Part 2
Het kamp werd door de avonturiers opgeslagen op een open plek, dicht bij de uiterste punt van de landtong en niet verder dan enkele vademen van de prauw verwijderd, die zij stevig hadden vastgemeerd bevestigd aan een grooten eik, zeker de oudste in deze woeste streken, die eenzaam en afgezonderd stond op het hoogste punt, alsof hij zich daar wilde vergasten aan het grootsche landschap dat zich aan zijn voet uitbreidde.
Van deze plaats, beheerschten de flibustiers de rivier en konden alles gewaar worden wat daarop voorviel.
Nadat door Tributor eene hoeveelheid hout was bijeengebracht, voldoende om het vuur den ganschen nacht aan te houden, ving hij aan om alles voor den avonddisch gereed te maken; het was reeds laat, de dag was vermoeiend geweest, en de drie mannen hadden allen trek, doch toen hij den leeftocht onder oogen kreeg, zag hij dadelijk dat de provisie zeer was ingekort en er genoegzaam niets was overgebleven. Dit was een hoogst ernstig geval. De drie avonturiers beraadslaagden met elkaar. Zij allen waren lieden verhard door het leven in de Amerikaansche woestijnen; zonder zich dus erg ongerust te maken, doorzochten zij den omtrek van hun tijdelijk verblijf, om zich zekerheid te verschaffen of die hun eenige levensmiddelen zou kunnen opleveren. Op ongeveer vijftig schreden beneden hun kamp vormde de rivier een kreek of baai, waarvan de ingang zeer nauw was, maar die zich verder op uitbreidde en een meertje vormde, dat in moerassen uitliep. Bij den ingang en langs de oevers van dit meer waren groote plekken pistia, nymphea en andere waterplanten; de forel houdt bij voorkeur zijn verblijf bij dergelijke planten, en dus was het meer dan waarschijnlijk dat men die visch dáár zou kunnen bemachtigen. Voor een gedeelte van het souper bestond dus bijna geen bezwaar meer. Bovendien waren de oevers en de eilandjes van het meer overal bedekt met planten en heesters die in bloei stonden; tal van kleine vogels liepen met half uitgeslagen vleugels langs de kreeken, en vervolgden elkaar al tjilpend onder het hoog opgeschoten gras; hoog in het water zwommen talinkjes rustig de moeder volgende, terwijl er nu en dan een gesnapt werd door eene groote forel die op haar beurt de prooi werd van een vraatzuchtige krokodil.
Voor het souper was dus alles te verkrijgen, visch, wild, tot zelfs sappige vruchten; het kwam er nu slechts op aan, die visschen te vangen, die vogels te dooden en die vruchten te plukken. Die bezigheden werden verdeeld; Montbars nam de jacht op zich; Luiwammes zou visschen; Tributor belastte zich met het plukken van de vruchten en Monaco, die zeer bedaard op zijn achterklavieren bleef zitten, moest het kampement bewaken en keek daarbij zeer ernstig naar de verschillende bewegingen zijner meesters.
Het was zacht en helder weer: de krokodillen deden zich hooren en vertoonde zich in talrijke groepen langs de oevers en in den stroom van de rivier.
Opeens kwam een kaaiman uit de struiken en bladeren waartusschen hij verscholen had gelegen. Het afgrijselijke dier zwelgde een massa water naar binnen en sloeg nu en dan met den schubachtigen staart. Het water golfde uit den wijd geopenden muil en uit zijne neusgaten steeg een wolk van damp op. Het gebrul dat hij deed hooren weerklonk heinde en ver. De drie avonturiers staakten allen hunne verschillende bezigheden, en ondanks al hunne manhaftigheid, gevoelden zij zich angstig en verschrikt. Het uitdagende gebrul van den kaaiman werd dadelijk aan den tegenovergestelden oever op gelijke manier beantwoord, en een tweede kaaiman kwam voor den dag. De twee monsters stoven op elkaar los en deden in hun vaart het water schuimend opstuiven. Daarop begon een afschuwelijke worsteling, of beter gezegd een ontzettend tweegevecht. Kort in elkaar gestrengeld doken zij dadelijk en verdwenen in de diepte, en terstond daarna borrelde van den bodem een dikke laag modder op, die het water tot op verren afstand troebel deed worden. Spoedig echter kwamen zij weer boven, steeds vechtende, en deden de lucht weergalmen van het herhaalde geklapper van hunne zware kakebeenen, die zij met kracht en geweld open en dicht sloegen; toen doken zij weer, en de strijd eindigde op den bodem van het meer.
