwelijks was zij tot deze conclusie gekomen of zij, resoluut als ze was, zag in wat er nu gedaan moest worden. Als die verschrikkelijke ring op Hedeby was, moest men hem toch kunnen vinden.
Zij ging even naar ’t hoofdgebouw, keek even in de ziekenkamer, waar alles nog hetzelfde was, liep vlug de zoldertrap op en maakte het bed op in Adriaan’s kamer, zoodat het daar in orde zou zijn, tegen den tijd, dat hij beter werd en daarheen zou worden gebracht. Toen ging ze naar de freules en de gouvernante, die verschrikt bijeenzaten en niet in staat waren iets te doen. Ze zei haar zooveel van wat zij had gehoord, dat zij wisten, waar het om ging, en vroeg haar of ze niet wilden helpen zoeken naar den ring.
Ja, daar waren ze dadelijk toe bereid. De freules en de gouvernante namen op zich het huis te doorzoeken, in de kamers en de zolderkamertjes. Juffrouw Spaak zelf ging naar den keukenvleugel en bracht alle meisjes op de hoeve in beweging.
„De Generaal vertoont zich even vaak in de keuken, als in ’t groote huis”, dacht zij. „Er is iets, dat mij zegt, dat de ring hier wezen moet.”
Zij keerden alles onderste boven wat in de keuken en de provisiekamer was, wat er te vinden was in de bakkerij en de brouwerij. Ze zochten in spleten in den muur en in de haarden en voelden zelfs in de rattegaten.
Onder dit alles vergat ze niet, telkens gauw over de plaats te loopen en even in de ziekenkamer te kijken. Bij een van haar bezoeken vond zij de barones schreiend neerzitten. „Hij is erger!” zeide zij. „Ik geloof, dat hij stervende is.”
Juffrouw Spaak boog zich voorover, nam Adriaan’s krachtelooze hand in de hare en voelde zijn pols. „Welneen, Mevrouw,” zei ze, „hij is niet erger, eerder wat beter!”
Het gelukte haar de huismoeder gerust te stellen; maar zelf was ze innerlijk wanhopend. Stel je voor, dat de jonge baron stierf, vóór zij den ring gevonden had!
In haar angst vergat ze een oogenblik op zich zelf te letten. Toen ze Adriaan’s hand neerlegde, streek zij er even liefkoozend met de hare over. Zelf wist ze het bijna niet, maar de barones merkte het op.
„Mon dieu!” dacht ze, „arm kind, staan de zaken zóó? Misschien moest ik haar zeggen..... Maar dat doet er niet toe, als we hem maar behouden mogen. De Generaal is boos op hem, en hij op wien de Generaal boos is, moet sterven.”
Toen Juffrouw Spaak in de keuken terugkwam, vroeg zij de meisjes of er niet in den omtrek iemand was, die men gewoonlijk bij zulk een ongeluk liet halen. Of moest men altijd wachten tot de dokter kwam?
Ja, andere menschen zonden om Marit Eriksdochter in Olsby, als iemand wat overkomen was. Zij kon bloed stelpen, en gebroken gewrichten zetten. En zij zou baron Adriaan wel uit den doodsslaap kunnen wekken; maar naar Hedeby wilde ze hoogstwaarschijnlijk niet komen.
Terwijl ’t kamermeisje en Juffrouw Spaak over Marit Eriksdochter spraken, stond het keukenmeisje boven op een trap en keek op de hooge plank, waar eens de weggeraakte zilveren lepels waren gevonden.
„Ach!” riep zij uit, „Daar vind ik iets, wat ik al lang gezocht heb. Hier ligt zoowaar baron Adriaan’s oude muts.”
Juffrouw Spaak was ontzet! Hoe moest het er wel in de keuken hebben uitgezien, vóór zij op Hedeby kwam! Hoe kon de muts van baron Adriaan hierheen gekomen zijn?
„Dat is zoo wonderlijk niet,” zei ’t keukenmeisje. „Hij was er uitgegroeid en hij gaf hem mij om er een paar panlappen van te maken. Het is warempel goed, dat ik hem heb gevonden.”
Juffrouw Spaak nam haar snel de muts uit de hand. „’t Is zonde hem te verknippen,” zei ze. „Je kunt hem nog aan een arm mensch geven.”
Dadelijk daarna nam ze de muts mee naar buiten en begon er het stof uit te kloppen. Terwijl ze daarmee bezig was kwam de baron uit het groote huis.