De overwonnene maakte zich het troebele water ten nutte, om te gaan schuilen in de moerassen, doch de trotsche overwinnaar kwam weer te voorschijn op de plek waar de worsteling was ontstaan. Het monster scheen zeer in zijn schik, en het was alsof een groot aantal kaaimannen die van den kampstrijd getuigen waren geweest, hem toejuichten, want de echo’s herhaalden tot vervelens toe hunne afschuwelijke geluiden, die tot ver in de bosschen weerklonken. Het afschuwelijke schouwspel dat zoo onverwacht vóór hunne oogen was afgespeeld, deed bij de avonturiers ernstige bezorgdheid ontstaan, want zij begrepen ten volle hoe ieder oogenblik hun toestand nog bezwarender en gevaarlijker kon worden. De zon was op het punt van onder te gaan en de krokodillen kwamen van alle kanten opzetten, om zich te vereenigen in de haven kort waarbij de flibustiers hun nachtverblijf hadden opgeslagen. Die overwegingen brachten hen er toe om den voorgenomen tocht naar de kreek om visch en talingen te vangen ten spoedigste te staken, en daar zij meenden dat het zeer noodzakelijk was om al hunne krachten te vereenigen, werd Tributor door Montbars en Luiwammes aangeroepen, en stapten met hem in de prauw, Monaco voorloopig ter bescherming van het kamp achterlatende. Zij namen hun geweren niet mede, daar die nu geen dienst konden doen en wapenden zich met stevige staken beter geschikt om zich tegen de kaaimannen te verdedigen, zoo die monsters mochten beproeven hen aan te vallen.
Toen vertrokken zij; gekomen bij den eersten troep kaaimannen, waardoor zij als omringd waren, weken die dieren; doch daar enkele der grootste de avonturiers volgden, bleven deze op hunne hoede en pagaaiden zoo snel zij konden, naar den toegang tot het moeras, in de hoop dat zij daar bevrijd zouden wezen van het verder opdringen dier monsters. Doch nog eer zij halverwege waren gekomen, werden zij op eens van alle zijden aangevallen. Verscheidene kaaimannen deden hun best om de prauw te doen kantelen, vier van de sterksten waren tegelijk daarmeê bezig, brulden afschuwelijk en braakten massa’s schuim over de avonturiers uit, wier toestand zeer kritiek werd, daar zij onophoudelijk in het gevaar verkeerden van in het water te vallen en dan door de monsters verslonden te worden.
Toch slaagden zij er eindelijk in, doch niet dan na de grootste moeite, de prauw dicht naar den oever te sturen, en daarna langs de kust waardoor zij minder gevaar liepen. Terwijl Montbars en Luiwammes pagaaiden, hield Tributor door middel van een enorm zwaren staak de kaaimannen op behoorlijken afstand. Zij maakten zich die tijdelijke verademing ten nutte om eenige forellen en een paar talingen te vangen en haastten zich te wenden, om zoo spoedig doenlijk weer in hun kamp te komen. De kaaimannen waren in grooten getale bijeengekomen vlak vóór den ingang van de haven, toch gelukte het aan de vrijbuiters, dank zij hun beleid en hunne stoutmoedigheid, het kamp te bereiken, zonder te erg in de klem te zijn geraakt. Toen was hun eerste zorg de prauw zoo ver mogelijk op vasten wal te trekken, om daardoor den monsters te beletten haar te doen kantelen of te doen zinken. Na alles wat er zich in bevond meegenomen te hebben, maakten de flibustiers het gansche terrein rond hen effen, om bij een mogelijken nachtelijken aanval, hetzij van den waterkant hetzij van de landzijde, door niets te worden gehinderd. Want zij hadden ook nog bemerkt dat het schiereilandje wat zij hadden uitgekozen, tamelijk druk bezocht werd door wolven en beren, wier sporen overal merkbaar waren. Na eene verkenning in de omstreken van het kamp begonnen de avonturiers aan de toebereidselen voor hun maal, en legden tevens het wachtvuur aan.
Het was reeds donker geworden; het gebrul van de kaaimannen had opgehouden, en de avonturiers zaten druk en met goeden trek te eten, toen op eens hunne aandacht opnieuw werd gaande gemaakt door een ontzettend rumoer dat in de rivier ontstond, dicht bij hun kamp. Toen waren zij getuigen van een vreemd schouwspel, dat niet alleen met de grootste verrassing maar zelfs met bewondering door hen werd aanschouwd. Dat ontzettende rumoer toch, werd veroorzaakt door eene ontelbare menigte kaaimannen die zich bij den ingang van de haven vereenigd hadden. De rivier scheen over hare gansche oppervlakte van den eenen oever tot den anderen en verder dan een mijl, zoowel boven als beneden het kamp der vrijbuiters, niets anders dan één enkele stevig ineengedrongen school visschen van allerlei soort die zich in den zoo nauwen ingang der haven verdrongen, om uit de rivier naar het kleine meer te komen. De krokodillen wachtten hen dáár, en waren zóó talrijk en lagen zóó tegen elkaar aangedrukt, dat het niet moeielijk zou geweest zijn, de rivier over hunne koppen over te steken.
Ondoenlijk is het te beschrijven welk eene afschuwelijke slachting er plaats had, gedurende den tijd dat dit onnoemelijk aantal visschen trachtte den doortocht te forceeren; millioenen bij millioenen werden door die vraatzuchtige monsters verzwolgen. Het gebeurde soms dat een aantal visschen tegelijk door een kaaiman hoog uit het water werden opgegooid en in het vallen weer gegrepen en tusschen de sterke tanden verbrijzeld; de staarten der forellen sloegen nog langs de huid of in de oogen der monsters, terwijl de koppen reeds waren verslonden; het geklapper van de kakebeenen der kaaimannen was ijzingwekkend; meer dan eens zag men hoe zij doken midden onder dien hoop rampzalige visschen, om bijna terstond met hun prooi weer boven te komen, en zich alsdan ter hoogte van eenige voeten uit het water op te heffen. Stroomen bloed en water golfden uit hunne muilen, en het was of uit hunne neusgaten een wolk van rook steeg. Die ontzettende slachting duurde zoolang er nog visschen waren die naar een uitgang zochten, dat wil dus eigenlijk zeggen den ganschen nacht door.
Hoe afgrijselijk dit schouwspel ook mocht wezen, toch stelde het de avonturiers eenigszins gerust, want nu werd het hun duidelijk dat die verzameling van zulk een groot aantal kaaimannen moest worden toegeschreven aan den regelmatigen terugkeer der visschen, en bijgevolg konden zij er staat op maken, dat die monsters het nu in hun eigen element te druk zouden hebben om alles te verorberen, dan dat zij er nog over zouden denken het kamp aan te vallen. De flibustiers hervatten dus hun maal, en toen dit was afgeloopen, gooiden zij zooveel hout op het vuur dat dit lang genoeg kon aanblijven, strekten zich toen op den grond uit, en sliepen spoedig zoo rustig en onbezorgd, als alleen mogelijk is wanneer men vertrouwd is geworden met ieder gevaar.
Tegen twee ure in den morgen werd Tributor plotseling in zijn slaap gestoord door Monaco, die hem over het gelaat likte en tegelijk zacht knorde.
—Wat is er aan de hand, trouw dier?—vroeg de reus, die zich half slaapdronken de oogen uitwreef, en toen met uitvorschenden blik om zich heen keek.