„We vinden, dat Adriaan erger wordt”, zei hij.
„Is er hier niemand in de buurt, die verstand van zieken genezen heeft?” vroeg Juffrouw Spaak heel onschuldig.
„De meisjes praten over een vrouw, die Marit Eriksdochter heet.”
Het gezicht van den baron verstijfde.
„Natuurlijk zou ik niet aarzelen om mijn ergsten vijand te laten halen, nu het om het leven van Adriaan gaat.” zei hij. „Maar dit zou niets geven. Marit Eriksdochter komt niet naar Hedeby.”
Juffrouw Spaak durfde niet tegenspreken, toen ze dit antwoord kreeg. Ze zocht den heelen keukenvleugel door, zorgde voor het middagmaal, en kreeg zelfs gedaan, dat de barones iets at. De ring was niet gevonden en Juffrouw Spaak herhaalde keer op keer in stilte; „Wij moeten den ring vinden! De Generaal laat Adriaan sterven, als we zijn ring niet terugbrengen.”
Na den middag ging Juffrouw Spaak op weg naar Olsby. Ze deed dat op eigen verantwoording. De pols was zwakker geworden en de slagen kwamen met langer tusschenpoozen, telkens als ze bij den zieke was geweest. Ze had geen rust om op den dokter uit Karlsbad te wachten. Wel was het meer dan waarschijnlijk, dat Marit „Neen” zou zeggen; maar Juffrouw Spaak wilde geen middel onbeproefd laten.
Marit Eriksdochter zat op haar gewone plaats op den stoep van haar huisje toen Juffrouw Spaak kwam. Zij had geen werk in de hand, maar zat achterover geleund met gesloten oogen. Maar ze sliep niet; zij zag op, toen Juffrouw Spaak aankwam en herkende haar dadelijk.
„Ah zoo!” zei ze. „Sturen ze nu om mij, van Hedeby?”
„Heeft Marit al gehoord hoe droevig het bij ons is?” vroeg Juffrouw Spaak.
„Ja, dat heb ik gehoord,” antwoordde Marit, „en ik wil niet komen.”
Juffrouw Spaak antwoordde haar in ’t geheel niet. Een drukkende hopeloosheid kwam over haar. Alles liep haar tegen, en dit was het ergste van alles. Ze kon zien en hooren, dat Marit blij was. Ze had zich daar op den stoep in het ongeluk zitten verheugen; zich er over verheugd dat Adriaan Löwensköld sterven zou!
Tot hiertoe had het jonge meisje zich goed gehouden. Ze had niet geschreid of geklaagd, toen ze Adriaan op den grond had zien liggen. Ze had er alleen aan gedacht hoe ze hem en alle anderen helpen zou. Maar Marit’s tegenstand brak haar kracht. Ze begon te schreien, heftig en onbeheerscht. Ze strompelde naar den grauwen muur van een van de bijgebouwen, leunde er met het voorhoofd tegen en schreide en snikte.
Marit boog zich wat voorover. Lang wendde ze de oogen niet van het arme meisje af. „Ach! staan de zaken zoo?” dacht ze.
Maar op datzelfde oogenblik, dat Marit haar zat aan te zien, die tranen van liefde schreide over hem, dien ze liefhad, gebeurde er iets in haar eigen ziel.
Ze had een paar uur geleden gehoord, dat de Generaal aan Adriaan verschenen was en hem bijna dood had laten schrikken. En ze had in zich zelf gezegd, dat het uur van wraak eindelijk was gekomen. Daar had ze jaren lang op gewacht, maar altijd te vergeefs. Ritmeester Löwensköld was ten grave gedaald, zonder dat eenige straf hem had getroffen. Wel had de Generaal op Hedeby loopen spoken, sinds zij er voor had gezorgd, dat de ring daar kwam; maar het scheen alsof hij ’t niet over zijn hart had kunnen verkrijgen zijn eigen familie met zijn gewone wreedheid te vervolgen.
Maar nu was het ongeluk over hen gekomen, en nu kwamen ze haar om hulp vragen! Waarom gingen ze niet liever naar de dooden op het galgenveld!
Het deed haar goed te zeggen: „Ik kom niet.” Dat was haar manier om wraak te nemen.
Maar toen Marit dat jonge meisje daar zag staan schreien, met het hoofd tegen den muur geleund, werd er een herinnering in haar wakker.