Alles was kalm en stil, iets wat hij gemakkelijk gewaar kon worden, daar het zeer licht was door den helderen maneschijn, en de flikkering van de millioenen sterren, die als diamanten aan den hemel schitterden. Maar daar de pandeling wist hoe goed hij op zijn hond kon vertrouwen en dat het dier hem niet zonder reden zou wekken, greep hij zijn geweer en luisterde scherp toe. Een oogenblik later kwam het hem voor alsof hij een nog bijna onmerkbaar geluid hoorde dat van de landzijde kwam; Monaco bleef steeds knorren. Tributor stond zeer stil op en luisterde opnieuw; toen vernam hij duidelijk het geluid van een dier dat door het water liep. De pandeling achtte het onnoodig zijne metgezellen te wekken, doch toch wilde hij zonder verder verwijl weten waardoor het geluid werd veroorzaakt, dat zich hoe langer hoe sterker deed hooren; daarom begaf hij zich buiten het kamp en liep zeer behoedzaam naar den ingang van de haven. Een honderdtal passen verder stond hij stil en verschool zich tusschen een groepje oranjeboomen. Monaco was steeds bij hem gebleven, maar de hond liep niet zooals anders snuffelend vooruit, doch volgde thans zijn baas met hangende ooren en den staart tusschen de pooten. Dit was zóó vreemd bij dit dier, dat Tributor vermoedde dat de vijand die kon opdagen, wie af wat die wezen mocht, zeker niet gering mocht geschat worden, en bijgevolg hield hij zich gereed om dien bij de eerste verschijning behoorlijk te ontvangen. Lang behoefde hij niet te wachten; want slechts enkele minuten daarna, werd Tributor op geen verderen afstand dan vijftig vademen, twee groote zwarte beren gewaar, die dwars door het water het bosch waren ingeloopen en nu bedaard naderden naar den kant waar hij zich bevond. Waarschijnlijk waren die dieren nog niets bewust geworden van de aanwezigheid van Tributor, daar zij langzaam bleven doorloopen zonder de minste onrust te toonen, maar op een afstand van vijftien vademen gekomen, begonnen zij te snuffelen, hun neus in den wind te steken en overal rond te staren. Tributor begreep dat zij hem gewaar waren geworden; hij mikte en schoot met goed gevolg, want een der beren, de zwaarste, rolde over den grond; de andere keerde dadelijk om, vluchtte overhaast, plompte in het water en verdween in het moeras. Tributor verliet toen zijn schuilplaats, en liep naar den getroffen beer, om hem verder af te maken, zoo het dier nog niet dood mocht wezen, maar bij hem gekomen bespeurde hij dat het morsdood was; de kogel was door het oog heen ingedrongen. Montbars en Luiwammes wakker geworden door het gevallen schot, dachten niet anders dan dat er een aanval gaande was en snelde toe om Tributor te hulp te komen. Tegelijkertijd sprong Monaco, die tot nu toe steeds dicht achter zijn meester was gebleven, vooruit onder hevig geblaf.
—Hoe nu!—sprak Tributor in zich zelf, terwijl hij zijn geweer haastig weer laade.—Al wêer iets op til! Het is een raar soort van landje hier, dat men er bijna geen oogenblik rust kan hebben!
—Mooi zoo, mijn jongen!—riep Montbars hem toe.—Het is een uitmuntend schot! Dat noem ik nu nog eens een mooie jacht.
—En die waarschijnlijk nog niet is afgeloopen,—merkte de reus aan.—Luister maar eens naar Monaco!
—Ja,—bevestigde Luiwammes,—de hond heeft zeker de lucht van iets gekregen, maar ik zou zeggen, ofschoon het mij vreemd voorkomt, dat het er meer van heeft of hij blaft uit blijdschap dan wel uit kwaadheid.
—Daar hebt ge gelijk in—hernam Tributor.—Nu dit is al zeer vreemd.
—Laten wij gaan zien wat er van waar is,—sprak Montbars, die de haan van zijn geweer spande om op alles bereid te wezen, en toen met vasten tred het spoor van den hond volgde.
Zijne metgezellen volgden hem. Alle drie liepen het bosch dwars door, behoorlijk er voor zorgende van iederen boom als borstwering gebruik te maken, en kwamen toen na enkele minuten aan de grens van de belommering. Toen zagen zij op ongeveer een geweerschot afstand van de plek waar zij stonden twee mannen, die met het geweer over den schouder in groote haast naar hun kant kwamen. Vroolijk blaffend sprong Monaco op en langs die beide mannen.
—Wel drommels!—begon Montbars—Nu wordt het hoe langer hoe interessanter! Monaco schijnt bij kennissen te wezen. Zou hij bij geval een vriend hebben onder de Spanjaarden? Daar moet ik dadelijk het mijne van hebben!
De flibustier deed een paar passen buiten het bosch, zette het geweer met de kolf op den grond en riep met luider stem:
—Werda!
—Vrienden!—werd hem terstond daarop in het Fransch toegeroepen.
—Vrienden? Des te beter!—hernam Montbars.—Het kan waar wezen, want het is of je stem mij niet geheel onbekend is, maar toch, mijn goede man, zoudt ge mij genoegen doen te zeggen wie ge zijt, eer ge een stap verder doet.
—Kom, kom, Montbars, dat doet er immers niet toe!—luidde het antwoord.—Ik ben Philippe.
—Philippe!—herhaalde de avonturier met de grootste verbazing.—Wel drommels! Dat is eerst eene zeldzame ontmoeting.
Dadelijk verlieten zij hunne schuilplaats, en ijlden met vaart de anderen te gemoet, die van hun kant ook hun tred bespoedigden. Werkelijk waren het Philippe en Pitrians. Hoe hartelijk en oprecht gemeend was de wederzijdsche begroeting! De vijf avonturiers keerden in opgetogen stemming terug naar het kamp, doch vergaten niet ook den beer daarheen te brengen, zoo behendig geveld door Tributor, die niet had kunnen vermoeden dat dit goed gemikte schot nog buitendien zulke belangrijke gevolgen zou hebben, waardoor de avonturiers elkander ontmoet hadden.
III.
DE VRIJBUITERS.
Tributor wierp een goede portie droog hout op het wachtvuur, dat toen opnieuw vroolijk opflikkerde, de vrijbuiters legden zich er om heen, en toen vroeg Montbars aan Philippe door welk toeval hij hier was gekomen, op eene plek zóó ver verwijderd van de streken die gewoonlijk door de flibustiers bezocht worden.
—Diezelfde vraag zou ik tot jou kunnen richten, waarde Montbars,—gaf Philippe ten antwoord.—Want dat toeval, aangenomen dat er een toeval is, bestaat evenzeer voor jou als voor mij.
—Dat is zoo, vriendlief,—stemde Montbars toe,—maar wat mij betreft is het juist niet geheel alleen het toeval dat mij hier heeft gebracht.
—Wat dan nog meer?
—De storm! Door een stormvlaag heb ik mijn schoener verloren, en ben hier aangeland eigenlijk zonder precies te weten waar ik mij bevond; ik moet er echter in één adem bijvoegen, dat ik zeer in mijn schik was, zoodra ik bemerkte dat ik in de golf van Venezuela was terecht gekomen, want reeds sinds lang was het mijn wensch die te bezoeken.
—En uwe bemanning?
—Behalve mijne beide metgezellen hier, is die totaal verloren gegaan.
—Dat is zeer treurig!—zuchtte Philippe en schudde het hoofd.—Wat mij zelven aangaat, wil ik je rondweg verklaren, waarde Montbars, dat ik Tortue verlaten heb met het formeele plan mij hierheen te begeven.
—En ben jij, evenals ik, door een onheil overvallen?
—Neen, Goddank niet! Mijn schip ligt verscholen in een kreek van de kust, en geankerd te midden van dicht geboomte, dat er als het ware zulk een dicht gordijn om vormt, dat ik de gavachos tart om het dáár te ontdekken.
—Heerlijk, opperbest, kameraad! Dat is een nieuwtje dat mij des te meer welkom is daar ik je eerlijk moet bekennen dat ik waarlijk geen raad wist hoe ik mij uit dit wespennest hier redden moest.
—Je kunt geheel over mij beschikken, daaraan zult gij trouwens niet hebben getwijfeld.
—Dank je wel! Wanneer zijt ge aangekomen?
—Gisterenavond tusschen zeven en acht uur. Eer ik dezen morgen aan wal zou gaan, kreeg ik, bezig om den horizont op te nemen, een prauw in het oog, die de punt bij de vuurbaak omkwam. Ik kon wel niet duidelijk gewaar worden door wie die bemand was, maar reeds bij het eerste gezicht zag ik dat er Broeders der Kust in zaten. Toen deed ik mij dadelijk naar wal roeien en ben er terstond op los gegaan om je op te zoeken, en, zoo gij daaraan behoefte mocht hebben, je mijne goede diensten aan te bieden, en mij geheel tot je beschikking te stellen.
—Waarde vriend, bij herhaling nogmaals dank, zoowel voor mijn persoon als voor mijne metgezellen, want op mijn woord wij bevonden ons in een zeer neteligen toestand. Nu wil ik ook gaarne erkennen, dat het toeval, waarover ik sprak, werkelijk in dit opzicht niet bestaat. Doch houd mij één enkele vraag ten goede.
—Zeg vrij wat gij verlangt te weten.
—Hoe komt het dat gij ons reeds sedert den ganschen dag zoekt en ons eerst nu diep in den nacht vindt?
—Dat is, als ik mij veroorloven mag dit te zeggen, eenigszins je eigen schuld.
—Hoe dat?
—Hebt ge dan onze signalen niet gehoord?
—Wel, nu ik er over denk,—viel Luiwammes in,—schiet het mij te binnen dat ik even vóór zonsondergang gemeend heb een schot te hooren.