„Zie, daar heb ik ook staan schreien tegen dien harden muur geleund. Ik had geen mensch om op te steunen.”
En op ’t zelfde oogenblik welde de bron van haar jeugdliefde op in Marit’s hart, en vulde haar met haar warmen stoom. Ze zat daar verwonderd en zei tegen zich zelf: „Zóó voelde ik dat in der tijd. Zóó was het iemand lief te hebben, Zóó heerlijk en sterk was het!”
En ze zag voor haar oogen de jonge, vroolijke, sterke, heerlijke Paul Eliasson. Ze herinnerde zich zijn oogen, zijn stem, heel zijn manier van doen. Haar heele hart werd vol van hem.
Marit meende, dat ze hem altijd door had liefgehad, en dat had ze zeker ook. Maar hoe waren niet haar gevoelens gedoofd in die lange jaren. Nu in dit oogenblik brandde haar ziel weer met vollen gloed.
Maar tegelijkertijd dat de liefde weer in haar wakker werd, herinnerde zij zich ook de vreeselijke pijn, die het doet, wanneer de mensch iemand dien hij liefheeft, moet verliezen.
Marit zag naar Juffrouw Spaak, die daar maar steeds stond te schreien. Nu wist Marit wat zij voelde. Een poos geleden was nog de koelte van de jaren over haar geweest. Toen had zij vergeten hoe het vuur brandde; nu herinnerde zij het zich. Zij wilde er niet de oorzaak van zijn, dat iemand lijden zou wat zij zelf geleden had, en ze stond op en ging naar Juffrouw Spaak toe.
„Kom! Ik zal met U mee gaan.” zei ze kortaf. Juffrouw Spaak kwam dus terug op Hedeby met Marit Eriksdochter. Op den geheelen weg had Marit geen woord gezegd. Juffrouw Spaak begreep later, dat zij er over had loopen denken, hoe zij zou doen om den ring te vinden.
Zij ging met Marit regelrecht naar de groote deur en bracht haar in de ziekenkamer. Daar was alles nog hetzelfde. Adriaan lag daar, mooi en bleek, maar stil als een doode, en de barones zat daar onbewegelijk naar hem te kijken.
Eerst toen Mant Eriksdochter bij het bed kwam, keek zij op.
Maar zoodra zij de vrouw had herkend, die daar naar haar zoon stond te kijken, zonk zij voor haar neer op den vloer en legde haar gezicht tegen haar rok.
„Marit, Marit!” zei ze. „Denk niet aan al het kwaad, wat de Löwensköld je hebben gedaan. Help hem, Marit! Help hem!”
De boerenvrouw trok zich wat terug; maar de arme moeder sleepte zich op de knieën voort, haar achterna.
„Je weet niet hoe bang ik ben geweest, zoodra de Generaal hier begon te spoken. Ik ben al dien tijd bang geweest, en heb gewacht. Ik wist, dat nu zijn toorn zich tegen ons zou keeren.”
Marit stond stil. Ze sloot de oogen en scheen in zich zelf verzonken. Juffrouw Spaak was er zeker van, dat zij het prettig vond, de barones over haar lijden te hooren praten.
„Ik heb naar je toe willen gaan, Marit, en voor je op de knieën vallen, zooals ik nu doe en je smeeken de Löwenskölds te vergeven. Maar ik durfde niet. Ik dacht, dat het onmogelijk voor je was te vergeven.”
„Dat moet Mevrouw de barones me niet vragen,” zei Marit. „Want het is zoo: ik kan niet vergeven.”
„Maar nu ben je toch hier.”
„Ik ben gekomen ter wille van Juffrouw Spaak.... omdat zij het mij vroeg.”
Met die woorden ging Marit naar de andere zijde van het bed. Ze legde de hand op de borst van den zieke en mompelde een paar woorden. Tegelijkertijd trok ze rimpels in haar voorhoofd, draaide met de oogen en trok de lippen bij elkaar. Juffrouw Spaak vond, dat ze deed zooals de „wijze vrouwen” gewoonlijk doen.
„Hij blijft wel in ’t leven,” zei Marit, „maar Mevrouw de barones mag niet vergeten, dat het enkel en alleen om Juffrouw Spaak is, dat ik hem help.”
„Ja, Marit,” antwoordde de barones, „dat zal ik nooit vergeten.”