- Zoo was het, wij, Pitrians en ik schoten toen, zooals wij ook den ganschen dag niet hebben nagelaten, op gevaar af van door de Indianen ontdekt te worden, want wij zijn hier, zooals ge weet, in het hartje van het Indiaansch territoir.
—Wij hebben toch niet meer dan één schot gehoord.
—Ja,—voegde Montbars er bij,—en wij durfden het niet te beantwoorden, uit vrees van ons daardoor de Spaansche boekaniers op den hals te halen.
—De gavachos hebben den moed niet om zich hier te wagen in de streken langs de zee, want de bewoners zijn hunne verwoede vijanden en daarenboven menscheneters.
—Het is goed dat wij dit weten!
—Kort en goed, wij begonnen er aan te wanhopen je te vinden, en stonden op het punt naar boord terug te keeren (ons schip ligt hier dicht bij), toen het door Tributor zóó juist gemikte schot op den beer ons precies de richting aangaf, waar wij je konden ontmoeten. Ge ziet dus, waarde Montbars, dat alles zeer eenvoudig is toegegaan.
—Ge hebt gelijk vriendlief, maar ge hebt mij nog niet gezegd, welke reden je hier naar de kust gevoerd heeft; mocht dit echter een geheim wezen, houd het dan als niet gevraagd, en spreken wij over iets anders.
—Waarde vriend, er bestaat geen enkele aanleiding om die redenen geheim te houden, maar vooral niet tegenover jou. Ik ben op een verkenningstocht om zoowel het terrein als het gansche land te onderzoeken daar ik plan heb eene expeditie tegen Maracaïbo te beproeven, dat, als de geruchten niet overdreven zijn, onmetelijke schatten moet bevatten.
—Is het waar wat ge daar zegt?—riep Montbars met groote opgewondenheid.—Zijt ge werkelijk met dat doel hier?
—Waarom anders zou ik gekomen zijn?
—Dat is zoo! Welnu, waarde Philippe, ik wil niet minder openhartig zijn dan jij. Weet dan dat mijn doel hetzelfde is als het uwe, ook ik wil een aanslag op Maracaïbo wagen.
—Wel drommels!—uitte de jonge man zeer verheugd.—Beter kan het niet treffen! Dan sta ik gaarne en gewillig aan jou het opperbevel over die expeditie af. Uw meerdere ondervinding en uw roemrijke naam geven je daarop het volste recht, alleen zou ik gaarne tot voorwaarde maken dat je mij aanstelt tot je luitenant.
—Blijft dit afgesproken?—vroeg Montbars, die hem de hand toestak.
—Wis en waarachtig!—bevestigde de jonge man met een stevigen handdruk aan den vermaarden vrijbuiter.—Zoo vast en zeker afgesproken, dat ik zoo gij het goedvindt van stonden af aan mij ondergeschikt verklaar, en jou het gezag van mijn schip overdraag.
—Ik neem je aanbod even rondborstig aan als je het mij doet doch alleen in zoo verre betreft deze expeditie, of beter gezegd de verkenning die wij willen beproeven; wat het bevel over uw bodem aangaat, zult ge mij genoegen doen dit te behouden. Naar ik hoop zal het niet lang meer duren eer ik je een nog veel gewichtiger opdraag, als wij hier weer terug zijn gekomen.
—Het zij zooals gij verlangt, waarde Montbars.
Tributor die aan het gansche gesprek geen deel had genomen, was al dien tijd druk in de weer geweest om den beer in stukken te snijden; eerst had hij de vier pooten afgehakt en die onder de gloeiende asch gestopt, daarna met verbazende behendigheid de huid afgestroopt, en schijfjes van de nier afgesneden, die hij terstond roosterde met een paar prachtige forellen en een taling aan het spit gestoken door middel van zijn laadstok. Daarna had hij oranjes, limoenen, guyaven (Indische peren) en andere vruchten geplukt, palmbladeren neergelegd om als borden te dienen, en na al die toebereidselen was hij naar het vuur gegaan. Juist op dat oogenblik brak de dag aan, en prachtig verscheen de zon aan den horizont, te midden van wegtrekkende nevels die schitterden met al de kleuren van den regenboog.
—Het ontbijt staat gereed,—kondigde Tributor aan.
—Kom, laten wij dan gaan eten,—liet Luiwammes er op volgen.
—En al etende kunnen wij verder praten,—voegde Montbars er bij.